Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Tics bij kinderen en jongeren

Betrouwbare kennis over tics: ouders en jongeren vinden hier informatie over diagnose, behandeling, medicatie (inclusief bijwerkingen) en meer.

De teksten zijn opgesteld in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen en zijn zo veel mogelijk up-to-date.

We spreken van een tic wanneer een kind last heeft van een plotselinge, snelle, herhaalde, niet-ritmische en steeds terugkerende beweging of uiting van stemgeluid. In de volksmond heeft het woord 'tic' een betekenis gekregen van bijzondere gewoonten of interesses: "Tijdens het werk draai ik altijd klassieke muziek. Dat is een tic van me". Maar dit heeft niets te maken met de tics waar het hier over gaat.

Omdat tics vrij veel voorkomen bij kinderen en zij daar vaak niet van bewust van zijn, is het belangrijk om te weten wat onder tics wordt verstaan.

Men spreekt van een chronische tic-stoornis als de jongere langer dan één jaar last heeft van plotseling, snelle, herhaalde, niet-ritmische en steeds terugkerende lichamelijke bewegingen (een chronische motorische tic-stoornis). Er is ook sprake van een tic als het kind zich ongecontroleerd uit met zijn stem (een chronische vocale tic-stoornis), bijvoorbeeld door onbeheerst te roepen of te schreeuwen. Motorische tics komen vaker voor dan vocale tics.

Voorbeelden van motorische tics zijn:

  • Oogknipperen
  • Trekkingen met de neus
  • Bewegen van gezichtsspieren
  • Schoudertrekkingen
  • Aanraken of rechtleggen van voorwerpen
  • Maken van gebaren

Voorbeelden van vocale tics zijn:

  • Kuchen
  • Snuiven
  • Knorren
  • Roepen van woorden of hele zinnen

Bij een mengeling van motorische- en vocale tic-stoornissen is er sprake van het syndroom van Gilles de la Tourette (GTS). Het kan ook dat tics maar een maand tot een jaar aanwezig zijn. Deskundigen noemen dat een "passagère tic-stoornis". Tenslotte zijn er tics die korter dan vier weken voorkomen en lang niet elke dag optreden, dat heet een "tic-stoornis niet anderszins omschreven".

Terug naar boven

Tot voor kort dacht men dat GTS een ernstige, levenslange aandoening was. Nu weten we beter. Onderzoek toont aan dat het syndroom van Gilles de la Tourette in een groot aantal gevallen sterk afneemt. Vanaf een jaar of 13 verminderen de tics aanzienlijk. Bij een deel van de kinderen met Gilles de la Tourette zijn de tics rond het 20e jaar zelfs helemaal verdwenen.

Hoewel tics op jonge leeftijd weinig voorkomen, kunnen ze toch lastig zijn voor het sociale leven van het kind. Vooral in de omgang met leeftijdgenoten op school en bij sport en spel.
Tics kunnen een andere vorm aannemen, zowel van dag tot dag als gedurende weken en maanden. Zo kan het type tics, het aantal en de intensiteit van de tics veranderen.

Terug naar boven

Tics ontstaan door een deels verstoorde werking van de hersenen: mensen die een tic hebben, kunnen hier niks aan doen. Mensen zijn nooit zelf verantwoordelijk voor het hebben van tics.

Tics zijn voor een groot deel aangeboren: het zit deels in de genen. Hoe het precies werkt weet men echter nog niet. Op dit moment zijn er verschillende opvattingen en aanwijzingen over de werkelijke oorzaak. Er zijn in ieder geval nog geen specifieke genen gevonden die tics veroorzaken. Het lijkt dan ook een combinatie te zijn van erfelijkheid en omgevingsfactoren. Denk daarbij aan: moeilijkheden bij de bevalling, een laag geboortegewicht en psychosociale stress. Deze factoren, gecombineerd met een gevoeligheid voor het ontstaan van tics, kunnen leiden tot een tic-stoornis.

Terug naar boven

Na onderzoek naar het syndroom van Gilles de la Tourette bij kinderen tussen de 7-15 jaar zijn een aantal zaken vastgesteld:

  • GTS (dat wil zeggen een combinatie van motorische tics en tenminste één vocale tic gedurende minstens één jaar en vrijwel iedere dag optredend) komt voor bij 0,6% van de kinderen (ongeveer 1 op de 160 jeugdigen).
  • Een chronische motorische tic-stoornis (alleen een bewegingstic gedurende langer dan één jaar) komt voor bij 0,8% van de kinderen (ongeveer 1 op de 120 jeugdigen).
  • Een chronische vocale tic-stoornis (alleen kuchen, knorren, roepen enzovoorts gedurende langer dan een jaar) komt bij 0,5% van alle kinderen tussen de 7 en de 15 jaar voor (1 op de 200 jeugdigen).
  • Alles bij elkaar heeft bijna 2% van de kinderen tussen 7 en 15 jaar een chronische tic (ongeveer 1 op de 50 jeugdigen).
  • Bij nog eens 4,8% van de 7- tot 15-jarigen is tenminste sprake van passagère tics, dat wil zeggen van tics die korter dan één jaar duren (ongeveer 1 op de 21 jongeren).
Terug naar boven

Tics komen vaak voor in combinatie met andere stoornissen. In veel gevallen veroorzaken de bijkomende problemen zelfs meer last dan de tics zelf.

De meest voorkomende combinatie is die van tics met aandachtsproblemen en hyperactiviteit (ADHD). Ongeveer 70% van de mensen met een tic heeft ook last van lichamelijke onrust die voortkomt uit ADHD.

Tics komen ook vaak voor in combinatie met dwanggedachten en dwangmatig gedrag, of in vaktaal: vaak zien we combinaties van tics met obsessies en compulsies dwang (OCS).
Daarnaast gaan tics vaak samen met sociale vaardigheden of autisme (ASS), waarbij PDD-NOS de meestgestelde diagnose is. Bovendien komen ook angst en depressies vaak voor.

Over de combinatie van tics met dwang/dranghandelingen is het volgende nog op te merken: In dit geval dienen de gedachten en handelingen niet om de angst te verminderen zoals dat bij een op zichzelf staande dwangneurose het geval is (zie OCS). In plaats daarvan kan de obsessief-compulsieve neiging, in combinatie met tics, zich uiten in een gebrek aan controle over impulsen en drangverschijnselen.

Terug naar boven

Bij het vaststellen van tics en wat voor soort tics, worden er meestal drie stappen gezet. Daarbij worden verschillende instrumenten ingezet, zie verder.

Drie diagnostische fasen

Bij de eerste ontmoeting wordt nagegaan of er wel of niet sprake is/is geweest van tics. Het hoofdmiddel in deze stap is een vragenlijst, die met begeleiding van de specialist wordt ingevuld.

Als uit dit gesprek blijkt dat er sprake is/was van tics bij het kind, volgt de tweede fase. Aan de hand van een langer vraaggesprek wordt gekeken naar het karakter van de tics. Ook wordt bepaald of de tics vallen onder de eerste- of tweedegraads familie. Daarna bespreekt men de tics van de afgelopen week: het aantal verschillende tics; de frequentie op een dag; de intensiteit en complexiteit van de tics. Ten slotte analyseert men in hoeverre tics het spreken en dagelijkse bezigheden beïnvloeden. Wanneer dit sterk het geval is, is een doorverwijzing naar een specialistisch centrum verstandig.
In zo'n centrum vindt een derde, uitgebreid diagnostisch onderzoek plaats. Daarna kan een aangepaste behandeling worden besproken. De behandeling zelf vindt gewoonlijk bij het kind in de buurt plaats. De volgende Nederlandse centra zijn in tic-stoornissen gespecialiseerd:

  • de kinder- en jeugdpsychiatrische polikliniek van de Bascule te Amsterdam
  • de polikliniek van het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie van Karakter te Nijmegen
  • de polikliniek van het Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie van Accare te Groningen
  • de polikliniek tic-stoornissen van Yulius te Barendrecht

De eerste drie genoemde centra zijn universitaire centra. In alle centra is veel deskundigheid opgebouwd. De tic-stoornissen worden hier goed in kaart gebracht en de behandelingsmogelijkheden worden uitgebreid uiteengezet. In de universitaire centra kunnen de gegevens van de betrokken jongeren dienen als aanknopingspunten voor wetenschappelijk onderzoek. Eventuele behandelingsmogelijkheden kunnen hierdoor uiteindelijk worden vergroot.
Instrumenten voor het vaststellen van ticstoornissen bij kinderen en adolescenten

De derde fase van het diagnostisch onderzoek bestaat uit vijf onderdelen:

  1. Het eerste onderdeel kennen we uit de tweede fase: een vraaggesprek aan de hand van de Yale Global Tic Severity Scale (YGTSS); duur ongeveer 20 minuten.
  2. In een vraaggesprek aan de hand van de zogenaamde Diagnostic Confidence Index (DCI) verzamelt de kinder- en jeugdpsychiater of de neuroloog aanvullende informatie om met nog grotere zekerheid de diagnose van een tic-stoornis te kunnen stellen; duur ongeveer 10 minuten.
  3. Vervolgens wordt met behulp van weer een andere vragenlijst, een uitbreiding van de reeds bekende Yale Global Tic Severity Scale, vastgesteld wat de actuele ernst van de tic-ervaring is, alsook wat de jeugdige ooit heeft ervaren als de meest ernstige vorm van tics; duur ongeveer 20 minuten.
  4. Daarna inventariseert de psychiater of de neuroloog de verschillende vormen van dwang die de jeugdige ervaren heeft en momenteel ervaart. Ook wordt de ernst van de dwang vastgesteld. Hierbij worden twee vragenlijsten gebruikt: de Children's Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale (CY-BOCS) en een onderdeel van de Children's Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale; in het geheel duurt dit onderdeel ongeveer 20 minuten.
  5. Tenslotte voert de psychiater of de neuroloog een gesprek over het vóórkomen van tics, dwang of aandachtsproblemen in eerstegraads familie; dit onderdeel duurt ongeveer 10 minuten.
Terug naar boven

Het kiezen van de juiste behandeling is een kwestie van zorgvuldige afweging. Het vereist zorgvuldig overleg van de behandelaar met het kind en zijn ouders. In een aantal gevallen is het nodig om de ontwikkelingen over een bepaalde periode in de gaten te houden en te meten. Dat wordt 'monitoren' genoemd.

Bij de behandeling van tics worden een aantal uitgangspunten genomen:

  • Tics zelf hoeven zeker niet altijd behandeld te worden. Tics verdwijnen na verloop van tijd vanzelf: helemaal of voor een belangrijk deel.
  • Er bestaat geen perfecte behandeling die tics vermindert. De voordelen van een behandeling moeten altijd worden afgewogen tegen de bijwerkingen.
  • De ouders en het kind moeten er niet vanuit gaan dat de tics volledig verdwijnen. Het is mooi als ze worden teruggebracht tot een niveau waarop ze niet meer hinderlijk zijn voor het kind.

Gedragstherapie of medicatie

Bij de behandeling van tics kan worden gekozen uit medicatie en gedragstherapie door een psycholoog. Er is geen onderzoek bekend waarin de effectiviteit van gedragstherapie en medicatie onderling wordt vergeleken. De indruk bestaat dat medicatie bij de meeste mensen effectiever is. Medicatie heeft ook een sneller en meer voorspelbaar effect.

Bij de keuze voor gedragstherapie is van belang dat het kind gemotiveerd is en niet te jong, en dat er bij het behandelcentrum deskundigheid op dat gebied aanwezig is. Bij de keuze spelen de volgende factoren een rol:

  • de motivatie van de jeugdige;
  • de noodzaak om al dan niet snel tot resultaat te komen;
  • de deskundigheid van het behandelcentrum met betrekking tot gedragstherapie;
  • de voorkeur van de ouders en het kind.

Psycho-educatie

Het is van groot belang dat de behandelaar uitleg geeft aan het kind en de ouders. Kind, ouders en behandelaar moeten daar de tijd voor nemen. Allereerst is het belangrijk dat de behandelaar uitlegt wat er bekend is over de oorzaken en de achtergronden van tics en Gilles de la Tourette. In ieder geval moet duidelijk worden gemaakt dat tics te maken hebben met processen in de hersenen en dat aanleg bij geboorte een rol speelt. Een kind dat last heeft van tics kan hier niks aan doen en niemand kan zo'n kind verwijten dat het zich aanstelt of te weinig zijn best doet om zich in te houden.

Tics treden altijd onvrijwillig op. Het kan zijn dat een kind er in de ene situatie, bijvoorbeeld op school, geen last van heeft, terwijl de tics thuis ineens heel vaak optreden. Tics zijn soms erg complex en komen de ene keer vaker voor dan de andere keer. Dit heeft echter niet te maken met psycho-sociale factoren waarbij bijvoorbeeld stress optreedt. Het hangt veel meer samen met de natuurlijk ontwikkeling van de tic-stoornis. Tics kunnen tijdelijk worden onderdrukt, maar kunnen soms toch ineens weer volledig onvrijwillig optreden.

De kinder- en jeugdpsychiater geeft ook uitleg over mogelijke andere stoornissen die vaak voorkomen in combinatie met tics (comorbiditeit). Daarbij besteedt hij ook aandacht aan de mogelijke dwanggedachten of dwanghandelingen. Een dergelijke stoornis is vaak onzichtbaar voor de buitenwereld, het gaat bijvoorbeeld om dwangmatig in stilte tellen of in stilte woorden herhalen. Dat zijn zogenaamde cognitieve tics of dranggedachten.

Verder hebben kinderen met tics ook vaak last van ADHD, ASS, angst of depressie.

Bijkomende problemen

Regelmatig vinden kinderen de aanvullende problemen vervelender dan de tics zelf. Zij hebben meer last van de 'bijkomende' dwangstoornis, de ADHD, de angststoornissen of de depressie. De psychiater of neuroloog gaat met het kind en de ouders na wat de grootste hinder oplevert: de tics of een eventuele andere stoornis. Wanneer het kind meer last heeft van de bijkomende problemen dan richt de behandeling zich vooral op deze stoornissen. De behandeling van de genoemde 'bijkomende problemen' bij kinderen met tics verschilt niet van die bij kinderen met dezelfde problemen zonder tics. Zie hiervoor de desbetreffende hoofdstukken (ADHD, ASS, angst, depressie). Wel is het zo dat behandeling van de 'bijkomende problemen' ook een gunstige invloed op de tics kan hebben.

Monitoren

Voorafgaand aan behandeling: ontwikkelingen in de gaten houden (monitoren)

Als besloten is tot behandeling van de tics, raadt de psychiater of neuroloog in veel gevallen aan om de ernst en de ontwikkeling van de tics gedurende een aantal maanden te volgen. Daarna wordt vaak pas met de behandeling begonnen. Zo krijgt de arts goed zicht op de schommelingen in het tic-patroon. Als dat zicht er is, kan men na de behandeling ook goed beoordelen of deze echt geholpen heeft. In die paar maanden worden met behulp van de Yale Global Tic Severity Scale de complexiteit en de ernst van de tics en de bijbehorende belemmeringen gemeten. In een aantal gevallen geeft de psychiater of neuroloog het kind en/of de ouders een versie van deze schaal mee die zij zelf kunnen invullen.

Medicatie

Voor het bespreken van de mogelijke medicijnen, moeten de betrokkenen het volgende beseffen: er bestaat geen ideale tic-reducerende behandeling, ook niet met medicijnen.
Als men overgaat tot medicijngebruik is het belangrijk dat minstens eenmaal per jaar bekeken wordt of het nog wenselijk is het gebruik van de medicijnen voort te zetten. Na verloop van tijd kunnen de tics op een natuurlijke manier zodanig in ernst zijn afgenomen, dat medicatie niet meer nodig is.

Het is onzorgvuldig om zomaar jaren door te gaan met de gekozen behandeling. Van tijd tot tijd moet de medicatie geleidelijk worden gestopt om te kunnen zien hoe de tics zich hebben ontwikkeld. Als er aanleiding toe is, kan dan weer opnieuw met medicijnen worden begonnen.

Gedegen onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde medicijnen redelijk effectief kunnen zijn in het doen verminderen van tics. In de eerste plaats zijn dat zogenaamde dopamine blokkerende antipsychotica. De meeste kans op succes bestaat met haloperidol, pimozide of risperidon. Deze middelen hebben dus de voorkeur.

Een belangrijk bezwaar voor antipsychotica zijn de mogelijke bijwerkingen ervan, vooral bij langdurig gebruik en hoge doseringen. Mogelijk zijn jonge kinderen en kinderen met een verstandelijke handicap nog gevoeliger voor bijwerkingen dan jongeren en kinderen zonder die handicap. Vandaar dat belangrijk is dat de psychiater of de neuroloog met het kind en zijn ouders de laagst mogelijke dosering bepaalt. Daarnaast moet de medicatie van tijd tot tijd worden gestaakt om te kijken of medicijngebruik nog wel nodig is.

Bijwerkingen die behandelaars in de praktijk regelmatig zien, zijn: sufheid, leermoeilijkheden, angst en depressie. Aan de sufheid en leermoeilijkheden ligt een verminderd reactie- en concentratievermogen ten grondslag, waardoor het deelnemen aan het verkeer en het werken met machines een gevaar voor veiligheid kunnen opleveren.
Daarnaast kunnen antipsychotica ook leiden tot spier- en bewegingsstoornissen en hartproblemen. Daarom wordt een regelmatig hartfilmpje (ECG) altijd aanbevolen.

Ook clonidine kan de ernst van tics doen afnemen. Dit middel wordt vaak gebruikt bij kinderen met een combinatie van tics en ADHD. De belangrijkste bijwerking van clonidine is eveneens sufheid: ook hieraan is dus een veiligheidsrisico met verkeer en machines verbonden.

Gedragstherapie

Twee vormen van gedragstherapie: Eerder in dit hoofdstuk werd gesteld dat tics altijd onvrijwillig optreden en niet door de persoon in kwestie te beïnvloeden zijn. Dit is niet in alle gevallen voor 100% waar. De gedragstherapie maakt gebruik van het gegeven dat tics zich feitelijk niet helemaal aan de vrije wil onttrekken. Soms kunnen jongeren met tics vlak voor de tic een soort spanning voelen. In de Engelstalige literatuur worden die gevoelens premonitory urges genoemd. De tic kondigt zich als het ware aan.

Er zijn twee gedragstherapeutische methodieken ontwikkeld: exposure met responspreventie en habit reversal. Informatie over een zogenaamd behandelprotocol bij tic-stoornissen is te vinden in de rubriek Protocollaire Psychologische Behandelvormen. Het behandelboek dat daar wordt genoemd, is gericht op gebruik door volwassenen. Voor het gebruik bij kinderen en jongeren moet het worden aangepast.

Exposure met responspreventie werkt, simpel gezegd, als volgt: Het kind voelt de aandrang die leidt tot de daaropvolgende tic, de premonitory urge. De jongere wordt geleerd zichzelf langer dan normaal aan die aandrang bloot te stellen. Dit leidt tot een langere exposure aan de premonitory urges. Normaal gesproken komt na de aandrang de tic. Het kind wordt nu aangeleerd bewust steeds langer alle tics te onderdrukken of op te houden. Het tegenhouden van de tic is dan de responspreventie. Sommige jongeren leren op deze manier hun tics te beheersen. Soms lukt het hen om de tics op den duur geheel of gedeeltelijk te onderdrukken.
Een andere gedragstherapeutische techniek is habit reversal, wat staat voor 'het omdraaien van de gewoonte'.

De jeugdige wordt bij iedere afzonderlijke tic een tegenbeweging aangeleerd, die niet verenigbaar is met het uitvoeren van de betreffende tic. Concreet en simpel gezegd: het kind voelt de tic aankomen en zet een tegenbeweging in op het moment waarop hij de tic verwacht. De tic wordt teniet gedaan.

Er zijn duidelijke aanwijzingen dat beide methoden effectief kunnen zijn. De effectiviteit van beide methoden blijkt overigens onderling niet erg te verschillen. Er zijn bovendien aanwijzingen dat dit soort gedragstherapieën bij tics ook op langere termijn, tot maanden na het afronden van de behandeling, effectief zijn. Hoewel 'onderhoud' van de therapie geboden is.

Een voordeel van een gedragstherapeutische behandeling is dat de kinderen hiermee leren om tics in ieder geval tijdelijk te kunnen onderdrukken. Dat kan in een aantal sociale situaties (bij vriendjes en op school) erg belangrijk zijn voor hun. Jongeren moeten echter wel heel erg gemotiveerd zijn voor een gedragstherapeutische behandeling van de tics. Het is namelijk een intensieve vorm van behandeling.

Een nadeel van deze aanpak is dat bij de jeugdigen de gedachte kan ontstaan dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor het feit dat ze tics hebben. Zeker als de resultaten van gedragstherapie tegenvallen, kan dit een gevoel van mislukking teweegbrengen. Dit is niet bevorderlijk voor hun gevoel van eigenwaarde en hun zelfvertrouwen.

Rol ouders

Ouders en kinderen krijgen uitgebreide psycho-educatie. Dit betekent dat de ouders en het kind zich daarvoor open moeten stellen.
Afhankelijk van de ernst van de tics en de bijkomende problemen krijgen de ouders soms het advies om ouderbegeleiding te volgen. Hier leren zij vaardigheden om op een bepaalde effectieve manier met hun kind om te gaan.

Als het kind medicijnen krijgt, moeten de ouders erg oplettend zijn: zij moeten toezien op een juist gebruik van de medicijnen en in de gaten houden hoe het kind erop reageert. De behandelaar zal de ouders nauw betrekken bij de behandeling.

Van het kind dat samen met hun ouders en de behandelaar heeft gekozen voor gedragstherapie worden inspanningen verwacht om de motivatie vast te houden. De jongere moet voortdurend oefenen. Ook moet het leren om teleurstellingen die aan ieder therapieproces vastzitten te accepteren en te verwerken om vervolgens toch door te gaan. De ouders hebben de taak de jeugdige daarbij op een goede manier te ondersteunen. Zij moeten hierover van tijd tot tijd met de gedragstherapeut contact hebben.

Verder moet het kind samen met de ouders en de behandelaar regelmatig nagaan of er sprake is van vooruitgang en zo ja, in welke mate. De ouders en het kind hebben daarom regelmatig contact met de kinder- en jeugdpsychiater of psycholoog.

Patiëntenorganisatie

Stichting Gilles de la Tourette is er voor iedereen die betrokken is bij het syndroom van Gilles de la Tourette: patiënten, ouders, familieleden, zorg-/hulpverleners, leerkrachten, bekenden en geïnteresseerden. De stichting heeft vier doelstellingen: lotgenotencontact, voorlichting, individuele belangenbehartiging en collectieve belangenbehartiging.

Terug naar boven

Tics (Therapeutenboek)

Reductie van ernst en frequentie van tics. Volwassen patiënten met een ticstoornis waaronder het syndroom van Gilles de la Tourette. Met enige aanpassing is het protocol ook bruikbaar voor kinderen en adolescenten. Met beoordeling door de werkgroep. Lees meer over 'Tics' >>

Tics (Werkboek voor kinderen)

Werkboek behorend bij het behandelprotocol. Lees meer over Tics - Werkboek voor kinderen >>

Tics (Werkboek voor ouders)

Tics - Werkboek voor ouders (PDF) is gratis te downloaden.

Terug naar boven

De combinatie van medicatie en gedragstherapie kunnen helpen de tics te verminderen. Maar het belangrijkste is dat in een groot aantal gevallen chronische- of motorische tics en het syndroom van Gilles de la Tourette vanzelf verminderen of zelfs helemaal verdwijnen. Hierdoor is het moeilijk te beoordelen wat het directe effect van behandeling of medicatie is.

Terug naar boven

Tics - handboek voor ouders en leerkrachten

Annet Heijerman

Hoe herken ik een tic? Hangen tics samen met ander gedrag? Hoe kan ik er het beste op reageren? Wat kan er aan gedaan worden? Dit boek biedt ouders en leerkrachten antwoord op deze vragen, zodat zij het dagelijks leven van het kind met tics gemakkelijker kunnen laten verlopen. De informatie kan ook nuttig zijn voor hulpverleners, begeleiders en familieleden of voor jongeren die zelf tics hebben.

'Tics' bestellen bij Bol.com

Tics - Annet Heijerman

Tics bij kinderen

Dit boek biedt hulpverleners, leerkrachten en ouders een heldere en genuanceerde kijk op tics bij kinderen. Het beschrijft de diagnostiek, achtergrond en behandelmogelijkheden van tics, ticstoornissen en het syndroom van Gilles de la Tourette. Tevens wordt ingegaan op veelvoorkomende problemen bij het syndroom van Gilles de la Tourette zoals ADHD en woede-uitbarstingen. Vervolgens worden de psychologische gevolgen van tics besproken. Het boek is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke kennis over tics bij kinderen.

'Tics bij kinderen' bestellen bij Bol.com

Tics bij kinderen

Don't think about monkeys

A.W. Seligman en J.S. Hilkevich

Dit boek, geschreven in het Engels, bestaat uit verhalen van mensen met Gilles de la Tourette. Het is geschreven door 14 mensen die zelf Tourette hebben, waaronder 3 adolescenten.

'Don't think about monkeys' bestellen bij Bol.com

Don't think about monkeys - Adam Ward Seligman en Johan S. Hilkevich
Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close