Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Depressie bij kinderen en adolescenten (stemmingsstoornis)

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van depressie bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Beschrijving depressie

Iedereen, ook een kind of een puber, maakt wel eens een periode mee waarin het minder goed gaat en de stemming zakt. Om te spreken van een depressief beeld moet deze toestand van een gedaalde stemming langere tijd duren en een duidelijk verminderd functioneren en een duidelijk lijden met zich meebrengen. Je moet met andere woorden in enige mate "ziek van somberheid" zijn. Wat de diagnose bij kinderen en pubers lastig maakt is dat de gedaalde stemming niet voortdurend aanwezig hoeft te zijn; bij afleiding leeft het kind vaak tijdelijk op, om daarna weer snel terug te zaken in somberheid of prikkelbaarheid. Dit maakt dat de omgeving vaak denkt dat het kind zich aanstelt. Ook het feit dat kinderen en pubers vaak meer prikkelbaar dan somber zijn maakt dat de diagnose gemist kan worden. Een ander belangrijk symptoom is anhedonie: het verlies van plezier in vrijwel alles, ook dingen waar het kind/de puber eerder van kon genieten.

Een bruikbare definitie voor een depressie is: Een sombere, prikkelbare prikkelbare stemming en/of anhedonie gedurende de meeste dagen van de week, gedurende de meeste uren van de dag en tenminste twee weken aanwezig is (DSM IV-TR, DSM 5). Daarnaast moeten voor de diagnose depressie nog vier andere symptomen aanwezig zijn van het volgende rijtje:

  • gewichtsverlies cq. niet aankomen;
  • slaapproblemen (bij pubers soms juist toegenomen slaapbehoefte);
  • vermoeidheid;
  • gevoelens van waardeloosheid;
  • concentratieproblemen;
  • terugkerende gedachten aan de dood.

De bovenstaande symptomen uiten zich op een wijze die bij de leeftijdsfase van het kind past. Lichamelijke klachten en regressief gedrag zijn aspecifieke symptomen van onwelbevinden die aanleiding zouden moeten zijn om beter te gaan kijken wat er met een kind aan de hand is.

Naast de depressieve stoornis, onderscheidt men de dysthyme stoornis. Dysthymie is het beeld waarbij kinderen of pubers langdurig (tenminste een jaar) een gedaalde of prikkelbare stemming hebben. Daarnaast moeten twee symptomen van het bovenstaande rijtje aanwezig zijn. In het algemeen is de ernst wat minder, hoewel ook hierbij het lijden aanzienlijk kan zijn, mede door de lange duur.

Een psychotische depressie komt niet vaak voor in de kinder-en jeugdpsychiatrie. Hierbij zijn er, naast het depressieve beeld, ook psychotische verschijnselen aanwezig in de vorm van stemmen of wanen.

Bij een depressieve stoornis op de kinder-en jeugdleeftijd moet rekening gehouden met de mogelijkheid dat bij een klein deel van de depressieve kinderen en pubers de depressie een voorloper is van een bipolaire stoornis. Met name bij een familiaire belasting met een bipolaire stoornis is deze kans aanwezig. Psychomotore retardatie, pathologische schuldgevoelens, stemmingsschommelingen ('s ochtends somberder), psychotische verschijnselen, atypische symptomen zoals toegenomen slaapbehoefte zijn symptomen die vaker voorkomen bij depressies die later overgaan in een bipolair beeld (Smith, Craddock, 2011).

Terug naar boven

Een depressieve stoornis treedt bij ongeveer 1% van de kinderen op (even vaak bij meisjes en jongens) en bij 4% van de adolescenten (bij meisjes twee maal zo vaak als bij jongens). Over de prevalentie van de dysthyme stoornis zijn nauwelijks gegevens beschikbaar. Naar het zich laat aanzien komt deze stoornis ongeveer even vaak voor als de depressieve stoornis.

Terug naar boven

Een depressie ontstaat als het evenwicht tussen draagkracht en draaglast langdurig verstoord is bij kinderen en pubers die kwetsbaar zijn voor een stemmingsstoornis.

Bij het ontstaan van een depressie spelen bijna altijd multipele factoren een rol. Vaak zijn er stressoren aan te wijzen in verschillende leefgebieden en in verschillende levensfasen, die gevolgen hebben (gehad) voor de draagkracht van een kind.
Stressoren in de eerste levensjaren bijvoorbeeld kunnen grote gevolgen hebben voor de gevoeligheid voor stress, het gevoel van basisveiligheid en de kwaliteit van objectrelaties. Stress op de basisschoolleeftijd, bijv. gepest worden, kan gevolgen voor hebben voor het zelfvertrouwen van een kind en sociale vaardigheden.

Comorbide diagnoses als ADHD, leerstoornissen, autismeLVB kunnen zowel beschouwd worden als stressoren (met als gevolg bijv. frequente ruzies of overvraging) of als factoren die de draagkracht van een kind verminderen. Vaak spelen ook gezinsfactoren van allerlei aard een oorzakelijke of onderhoudende rol.
Specifieke stressoren voor een depressie zijn er niet. Wel komen verliezen (van een familielid, van een goede vriend) vaker voor bij een depressie dan bij andere diagnoses.

Het risico op een depressie is aanmerkelijk verhoogd als er sprake is van een familiaire belasting of een eerdere depressie in de voorgeschiedenis. Ook een pessimistische denkstijl of rumineren zijn bekende risicofactoren.

Onderzoek naar factoren die bijdragen aan het ontstaan en het standhouden van stemmingsstoornissen bij kinderen en jeugdigen richt zich op:

  • familiare belasting;
  • neurochemische en endocrinologische factoren;
  • negatieve interacties in het gezin;
  • kindermishandeling/verwaarlozing - verstoord evenwicht;
  • cognitieve informatieverwerking.
Terug naar boven

Onderzoek naar het verloop van stemmingsstoornissen is vooral verricht bij depressieve jeugdigen. Dit onderzoek wijst uit dat de kans op het optreden van een recidive heel aanzienlijk is: in klinische populaties is een recidivekans van meer dan 70% over een periode van vijf jaar gerapporteerd. In longitudinaal onderzoek (vooral van klinische populaties) komt ook naar voren dat de kans op suïcide aanzienlijk is. Ook blijkt in longitudinaal onderzoek dat de index depressieve episode bij sommige jeugdigen de eerste manifestatie was van een bipolaire stoornis.

Terug naar boven

Ten aanzien van de comorbiditeit moet vooral gewezen worden op de comorbiditeit met gedragsstoornissen (ODD/CD)ADHD, angstautisme en LVB. Op basis van gegevens over bijvoorbeeld verloop en werkzaamheid van behandeling pleiten sommige auteurs ervoor om comorbide depressieve stoornis en gedragsstoornis als een afzonderlijke stoornis te beschouwen. Bij jongeren met een persoonlijkheidsstoornis (in het bijzonder de Borderline Persoonlijkheid) is vaak sprake van comorbide depressie.

In de diagnostiek van depressie is het onder andere zaak aandacht te geven aan de differentiaal diagnose van een lichamelijke ziekte en van het zogenaamde Chronisch Vermoeidheid Syndroom (CVS). Resultaten van onderzoek suggereren dat er bij patiënten met een depressie sprake is van meer premorbide psychiatrische problematiek en van meer psychiatrische comorbiditeit dan bij patiënten met CVS. Overigens kan een stemmingsstoornis ook co-morbide met CVS voorkomen. Het verdient aanbeveling om bij de diagnostiek van een depressieve stoornis gebruik te maken van gestandaardiseerd instrumentarium.

Terug naar boven

Brent, D., & Weersing, V.R. (2009). Depressive disorders in childhood and adolescence. In M. Rutter, D.V.M. Bishop, D.S. Pine, S. Scott, J. Stevenson, E. Taylor, & A. Thapar (Eds.), Rutter’s Child and Adolescent Psychiatry, 5th edition (pp. 587-613). NY: Whiley.

Cyranowski, J.M., Frank, E., Young, E., & Shear, K. (2000). Adolescent onset of the gender difference in life time rates of major depression. Archives of General Psychiatry, 49, 126-131.

Emslie G.J., Mayes, T., Porta, G., Vitiello, B., Clarke, G., Wagner, K.D., et al. (2010). Treatment of Resistant depression in Adolescents: Week 24 outcomes. American Journal of Psychiatry, 167, 782-791.

Geller, B., Zimmerman, B., Williams, M., Bolhofner, K., & Craney, J.L. (2001). Bipolar disorder at prospective follow-up of adults who had prepubertal major depressive disorder. American Journal of Psychiatry, 158, 125-127.

Kovacs, M. (1997). Depressive disorders in childhood: an impressionistic landscape. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 38, 287-298.

Kovacs, M., & Devlin, B. (1998). Internalizing disorders in childhood. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 39, 47-63.

March, J.S., & Vitiello, B., (2009). Clinical messages from the treatment for adolescents with depression study (TADS). American Journal of Psychiatry, 166, 1118-1123.

Pavuluri, M.N., Birmaher, B., & Naylor, M.W. (2005). Pediatric Bipolar Disorder: A review of the past 10 years. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 44, 846-871.

Pilowsky, D.J. (2009). Depression: cause and risk factors. In: J.M. Rey, & B. Birmaher (Eds). Treating child and adolescent depression. Baltimore: Lippincott Williams & Wilkins.

Richtlijncommissie Addendum depressie bij jeugd (2009). Multidisciplinaire richtlijn Addendum depressie bij jeugd. Trimbos-Instituut, Utrecht.

Sadock, B.J., & Sadock V.A. (2007). Depression and bipolar disorder. In B.J. Sadock, H.I. Kaplan, & V.A. Sadock (Eds.) Kaplan and Sadock's Synopsis of Psychiatry, 10th ed. (pp. 527-562). Philadelphia: Lippincott Williams and Wilkin.

Smith, J.D., & Craddock, N. (2011). Unipolar depression and bipolar depression: different or the same? BJP, 199, 272-274.

The TADS team (2009). The treatment for adolescents with depression study: outcomes over 1 year of naturalistic follow up. American Journal of Psychiatry, 166, 1141-1149.

Vitiello, B., Silva, S.G., Rhode, P., Kratochvil, C., Kennard, B., Reinicke, M. et al., (2009). Suicidal events in the treatment for adolescents with depression study (TADS). Journal of Clinical Psychiatry, 70, 741-747.

Wals, M., van Os, J., Reichart, C.G., Hilligers, M.H., Ormel, J., Verhulst, F.C. et al. (2004). Multiple dimensions of familial psychopathology affect risk of mood disorder in children of bipolar parents. American Journal of Medical Genetics, 127B, 35-41.

Youngstrom, E.A., & Duax, J. (2005). Evidence-based assessment of Pediatric Bipolar Disorder, Part I: Base rate and family history. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 44, 712-717.

Youngstrom, E.A., & Youngstrom, J.K. (2005). Evidence-based assessment of Pediatric Bipolar Disorder, Part I: Incorporating information from behavior checklists.  Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 44, 823-828.

Terug naar boven

Diagnose depressie

Bij de diagnostiek van depressie is een goede (ontwikkelings)anamnese van belang. Waarbij met name aandacht geschonken wordt aan familiare belasting en 'vroege' stressoren. Gezien de specifieke kenmerken van de problematiek verdient het bevragen van zowel kind/adolescent, ouders als leerkracht de voorkeur. De specifieke symptomen van een depressie en de ernst daarvan zouden uitgevraagd dienen te worden. Idealiter zou het instrument ook de mogelijkheid moeten hebben om verandering vast te stellen. Zo'n alles omvattend instrument is nu nog niet voorhanden. Bij de keuze van de instrumenten is met name geselecteerd op instrumenten:

  • Waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij effectief zijn;
  • Waarvan een goede Nederlandse vertaling en goede normgegevens beschikbaar zijn (dan wel binnenkort beschikbaar komen);
  • Die aansluiten bij ‘de beste klinische praktijk’ binnen het vakgebied;
  • Wanneer aanwezig wordt er ook gekeken naar de beoordeling door de COTAN.

Ten aanzien van een aantal van de voorgestelde instrumenten geldt dat ze in eerste instantie gericht zijn op het in kaart brengen van de aanwezige problematiek. De voorgestelde instrumenten kunnen echter ook gebruikt worden in het kader van behandelingsevaluaties.

Bij het onderzoek van kinderen en adolescenten met depressie is het belangrijk om rekening te houden met co-morbiditeit. Dit is zowel van belang bij de screening als bij de klinische diagnostiek. Voor de gestandaardiseerde meting van comorbide stoornissen verwijzen wij naar de desbetreffende thema’s (angst, ADHD, autismegedragsstoornissen (ODD/CD), LVB en borderline ps).

Terug naar boven

Overzicht van aanbevolen instrumenten in deze richtlijn (Screening)

Ouders Kind/adolescent Leerkracht
Interview
Hulpmiddel CBCL
SDQ
YSR
SDQ
TRF
SDQ
Niet-specifieke instrumenten  nvt  nvt  nvt

 

Overzicht van aanbevolen instrumenten in deze richtlijn (Diagnostiek)

Ouders Kind/adolescent Therapeut/Leerkracht
Interview K-SADS
ADIS-P
K-SADS
ADIS-C
Hulpmiddel CDI
BDI-II-NL
IDS
IDS
Niet-specifieke instrumenten CBSK / CBSA

Screening

Onderstaande aanbevelingen omtrent screening bij depressie zijn deels gebaseerd op de ‘Richtlijn addendum depressie bij jeugd’ van het Trimbos (2009). Het is belangrijk om te vermelden dat screening op depressie alleen zinvol wordt geacht als hier bij een positieve uitslag ook daadwerkelijk behandeling of interventie op volgt. Wanneer dit achterwege blijft creëert men enkel ongerustheid.

Het wordt aangeraden om een breed screeningsinstrument te gebruiken, zodat er ook rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van comorbide stoornissen. Bij ‘case finding’ voor de herkenning van depressie bij kinderen van 4-18 jaar kan men hiervoor de CBCL (Child Behavior Checklist) gebruiken, en in het bijzonder de DSM-schaal affectieve problemen. Als zelfrapportage lijst kan bij kinderen van 11-18 jaar gebruik worden gemaakt van de YSR (Youth Self Report), ook hier in het bijzonder van de DSM-schaal affectieve problemen. Daarnaast wordt aangeraden om vooral de kinderen en adolescenten zelf te bevragen en ter aanvulling ook de ouders of verzorgers.

Gebruik van de CDI als screeningsinstrument voor ‘mass screening’, ‘selective screening’ of ‘case finding’ wordt afgeraden. Alhoewel de CDI een zelfrapportage lijst is voor depressie kan de lengte van de lijst een praktisch bezwaar vormen bij het screenen. Recent is een nieuwe versie van de CDI uitgebracht, de CDI-2.

Voor de screening op psychopathologie door huisartsen en bij eventueel screenen via scholen (bijvoorbeeld tijdens periodieke gezondheidsonderzoeken door de GGD) wordt aanbevolen om de SDQ (Strengths and Difficulties Questionnaire) te gebruiken.

Klinische diagnostiek

Onderstaande aanbevelingen over klinische diagnostiek bij depressie zijn deels gebaseerd op de ‘Richtlijn depressie, addendum depressie bij jeugd’ van het Trimbos (2009).

Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen diagnostiek bij kinderen in de basisschool leeftijd en bij adolescenten omdat de verschijningsvorm van depressie nogal kan verschillen. Zo ziet men in de basisschoolleeftijd nog geen bipolaire of psychotische depressies en is het op de basisschoolleeftijd vaak nog moeilijk angststoornissen en depressie te differentiëren.

Klinisch interview:

Bij het vermoeden van stemmingsstoornissen verdient het aanbeveling in de klinische diagnostiek een combinatie te gebruiken van een gestandaardiseerd klinisch-diagnostisch interview (afgenomen bij zowel ouders/verzorgers als het kind) en psychometrisch goed onderbouwde vragenlijsten. De eerste keus hiervoor is de K-SADS(Kiddie-SADS-lifetime versie). Voor kinderen van 4-11 jaar is de ADIS-C (Anxiety Disorders Interview Schedule-Childversion) een goede tweede optie, maar bij adolescenten is deze voor depressie te weinig differentiërend (Silverman et al, 1988). Van deze lijst is ook een ouderversie beschikbaar, de ADIS-P.
Wanneer men geen gebruikt maakt van een (semi-)gestructureerd interview wordt aanbevolen om in ieder geval alle DSM-symptomen van stemmingsstoornissen systematisch af te vinken op zowel aan- als afwezigheid.

Vragenlijsten:

Deze kunnen aanvullende informatie geven over de ernst van de depressie en kunnen worden gebruikt om de behandelrespons te monitoren. De CDI (Children’s Depression Inventory) is daarvoor een geschikt instrument. Aanbevolen wordt om bij gebruik van deze zelfrapportagelijst na twee weken een herhaalde meting uit te voeren. Om een zo hoog mogelijke predictieve waarde te verkrijgen (86,3 %) dient men een cut-off van 16 te hanteren. Mogelijk is de CDI voor jongeren vanaf ca. 14-15 jaar te kinderachting. In die gevallen is een alternatief de IDS (Inventory for Depressive Symptomatology). Deze lijst is minder ‘kinderachtig’ en is sensitiever voor atypische depressie. Een ander alternatief is de BDI (Beck Depression Inventory).

Niet-specifieke instrumenten:

Enkele instrumenten meten geen depressieve symptomen, maar kunnen wel nuttig zijn in de diagnostiek van depressie omdat ze problemen meten die vaak samen voorkomen met depressie, zoals zelfbeeld of eigenwaarde. De CBSK (Competentie Belevingsschaal voor Kinderen) of de CBSA (Competentie Belevingsschaal voor Adolescenten) is een internationaal bekende lijst die gevoel voor eigenwaarde en inschattingsvermogen van eigen vaardigheden meet.

Richtlijn depressie, addendum depressie bij jeugd (Trimbos)

Terug naar boven

Akkerhuis, G.W. (1997). Vertaling IDS. Utrecht: H.C. Rümke Groep.

Van der Does, A.J.W. (2002). BDI-II-NL. Handleiding. De Nederlandse versie van de Beck Depression Inventory-2nd edition. Lisse: Harcourt Test Publishers.

Goedhart, A., Treffers, F., & Widenfelt, B. (2003). Vragen naar psychische problemen bij kinderen en adolescenten: de Strengths and Difficulties Questionnaire. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 58, 1018-1035.

Reichart, C.G., Wals, M., & Hillegers, M. (2000). Vertaling K-sads. Utrecht: H.C. Rümke Groep.

Siebelink, B.M., & Treffers, Ph.D.A. (2001). Nederlandse bewerking van het Anxiety Disorder Interview Schedule for DSM-IV: Child version van W.K. Silverman en A.M. Albano. Lisse / Amsterdam: Swets & Zeitlinger.

Silverman, W.K., Nelles, W.B. ( 1988). The Anxiety Disorders Interview Schedule for Children. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 27, 772-778.

Timbremont, B., Braet, C., & Roelofs, J. (2008). Handleiding Children's Depression Inventory (herziene versie). Amsterdam: Pearson Assessment and Information B.V.

Treffers, Ph.D.A., Goedhart, A.W., Van den Bergh, B.R.H., Veerman, J.W., Ackaert, L., & Rycke, L. de (2002). Competentie-Belevingsschaal voor Adolescenten. Amsterdam: Harcourt test Publishers.

Trimbos-Instituut. (2009). Richtlijn Depressie, Addendum Depressie bij Jeugd. Stuurgroep multidisciplinairerichtlijnontwikkeling GGZ.

Veerman, J.W., Straathof, M.A.E., Treffers, Ph.D.A., Bergh, B.R.H. van den, & Brink, L.Y. ten (1997). Competentie-Belevingsschaal voor Kinderen (CBSK). Amsterdam: Harcourt test Publishers.

Verhulst, F.C., Ende, J. van der, & Koot, H.M. (1996). Handleiding voor de CBCL/4-18. Rotterdam: Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus MC.

Verhulst, F.C., Ende, J. van der, & Koot, H.M. (1997). Handleiding voor de Youth Self-Report (YSR). Rotterdam: Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus MC.

Verhulst, F.C., & Verheij, F. (2009). Kinder- en jeugdpsychiatrie: onderzoek en diagnostiek. Assen: Koninklijke van Gorcum.

Terug naar boven

Behandeling depressie

De multidisciplinaire richtlijn Addendum Depressie bij jeugd uit 2009 vormt het uitgangspunt voor onderstaande paragraaf, aangevuld met onderzoek dat tussen 2009 en 2012 is verschenen. Uiteraard start iedere behandeling met psychoeducatie waarbij ouders en kind niet alleen uitleg krijgen over wat een depressie is, maar ook over de hypothese waarom juist dit kind in deze omstandigheden een depressie heeft ontwikkeld.

Lichte depressies

Bij lichte depressies wordt geadviseerd te beginnen met psychosociale interventies, gericht op het verminderen van stressoren en het vergroten van de draagkracht van het kind. Gevonden is dat bij 1:5 kinderen hiermee de depressie al opklaart. Als dat niet het geval is CGT (bij kinderen van 8-12 jaar) en CGT dan wel IPT (bij pubers van 13 -17 jaar) de behandeling van eerste keus bij lichte tot matig ernstige depressies.

Matige ernstige tot ernstige depressies

Bij matige ernstige tot ernstige depressies verloopt het herstel sneller als een antidepressivum wordt toegevoegd aan een psychologische behandelvorm.
Bij de ernstigste depressies lijkt CGT geen toegevoegde waarde te hebben naast medicatie en is er veel voor te zeggen om te beginnen met medicatie en activatie en later een psychologische behandelvorm toe te voegen.

Tenslotte is geen behandeling compleet zonder een terugvalpreventieplan: wat te doen als de stress weer oploopt en de stemming dreigt te dalen. De kans op een recidief is immers groot.

Algemene aandachtspunten

De ernst van de depressie, en de mate van herstel na 12 weken zijn het meest voorspellend voor het beloop. Actief volgen of de behandeling wel effect heeft en niet genoegen nemen met traag of slechts gering herstel is dus van groot belang. Behandeling is steeds gericht op remissie. Bekend is immers dat bij gedeeltelijk herstel en bij subtreshold beelden het functioneren nog aanzienlijk belemmerd wordt.

De aanwezigheid van comorbide angst en - dysthymie, alcohol- en middelenmisbruik, zelfbeschadiging en conflicten in het gezin zijn van grote invloed op het al dan niet slagen van de behandeling. Deze condities moeten dus meegenomen worden in het behandelplan.

Geadviseerd wordt om na de acute behandelfase door te gaan met onderhoudsbehandeling en in totaal tenminste 6-9 maanden te behandelen. Voor medicatie geldt het advies om een jaar door te gaan. Niet alleen lijkt op deze manier de kans op recidive (iets) lager dan eerder werd gevonden, in één van de grote multicenter onderzoeken van de afgelopen jaren (TORDIA) ging het herstel nog door tijdens deze onderhoudsfase.

Terug naar boven

Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve gedragstherapie (CGT) gaat ervan uit dat stemmingsproblemen samenhangen met veel verschillende factoren: lichamelijke, sociale, cognitieve en omgevingsfactoren. De behandeling is dan ook breed van opzet en bevat verschillende onderdelen: informatie over depressie en het ontstaan van de klachten, registreren van de stemming en activiteiten, activering*, verbeteren van sociale vaardigheden, verbeteren van communicatievaardigheden, ontspanningsvaardigheden, veranderen van negatieve gedachten, probleemoplossende vaardigheden**, haalbare doelen stellen en het voorkomen van terugval.

* Activering

De stemming, ook een sombere of prikkelbare stemming, wordt beïnvloed door de activiteiten die ondernomen worden. Als gevolg van een depressie kan iemand erg passief worden. De jongere kan als het ware gaan zitten wachten totdat hij/zij weer zin krijgt in iets. Een eerste stap naar verandering is weer actiever worden en daarmee de stemming proberen te beïnvloeden. Door activiteiten te kiezen en uit te voeren en bij te houden of de stemming iets verbeterd of verslechterd kan de jongere onderzoeken hoe hij de stemming kan beinvloeden. Activiteiten waarin iemand goed is en sociale activiteiten hebben vaak een positieve invloed op de stemming.

** Probleemoplossen

Omdat de jongeren opgroeien en veel veranderingen doormaken kunnen ze ook veel moeilijkheden en problemen tegen komen. Als ze niet goed in staat zijn om hulp te vragen of om problemen aan te pakken, dan kan een probleem als onoplosbaar ervaren worden en depressieve gevoelens versterken. Het oplossen en aanpakken van problemen is een vaardigheid die aangeleerd en geoefend kan worden.

Interpersoonlijke psychotherapie

Interpersoonlijke psychotherapie (IPT, Mufson) is oorspronkelijk ontwikkeld voor volwassenen, maar inmiddels ook aangepast voor adolescenten (12-18).
Bij IPT wordt ervan uitgegaan dat veranderingen in belangrijke relaties een depressie kunnen veroorzaken of er het gevolg van zijn. Binnen IPT worden problemen herleid tot de volgende vier probleemgebieden:

  • Rouw en verlies: een relatie die verbroken wordt maar ook verlies door overlijden;
  • Rolverandering: verandering in het leven zoals overgang van de basisschool naar de middelbare school; puberteit, verhuizing, of scheiding van de ouders etc.
  • Interpersoonlijke conflicten: ouders, leerkrachten, leeftijdsgenoten etc.
  • Interpersoonlijke tekorten: problemen met sociale en emotionele vaardigheden.

De therapie is geprotocolleerd en omvat 12 individuele sessies waarbij gebruik gemaakt wordt van counseling technieken maar ook oefeningen zoals rollenspel. De ouders worden via aparte oudersessie betrokken bij de therapie. Bij IPT wordt door de therapeut en de cliënt onderzocht welke veranderingen in belangrijke relaties een rol hebben gespeeld in het ontstaan van de depressieve klachten. Er wordt samen met de adolescent een keuze gemaakt voor een van de vier probleem gebieden en dat wordt de focus van behandeling. De veronderstelling is dat als er verbetering optreedt binnen een probleemgebied er ook spontaan verbetering op andere gebieden plaats zal vinden.

In de therapie leren adolescenten effectieve strategieën te hanteren om beter te communiceren. Ook leren ze om hun gevoelens uit te drukken en interpersoonlijke problemen aan te pakken waardoor de depressieve stemming verminderd. Ook wordt aandacht besteed aan de manier waarop eventueel nieuwe depressieve episoden herkend kunnen worden en wat voor actie de jongere dan moet ondernemen.

E-health

Er zijn verschillende online behandelingen ontwikkeld voor de behandeling van depressie bij kinderen. Nederland kent ook enkele vroege (anonieme) interventies om een depressie te voorkomen.

Grip op je Dip

De preventieve online groepscursus Grip op je Dip is bedoeld voor jongeren tussen de zestien en 25 jaar die last hebben van depressieve klachten. De cursus richt zich op de voorkoming van een depressie door de vermindering van depressieve symptomen in een vroeg stadium. Acht GGz-instellingen bieden de cursus aan die gratis is te volgen door jongeren. Grip op je Dip online is een gezamenlijk project van De Jutters, Indigo/Altrecht, Dimence en het Trimbos-instituut.

Pratenonline

De website Pratenonline biedt oplossingsgerichte therapie aan jongeren met matige tot ernistige angst- en/of depressieklachten met de leeftijd van twaalf tot 23 jaar. De therapie Praten online bestaat uit een zo beperkt mogelijk aantal inidividuele chatsessies met een jeugdhulpverlener, aangeboden door Jeugdriagg Noord-Holland Zuid.

Doepressie

D(o)epressie online is een geprotocolleerde cognitieve gedragstherapie voor jongeren in de middelbare-schoolleeftijd met depressie of depressieve klachten. Het is een blended online programma, zodat jongeren onderdelen van de behandeling ook thuis op de computer doen.
Doepressie online is door Accare, De Bascule en De Jutters ontwikkeld in samenwerking met Triversum, Karakter, Yulius en Curium, en Yvonne Stikkelbroek.

Pak aan

'Pak aan' heeft als doel kinderen te leren hun depressieve symptomen te herkennen en deze beter te reguleren. Bij de training staat centraal: het leren kijken, herkennen en aanpakken van zowel de stressoren als de cognitieve kwetsbaarheid. 'Pak aan' is een bewerking van 'Taking Action'.

Sparx

Het computerspel Sparx is gericht op jongeren met depressieve klachten. Het 3D-spel leert jongeren met negatieve gedachten om te gaan, problemen op te lossen en om toekomstgericht te werken. Het spel is ontwikkeld in Nieuw-Zeeland en nog niet beschikbaar. Er wordt naar financiering gezocht om het spel Sparx vrij te geven.

Voor meer informatie over e-health in de kinder- en jeugdpsychiatrie verwijzen wij u graag naar ons e-book dat vanaf medio april 2013 gratis te downloaden is in de AppStore. Meer informatie over dit project kunt u vinden op onze website bij projecten 2013: E-health in de jeugd-ggz.

Terug naar boven

Medicatie depressie

De werkgroep van het addendum is van mening dat combinatietherapie van fluoxetine met CGT overwogen moet worden indien het van belang is een snelle klinische respons te bewerkstelligen en/of wanneer behandeling met alleen een SSRI aanleiding geeft tot duidelijke suïcidale ideaties.

Bij non-respons op behandeling met fluoxetine gedurende 12 weken dient overgegaan te worden op sertraline of citalopram, in combinatie met cognitieve gedragstherapie of interpersoonlijke therapie. Hierbij dient vastgesteld te worden dat er nog steeds sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie die medicamenteuze behandeling behoeft (TORDIA onderzoek, zie Brent, 2008).

Wanneer sprake is van een voorgezette behandeling met fluoxetine bij kinderen en jongeren die een klinische respons vertonen, dient overwogen te worden CGT toe te voegen aan de fluoxetine om het risico op terugval te reduceren.

Terug naar boven
  • Behalve fluoxetine is nog geen SSRI onomstreden effectief en veilig gebleken.
  • Medicatie dient niet als eerste stap te worden voorgeschreven in de behandeling van kinderen en adolescenten met lichte  depressies.
  • Herstel bij (matig ) ernstige depressies verloopt sneller als aan de psychologische behandeling medicatie wordt toegevoegd.
  • Bij ernstige depressie kan beter eerst gestart worden met medicatie en  kan later een niet medicamenteuze behandeling toegevoegd worden.
  • Met name de ernst en gecompliceerdheid van het depressieve beeld en de mate van verbetering na 12 weken behandeling lijkt de prognose te bepalen.
  • Als na de acute fase de behandeling wordt voorgezet gedurende minimaal 6 a 9 maanden (en in sommige gevallen 1 tot 2 jaar) wordt de kans op remissie en terugval verminderd.
  • Aanwijzingen voor toegenomen risico op suïcidaliteit bij SSRI gebruik onder de 18 jaar blijven aanwezig . Behalve fluoxetine blijkt nog geen SSRI onomstreden veilig en effectief. Als farmacotherapie is geïndiceerd en bij zorgvuldig voorschrijven en –vervolgen betekent het  risico geen beletsel voor behandeling met de farmaca.
  • Streef naar zo snel mogelijk- en volledig mogelijk herstel,: dit heeft positieve invloed op de prognose.
  • Voorschrijven van fluoxetine dient altijd gecombineerd te worden met psycho-educatie en gedoseerde bewegingsactivatie.
  • Het voorschrijven van TCA’s wordt ontraden bij kinderen en jongeren met een depressie omdat ze niet effectief zijn en aanzienlijke bijwerkingen kunnen hebben.

Flowchart medicatie bij depressie

Flowchart over medicatie bij depressie
Terug naar boven

Effectiviteit

  • Alleen van fluoxetine is de werking en de veiligheid aangetoond voor de behandeling van matig ernstige tot ernstige depressies bij kinderen vanaf 8 jaar.
  • Voor de werkzaamheid van sertraline, venlafaxine, citalopram en escitalopram bestaat enig, maar niet eenduidig, bewijs.
  • Tricyclische antidepressiva, en de SNRI’ mirtazapine zijn niet werkzamer dan placebo bij de behandeling van depressies in de kinder-en jeugdpsychiatrie

Onderbouwing

In de afgelopen drie jaar zijn er zeven systematische reviews verschenen naar de effectiviteit en veiligheid van SSRI’s in vergelijking tot placebo. In de meest uitvoerige en best onderbouwde meta-analyse was bij een gemiddelde placeborespons van 40% het aantal kinderen dat moest worden behandeld om een extra remissie te bereiken, number needed to treat (NNT= 9 (95%-BI 6,1-14,7), (Hetrick et al, 2008). Dit bescheiden behandeleffect in termen van remissie werd ook in een andere meta-analyse gevonden (NNT=10), (Bridge et al, 2007). Fluoxetine was de enige SSRI waarmee kinderen en adolescenten die leden aan een depressie, significant vaker verbeterden ten opzichte van een placebo (NNT=3 (95%-BI 1,9-5,1)). Het verschil in effectiviteit tussen fluoxetine en placebo komt ook naar voren in het aantal uitvallers dat als gevolg van gebrek aan effectiviteit in de placebogroep hoger lag dan in de fluoxetinegroep (number needed to harm, NNH=5), (Buitelaar et al, 2009). Voor fluoxetine was er geen verschil in effectiviteit tussen kinderen en jongeren hetgeen bij andere antidepressiva wel wordt gezien. In recente Europese en Nederlandse richtlijnen wordt geconcludeerd dat fluoxetine de enige SSRI is met bewezen klinische effectiviteit over een brede range van uitkomstmaten (Buitelaar et al, 2009; NICE 2005).

Bijwerkingen

(zie voor specifieke bijwerkingen onder de medicatie A-Z / Formularium)

Suïcidaliteit

Wanneer wordt gekeken naar de RCT’s die alleen de behandeling met fluoxetine betreffen, blijkt er voor fluoxetine geen significant verhoogd risico te zijn op suïcidale gedachten, intenties, handelingen en zelfbeschadigend gedrag bij kinderen en jongeren (Hetrick et al, 2008). In de placebogecontroleerde studies die in de recente meta-analyses zijn opgenomen, kwamen geen geslaagde suïcides voor. Voor sertraline en venlafaxine bestaan aanwijzingen dat het risico op toename van suïcidale ideaties significant is.

Van SSRI’s, en tevoren ook van andere antidepressiva, is aangenomen dat met name in de eerste fase van de behandeling de kans op suïcidaliteit toeneemt ten gevolge van een aanvankelijk activerend effect van antidepressiva. Voor volwassenen noch jeugdigen is dit echter aangetoond.

Voor volwassenen lijkt het inmiddels simpel: suïcidaliteit hangt samen met de ernst van de depressie en neemt navenant af bij behandeling met SSRI’s .Voor jeugd is het complexer: ook daar hangt suïcidaliteit samen met ernst van de depressie, maar lijken ook andere factoren een rol te spelen, zoals interpersoonlijk conflict, alcohol-en middelengebruik en wellicht ook andere psychopathologie met toegenomen prikkelbaarheid. Het is overigens niet bekend hoe depressieve kinderen en jongeren bij wie reeds een verhoogd suïciderisico bestaat, op SSRI’s reageren.

Overige bijwerkingen

De industrie heeft een bericht over een risico op dosisafhankelijke QT-verlenging bij zowel citalopram als escitalopram rondgestuurd (Lundbeck, 2011) . Bij gebrek aan gegevens waarop deze waarschuwing gebaseerd is, is het moeilijk deze informatie goed te wegen. Uit dierexperimenteel onderzoek komen aanwijzingen voor effecten op de botdichtheid naar voren. Bij muizen die een SSRI kregen verminderde bot mineralisatie. Ook werden er effecten op de groei van het skelet gezien (Warden et al, 2005). Recent werd op basis van cohort studies,de verminderde botdichtheid bij volwassenen en de toename van fracturen bij SSRI gebruik als reden genoemd na te denken over preventie en screening van botafwijkingen (Haney et al., 2010). Er is hiervoor nog geen evidentie uit dubbelblind gecontroleerd onderzoek.

Non-respons

Onderzoek naar het te voeren beleid bij kinderen en jongeren met een depressie die niet reageren op een eerste behandeling met een SSRI, is beperkt voorhanden en geeft geen eenduidig beeld. In de Treatment of SSRI-Resistant Depression in Adolescents Study (TORDIA) wordt aanbevolen om wanneer na 12 weken behandeling met fluoxetine geen respons optreedt, opnieuw vast te stellen of er sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie. Als dat het geval is, kan sertraline of citalopram als tweede SSRI worden voorgeschreven, zoals ook in de in de richtlijn van het National Institute of Clinical Excellence (NICE) wordt geadviseerd. De kans dat dit leidt tot een respons is circa 50% (Brent et al, 2008). Andere studies laten echter zien dat bij doorbehandelen ook na 12 weken behandeling nog effect kan optreden (TADS, 2009; Goodyer et al, 2007). In de Treatment for Adolescents with Depression Study (TADS, 2009) steeg het succespercentage van bijna 40% bij 12 weken naar 80% na 36 weken wanneer patiënten met fluoxetine( tot 60 mg) en CGT werden doorbehandeld. Bij 64% leidde deze combinatiebehandeling tot remissie na 36 weken (Brent et al, 2007). Toevoegen van CGT aan de behandeling met een nieuwe SSRI of venlafaxine bij jongeren die op een eerste SSRI na acht weken geen respons lieten zien, bleek in het TORDIA-onderzoek te leiden tot een significant groter aantal jongeren dat verbeterde op de Clinical Global Impressions (CGI)- schaal en de Children’s Depression Rating Scale Revised (CDRS-R) (54,8% met CGT vs. 40,5% zonder CGT, NNT=7).

Terugval

De kans op terugval na staken van het antidepressivum is voor fluoxetine in twee studies onderzocht (Emslie, 2004; 2008). Een groot deel van de kinderen en jongeren (respectievelijk 60 en 69%) blijkt na een jaar te zijn teruggevallen wanneer fluoxetine na 19 weken werd omgezet in placebo. Wanneer fluoxetine werd gecontinueerd, waren deze percentages respectievelijk 34 en 42% (NNT=4 in beide onderzoeken). In een relatief klein onderzoek met 46 respondenten na 12 weken behandeling met fluoxetine bleek toevoegen van CGT aan een voortgezette behandeling met fluoxetine na 24 weken 15% terugval te geven tegen 37% terugval in de groep die alleen fluoxetine kreeg (NNT=5), (Kennard et al, 2008). Het beschikbare bewijs heeft tot de aanbeveling geleid bij een klinische respons fluoxetine ten minste gedurende zes maanden voort te zetten in combinatie met psychologische begeleiding. Voor de afbouw van fluoxetine is een periode van vier tot zes weken gebruikelijk (Buitelaar et al, 2009).

Serotonine- en noradrenalineheropnameremmers (SNRI’s)

enlafaxine In het TORDIA-onderzoek bleek behandeling met venlafaxine effectief als tweede stap in combinatie met CGT. Het was even effectief als een tweede SSRI (NNT=8). Het effect van CBT afzonderlijk als tweede stap in het behandelprotocol werd in dit onderzoek niet onderzocht. Zonder CGT blijkt venlafaxine in geen enkele meta-analyse effectiever dan placebo voor de behandeling van depressie. In de TORDIA wordt genoemd dat het als derde keuze middel iets, niet significant, werkzamer was dan nog weer een SSRI. Omdat de opzet van het onderzoek zeker niet voldoet aan de eisen voor een vergelijkend onderzoek naar het effect van geneesmiddelen kunnen hier geen conclusies over de werkzaamheid uit getrokken worden.

Terug naar boven

Effectiviteit

Een meta-analyse van 12 gerandomiseerde studies met TCA’s laat geen verschil in verbetering van symptoomscore zien tussen de behandelde groep en de placebogroep (effect size 0.35; 95%CI –0.16 – 0.86) (Hazell, 1995). Er werd evenmin verschil gevonden in het percentage patiënten bij wie een verbetering optrad (OR 1.08; 95%CI 0,53 – 2,17). In een recente meta-analyse van 14 RCT’s met TCA’s, die nagenoeg dezelfde RCT’s omvatte als Hazell (1995), werd eveneens geen significant behandeleffect gevonden (RR 1,15; 95%CI 0,98-1,34) (Tsapakis et al., 2008).

Bijwerkingen

TCA’s kunnen aanzienlijke bijwerkingen hebben zoals van anticholinerge aard (tachycardie, droge mond, obstipatie, mictieproblemen) en van antihistaminerge aard (sedatie, gewichtstoename).

Bij overdosering zijn TCA’s cardiotoxisch door beïnvloeding van de hartgeleiding.

Terug naar boven

Effectiviteit

Lithium is onderzocht in 1 RCT bij 30 kinderen met een depressie en een positieve familieanamnese voor bipolaire stoornis (Geller et al., 1998). Er werd geen significant behandeleffect op depressie gevonden. Lithium behandeling was geassocieerd met meer bijwerkingen als braken. Mirtazapine is onderzocht in 2 RCT’s, en leidde niet tot een significant behandeleffect. De werkzaamheid van Sint Jans Kruid is niet onderzocht in RCT’s bij kinderen en adolescenten met depressie.

Een kleine RCT met omega-3 vetzuren bij 28 kinderen (6-12 jaar) met een depressie liet een significant behandeleffect zien ten opzichte van placebo (Nemets et al., 2006). Meta analyses over de effecten van omega-3 vetzuren (meestal als aanvulling) in de behandeling van depressies bij volwassenen vinden een significant behandeleffect, maar ook significante heterogeniteit tussen verschillende RCT’s die het trekken van conclusies bemoeilijkt (Lin & Su, 2007; Osher et al., 2006).

Belangrijke overwegingen (van de werkgroep van het Addendum)

  • De hoge placeborespons en het geringe verschil in respons tussen placebo en medicatie geeft aan dat aspecifieke factoren (zoals het geven van goede uitleg, psycho-educatie, geven van hoop op herstel, goede therapeutische relatie, uitgebreide monitoring van symptomen) een grote rol spelen bij de respons op SSRI’s.
  • Hierbij sluit aan dat er een groot verschil in effectiviteit bestaat tussen het effect van placebobehandeling en dat van een wachtlijstcontrolegroep. Placebo is effectiever dan een wachtlijstgroep. Het verschil tussen placebo en wachtlijst zijn de aspecifieke factoren.
  • Alle resultaten van RCT’s zijn afkomstig uit strak opgezette algoritmisch uitgevoerde behandelingen met frequente afspraken, en zelfmonitoring, waarbij aspecifieke factoren belangrijk zijn. Dit kan betekenen dat de effecten van fluoxetine in de RCT’s een overschatting zijn ten opzichte van de resultaten in de doorsnee klinische praktijk.
  • Er is onvoldoende bekend over het effect van SSRI’s op het zich ontwikkelende brein. Dierstudies geven aanwijzingen dat er verschil is tussen jonge dieren ( ratten, muizen)  die behandeld worden met fluoxetine en volwassen ratten, Met name de effecten  op de serotonine transporters en op gedrag verschillen tussen jong behandelde dieren en dieren die op de volwassen leeftijd met fluoxetine behandeld worden. (Bouet, 2011, Homberg, 2011)
  • In ongeveer 30% van de gevallen is sprake van terugval van depressie binnen een periode van 5 jaar. Er zijn geen gegevens beschikbaar over effectieve strategieën ter preventie van relapse van depressie bij kinderen en adolescenten.
  • Depressie bij kinderen en adolescenten kan de eerste manifestatie zijn van een bipolaire stoornis. Onderzoek naar de optimale behandeling hiervan ontbreekt
  • Gebruik van Sint Jans Kruid bij kinderen en adolescenten met een depressie wordt ontraden.
  • De werkgroep van het Addendum is van mening dat omega-3 vetzuren als alternatief overwogen kunnen worden bij kinderen met een lichte tot een matig ernstige depressie, wanneer de ouders terughoudend zijn om te starten met psychologische interventies, of als aanvulling bij psychologische interventies.

Voorschrijf instructies en monitoring

  • Geef bij het voorschrijven van medicatie bij kinderen en jongeren met een depressie  zorgvuldige informatie over de reden voor de medicatie, de duur van tijd voordat effecten optreden, de mogelijke bijwerkingen inclusief mogelijke toename van suïcidale gedachten en handelingen, het risico op terugval bij afbouwen van medicatie.
  • Geef informatie over risico van terugval bij het stoppen van medicatie. Vooral in het begin van de behandeling dient frequente, wekelijkse controle plaats te vinden van mogelijke suïcidale gedachten, intenties en handelingen. SSRI’s bij kinderen en jongeren dienen alleen te worden voorgeschreven door een kinder- en jeugdpsychiater.
  • Instrueer de patiënt en zijn ouders/verzorgers om contact op te nemen met de behandelend arts bij het later optreden of onvoldoende verminderen van de bovengenoemde symptomen.
  • Betrek ouders/verzorgers en het kind of de adolescent actief bij het besluitvormingsproces inzake de behandelstrategie.
  • Jeugdigen met ernstige depressies dienen wekelijks gezien te worden. Frequente monitoring is noodzakelijk.
  • Bij het optreden van een klinische respons op fluoxetine wordt aangeraden gedurende tenminste 6 maanden de medicatie te continueren. De medicatie dient over een periode van 4-6 weken afgebouwd te worden. Hierbij dient altijd psychologische ondersteuning aangeboden te worden gezien het risico op terugval. Uiteraard is altijd een terugvalpreventieplan al gemaakt en in bezit van kind en ouders.
  • Bij non-respons op behandeling met fluoxetine gedurende 12 weken dient overgegaan te worden op sertraline of citalopram, in combinatie met cognitieve gedragstherapie. Stel vast of nog steeds sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie die medicamenteuze behandeling behoeft(TORDIA onderzoek, zie Brent, 2008).
  • Wanneer bij een matig ernstige of ernstige depressie gestart is met cognitieve gedragstherapie of interpersoonlijke psychotherapie (IPT), dient, bij onvoldoende resultaat na 3 maanden, medicatie (fluoxetine) te worden overwogen. Stel vast of nog steeds sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie die medicamenteuze behandeling behoeft.
Terug naar boven

Ansorge, M.S., Zhou, M,, Lira, A., Hen, R., & Gingrich, J.A (2004). Early-life blockade of the 5-HT transporter alters emotional behavior in adult mice. Science;306(5697):792.

Bouet, V., Klomp, A., Freret, T., Wylenzinska-Arridge, M., Tremoleda, J.L., Dauphin, F., Boulouard, M., Booij, J., Gsell, W., & Reneman, L. (2012). Age-dependent effects of chronic fluoxetine treatment on the serotonergic system one week following treatment Psychopharmacology, DOI 10.1007/s00213-011-2580-1.

Brent, D.A., Emslie, G.J., et al. (2008). Switching from another SSRI to venlafaxine with or without cognitive behavioral therapy for adolescents with SSRI-resistant depression (the TORDIA-randomized control trial). JAMA ;299:901-913.

Brent, D.A., Emslie, G.J, et al. (2009). Predictors of spontaneous and systematically assessed adverse events in the treatment of SSRI-resistant depression in adolescents (TORDIA) study, Am J Psychiatry;4:418-426.

Bridge, J.A., Iyengar, S., Salary, C.B., et al. (2007). Clinical response and risk for reported suicidal ideation and suicidal attempts in pediatric antidepressants treatment: a meta-analysis of randomized controlled trials. JAMA;297:1683-96.

Bridge, J.A., Birmaher, B., Iyengar, S., Barbe, R.P., & Brent, D.A. (2009). Placebo response in randomised clinical trials of antidepressants for pediatric major depressive disorder. Am J Psychiatry; 166:42-49.

Buitelaar, J.K., Keulen, M. van, Nauta, M.H., et al. (2009). De multidisciplinaire richtlijn GGZ Addendum Depressie bij Jeugd. (concept), Utrecht: CBO/Trimbos-instituut.

Carandang, C., Jabbal, R., et al. (2011). A review of escitalopram and citalopram in child and adolescent depression. J Can Acad Child Adolesc Psychiatry; 20: 315-324.

Cohen, D., Deniau, E., Maturana, A., Tanguy, M., Bodeau, N., Labelle, R., Breton, J., & Guile, J. (2008). Are child and adolescent responses to placebo higher in major depression than in anxiety disorders? A systematic review of placebo-controlled trials. PloSOne; 3: 1-8.

Curry, J., Silva, S., et al. (2011). Recovery and Recurrence following Treatment for Adolescent Major Depression. Arch Gen Psychiatry;68: 263-270.

Dubicka, B., March, J. et al. (2009). The treatment of Adolescent Major depression: a comparison of the ADAPT and TADS trials. In: Depression in childhood and adolescence: the way forward; ACAMH Occasional Papers, no.28.

Emslie, G.J., Heiligenstein, J.H., Hoog, S.L., et al. (2004). Fluoxetine treatment for prevention of relapse of depression in children and adolescents: a double blind, placebo controlled study. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry;43:1397-405.

Emslie, G.J., Kennard, B.D., et al. (2008). Fluoxetine versus placebo in preventing relapse of major depression in children and adolescents. Am J Psychiatry; 165: 459-467.

Emslie, G.J., Mayes, T., et al. (2010). Treatment of Resistant depression in Adolescents: week 24 outcomes. Am J Psychiatry;167:782-791.

Emslie, G.J., Tao, R., et al. How to use medication to manage depression? In: Rey JM, Birmaher B ,editors. (2009). Treating child and adolescent depression. Philadelphia: Wolters Kluwer/Lippincot, Williams and Wilkins; p 69-86.

Emslie, G.J., Ventura, D., et al. (2009). Escitalopram in the treatment of adolescent depression : a randomised placebo- controlled multisite trial. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry; 48:721-729.

Gibbons, R.D., Brown, H.C., et al. (2012). Suicidal thoughts and behavior with antidepressant treatment. Reanalysis of the Randomized Placebo-controlled Studies of Fluoxetine and Venlafaxine. Arch Gen Psychiatry; Feb 9 (online, ahead of print).

Goodyer, I., Dubicka, B., et al. (2007). Selective serotonin reuptake inhibitors and routine specialist care with and without cognitive behaviour therapy in adolescents with major depression: randomised controlled trial. BMJ;335:142-146.

Haney, E.M., Warden, S.J., & Bilziotes, M.M. (2010). Effects of serotonin reuptake inhibitors on bone in adults: time for recommendations about screening, prevention and management? Bone. 46(1):13-7. Epub.

Hetrick, S., Merry, S., McKenzie, J., Sindahl, P., Proctor, M. (2008). Selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs) for depressive disorders in children and adolescents. Cochrane Database Syst Rev; 18(3): CD004851.

Homberg, J.R., Olivier, J.D., Blom, T., Arentsen, T., van Brunschot, C., Schipper, P., Korte-Bouws, G., van Luijtelaar, G., Reneman, L. (2011). Fluoxetine exerts age-dependent effects on behavior and amygdala neuroplasticity in the rat. PLoS One; 6(1):e16646.

Kennard, B.D., Emslie, G.J., Mayes, T.L., et al. (2008). Cognitive behavioral therapy to prevent relapse in pediatric responders to pharmacotherapy for major depressive disorder. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry;47:1395-404.

March JS, & Vitiello B. (2009). Clinical messages from the treatment for adolescents with depression study (TADS). Am J Psychiatry;166:1118-1123.

National Institute for Health and Clinical Excellence. (2005). Depression in children and young people. Clinical guideline 28. London: NICE, http://guidance.nice.org.uk/CG28/guidance/pdf/English.

Richtlijncommissie Addendum depressie bij jeugd. (2009). Multidisciplinaire richtlijn Addendum depressie bij jeugd; Trimbos Instituut, Utrecht.

Rohde, P., Silva, S.G., et al. (2008). Achievement and maintenance of sustained response during the Treatment for Adolescents with Depression Study continuation and maintenance therapy. Arch Gen Psychiatry; 65;447-455 

Roobol, T.H., Buitelaar, J.K. (2008). Plaats voor SSRI's bij de behandeling van ernstig depressieve kinderen en pubers. Ned Tijdschr Geneeskd;152: 1710-1712.

Schneeweiss, S., Patrick, A.R., et al. (2010). Comparative safety of antidepressants agents for children and adolescents regarding suicidal acts. Pediatrics; 125: 876-888.

Stone, M., Laughren, T., et al. (2009). Risk of suicidality in clinical trials of antidepressants in adults : analysis of proprietary data submitted to US Food and Drug Adminsitration. BMJ ;339:b2880.

Tsapakis EM, Soldani F, Tondo L, Baldessarini RJ. (2008). The Britisch Journal Of Mental Science; 193(1): 10-17.

The TADS team. (2007). The Treatment for Adolescents with depression Study (TADS): Long-term effectiveness and safety outcomes. Arch Gen Psychiatry;64: 1132-1144.

The TADS team. (2009). The treatment for adolescents with depression study: outcomes over 1 year of naturalistic follow up. Am J Psychiatry;166:1141-1149.

Vitiello, B., Silva, S.G., et al. (2009). Suicidal events in the treatment for adolescents with depression study (TADS). J Clin Psychiatry; 70:741-747.

Vitiello, B., Emslie, G.J., et al. (2011). Long term outcome of adolescent depression initially resistant to Selective Serotonin Reuptake Inhibitor treatment: a follow-up study of the TORDIA sample. J Clin Psychiatry; 71:388-396.

Warden, S.J., Robling, A.G., Sanders, M.S., Bilziotes, M.M., & Turner, C.H. (2005). Inhibition of de serotonis(5- ydroxytryptamine) transporter reduces bone accrual during growth. Endocrinology,146(2):685-93.Epub.

Bronnen vóór 2012

Voor de beschikbare evidence tabellen van de literatuur zie pagina 80 t/m 91 van de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie bij Jeugd, addendum.

Bridge JA, Iyengar S, Salary CB, Barbe RP, Birmaher B, Pincus HA, Ren L, Brent DA. (2007). Clinical response and risk for reported suicidal ideation and suicide attempts in pediatric antidepressant treatment: a meta-analysis of randomized controlled trials. JAMA 18; 297(15): 1683-96

Cohen D, Paillere-Martinot ML, Basquin M. (1997). Use of electroconvulsive therapy in adolescents. Convulsive Therapy; 13(1): 25-31

Dubicka B, Hadley S, Roberts C. (2006). Suicidal behaviour in youths with depression treated with new-generation antidepressants: meta-analysis. Br J Psychiatry; 189: 393-398

Emslie GJ. (2009). Understanding placebo response in pediatric depression trails. The American Journal Of Psychiatry; 166(1): 1-3

Emslie GJ, Heiligenstein JH, Hoog SL, Wagner KD, Findling RL, McCracken JT, Nilsson ME, Jacobson JG. (2004). Journal Of The American Academy Of Child and Adolescent Psychiatry; 43(11): 1397-1405

Emslie GJ, Heiligenstein JH, Wagner KD, Hoog SL, Ernest DE, Brown E, Nilsson M, Jacobson JG. (2002). Fluoxetine for acute treatment of depresison in children and adolescents: a placebo-controlled, randomized clinical trial. Journal Of The American Academy Of Child and Adolescent Psychiatry; 41(10): 1205-1215

Geller B, Cooper TB, Zimerman B, Frazier J, Williams M, Heath J, Warner K. (1998). Journal Of Affective Disorders; 51(2): 165-175

Hazell P, O'Connell D, Heathcote D, Robertson J, Henry D. (1995). Efficacy 3141 of tricyclic drugs in treating child and adolescent depression: a meta-analysis. BMJ; 310(6984): 897-901

Kirsch I, Deacon BJ, Huedo-Medina TB, Scoboria A, Moore TJ, Johnson BT. (2008). Plos Medicine 5(2): e45

Lin PY, Su KP. (2007). A Meta-analytic review of double-blind, placebo-controlled trails of antidepressant efficacy of omega-3 fatty acids. The journal of Clinical Psychiatry; 68(7): 1056-1061

March JS, Silva S, Vitiello B, The TADS team. (2006). The treatment for adolescents with depression study (TADS): methods and message at 12 weeks. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry; 45(12): 1393-1403

Nemets H, Nemets B, Apter A, Bracha Z, Belmaker RH. (2006). Omega-3 Treatment of Childhood Depression: A controlled, double-blind pilot study. Am J Psychiatry; 163: 1098-1100

Osher Y, Belmaker RH, Nemets B. (2006). Clinical trials of PUFAs in depression: State of the art. The World Journal Of Biological Psychiatry. The Officials Journal Of The World Federation Of Societies Of Biological Psychiatry; 7(4): 223-230

NICE. (2005). Schizophrenia, Core interventions in the treatment and management of schizophrenia in adults in primary and second care. NICE clinical guideline 82.

Rey JM, Walter G. (1997). Half a century of ECT use in young people. Am J Psychiatry; 154(5): 595-602

Swedo SE, Allen AJ, Glod CA, Clark CH, Teicher MH, Richter D, Hoffman C, Hamburger SD, Dow S, Brown Ch, Rosenthal NE. (1997). Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry: A Controlled Trial of Light Therapy for the Treatment of Pediatric Seasonal Affective Disorder. American Academy of Child & Adolescent Psychiatry; 36(6): 816-821

Tauscher-Wisniewski S, Nilsson M, Caldwell C, Plewes J, Allen AJ. (2007). Meta-analysis of aggression and/or hostility-related events in children and adolescents treated with fluoxetine compared with placebo. J Child Adolesc. Psychopharmacol;17(5):713-718

Tsapakis EM, Soldani F, Tondo L, Baldessarini RJ. (2008). The Britisch Journal Of Mental Science; 193(1): 10-17

Usula T, Clavenna A, Zuddas A, Bonati M. (2008). Randomised controlled 3180 trials of selective serotonin reuptake inhibitors in treating depression in children and adolescents: a systematic review and meta-analysis. Eur Neuropsychopharmacol;18(1): 62-73

Wohlfarth TD, van Zwieten BJ, Lekkerkerker FJ, Gispen-de Wied CC, Ruis JR, Elferink AJ, Storosum JG. (2006). Antidepressants use in children and adolescents and the risk of suicide. Eur Neuropsychopharmacol; 16(2): 79-83

Weersing VR, Brent DA. (2003). Cognitive behavioral therapy for adolescent depression. In: Kazdin AE, Weisz JR, eds. Evidence-based psychotherap

Terug naar boven

Expertgroepen depressie

Het thema Stemmingsstoornissen is in 2012 geactualiseerd met dank aan de expertgroep:

  • Marco Bottelier, kinder- en jeugdpsychiater, Triversum
  • Peter Erkelens, kinder- en jeugdpsychiater, Curium-LUMC
  • Max Güldner, klinisch psycholoog en psychotherapeut, De Bascule
  • Lidie Nonnekes, Pandora
  • Catrien Reichart, kinder- en jeugdpsychiater, Curium-LUMC
  • Jet Roobol, kinder- en jeugdpsychiater, Altrecht
  • Bart Siebelink, klinisch psycholoog, Curium-LUMC
  • Yvonne Stikkelbroek, klinisch psycholoog, Universiteit Utrecht

De expertgroep Depressie 2006 en 2010 bestond uit:

  • Frits Boer, emiritus hoogleraar kinderpsychiatrie, AMC
  • Carolien Braet, klinisch psycholoog, gedragstherapeut, Universiteit Gent
  • Catrien Reichart, kinder- en jeugdpsychiater, Curium-LUMC
  • Marike Serra, wetenschappelijk onderzoeker, Accare
  • Bart Siebelink, klinisch psycholoog, Curium-LUMC
  • Yvonne Stikkelbroek, klinisch psycholoog, UMCU
Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close