Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Tics bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van ticstoornissen, zoals het syndroom van Gilles de la Tourette, bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving tics

De DSM 5 definieert een tic als een plotselinge, snelle, herhaalde, niet-ritmische motorische beweging of vocale uiting. Indien er sprake is van zowel verschillende motorische tics als tenminste één vocale tic, die bovendien gedurende meer dan een jaar optreden, wordt gesproken van de stoornis van Gilles de la Tourette (GTS). Soms komen uitsluitend motorische of vocale tics voor, te classificeren als chronische motorische of vocale ticstoornis. Bij tics die korter dan een jaar aanwezig zijn spreekt de DSM van een voorlopige ticstoornis.

Tot slot bestaan binnen de DSM 5 twee restcategorieën, de anders gespecificeerde ticstoornis en de ongespecificeerde ticstoornis. Deze kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden als tics pas na het 18e jaar starten of als onvoldoende informatie beschikbaar is. In dit hoofdstuk wordt een kort overzicht gegeven van de huidige kennis over ticstoornissen.

Terug naar boven

Tics komen frequent voor bij kinderen maar zijn meestal voorbijgaand. Tot voor kort werd GTS gezien als een ernstige, levenslang durende aandoening. In het merendeel van de gevallen zijn de tics bij GTS echter relatief mild en gaan ze met weinig hinder gepaard. Tics kunnen echter soms zodanig krachtig en/of frequent zijn, dat ze in ernstige mate hinderlijk zijn en met dagelijkse activiteiten kunnen interfereren. Verder kan juist bij kinderen de aanwezigheid van tics ook ongunstig zijn in sociaal opzicht.

Kenmerkend voor tics is het wisselende beloop qua ernst over de tijd. Niet alleen zijn er sterke wisselingen binnen een dag, ook fluctueert de ernst van de tics in de loop van weken tot maanden, waarbij bovendien het type en het aantal aanwezige tics sterk variabel is over de tijd.

Motorische tics komen frequenter voor dan vocale tics. Voorbeelden van motorische tics, ook wel bewegingstics, zijn oogknipperen, de ogen wegdraaien, trekken met de mond, bepaalde armbewegingen of hoofdschudden (Van de Griendt & Verdellen, 2013). Motorische tics kunnen ook meer samengesteld zijn, zoals aanraken van voorwerpen, het maken van gebaren of rechtleggen van voorwerpen. Ook vocale tics kunnen enkelvoudig of samengesteld zijn. Vocale tics, ook wel geluidstics, zijn tics waarbij er een luchtstroom wordt verplaatst door de keel of neusholte zoals kuchen, de keel schrapen, kreten uiten of maken van piepgeluidjes (Griendt & Verdellen, 2013).

Terug naar boven

Vaak gaat Gilles de la Tourette Syndroom gepaard met bijkomende klachten. Deze bijkomende problemen en stoornissen kunnen het kind veel hinder opleveren en zijn vaak meer tot last dan de tics zelf (Van de Griendt & Verdellen, 2013). Met name aandachtsproblemen met hyperactiviteit (ADHD) en dwang (OCS) komen samen voor. Wanneer kinderen met Gilles de la Tourette Syndroom last hebben van motorische onrust, gepaard met aandachts- en concentratieproblemen kan sprake zijn van ADHD (Van de Griendt & Verdellen, 2013). Daarnaast is bij 20 tot 30% van kinderen met Gilles de la Tourette Syndroom sprake van dwangklachten (Freeman, et al., 2000).

Ook internaliserende problemen (angst en depressie) en problemen in sociale vaardigheden komen vaak voor bij ticstoornissen. Kinderen met Gilles de la Tourette Syndroom hebben vaker depressieve gevoelens en angstklachten als gevolg van de ticstoornis en de last die ze hiervan ondervinden (Van de Griendt & Verdellen, 2013).

Daarnaast komen slaapproblemen en spraak- lees, en schrijfproblemen vaker voor bij kinderen met Gilles de la Tourette Syndroom (Van de Griendt & Verdellen, 2013).

Terug naar boven

Bij ticstoornissen spelen de rol van genen, neurotransmitters en omgevingsfactoren een rol in de mate waarin symptomen zich ontwikkelen (Van de Griendt & Verdellen, 2013). Ticstoornissen hebben een sterk genetische basis. Tot nu toe zijn echter nog geen genen voor GTS gevonden. Waarschijnlijk is er niet sprake van een enkel gen voor tics, zoals vroeger gedacht, maar van een complex samenspel van diverse genen die in verband staan met een verhoogde gevoeligheid voor het verkrijgen van tics, in combinatie met bepaalde ongunstige omgevingsfactoren.

Bij kinderen met GTS zijn er storingen met het functioneren en met de onderlinge communicatie van verschillende hersengebieden. Die communicatie verloopt via neurotransmitters zoals dopamine. Bij GTS komt met name in bepaalde delen van de basale ganglia, diepe hersengebieden, teveel dopamine vrij (Van de Griendt & Verdellen, 2013). Daarnaast hebben omgevingsfactoren invloed op het ontwikkelen van symptomen van ticsstoornissen. Voorbeelden van deze factoren zijn problemen tijdens de zwangerschap, infectieziekte en psychosociale stress (Van de Griendt & Verdellen, 2013).

Terug naar boven

Volgens een recente epidemiologische studie uitgevoerd bij kinderen tussen 7 en 18 jaar komt GTS voor bij 1% van de kinderen (Robertson, 2008).

Van een chronische motorische ticstoornis is sprake bij 0,8% en van een chronische vocale ticstoornis bij 0,5% van alle kinderen. Bijna 2% van de kinderen tussen 7 en 15 jaar heeft dus chronisch tics. Bij nog eens 4,8% is tenminste gedurende het afgelopen jaar sprake van niet-chronische tics (Robertson, 2008). Daarnaast komt GTS vier keer zo vaak voor bij jongens als bij meisjes (Knight et al, 2012).

Terug naar boven

GTS kent een relatief gunstige natuurlijke prognose: uit longitudinaal onderzoek is duidelijk geworden dat vanaf de adolescentie of vroeg volwassen leeftijd in de regel een duidelijke reductie van de ernst van de tics optreedt. Zelfs is het zo dat de tics bij een deel van de kinderen met GTS op jong volwassen leeftijd vrijwel geheel zijn verbleekt. Dit neemt niet weg dat er patiënten zijn bij wie levenslang sprake is van soms ernstige tics. Daarnaast wordt de prognose niet zozeer bepaald door de aanwezigheid van tics of de ernst van de tic, maar door de aanwezigheid van bijkomende problemen en stoornissen (Cath et al, 2011).

Terug naar boven

Cath, D.C. Hedderly, T., Ludolph, A.G., Stern, J.S., Murphy, T., Hartmann, A., Czernecki, V., Robertson, M.M., Martino, D., Munchau, A. & Rizzo, R. (2011). European clinical guidelines for Tourette syndrome and other tic disorders. Part I: assessment. European Child & Adolescent Psychiatry, 20(4): 155:171.

Freeman, R.D., Fast, D.K., Burd, L., Kerbeshian, J., Robertson, M.M. & Sandor, P. (2000). An international perspective on Tourette syndrome: selected findings from 3,500 individuals in 22 countries. Developmental Medicine and Child Neurology, 42(7): 436-447.

Griendt, J., Van de, & Verdellen, C. (2013). Tics bij kinderen. Kinderpsychologie in de praktijk. Lannoo Campus, Houten.

Knight, T., Steeves, T., Day, L., Lowerison, M., Jette, N. & Pringsheim, T. (2012). Prevalence of tic disorders: a systematic review and meta-analysis. Pediatric neurology, 47(2): 77-90.

Robertson, M.M. (2008). The prevalence and epidemiology of Gilles de la Tourette syndrome. Part I: the epidemiological and prevalence studies. Journal of Psychosomatic Research, 65(5): 461-472.

Terug naar boven

Diagnose tics

Tics komen relatief veel voor bij kinderen. Vaak zijn ze tijdelijk en weinig opvallend aanwezig. In lang niet alle gevallen zijn kinderen en hun ouders zich er van bewust dat ze tics hebben. Daarom moet altijd actief naar het voorkomen van tics gevraagd worden. Hierbij moet altijd goed worden uitgelegd wat onder tics wordt verstaan, en moeten ook voorbeelden van tics worden genoemd. In de algemene bevolking heeft het woord tics namelijk vaak de betekenis van bijzondere gewoonten of interesses.

Diagnostiek van ticstoornissen is veelal betrekkelijk eenduidig en kan vaak goed plaatsvinden binnen algemene instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie. In meer complexe gevallen of als er primair sprake is van een ticstoornis die gepaard gaat met duidelijke beperkingen in het dagelijks leven of subjectieve last kan gedacht worden aan verwijzing naar specialistische centra, met meer ervaring en expertise in ticstoornissen bij kinderen. In Nederland bestaan diverse centra gericht op ticstoornissen bij kinderen en jeugdigen: binnen het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie in Groningen, Yulius te Barendrecht, het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie van Karakter in Nijmegen, de Bascule in Amsterdam, Altrecht in Utrecht en HSK Expertise Tics (met dependances in Den Bosch, Amsterdam, Den Haag en Assen).
Bij het onderzoek van kinderen en adolescenten met ticstoornissen is het belangrijk om oog te hebben voor het in kaart brengen van comorbiditeit. Vooral aandachtsstoornissen met of zonder hyperactiviteit (AD(H)D) en dwangstoornissen (Obsessief Compulsieve Stoornis), maar ook emotionele stoornissen (angst, depressie) en autismespectrumstoornissen komen relatief vaak voor in combinatie met ticstoornissen. Voor de diagnostiek daarvan verwijzen wij naar de desbetreffende protocollen.

In 2011 zijn Europese richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van het Tourette syndroom verschenen in het tijdschrift European Child and Adolescent Psychiatry (ECAP). De richtlijnen zijn geschreven door de European Society for the study of Tourette’s syndrome (ESSTS). U kunt de richtlijn Assessment online vinden.

Terug naar boven

Screening op het voorkomen van ticstoornissen kan bijvoorbeeld gebeuren binnen een vragenlijstpakket dat bij veel instellingen voorafgaand aan of in aansluiting op de intake door de ouders wordt ingevuld, in de vorm van een korte screeningslijst naar het voorkomen van tics (nu dan wel in het verleden). Het best daarvoor geschikt is de Apter tic screeningslijst (Apter, et al., 1993). Als hieruit geen tics worden aangegeven is het raadzaam dit bij het intakegesprek nog actief te controleren door observatie van het kind en gericht navragen. Ook als een kind positief scoort op de tic-screeningslijst moet altijd actief bij het intakegesprek worden nagevraagd of er inderdaad sprake is (geweest) van tics.

Het blijkt namelijk dat relatief veel ouders op de tic-screeningslijst aangeven dat er mogelijk sprake is van tics zonder dat dit bevestigd kan worden bij actief uitvragen. Andersom wordt de diagnose ticstoornis wel eens gemist als er geen zichtbare tics zijn tijdens het onderzoek. Ouders doen er dan goed aan een video-opname te maken van de thuissituatie (of een andere situatie waarin tics aanwezig zijn) en dit mee te nemen naar het onderzoek.

Terug naar boven

Als bij het intakegesprek wel naar voren komt dat er actueel dan wel in het verleden sprake is van tics bij het kind is het belangrijk, gezien de grote heterogeniteit van ticstoornissen, de ernst en aard van de tics, nu en in het verleden nader te preciseren. Een goed hulpmiddel hierbij is de Yale Global Tic Severity Scale (Leckman, et al., 1989). Hiermee kan van zowel de actuele als de worst-ever ernst van de tics in kaart worden gebracht. De Yale Global Tic Severity Scale bevat ook een inventarisatie van zowel de huidige als life-time typen motorische en vocale tics. Na het afnemen van dit semi-gestructureerde interview in combinatie met observatie van het kind of de jongere door de clinicus kan een DSM 5 classificatie met betrekking tot ticstoornissen worden gesteld. Verder is het raadzaam het voorkomen van tics in de eerste- en tweedegraads familie na te gaan.

Apter tic screeningslijst

Beschrijving: In de Apter tic screeningslijst wordt van de vier voorkomende tics gevraagd of die voorkomen.
Voordelen/Nadelen: Een groot voordeel is dat het invullen zeer weinig tijd kost, minder dan een minuut. Een nadeel is dat de sensitiviteit en specificiteit van het instrument niet bekend zijn.
Beschikbaarheid: Het instrument is beschikbaar bij het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie te Groningen, p.hoekstra@accare.nl, tel. (050) 3681100, Postbus 660, 9700 AR Groningen.

YGTSS (Leckman e.a., 1989)

Beschrijving: De Yale Global Tic Severity Scale is een semi-gestructureerd interview dat allereerst een inventarisatie behelst van het voorkomen nu dan wel in het verleden van de verschillende typen motorische en vocale tics. Tevens volgt in deze vragenlijst een beoordeling van de ernst van de tics met betrekking tot de afgelopen week aan de hand van het vastleggen van het aantal tics, de frequentie van tics over de dag, de intensiteit en complexiteit van de tics en de interferentie van de tics met spreken en dagelijkse handelingen. Dit wordt nagegaan voor motorische en vocale tics afzonderlijk. Het afnemen van de Yale Global Tic Severity Scale duurt niet langer dan een half uur en vaak korter, afhankelijk van de ernst van de tics.

Voordelen/Nadelen: Dit instrument heeft uitstekende psychometrische eigenschappen met betrekking tot zowel validiteit als inter-rater betrouwbaarheid. Het is internationaal, zowel in de klinische praktijk als in wetenschappelijk onderzoek dan ook verreweg het meest gebruikte instrument bij ticstoornissen. Een verder voordeel is de praktische toepasbaarheid van het instrument: het instrument bevat in feite een systematische weergave van klinisch relevante vragen.

Beschikbaarheid: Het instrument is in Nederlandse vertaling beschikbaar bij het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie te Groningen p.hoekstra@accare.nl, tel. (050) 3681100, Postbus 660, 9700 AR Groningen.

Terug naar boven

Apter, A., Pauls, D.L., Bleich, A., Zohar, A.H., Kron, S., Ratzoni, G., et al. (1993). An epidemiologic study of Gilles de la Tourette's syndrome in Israel. Archives of General Psychiatry, 50, 734-738.

Leckman, J.F., Riddle, M.A., Hardin. M.T., Ort, I., Swartz, K.L., Stevenson, J. & Cohen, D.J. (1989). The Yale Global Tic Severity Scale: initial testing of a clinician-rated scale of tic severity. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 28, 566-73.

Terug naar boven

Behandeling tics

Een belangrijke taak van de behandelaar is samen met ouders en kind vast te stellen wat de grootste hinder en belemmering oplevert, de tics zelf of de eventueel aanwezige comorbiditeit. Dit bepaalt wat de belangrijkste focus van behandeling dient te zijn. Tics hoeven zeker niet altijd behandeld te worden. Van belang bij de besluitvorming hierover (die altijd gezamenlijk met de ouders en het kind moet plaatsvinden) is de vraag of de tics hinder opleveren in het dagelijkse leven. Helaas leidt geen enkele behandeling tot genezing. Er moet altijd een afweging plaats vinden tussen mogelijke baten van een behandeling, mogelijke investering of bijwerkingen ervan en de hinder en beperkingen die met de tics gepaard gaan. Er hoeft niet te worden gestreefd de tics volledig te doen verdwijnen, maar deze tot een niveau terug te brengen waarop ze niet meer hinderlijk zijn voor het kind en/of de omgeving.

In 2011 zijn Europese richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van GTS verschenen in het tijdschrift European Child and Adolescent Psychiatry (ECAP). De richtlijnen zijn geschreven door de European Society for the study of Tourette's syndrome (ESSTS). U kunt de richtlijn gedragstherapie en psychosociale interventies vinden online. Deze richtlijnen adviseren te starten met gedragstherapie, indien deze therapie voorhanden is en wanneer ook de voorkeur van het kind en de ouders hiernaar uitgaat. Hoewel deze voorkeur niet gestaafd kan worden vanuit de wetenschap (op dit moment zijn er geen onderzoeken bekend waaruit blijkt welke van deze twee behandelingen het meest effectief is), wordt gedragstherapie een eerste keuzebehandeling genoemd vanwege de bijwerkingen die verbonden zijn aan het gebruik van medicatie en aanwijzingen dat de effecten van gedragstherapie ook na beëindiging ervan voortduren, terwijl dit bij medicatie niet het geval is.

Gedragstherapie

In onderzoek zijn twee soorten gedragstherapie voor tics effectief gebleken: habit reversal (HR) en exposure en responspreventie (ER). Beide methoden richten zich op het doorbreken van de associatie tussen premonitore sensaties en het erop volgende ticgedrag. Premonitore sensaties zijn de nare, vervelende gevoelens die aan een tic vooraf kunnen gaan, en die verminderen zodra een tic wordt uitgevoerd. Op deze wijze wordt de associatie tussen de premonitore sensatie en de tic bekrachtigd. Het doorbreken van deze associatie gebeurt bij HR door bewustwording van de tic, waarna een met de tic onverenigbare respons moet worden toegepast. Bij ER vindt doorbreking van de associatie tussen stimulus en respons plaats door het langdurig tegenhouden van alle tics. Hierdoor vindt blootstelling aan de sensaties plaats, en kan gewenning hieraan optreden met ticreductie tot gevolg. In wetenschappelijk onderzoek is een afname van de ernst van deze sensaties gevonden tijdens de sessies. Dit betekent dat er aan het einde van de sessie vaak minder ernstige sensaties waren dan aan het begin van de sessie; een teken van gewenning. Ook over de sessies heen werd een vermindering gevonden; naarmate er meer sessies plaatsvonden was er meer gewenning aan de sensaties (Verdellen, et al., 2008).

Psycho-educatie

Heldere, duidelijke en herhaalde uitleg over de achtergrond van GTS is een belangrijk element in de behandeling van tics. Hiervoor dient ruim de tijd worden genomen, en hierin moeten zowel ouders als het kind betrokken worden. Uitgelegd moet worden dat GTS een neuropsychiatrische aandoening is en dat genetische factoren een belangrijke rol spelen. Het hoofdkenmerk van GTS zijn tics. Tics kunnen vaak tijdelijk onderdrukt worden, maar treden toch onvrijwillig op. Ook kan het zo zijn dat tics in de ene situatie, bijvoorbeeld op school (vrijwel) afwezig zijn terwijl ze thuis prominent zichtbaar zijn. Tics kennen bovendien een golvend beloop, wat betekent dat ze bij perioden meer of minder aanwezig zijn. Verder moet gewezen worden op de diverse wijzen waarop ticsymptomatologie zich kan uiten: in de vorm van meer of minder complexe tics, die over de tijd sterk kunnen wisselen in ernst, aantal en type tics. Die wisselingen hebben geen noodzakelijk verband met psychosociale factoren, maar zijn veeleer kenmerkend voor het natuurlijk beloop van GTS. Ook moet de behandelaar uitleg geven over mogelijke vormen van comorbiditeit, met name de mogelijkheid van tevens aanwezige dwanghandelingen. Bij GTS uit zich dit vaak in zogenaamd symmetriegedrag, bijvoorbeeld de neiging om iets links aan te raken en vervolgens ook rechts. Of net zolang iets moeten herhalen totdat het goed voelt.

Monitoren van de ernst van de tics over de tijd

Omdat tics zo sterk kunnen wisselen over de tijd kan het zinvol zijn de ernst hiervan gedurende een aantal maanden te volgen, alvorens met behandeling van de tics te starten. Er ontstaat dan een goed overzicht van de natuurlijke reikwijdte van de tics bij het kind, wat een betere evaluatie van een behandeling mogelijk maakt. Een bruikbaar instrument hiervoor is de Yale Global Tic Severity Scale. Met behulp van dit semi-gestructureerde interview bepaalt de clinicus van zowel de motorische als de vocale tics de intensiteit, de frequentie, de belemmering en het aantal tics van de afgelopen week, wat resulteert in een totaalscore als maat voor de ernst van de tics van die week. Er bestaat ook een zelf-invul versie van de Yale Global Tic Severity Scale, te gebruiken door ouders of (oudere) kinderen.

Als besloten wordt tot behandeling van de tics kan gekozen worden uit gedragstherapie en medicatie. Beide behandelmethoden hebben een vergelijkbaar effect op de tics: bij tweederde van de patiënten is er ongeveer 60 procent ticreductie. Er bestaat geen onderzoek waarin de effectiviteit van gedragstherapie en medicatie onderling wordt vergeleken. Beide methoden kennen voor- en nadelen. Voor gedragstherapie is van belang dat het kind voor deze vorm van behandeling gemotiveerd is en dat bij een instelling de benodigde expertise hiervoor voorhanden is. Er bestaat daarbij geen voorkeur voor habit reversal boven exposure en responspreventie of omgekeerd. Medicijnen kunnen bijwerkingen hebben, zoals vermoeidheid en gewichtstoename. Of bij de behandeling gekozen wordt voor medicatie dan wel gedragstherapie moet bij ieder individueel kind beoordeeld worden, afhankelijk van de motivatie van het kind, de expertise van het behandelcentrum en de voorkeur van ouders en kind.

Terug naar boven

Tics (Therapeutenboek)

Reductie van ernst en frequentie van tics. Volwassen patiënten met een ticstoornis waaronder het syndroom van Gilles de la Tourette. Met enige aanpassing is het protocol ook bruikbaar voor kinderen en adolescenten. Met beoordeling door de werkgroep. Tics
Lees meer over 'Tics' >>

Tics (Werkboek voor kinderen)

Werkboek behorend bij het behandelprotocol.
Lees meer over Tics - Werkboek voor kinderen >>

Tics (Werkboek voor ouders)

Tics - Werkboek voor ouders (PDF) is gratis te downloaden.

Terug naar boven

Azrin, N. H., & Nunn, R. G. (1973). Habit reversal: A method of eliminating nervous habits and tics. Behaviour Research and Therapy, 11, 619-628.

Leckman, J. F., Riddle, M. A., Hardin, M. T., Ort, S. I., Swartz, K. L., Stevenson, J., & Cohen, D. J. (1989). The Yale Global Tic Severity Scale - initial testing of a clinician-rated scale of tic severity. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 28, 566-573.

Piacentini, J., Woods, D. W., Scahill, L., Wilhelm, S., Peterson, A. L., Chang, S., Ginsburg, G. S., Deckersbach, T., Dziura, J., Levi-Pearl, S., & Walkup, J. T. (2010). Behavior therapy for children with Tourette disorder: a randomized controlled trial. The Journal of the American Medical Association, 303, 1929-1937.

Roessner, V., Plessen, K. J., Rothenberger, A., Ludolph, A. G., Rizzo, R., Skov, L., Strand, G., Stern, J. S., Termine, C., & Hoekstra, P. J. (2011). European clinical guidelines for Tourette syndrome and other tic disorders. Part II: pharmacological treatment. European Child & Adolescent Psychiatry, 20, 173-196.

Van de Griendt, J. M., Verdellen, C. W., van Dijk, M. K., & Verbraak, M. J. (2012). Behavioural treatment of tics: Habit reversal and exposure with response prevention. Neuroscience and biobehavioral reviews.

Van de Griendt, J. M. T. M., Verdellen, C. W. J., Van Dijk, M., & Verbraak, M. P. J. M. ( in preparation). The effect of prolonged versus shorter exposure on treatment outcome in Tourette's syndrome and tic disorders.

Verdellen, C., van de Griendt, J., Hartmann, A., & Murphy, T. (2011). European clinical guidelines for Tourette syndrome and other tic disorders. Part III: behavioural and psychosocial interventions. European Child & Adolescent Psychiatry, 20, 197-207.

Verdellen, C. W., Hoogduin, C. A., Kato, B. S., Keijsers, G. P., Cath, D. C., & Hoijtink, H. B. (2008). Habituation of premonitory sensations during exposure and response prevention treatment in Tourette's syndrome. Behavior Modification, 32, 215-227.

Verdellen, C. W., Keijsers, G. P., Cath, D. C., & Hoogduin, C. A. (2004). Exposure with response prevention versus habit reversal in Tourettes's syndrome: a controlled study. Behaviour Research and Therapy, 42, 501-511.

Terug naar boven

Medicatie tics

Beknopte omschrijving van de problematiek

Tics komen frequent voor bij kinderen, maar zijn meestal voorbijgaand. Als meerdere motorische tics en minstens één vocale tic meer dan een jaar aanwezig zijn is er formeel sprake van de stoornis van Gilles de la Tourette (GTS). Tot voor kort werd GTS gezien als een ernstige, levenslang durende aandoening. In het merendeel van de gevallen zijn de tics bij GTS echter relatief mild en gaan ze met weinig hinder gepaard. Lang niet altijd is behandeling dus nodig. Tics kunnen echter soms zodanig krachtig en/of frequent zijn, dat ze in meer of minder ernstige mate hinderlijk zijn en met dagelijkse activiteiten kunnen interfereren. Verder kan juist bij kinderen de aanwezigheid van tics ook ongunstig zijn in sociaal opzicht. In dergelijke gevallen moet een keuze voor behandeling worden gemaakt. Daarbij dient altijd rekening gehouden te worden met het voor tics kenmerkende wisselend beloop qua ernst over de tijd. Niet alleen zijn er sterke wisselingen binnen een dag, ook fluctueert de ernst van de tics in de loop van weken tot maanden, waarbij bovendien het type en het aantal aanwezige tics sterk variabel is over de tijd.

Een andere factor van belang bij de behandeling is de relatief gunstige natuurlijke prognose van GTS: uit longitudinaal onderzoek is duidelijk geworden dat vanaf de adolescentie of vroeg volwassen leeftijd in de regel een duidelijke reductie van de ernst van de tics optreedt. Zelfs is het zo dat de tics bij een deel van de kinderen met GTS op jong volwassen leeftijd vrijwel geheel zijn verbleekt. Dit gegeven rechtvaardigt een zekere terughoudendheid met betrekking tot het voorschrijven van medicatie. Dit neemt niet weg dat er patiënten zijn bij wie levenslang sprake is van soms ernstige tics en die zeker baat kunnen hebben bij behandeling. Naast GTS onderscheidt de DSM 5 nog een aantal andere ticstoornissen waaronder de chronische motorische ticstoornis en de chronische vocale ticstoornis. Voor de behandeling maakt het niet uit of er sprake is van GTS of een andere ticstoornis; belangrijker is de mate van hinderlijkheid van de tics. Kinderen met tics vertonen daarnaast vaak comorbide problematiek, zoals hyperactiviteit of dwangsymptomen. Er is een hoge individuele variabiliteit in symptomen, in tijdelijke fluctuaties van de tics en in comorbide condities. Dit bemoeilijkt onderzoek naar de effectiviteit van behandelingen en het maken van richtlijnen of protocollen. Het is niet ongewoon dat bijkomende problemen meer hinder en beperkingen veroorzaken dan de tics zelf. In zulke gevallen zal de behandeling zich ook primair op deze comorbiditeit richten. Op de behandeling hiervan wordt in dit hoofdstuk kort ingegaan. Voor meer informatie over het klinische beeld, prevalentie, comorbiditeit, etiologie, beloop en behandeling, zie Beschrijving.

Plaatsbepaling psychofarmaca

Een belangrijke taak van de behandelaar is samen met ouders en kind vast te stellen wat de grootste hinder en belemmering oplevert, de tics zelf of de eventueel aanwezige comorbiditeit. Dit bepaalt wat de belangrijkste focus van behandeling dient te zijn. De behandeling van bijkomende problemen bij kinderen met tics verschilt niet van die bij kinderen met deze problemen zonder tics. ADHD wordt bijvoorbeeld behandeld als zonder tics. Bij comorbiditeit ADHD dienen geen twee farmacotherapeutische behandelingen (1 voor tics en 1 voor ADHD) tegelijkertijd gestart te worden. Bij comorbide OCS zijn SSRI's echter mogelijk minder effectief dan zonder tics. Een mogelijkheid is de additie van antipsychotica (ESSTS working group).

De behandeling van de bijkomende problemen kan ook een gunstige invloed op de tics hebben. Veel kinderen en adolescenten hebben geen behandeling voor hun tics zelf nodig omdat deze niet belemmeren in het dagelijkse leven (ESSTS working group). Van belang bij de besluitvorming hierover (die altijd gezamenlijk met de ouders en het kind moet plaatsvinden) is de vraag of de tics hinder opleveren in het dagelijkse leven. Daarbij is het belangrijk te realiseren dat tics ook onbehandeld uiteindelijk vaak een gunstige prognose hebben. Bovendien bestaat er geen behandeling die tot genezing leidt. Er moet altijd een afweging plaatsvinden tussen mogelijke baten van een behandeling, mogelijke bijwerkingen ervan en de hinder en beperkingen die met de tics gepaard gaan. Er moet niet naar worden gestreefd de tics volledig te doen verdwijnen, maar deze tot een niveau terug te brengen waarop ze niet meer hinderlijk zijn voor het kind.

Heldere, duidelijke en herhaalde uitleg over de achtergrond van GTS is een belangrijk element in de behandeling van tics. Hiervoor dient ruim de tijd worden genomen, en hierin moeten zowel ouders als het kind betrokken worden. Uitgelegd moet worden dat GTS een neuropsychiatrische aandoening is en dat genetische factoren een belangrijke rol spelen. Het hoofdkenmerk van GTS zijn tics. Tics kunnen vaak tijdelijk onderdrukt worden, maar treden toch onvrijwillig op. Ook kan het zo zijn dat tics in de ene situatie, bijvoorbeeld op school (vrijwel) afwezig zijn terwijl ze thuis prominent zichtbaar zijn. Tics kennen bovendien een golvend beloop, wat betekent dat ze bij perioden meer of minder aanwezig zijn. Verder moet gewezen worden op de diverse wijzen waarop ticsymptomatologie zich kan uiten: in de vorm van meer of minder complexe tics, die over de tijd sterk kunnen wisselen in ernst, aantal en type tics. Die wisselingen hebben geen noodzakelijk verband met psychosociale factoren, maar zijn veeleer kenmerkend voor het natuurlijk beloop van GTS. Ook moet de behandelaar uitleg geven over mogelijke vormen van comorbiditeit, met name de mogelijkheid van tevens aanwezige dwanghandelingen. Bij GTS uit zich dit vaak in zogenaamd symmetriegedrag, bijvoorbeeld de neiging om iets links aan te raken en vervolgens ook rechts. Of net zolang iets moeten herhalen totdat het goed voelt. Omdat tics zo sterk kunnen wisselen over de tijd kan het zinvol zijn de ernst hiervan gedurende een aantal maanden te vervolgen, alvorens met behandeling van de tics te starten. Er ontstaat dan een goed overzicht van de natuurlijke reikwijdte van de tics bij het kind, wat een betere evaluatie van een behandeling mogelijk maakt.

Een bruikbaar instrument hiervoor is de Yale Global Tic Severity Scale. Met behulp van dit instrument bepaalt de clinicus in een semi-gestructureerd interview van zowel de motorische als de vocale tics de intensiteit, de frequentie, de belemmering en het aantal tics van de afgelopen week, wat resulteert in een totaalscore als maat voor de ernst van de tics van die week. Er bestaat ook een zelf-invul versie van de Yale Global Tic Severity Scale, te gebruiken door ouders of (oudere) kinderen. Voor meer informatie over deze instrumenten, zie diagnostiek bij tics. Veel patiënten hebben voldoende aan psycho-educatie en een verder expectatief beleid. Daar komt bij dat er tot op heden geen bewijs is dat medicamenteuze behandeling effect heeft op de langere termijn en op de prognose.

Ongeveer 60 % van kinderen met een ticstoornis die medicatie gebruiken, heeft een ticreductie van minimaal 30 % (Van de Griendt & Verdellen, 2013). Medicatie kan de symptomen onderdrukken maar geneest de aandoening niet. Het natuurlijk beloop is daarnaast vaak gunstig. De mate van (subjectief ervaren) hinder bepaalt of een behandeling wordt overwogen. Dit geldt bijvoorbeeld bij subjectief lijden (bv pijn), sociale problemen (bv pesten) en/of functionele beperkingen (ESSTS working group).

Terug naar boven

De eerste vraag waar het bij de behandeling van tics om gaat, is waarop een eventuele behandeling zich moet richten: op de tics zelf of op eventuele bijkomende problematiek, zoals aandachtsstoornissen ADHD of OCD. Veel kans op een goede reductie van de tics bestaat er met dopamine blokkerende antipsychotica.

Aanbevelingen

Goede voorlichting over de ticstoornis is van groot belang, hiervoor moet altijd ruim tijd worden uitgetrokken. Voor de behandeling van de tics kan worden gekozen uit gedragstherapie en medicijnen. Volgens Europese richtlijnen voor de behandeling van tics bij kinderen heeft gedragstherapie de voorkeur vanwege het bijwerkingenprofiel van medicijnen. Echter, een gedragstherapie vraagt veel tijd en inzet van het kind en vereist een goed getrainde gedragstherapeut.

Als gekozen wordt voor medicijnen zijn risperidonhaloperidol en pimozide middel van eerste keuze. Meestal worden deze middelen goed verdragen; belangrijkste bijwerkingen zijn sedatie en gewichtstoename, vooral bij gebruik van risperidon. Risperidon is het meest onderzocht en meest effectief bevonden (Roessner, Rohtenberger, e.a., 2011),

Er is weinig nieuw bewijs sinds de review van Robertson et al (2000). Evidentie is vaak op basis van open studies of RCT met een kleine sample size. Er zij weinig directe vergelijkingen tussen farmacologische behandelingen en er is geen vergelijking tussen gedragstherapie en farmacotherapie (ESSTS working Group). De beste onderzoeken zijn uitgevoerd voor pimozide en haloperidol. Echter in Europa worden atypische antipsychotica (AP) meer gebruikt. Bij atypische AP oppassen voor metabole effecten en mogelijke QT verlenging (ESSTS working Group). Over het algemeen moet de dosering laag gestart worden en langzaam verhoogd op geleide van klinisch effect en bijwerkingen (SSTS working group). De behandeling van eventueel comorbide aanwezige ADHD- en OCD-symptomen is niet anders dan bij kinderen zonder tics. Stimulantia kunnen ook bij kinderen met tics worden gebruikt. Combinaties van antipsychotica en serotonineheropnamers of stimulantia zijn goed mogelijk en soms zinvol. Bij aanwezige hyperactiviteit en aandachtsstoornissen kunnen de alfa adrenerge agonisten clonidine en guanfacine een rationele keuze zijn.

Flowchart

Tics Farmacotherapie Flowchart

Terug naar boven

Effectiviteit

Bij gebruik van medicatie gaat de voorkeur uit naar een antipsychoticum. De effectiviteit ervan bij tics is voor een aantal middelen aangetoond in placebo gecontroleerd onderzoek. Het meest eenduidig geldt dit voor antipsychotica met een dopamine 2 receptor blokkerende werking. Voornamelijk de blokkade in de striatale D2 receptoren leidt tot reductie van tics. Echter hoe hoger de blokkade, hoe meer kans op hinderlijke bijwerkingen (ESSTS working group). Haloperidolpimozide en risperidon bleken alle effectiever dan placebo. Dit zijn dan ook middelen van eerste keus. De effectiviteit van alle drie de middelen is goed onderbouwd, en verschilt onderling niet veel. Van de klassieke antipsychotica zijn haloperidol en pimozide het meest onderzocht met wisselende onderzoeksresultaten. Ook zijn er aanwijzingen voor de werkzaamheid van olanzapineQuetiapine is effectief bevonden in een open label studie. Van aripiprazol is effect gezien in de behandeling van tics, echter RCT's missen. Clozapine is niet effectief bevonden in case reports (ESSTS working group).

Pimozide heeft mogelijk een beter effect dan haloperidol. Over het algemeen verdient pimozide de voorkeur daar minder bijwerkingen gerapporteerd worden. Recent onderzoek suggereerde dat risperidon effectiever is dan pimozide, al kon eerder onderzoek dat niet aantonen. De effectiviteit van risperidon is bevestigd in twee dubbel blinde, placebo-gecontroleerde onderzoeken. Voor tiapride is een gerandomiseerd dubbel blind placebo-gecontroleerd cross-over onderzoek uitgevoerd met 17 kinderen waaruit bleek dat het een significante reductie van tics gaf. Sulpiride heeft effect bij comorbide OCD en bij OCD zonder tics (ESSTS working group).

Belangrijke informatie

Veiligheidsaspecten

Bij langdurig gebruik van antipsychotica kan tardieve dyskinesie ontstaan; de symptomen kunnen tijdelijk verergeren of zelfs nog ontstaan na staken van het gebruik. Het gebruik kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden, waaronder deelname aan het verkeer (fietsen) kunnen daarvan hinder ondervinden. Bij pimozide en haloperidol is er kans op QT-intervalverlenging; ECG controles zijn aangewezen bij verdenking op QT-problemen (QT-syndroom, hypokaliëmie).

Bijwerkingen

Een belangrijk bezwaar van antipsychotica zijn de bijwerkingen ervan. Dit beperkt de toepasbaarheid van deze middelen bij GTS. Zowel gebruik van de klassieke antipsychotica haloperidol en pimozide als van het atypische psychoticum risperidon kan gepaard gaan met sufheid, leermoeilijkheden, angst en depressie. Bij pimozide en haloperidol bestaat bovendien kans op extrapiramidale bijwerkingen. Met name akathisie en akinesie zijn gerapporteerd. Ook kan acute dystonie optreden. Een voordeel van risperidon is dat hierbij minder kans is op extrapiramidale bijwerkingen. In de klinische praktijk worden deze echter ook bij haloperidol en pimozide niet veel gezien. Gewichtstoename is echter een belangrijke bijwerking die vooral bij risperidon optreedt. De belangrijkste bijwerkingen van sulpiride zijn sedatie, slaperigheid, depressie en van tiapride zijn duizeligheid, gewichtstoename en hyperprolactinemia. Voor informatie over algemene bijwerkingen bij antipsychotica, zie antipsychotica in het formularium.

Gebruiksgemak

Alle antipsychotica kunnen eenmaal daags worden gegeven. Pimozide is alleen in tabletvorm verkrijgbaar. Haloperidol bestaat ook als druppelvloeistof, risperidon ook als drank.

Toepasbaarheid

Zowel voor comorbide ADHD als OCD geldt dat de medicamenteuze behandeling ervan niet verschillend is van die van deze stoornissen zonder dat er sprake is van tics. De aanwezigheid van tics is geen contra-indicatie voor het gebruik van methylfenidaat. Diverse onderzoeken hebben laten zien dat behandeling met methylfenidaat niet geassocieerd is met een toename van tics. Als zowel tics als ADHD-symptomen focus van de medicamenteuze behandeling zijn kunnen stimulantia en antipsychotica gecombineerd worden. Dit kan een positief effect hebben op het bijwerkingenprofiel: stimulantia kunnen met antipsychotica geassocieerde sedatie en gewichtstoename in gunstige zin beïnvloeden; omgekeerd kunnen antipsychotica eventuele door stimulantia veroorzaakte verminderde eetlust en inslaapproblemen verbeteren. Bij comorbide dwanggedachten en/of -handelingen kunnen goede resultaten verwacht worden van serotonine heropnameremmers. Een combinatie met antipsychotica kan bij het tegelijk bestaan van dwang en tics werkzamer zijn op de dwangsymptomatologie dan serotonine heropnameremmers alleen. Er zijn geen studies over het effect van psychofarmaca bij comorbide depressie en/of angst.Tics treden zelden op voor het vierde levensjaar. Indien er een goede indicatie bestaat is er geen leeftijdsondergrens voor het voorschrijven van antipsychotica bij tics. Antipsychotica kunnen ook worden gebruikt bij kinderen met een verstandelijke handicap. Mogelijk zijn jonge kinderen en kinderen met een verstandelijke handicap wel gevoeliger voor bijwerkingen. Daarom is het raadzaam bij beide groepen met een lage dosering te starten.

Overige farmacotherapeutische overwegingen

Als richtlijn voor alle drie de middelen geldt dat zo laag mogelijk gedoseerd moet worden. Het beste is te beginnen met een lage aanvangsdosering, en dit op geleide van het effect langzaam op te hogen. De volgende doseringsaanbevelingen gelden zowel voor risperidon, pimozide als haloperidol. Voor doseringsadviezen zie risperidon, pimozide en haloperidol in het formularium. Bij teleurstellend effect danwel bijwerkingenprofiel van één van de drie genoemde antipsychotica is het raadzaam over te gaan op één van de twee andere. Het is niet zinvol twee antipsychotica te combineren.
Het is essentieel dat periodiek de wenselijkheid van voortzetten van gebruik van tic-reducerende medicatie wordt geëvalueerd. Na verloop van tijd kunnen de tics dusdanig in ernst zijn afgenomen dat medicatie niet meer nodig is; het is als een kunstfout te beschouwen als een eenmaal ingestelde behandeling jaren wordt voortgezet zonder dat geprobeerd is de medicatie af te bouwen. Dit moet minimaal een keer per jaar aan de orde komen.

Niet-medicamenteuze aspecten

De evaluatie van iedere interventie behoort altijd in het licht gezien te worden van de natuurlijk optredende wisselingen in de ernst van de symptomen. Als tics op een bepaald moment ernstig zijn hoeft niet elke daaropvolgende verbetering een direct gevolg van de behandeling te zijn. Het duurt bovendien vaak enige weken voordat anti-tic medicatie zijn maximale effect heeft bewerkstelligd. Dit maakt het niet altijd eenvoudig de werkzaamheid van een behandelinterventie te beoordelen. Dit geldt voor zowel medicatie als gedragstherapie. Het is daarom raadzaam om de ernst van de tics bij elke controle op een gestandaardiseerde wijze vast te leggen. Het beste kan hiertoe gebruik gemaakt worden van de Yale Global Tic Severity Scale. Zoals eerder aangegeven kan dit instrument zowel door de clinicus als door het kind of de ouders thuis gebruikt worden.

Terug naar boven

Effectiviteit

De effectiviteit van de alfa adrenerge agonist clonidine is minder eenduidig dan bij antipsychotica. In een drietal placebo gecontroleerde onderzoeken bleek clonidine effectiever dan placebo, twee andere onderzoeken vonden echter geen verschillen in tic-reductie tussen clonidine en placebo. Een voordeel kan wel zijn dat clonidine een gunstig effect kan hebben op ADHD-symptomen. In vergelijking met antipsychotica is de werkzaamheid van clonidine bij tics minder voorspelbaar en minder groot. Ook duurt het vaak langer voordat het effect optreedt. Er is een plaats voor clonidine en atomoxetine in de behandeling van comorbide ADHD. Er treedt geen verergering van de tics op. (ESSTS working group)


Belangrijke informatie


Veiligheidsaspecten

Het gebruik van clonidine kan leiden tot verminderd reactie- en concentratievermogen. Vele dagelijkse bezigheden, waaronder deelname aan het verkeer (fietsen) kunnen daarvan hinder ondervinden. Het is aan te bevelen de medicatie niet abrupt af te breken, maar geleidelijk – binnen enkele dagen – te verminderen wegens de kans op stijging van de bloeddruk als rebound-effect. Tijdens behandeling moet regelmatig de bloeddruk en polsfrequentie worden gecontroleerd. Voor meer informatie, zie toxiciteit van clonidine in het formularium.


Bijwerkingen

De bijwerkingen zijn ten opzichte van antipsychotica milder; bewegingsstoornissen treden niet op. De belangrijkste bijwerking is een meestal voorbijgaande sufheid. Bloeddruk en pols moeten vooraf gemeten worden. Voorlichting over de kans op rebound hypertensie, tics en angst bij plotseling staken is nodig (ESSTS working group).


Gebruiksgemak

Clonidine is beschikbaar in dragee- of tabletvorm.

Toepasbaarheid

Clonidine heeft bij tic-stoornissen een beperkt indicatiegebied. Er kan mee gestart worden als naast tics sprake is van hyperactiviteit en impulsiviteit en/of inslaapstoornissen. Bij kinderen jonger dan zeven jaar vormt clonidine dan middel van eerste keus. Andere indicaties zijn onacceptabele bijwerkingen of ongunstig effect van antipsychotica, een met gebruik van stimulantia geassocieerde verergering van tics, andere onacceptabele bijwerkingen van stimulantia of ontbrekend effect van stimulantia op ADHD-symptomen van kinderen met tics.


Overige farmacotherapeutische overwegingen

De dosis van clonidine dient altijd geleidelijk in twee tot drie weken opgebouwd te worden. Zie voor het doseringsadvies, clonidine in het formularium

Terug naar boven

Effectiviteit

Bij gebruik van antipsychotica dan wel clonidine treedt bij het merendeel van de kinderen een bevredigende tic-reductie op. Bij die kinderen bij wie dit niet lukt is er een aantal alternatieven voorhanden. Lage doseringen pergolide, een gemengde D1-D2-D3 dopamine receptor agonist bleken effectief in een placebo gecontroleerd onderzoek. Lokale injecties met botuline kunnen specifieke hinderlijke tics doen verminderen. Open label studies suggereerden daarnaast een mogelijke werking van de calciumkanaal blokkers verapamil en nifedipine en de benzodiazepine-agonist clonazepam. Levetiracetam bleek niet significant beter dan placebo in een RCT met cross-over design (n=22)(Smith-Hicks, 2007). De ticreductie van levetiracetam en topiramaat bleek wel in open studies. Van baclofen en nicotine pleisters zijn positieve resultaten beschreven. Hiernaast lijken de eerste resultaten van tetrabenazine veelbelovend met weinig gewichtstoename (ESSTS working group).

Recent zijn de richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van het tourette syndroom verschenen in ECAP. De richtlijnen zijn geschreven door de European Society for the study of Tourette's syndrome. De richtlijn voor behandeling met medicijnen kunt u online vinden.

Terug naar boven

Beschikbare evidence tabellen van de literatuur

Referenties 2006-2009

Du, Y.S., Li, H.F., Vance, A., Zhong, Y.Q., Jiao, F.Y., Wang, H.M., et al. (2008). Randomized double-blind multicentre placebo-controlled clinical trial of the clonidine adhesive patch for the treatment of tic disorders. Australian and New Zeeland Journal of Psychiatry, 42, 807-813.
ESSTS working group on Pharmacological treatment in TS (2011). European clinical guidelines for tic disorders. Part II: pharmacological treatment. European Child and Adolescent Psychiatry, 20, 173-196.

Jensen, P.S., Buitelaar, J., Pandina, G.J., Binder, C., & Haas, M. (2007). Management of psychiatric disorders in children and adolescents with atypical antipsychotics: A systematic review of published clinical trials. European Child and Adolescent Psychiatry, 16, 104–120.

Smith-Hicks, C.L., Bridges, D.D., Paynter, N.P., & Singer, H.S. (2007). A double blind randomized placebo control trial of levetiracetam in Tourette syndrome. Movement Disorders, 15, 1764-1770.

Referenties voor 2006

Bruggeman, R., Linden, C. van der, Buitelaar, J.K., Gericke, G.S., Hawkridge, S.M., & Temlett, J.A. (2001). Risperidone versus pimozide in Tourette´s disorder: a comparative double-blind parallel-group study. Journal of Clinical Psychiatry, 62, 50-56.

Chappell, P.B., Riddle, M.A., Scahill, L., Lynch, K.A., Schultz, R., Arnsten, A., et al. (1995). Guanfacine treatment of comorbid attention-deficit hyperactivity disorder and Tourette´s syndrome: preliminary clinical experience. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 34, 1140-1146.

Como, P.G., & Kurlan, R. (1991). An open-label trial of fluoxetine for obsessive-compulsive disorder in Gilles de la Tourette´s syndrome. Neurology, 41, 872-874.

Dion, Y., Annable, L., Sandor, P., & Chouinard, G. (2002). Risperidone in the treatment of tourette syndrome: a double-blind, placebo-controlled trial. Journal of Clinical Psychopharmacology, 22, 31-39.

Gaffney, G.R., Perry, P.J., Lund, B.C., Bever-Stille, K.A., Arndt, S., & Kuperman, S. (2002). Risperidone versus clonidine in the treatment of children and adolescents with Tourette´s syndrome. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 41, 330-336.

Gilbert, D.L., Batterson, J.R., Sethuraman, G., & Sallee, F.R. (2004). Tic reduction with risperidone versus pimozide in a randomized, double-blind, crossover trial. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 43, 206-214.

Gilbert, D.L., Sethuraman, G., Sine, L., Peters, S., & Sallee, F.R. (2000). Tourette´s syndrome improvement with pergolide in a randomized, double-blind, crossover trial. Neurology, 54, 1310-1315.

Goetz, C.G., Tanner, C.M., Wilson, R.S., Carroll, V.S., Como, P.G., & Shannon, K.M. (1987). Clonidine and Gilles de la Tourette´s syndrome: double-blind study using objective rating methods. Annals of Neurology, 21, 307-310.

Kaim, B. (1983). A case of Gilles de la Tourette´s syndrome treated with clonazepam. Brain Research Bulletin, 11, 213-214.

Leckman, J.F., Riddle, M.A., Hardin, M.T., Ort, S.I., Swartz, K.L., Stevenson, J., & Cohen, D.J. (1989). The Yale Global Tic Severity Scale: initial testing of a clinician-rated scale of tic severity. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 28, 566-573.

Leckman, J.F., Hardin, M.T., Riddle, M.A., Stevenson, J., Ort, S.I., & Cohen, D.J. (1991). Clonidine treatment of Gilles de la Tourette´s syndrome. Archives of General Psychiatry, 48, 324-328.

Leckman, J.F., Detlor, J., Harcherik, D.F., Ort, S.I., Shaywitz, B.A., & Cohen, D.J. (1985). Short- and long-term treatment of Tourette´s syndrome with clonidine: a clinical perspective. Neurology, 35, 343-351.

Marras, C., Andrews, D., Sime, E., & Lang, A.E. (2001). Botulinum toxin for simple motor tics: a randomized, double-blind, controlled clinical trial. Neurology, 56, 605-610.

McDougle, C.J., Goodman, W.K., Leckman, J.F., Lee, N.C., Heninger, G.R., & Price, L.H. (1994). Haloperidol addition in fluvoxamine-refractory obsessive-compulsive disorder. A double-blind, placebo-controlled study in patients with and without tics. Archives of General Psychiatry, 51, 302-308.

Micheli, F., Gatto, M., Lekhuniec, E., Mangone, C., Fernandez Pardal, M., Pikielny, R., & Casas Parera, I. (1990). Treatment of Tourette´s syndrome with calcium antagonists. Clinical Neuropharmacology, 13, 77-83.

Onofrj, M., Paci, C., D´Andreamatteo, G., & Toma, L. (2000). Olanzapine in severe Gilles de la Tourette syndrome: a 52-week double-blind cross-over study vs. low-dose pimozide. Journal of Neurology, 247, 443-446.

Sallee, F.R., Nesbitt, L., Jackson, C., Sine, L., & Sethuraman, G. (1997). Relative efficacy of haloperidol and pimozide in children and adolescents with Tourette´s disorder. American Journal of Psychiatry, 154, 1057-1062.

Scahill, L., Leckman, J.F., Schultz, R.T., Katsovich, L., & Peterson, B.S. (2003). A placebo-controlled trial of risperidone in Tourette syndrome. Neurology, 60, 1130-1135.

Scahill, L., Chappell, P.B., Kim, Y.S., Schultz, R.T., Katsovich, L., Shepherd, E., et al. (2001). A placebo-controlled study of guanfacine in the treatment of children with tic disorders and attention deficit hyperactivity disorder. American Journal of Psychiatry, 158, 1067-1074.

Shapiro, E., Shapiro, A.K., Fulop, G., Hubbard, M., Mandeli, J,, Nordlie, J., & Phillips, R.A. (1989). Controlled study of haloperidol, pimozide and placebo for the treatment of Gilles de la Tourette´s syndrome. Archives of General Psychiatry, 46, 722-730.

Singer, H.S., Brown, J., Quaskey, S., Rosenberg, L.A., Mellits, E.D., & Denckla, M.B. (1995). The treatment of attention-deficit hyperactivity disorder in Tourette´s syndrome: a double-blind placebo-controlled study with clonidine and desipramine. Pediatrics, 95, 74-81.

Stephens, R.J., Bassel, C., & Sandor, P. (2004). Olanzapine in the treatment of aggression and tics in children with Tourette´s syndrome-a pilot study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 14, 255-266.

Tourette's Syndrome Study Group. (2002). Treatment of ADHD in children with tics: a randomized controlled trial. Neurology, 58, 527-536.

Verdellen, C.W., Keijsers, G.P., Cath, D.C., & Hoogduin, C.A. (2004). Exposure with response prevention versus habit reversal in Tourettes´s syndrome: a controlled study. Behavioral Researsch and Therapy, 42, 501-511.

Walsh, T.L., Lavenstein, B., Licamele, W.L., Bronheim, S., & O´Leary, J. (1986). Calcium antagonists in the treatment of Tourette´s disorder. American Journal of Psychiatry143, 1467-1468.

Wilhelm, S., Deckersbach, T., Coffey, B.J., Bohne, A., Peterson, A.L., Baer, L. (2003). Habit reversal versus supportive psychotherapy for Tourette´s disorder: a randomized controlled trial. American Journal of Psychiatry, 160, 1175-1177.

Terug naar boven

Expertgroep tics

Het thema Tics is tot stand gekomen met medewerking van de expertgroep:

  • Jolande van de Griendt, GZ psycholoog/gedragstherapeut, HSK Groep
  • Pieter Hoekstra, kinder- en jeugdpsychiater bij het Universitair centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Accare
  • Cara Verdellen, klinisch psycholoog/gedragstherapeut en gepromoveerd deskundige in de gedragstherapie van ticstoornissen, HSK Groep
Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close