Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Angst bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van angst bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving angst

Een angststoornis wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van overmatige, buitenproportionele angst, die niet in verhouding staat tot een (meer of minder reële) bedreiging of angst die niet leeftijdsadequaat is. Er is vaak sprake van vermijding van de bedreiging en piekeren over de gebeurtenissen in de toekomst. Dit laatste wordt anticipatie-angst genoemd. Onderzoek laat zien dat kinderen en jongeren met een angststoornis meer gebruik maken van niet-adaptieve coping strategieën, zoals rumineren, jezelf de schuld geven en catastroferen (Legerstee et al., 2011). Wanneer de angst langer dan 6 maanden aanwezig is en niet in verhouding met de daadwerkelijke bedreiging, kunnen we spreken van een angststoornis. Een kind of jongere wordt dan in zijn/haar dagelijks functioneren belemmerd door de angst en kan niet meer genieten van de normale levenservaringen. De situaties en gedachten verschillen per angststoornis.

In de DSM-5 worden de volgende specifieke angststoornissen beschreven:

  • Separatieangststoornis;
  • Selectief mutisme;
  • Specifieke fobie;
  • Sociale angststoornis (sociale fobie);
  • Paniekstoornis (met paniekaanval als specificatie);
  • Agorafobie;
  • Gegeneraliseerde angststoornis;
  • Angststoornis door een middel/medicatie;
  • Angststoornis door een somatische aandoening;
  • Andere gespecificeerde angststoornis;
  • Ongespecificeerde angststoornis

De validiteit van deze angststoornissen als op zich staande stoornissen is, sinds de introductie van de DSM-III in 1980, onderwerp van discussie. Een belangrijk element hierbij is het gegeven dat de meeste kinderen en jeugdigen met een angststoornis daarnaast nog één of meer angststoornissen hebben.

Deze praktijkstandaard beschrijft de meest voorkomende angststoornissen bij kinderen en jongeren: de separatieangststoornis, selectief mutisme, specifieke fobie, sociale angststoornis, paniekstoornis, agorafobie en gegeneraliseerde angststoornis. Achtereenvolgend komt het klinisch beeld, de etiologie, prevalentie, comorbiditeit, beloop en prognose aan de orde. Aan schoolweigering, een veel voorkomend symptoom bij angststoornissen, wordt tot slot afzonderlijk aandacht besteed.

Separatieangststoornis

Bij de separatieangststoornis staat een niet bij de ontwikkeling passende angst centraal om gescheiden te worden van diegenen aan wie het kind/de jongere gehecht is (de primaire verzorgers). De angst kan optreden bij een actuele of te verwachten scheiding van de belangrijke hechtingspersonen. Er is vaak excessieve angst dat men de hechtingsfiguren zal verliezen. Ook kan de angst betrekking hebben op wat het kind zelf, of de ouder(s) kan overkomen. Om van een angststoornis te kunnen spreken moet de angst bij kinderen minimaal 4 weken aanwezig zijn. Bij volwassenen is dit 6 maanden of langer. Vaak uit de angst zich in lichamelijke klachten en symptomen. Veel kinderen met een separatieangststoornis weigeren te gaan slapen, als niet één van de ouders in de directe nabijheid is. Schoolweigering is een veel voorkomend symptoom van een separatieangststoornis. Bij adolescenten heeft de scheidingsangst vaak betrekking op langduriger separaties (bijvoorbeeld een schoolkamp).

Selectief mutisme

Er is sprake van selectief mutisme wanneer een kind consequent niet durft te praten in specifieke sociale situaties waarin dit wel verwacht wordt, bijvoorbeeld op school, terwijl het kind in andere situaties, bijvoorbeeld thuis, wel praat. Dit dient een maand of langer te bestaan, met uitzondering van de eerste schoolmaand. Selectief mutisme openbaart zich meestal tussen het derde en vijfde levensjaar en wordt vaak voor het eerst opgemerkt aan het begin van de peuterspeelzaal- of basisschoolleeftijd omdat dan de verbale communicatie met kinderen en volwassenen buiten het gezin steeds vaker voorkomt. Het zwijgen van het kind is niet het gevolg van een gebrek aan kennis van of vertrouwdheid met de gesproken taal en is niet toe te schrijven aan een communicatiestoornis of een autismespectrumstoornis.

Specifieke fobie

De specifieke fobie verwijst naar een overdreven of onredelijke angst voor een bepaald object of situatie, die minstens een maand aanwezig is. Dit wordt geclassificeerd in:
- fobie voor dieren (bijvoorbeeld honden of spinnen),
- fobie voor de natuurlijke omgeving (bijvoorbeeld hoogtes, stormen, water of het donker),
- fobie voor bloed-injecties-verwondingen (bijvoorbeeld, naalden, spuiten of medische ingrepen),
- situationele fobie (bijvoorbeeld liften of vliegtuigen) en
- overige.
Confrontatie met een dergelijk object of een dergelijke situatie leidt tot intense angst (bij kinderen kan dit zich uiten in huilen, driftbuien, vastklampen en verstijven), die de proportie kan aannemen van een paniekaanval. Om van een fobie te mogen spreken moet de angst interfereren met het dagelijks functioneren. Dit kan aan de orde zijn wanneer de angst leidt tot vergaande vermijding of wanneer het kind of de adolescent sterk gepreoccupeerd is met de angst.

Sociale angststoornis

De sociale angststoornis wordt gekenmerkt door angst voor bij de ontwikkeling behorende contacten met volwassenen en leeftijdgenoten. Deze angst treedt vaak het meest prominent op de voorgrond in situaties waarin een kind "beoordeeld" wordt, bijvoorbeeld bij het houden van een spreekbeurt, het verkleden voor de gymnastiekles of een muziekuitvoering. De angst kan onder die omstandigheden de proporties aannemen van een paniekaanval. De uit de sociale angst voortvloeiende vermijding heeft uiteraard vergaande gevolgen voor de ontwikkeling. De sociale angststoornis leidt nogal eens tot schoolweigering. Een nieuwe specificatie binnen de DSM-5 (American Psychiatric Association, 2013) met betrekking tot de sociale angststoornis is dat deze ook alleen in de vorm van “podiumvrees” kan voorkomen. De angst beperkt zich dan tot spreken of optreden in het openbaar.

Paniekstoornis

De paniekstoornis wordt gekenmerkt door herhaaldelijk optredende, onverwachte paniekaanvallen. Een paniekaanval is een plotselinge intense golf van angst, die binnen enkele minuten een piek bereikt. Dit gaat gepaard met diverse lichamelijke symptomen, zoals hartkloppingen, transpireren, trillen of beven, het gevoel naar adem te snakken, te stikken, dood te gaan, pijn op de borst, misselijkheid, duizeligheid, licht in het hoofd, flauwvallen, koude rillingen of opvliegers. De angst kan betrekking hebben op de lichamelijke symptomen (bijvoorbeeld angst voor een "hartaanval"), maar kan ook de vorm aannemen van angst om gek te worden of angst voor een andere catastrofe. Veel adolescenten hebben wel eens een paniekaanval. Bij de paniekstoornis is er echter sprake van een aanzienlijke angst voor het opnieuw optreden van een paniekaanval (anticipatieangst) en/of gedragsverandering die samenhangt met de paniekaanvallen, die al een maand of langer aanwezig is/zijn.

Agorafobie

Agorafobie is de angst om in een situatie te zijn waaruit men slechts met moeite kan ontsnappen. Er is sprake van agorafobie bij een duidelijk buitenproportionele angst voor twee (of meer) van de volgende vijf situaties:
- gebruik maken van (openbaar) vervoer, bijvoorbeeld auto of trein,
- open ruimtes,
- gesloten ruimtes,
- zich in een menigte of rij bevinden en/of
- alleen buitenshuis zijn.
Het kind/de jongere vreest of vermijdt deze situaties vanuit de gedachte dat men er niet uit kan ontsnappen of dat er geen hulp is wanneer het kind/de jongere bijvoorbeeld paniekklachten of andere (gênante) symptomen krijgt. De angst is persisterend, dient 6 maanden of langer aanwezig te zijn en is niet verklaarbaar door een andere angst- of psychische stoornis.

Gegeneraliseerde angststoornis

Bij de gegeneraliseerde angststoornis staan buitensporige angst en bezorgdheid centraal, wat tot uiting komt in veelvuldig piekeren. De zorgen en het piekeren kunnen over van alles gaan, bijvoorbeeld: prestaties op school of vriendschappen, maar kan ook gaan over geweld, het milieu, etc. Kinderen en adolescenten met deze stoornis piekeren eindeloos. Bij een angststoornis is het moeilijk het piekeren onder controle te houden of te stoppen met piekeren. Deze kinderen en jongeren willen telkens maar weer gerustgesteld worden. Om te kunnen spreken van een angststoornis moet de angst langer dan 6 maanden aanwezig zijn. Daarnaast is er sprake van minstens 1 van de volgende 6 symptomen (hoewel dit bij volwassenen 3 van de 6 dient te zijn): rusteloosheid, snel vermoeid zijn, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, spierspanning en slaapproblemen (vanwege het piekeren liggen de kinderen lang wakker of hebben doorslaapproblemen).

Aangezien de overige angststoornissen, te weten: angststoornis door een middel/medicatie; somatische aandoening, andere gespecificeerde angststoornis en ongespecificeerde angststoornis minder frequent voorkomen, verwijzen wij hiervoor naar het DSM-5 handboek (American Psychiatric Association, 2013). Een heldere beschrijving is ook te vinden in het boek: Angst –Van monster tot stille kracht (Boer, 2017).

Terug naar boven

Angststoornissen behoren tot de vaakst voorkomende psychische stoornissen bij kinderen en jongeren (Bennet et al., 2016; Cartwright-Hatton et al., 2006; Polanczyk et al., 2015; Verhulst, 2001).

In Nederland zijn twee landelijke onderzoeken uitgevoerd naar het aantal jongeren met angststoornissen.
In 1997 is een nationale populatiestudie 'Prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten' uitgevoerd onder jongeren van 13 tot en met 17 jaar en hun ouders. Daaruit bleek dat ruim 10% van deze jongeren in de zes maanden voorafgaand aan de meting enige angststoornis had (Verhulst et al., 1997). Dit percentage is gebaseerd op de rapportage van het kind op de DISC-schaal.

In 2010 verschenen de resultaten van het tweede NEMESIS onderzoek naar de psychische gezondheid van volwassenen. Bij de jongste groep die meedeed aan dit onderzoek, 18 tot en met 24 jaar, heeft 11,7% het afgelopen jaar te maken gehad met een angststoornis (Graaf et al., 2010). Volgens beide studies zijn de meest voorkomende angststoornissen de sociale fobie en de specifieke fobie. Deze stoornissen komen meer voor bij meisjes dan bij jongens.

Uit bevolkingsonderzoeken in Zuid-Holland komt ook informatie over de prevalentie van angststoornissen bij jongere kinderen naar voren. Door ouders werden in 2003 bij 2,5% van de kinderen in de leeftijd 2-3 jaar angstige/depressieve klachten gerapporteerd. In de leeftijdsgroep 6 – 16 jaar scoort 3,2% van de kinderen op de schaal angstig/depressief (Tick, Ende & Verhulst, 2007).

Een recente meta-analyse (de Lijster et al., 2017) laat zien dat de gemiddelde leeftijd van het ontstaan van angststoornissen rond de 21 jaar ligt. De gemiddelde ontstaansleeftijd is 10 jaar voor separatie-angststoornis, gevolgd door specifieke fobie (11 jaar) en sociale fobie (14 jaar). De andere angststoornissen hadden een gemiddelde ontstaansleeftijd in de vroege volwassenheid. Echter worden er in de dagelijkse klinische praktijk veelvuldig jongere kinderen met angststoornissen gezien en geholpen.

Terug naar boven

Of kinderen en adolescenten een angststoornis ontwikkelen, hangt af van een samenspel van beschermende factoren en risicofactoren. Deze factoren kunnen te maken hebben met kenmerken van de kinderen zelf en van de omgeving waarin zij opgroeien (Rapee, 2012).

Erfelijke aanleg

Erfelijke aanleg kan bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis. Het deel waarvoor een angststoornis erfelijk is, wordt geschat op 40% (Boer, 2011). Of er werkelijk een angststoornis zal ontstaan hangt ook samen met omgevingsfactoren. Accumulerend bewijs toont aan dat omgevingsfactoren sterker gerelateerd zijn aan de angst van kinderen dan genetische factoren (Eley et al., 2015; Pappa et al., 2015; Trzaskowski et al., 2013). Het onderzoek naar de relatie tussen gen en omgeving is ingewikkeld, omdat genetische en omgevingsfactoren elkaar wederzijds beïnvloeden (Boer & Bögels, 2002).
In diverse onderzoeken is een verband gevonden tussen de aanwezigheid van een angststoornis bij een van de ouders en een verhoogd risico op een angststoornis bij hun kinderen (Rapee, 2012; Van der Bruggen, Stams & Bögels, 2008). Er hoeft niet altijd sprake te zijn van erfelijke aanleg, verschillende studies tonen aan dat psychische problemen van de ouders ook van invloed kunnen zijn op het opvoedingsgedrag (Muris, 2006).

Temperament

Als een kind op jonge leeftijd opvallend veel geremd gedrag vertoont, dan verhoogt dat het risico op een angststoornis halverwege de kinderjaren en het risico op een sociale fobie tijdens de adolescentie. Er is bewijs dat gedragsinhibitie geldt als een kwetsbaarheidsfactor voor de ontwikkeling van angststoornissen (Muris, 2006). Aanhoudende, ernstige verlegenheid kan een signaal zijn dat er een verhoogd risico is op angstproblemen in de adolescentie. Dit betekent echter niet dat alle zeer verlegen kinderen een angststoornis ontwikkelen. Volgens een onderzoek van Prior (2000) heeft minder dan de helft van alle verlegen kinderen (42%) angstproblemen tijdens de adolescentie.
Andere eigenschappen zoals angstgevoeligheid of walgingsgevoeligheid vormen eveneens een risicofactor voor de ontwikkeling van bepaalde angststoornissen (Muris, 2006). Een recente studie van Bufferd en anderen (2018) laat zien dat bepaalde temperamentstijlen (gedragsinhibitie, negatieve emotionaliteit en positieve emotionaliteit) gerelateerd zijn aan het persisteren van angststoornissen op 3-jarige leeftijd tot 6-jarige leeftijd. Kinderen die meer teruggetrokken zijn, meer negatieve emotionaliteit en minder positieve emotionaliteit tonen hebben grotere kans op het ontwikkelen en voortbestaan van een angststoornis.

Cognitieve informatieverwerking

Er zijn aanwijzingen gevonden dat net als bij volwassenen bij jeugdigen met angststoornissen sprake is van verstoorde cognitieve processen. Muris en Field (2008) beschrijven in een review drie vertekeningen in cognitieve processen die ertoe leiden dat kinderen geen correctieve ervaringen opdoen en dat de angst in stand blijft. Uit onderzoek blijkt duidelijk dat angstige jeugdigen geneigd zijn om ambigue situaties als bedreigend te interpreteren. Daarnaast is enig bewijs gevonden dat erop wijst dat angstige kinderen en adolescenten een verhoogde aandacht hebben voor informatie over gevaar. Ook zijn er een aantal studies die laten zien dat kinderen selectief gebeurtenissen onthouden die gerelateerd zijn aan een angstig gevoel (Muris & Field, 2010).

Omgevingsfactoren

Bij angststoornissen spelen omgevingsinvloeden een grotere rol dan bij veel andere psychiatrische stoornissen (Verhulst, 2003). De volgende omgevingsfactoren worden besproken: onveilige gehechtheid, opvoedingsgedrag en ouderlijke stijl, negatieve ‘life events’ en beschermende factoren.

Onveilige gehechtheid

Een onveilige gehechtheidsrelatie met de ouders, en met name een angstig-vermijdend of angstig-afwerende gehechtheid, kan het risico op angststoornissen bij kinderen vergroten. Zo laat een meta-analyse zien dat hechting een matig verband heeft (r = .30) met angst bij kinderen (Colonnesi et al., 2011). Uit dit onderzoek blijkt dat een ambivalente hechtingsstijl het sterkste verband heeft.

In een veilige gehechtheidsrelatie is de ouder ontvankelijk en gevoelig voor de behoeften van het kind. Dit geeft het kind vertrouwen en een gevoel van veiligheid. Kinderen die onveilig gehecht zijn ervaren niet die ontvankelijkheid en gevoeligheid van hun ouder. Dit kan angstgevoelens oproepen en uiteindelijk bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis.

Studies tonen aan dat zowel de gehechtheidsrelatie met de moeder als met de vader gerelateerd zijn aan internaliserende problemen bij de kinderen (Cowan, Cohn, Cowan, & Pearson, 1996; Cowan, Cowan, Pruett & Pruett, 2019; Manassis, Bradley, Goldberg, & Hood, 1995). Ook van Brakel en collega’s (2006) vonden dat kinderen die onveilig gehecht waren sterkere angstsymptomen hadden.

Opvoedingsgedrag en ouderlijke stijl

Het opvoedingsgedrag van de ouders lijkt ook van belang. Zo kunnen ouders zelf het voorbeeld geven voor angstig gedrag of ongewild angstig copinggedrag belonen en vermijdend gedrag in stand houden (Fisak & Grills-Taquechel, 2007; Dadds & Roth, 2001). Ook overmatig beschermende, overheersende of kritische opvoedstijlen kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis bij kinderen met een kwetsbaar temperament (Brakel et al., 2006). Soortgelijke resultaten worden gevonden in de systematische meta-analyse van McLeod en anderen (2007), waaruit blijkt dat meer afwijzing, meer overbescherming en minder ondersteuning van autonomie samenhangt met meer angst bij kinderen. De sterkste effecten werden gevonden voor autonomie ondersteuning. Ook een te hoge mate van ouderlijke controle hangt sterk samen met meer angst bij kinderen (Van der Bruggen et al., 2008). Verbanden tussen opvoeden en angst bij kinderen zijn minder sterk in de vroege kindertijd (Möller et al., 2016). Tijdens de vroege kindertijd lijkt voornamelijk uitdagend opvoedgedrag - stoeien, wilde competitieve spelletjes, plagen en kietelen - een belangrijke beschermende factor te zijn Majdandžić et al., 2012; Möller et al., 2016). Uit onderzoek van Majdandžić en collega's (2018) blijkt dat met name het uitdagend opvoedgedrag vanuit de vader sterk gerelateerd is aan angstvermindering bij jonge kinderen.

Angst bij ouders

Uit onderzoek blijkt dat in gezinnen waarin een gezinslid lijdt aan een angststoornis, hetzij een ouder, hetzij een kind, de ouderlijke stijl gekenmerkt wordt door een grotere mate van controle en een kleinere mate van warmte in vergelijken met gezinnen zonder angststoornis (Borelli, Margolin, & Rasmussen, 2015; Drake & Ginsburg, 2012; Lebowitz, Leckman, Silverman, & Feldman, 2016; Lindhout, 2008). Angstige ouders zouden de neiging hebben om nieuwe uitdagende situaties voor hun kinderen als bedreigend te beschouwen. Zij zouden daarom meer afwijzing en psychologische controle laten zien en hun kinderen minder autonomie geven (Bögels & Brechman-Toussaint, 2006; Ginsburg & Schlossberg, 2002).

Negatieve 'life events'

Negatieve ervaringen (life events), zoals de echtscheiding van de ouders of het overlijden van een familielid, zijn van invloed op het ontstaan van angststoornissen (Miloyanm et al., 2018). Dit wordt beaamd door een recente prospectieve cohort-studie bij 1084 Nederlandse jongeren waaruit een relatie wordt aangetoond tussen negatieve levensgebeurtenissen en angststoornissen (Jonker, Rosmalen & Schoevers, 2017). Het kan hierbij gaan om traumatische ervaringen, maar ook andere negatieve ervaringen, bijvoorbeeld met de dokter of tandarts, zijn in verband gebracht met de ontwikkeling van angststoornissen (Muris, 2006; Verhulst, 2006).

Beschermende factoren

Of een stoornis al dan niet ontstaat, hangt mogelijk ook af van de aanwezigheid van beschermende factoren. De relatie tussen beschermende factoren en de ontwikkeling van angststoornissen is relatief minder onderzocht. Er zijn aanwijzingen dat zelfregulatie (effortfull control) en de mate waarin het kind heeft ervaren controle uit te kunnen oefenen over zijn omgeving van invloed is op de mate waarin jeugdigen symptomen van angst ontwikkelen (Muris, 2006). Wanneer kinderen meer controle ervaren, ontwikkelen zij minder angstsymptomen. Ook blijkt, zoals eerder benoemd, uitdagend opvoedgedrag geassocieerd te zijn met een lagere mate van angst bij kinderen.

Terug naar boven

Gegevens over het verloop van angststoornissen zijn niet eenduidig. De meeste onderzoeken naar het beloop van angststoornissen in klinische populaties gaan niet verder dan de kindertijd of de adolescentie, hebben een korte follow-up-periode, of hebben betrekking op een kleine groep uniform behandelde kinderen. Ook zijn er grote verschillen in de mate waarin een angststoornis continuïteit vertoont, overgaat in een andere angststoornis, of in een andere stoornis, bijvoorbeeld depressie.

Bevolkingsonderzoeken waarin het beloop van angststoornissen bepaald werd in aselecte steekproeven, laten een aanzienlijke continuïteit zien met latere psychopathologie zowel homotypisch (een bepaalde stoornis voorspelt dezelfde stoornis) als heterotypisch (een bepaalde stoornis voorspelt een andere stoornis) (Verhulst, 2001). In het onderzoek is niet meegenomen of kinderen al dan niet behandeld zijn.
In een tweejarig onderzoek bij een steekproef uit de populatie van Nederlandse adolescenten is bewijs gevonden voor homotypische continuïteit bij symptomen van separatie-, sociale- en gegeneraliseerde angst en bij meisjes bij symptomen van een paniekstoornis (Ferdinand et al., 2007).

Effecten op psychosociaal en academisch functioneren

Een recent meta-analyse (de Lijster et al., 2018) laat zien dat jongeren met een angststoornis minder sociaal competent, meer negativiteit ervaren in relaties, vaker eenzaam zijn en vaker slachtoffer zijn van pesterijen dan jongeren zonder psychiatrische problemen. Voorts laat de meta-analyse zien dat adolescenten met een angststoornis het gevoel hebben minder te presteren op school, terwijl hun daadwerkelijke schoolprestaties vergelijkbaar zijn met jongeren zonder psychiatrische problemen. Ook hadden zij een grotere kans op schooluitval en gingen minder vaak naar vervolgonderwijs.

Schoolweigering

Wanneer een jongere weigert om naar school te gaan in verband met emotionele problematiek, is er sprake van schoolweigering (Heyne, Gren-Landell, Melvin, & Gentle-Genitty, 2019). Schoolweigering kan verschillende oorzaken hebben (bijvoorbeeld overmatige angst, depressieve gevoelens, driftbuien, onverklaarbare lichamelijke symptomen) en kan resulteren in te laat komen of het missen van hele dagen, weken, maanden of zelfs jaren (Heyne et al., 2019). Uit onderzoek met Maric en collega’s (2013) blijkt dat schoolweigering vaak wordt geassocieerd met angst, somatische symptomen, depressie en lage zelfeffectiviteit. Bij tamelijk veel kinderen en jeugdigen met een angststoornis is schoolweigering één van de symptomen die voorkomt. Andersom geldt ook dat jongeren die weigeren om naar school te gaan vaak angstklachten hebben. Schoolweigering is geen afzonderlijke diagnostische categorie. De complexiteit van het symptoom rechtvaardigt echter een korte afzonderlijke bespreking ervan.

Uit een onderzoek van Egger en collega’s (2003) blijkt dat angststoornissen significant geassocieerd zijn met schoolweigering. De jongeren uit deze studie rapporteerden verschillende zorgen, namelijk schoolangst (36%), zorgen over ouders (18%) en zorgen over wat er thuis gebeurt terwijl zij op school zijn (17%). Deze angsten vormen een risico voor schoolweigering. Ook separatieangst is een vorm van een angst die een oorzaak kan zijn voor schoolweigering, evenals sociale angst (Bagnell, 2011). Ingul en Nordahl (2013) vergelijken een groep middelbare scholieren die geclassificeerd waren als angstig maar wel schoolgaand, met een groep scholieren die angstig waren en vaak afwezig van school. Jongeren die vaak absent waren rapporteerden meer sociale angst en panieksymptomen. In dit onderzoek wordt daarom gesuggereerd dat sociale angst en panieksymptomen geassocieerd zijn met verzuim en daardoor een groter risico zijn voor schoolweigering.

Jones en Suveq (2015) classificeerden jongeren met een angststoornis als terughoudend met naar school gaan als zij nerveus werden van of angstig waren voor het naar school gaan. Geen van deze jongeren voldeed aan de criteria voor schoolweigering. Hieruit kunnen we concluderen dat jongeren met een tegenzin om naar school te gaan hier op de voorgrond treden, in plaats van de jongeren met schoolweigering, ondanks dat de frequentie van de tegenzin niet gespecificeerd was en er ook variatie was in de duur van de afwezigheid. Jongeren met tegenzin om naar school te gaan ervaren meer angst dan jongeren die deze tegenzin niet hebben. Een interpretatie is dat jongeren die over het algemeen angsten ervaren, nerveuzer zullen zijn om naar school te gaan. In de loop van de tijd kan dit leiden tot schoolweigering.

Uit voorgaand onderzoek uit de VS blijkt dat seperatieangststoornis, sociale fobie en specifieke fobie de angststoornissen zijn die het meest verbonden zijn met schoolweigering (Last & Strauss, 1990). Binnen een klein Nederlands onderzoek dat keek naar angstgerelateerde schoolweigering bij jongeren had 40% van de participanten een sociale angststoornis, 20% een gegeneraliseerde angststoornis, 20% een ongespecificeerde angststoornis en 5% een paniekstoornis met agorafobie (Heyne et al., 2011). Bij een soortgelijk, groter, Australisch onderzoek had 50% van de jongeren een sociale fobie, 24% een gegeneraliseerde angststoornis, 15% een separatieangststoornis en 11% een ongespecificeerde angststoornis (Melvin et al., 2017).

Wanneer ouders proberen hun kinderen naar school te krijgen, kunnen kinderen ook minder ernstige externaliserende problemen, zoals boosheid en steeds tegenspreken, ervaren (Berg, 2002). In sommige gevallen van schoolweigering leidt de aanwezigheid van meerdere externaliserende gedragingen in de loop van de tijd tot een diagnose van oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD; bijvoorbeeld 21% in Heyne et al., 2002; 44% in Layne, Bernstein, Egan, & Kushner, (p. 233) 2003; 24% in McShane et al., 2001). In de steekproef van Egger en collega's (2003) werd bij 6% van de schoolweigeraars en 10% van de spijbelaars de diagnose ODD gesteld. Uit dit onderzoek blijkt dat ODD significant geassocieerd is met spijbelen, maar niet met schoolweigering.

Schoolweigering komt ook bij andere psychiatrische stoornissen voor (met name depressie (Bernstein 1991; Heyne, Sauter & Maynard, 2015; McShane et al., 2001), aanpassingsstoornis met angst en/of depressieve kenmerken, autismespectrumstoornissen (Brouwer-Borghuis et al., 2019) en psychotische stoornis).
Uit het onderzoek van Egger en collega’s (2003) blijkt dat er een significante associatie is tussen een depressieve stoornis en zowel schoolweigering (14%) als spijbelen (8%). De kans op een depressieve stoornis was groter voor schoolweigeraars dan voor spijbelaars. Wanneer we kijken naar symptomen kunnen we concluderen dat problemen met in slaap vallen of in slaap blijven significant geassocieerd zijn met schoolweigering (32%), maar niet met spijbelen (19%). Vermoeidheid is zowel met schoolweigering (12%) als met spijbelen (10%) geassocieerd.

Schoolweigering is vaak afgegrensd van spijbelen, vanwege verschillen in uiting, bijbehorende variabelen en interventies (Heyne, Gren-Landell, Melvin & Gentle-Genitty, 2019). Anders dan bij spijbelen zijn ouders van meet af aan op de hoogte van de schoolweigering. Bij spijbelaars is vaak sprake van antisociale gedragsproblemen. Bij schoolweigeraars is hiervan slechts in een kleine minderheid van de gevallen sprake (Egger, Costello, & Angold, 2003). Ook schoolonthouding, als ouders hun kind ‘thuishouden’ van school, valt niet onder schoolweigering (Heyne et al., 2019 ). Schoolweigering, spijbelen en schoolonthouding kunnen leiden tot schooluitval. Somatoforme stoornissen (lichamelijke klachten waarbij geen lichamelijke ziekte wordt gevonden) en lichamelijke ziekte, eveneens redenen waarom een kind niet naar school gaat, zijn ook geen vormen van schoolweigering. Wel kan het zijn dat jongeren met een somatoforme stoornis kenmerken van schoolweigering vertonen (bijvoorbeeld, met tegenzin naar school gaan of thuisblijven met medeweten van hun ouders). Een meerderheid van de schoolweigeraars (50 tot 80%) heeft lichamelijke klachten.

Schoolweigering komt voor bij ongeveer 1-7% van alle jongeren. Dit percentage is hoger (5-16%) voor jongeren in een klinische omgeving (Egger, Costello & Agnold, 2003; Havik, Bru & Ertesvåg, 2015; Heyne & King, 2004; Steinhausen, Müller & Winkler Metzke, 2008). In klinische populaties lijkt de prognose in zoverre niet zo gunstig dat in lange termijn follow-up onderzoek bij veel voormalige schoolweigeraars nog sprake is van angst- en of stemmingsstoornissen. In overeenstemming met het Response-to-Intervention-model voor problemen met schoolbezoek (Kearney, 2016; Kearney & Graczyk, 2014), wordt efficiënte identificatie en vroegtijdige interventie aanbevolen (Ingul, Havik, & Heyne, 2019). In ernstige, chronische en complexe gevallen moet er voldoende tijd worden besteed aan het begrijpen van de behoeften van de jongere, het gezin en de school voordat met de interventie wordt begonnen. Bezoek de website van het International Network for School Attendance (www.insa.network) voor meer informatie over schoolbezoek en verzuim.

Terug naar boven

Met betrekking tot de comorbiditeit kan erop gewezen worden dat er bij kinderen en jeugdigen met angststoornissen ook vaak sprake is van een stemmingsstoornis. De stemmingsstoornis treedt meestal later op in de tijd dan de angststoornis(sen). Angststoornissen komen vaker comorbide voor bij kinderen en jeugdigen met ADHD en CD (conduct disorder; antisociale gedragsstoornis) dan enige jaren geleden werd gedacht. Ook bij jeugdigen met misbruik of afhankelijkheid van alcohol (en met een middel-gebonden stoornis) komen angststoornissen vaker voor dan op grond van gegevens over de prevalentie van angststoornissen verwacht mag worden.

Terug naar boven

American Psychiatric Association. Diagnostic and statistical manual of mental disorders (DSM-5). Washington: APA; 2013

Bagnell, A. L. (2011). Anxiety and separation disorder. Pediatrics in Review, 32, 440–445. https://doi.org/10.1542/pir.32-10-440

Bennett, K., Manassis, K., Duda, S., Bagnell, A., Bernstein, G.A., Garland, E.J., … Wilansky, P. (2016). Treating child and adolescent anxiety effectively: Overview of systematic reviews. Clinical Psychology Review, 50, 80-94.

Berg, I. (2002). School avoidance, school phobia, and truancy. In Lewis, M. (Ed.), Child and Adolescent Psychiatry: a comprehensive textbook (3rd ed.) (pp. 1260–1266). Sydney: Lippincott Williams and Wilkins

Bernstein, G. A. (1991). Comorbidity and Severity of Anxiety and Depressive Disorders in a Clinic Sample. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 30 (1), 43-50.

Brakel, A.M.L. van, Muris, P., Bogels, S.M., & Thomassen, C. (2006). A Multifactorial Model for the Etiology of Anxiety in Non-Clinical Adolescents: Main and Interactive Effects of Behavioral Inhibition, Attachment and Parental Rearing. Journal of Child and Family Studies, 15, 1573-2843.

Boer, F. (2011). Angst bij kinderen. Tielt: Uitgeverij Lannoo.

Boer, F. & Bögels, S.M. (2002). Angststoornissen bij kinderen: genetische en gezinsinvloeden. Kind en Adolescent, 23, 266-284.

Bögels, S. M., & Brechman-Toussaint, M. L. (2006). Family issues in child anxiety: Attachment, family functioning, parental rearing and beliefs. Clinical Psychology Review, 26, 834 – 856. http://dx.doi.org/10.1016/j .cpr.2005.08.001

Borelli, J. L., Margolin, G., & Rasmussen, H. F. (2015). Parental overcontrol as a mechanism explaining the longitudinal association between parent and child anxiety. Journal of Child and Family Studies, 24, 1559 –1574. http://dx.doi.org/10.1007/s10826-014-9960-1

Brouwer-Borghuis, M., Heyne, D., Sauter, F., & Scholte, R. (2019). The Link: An alternative educational program in the Netherlands to re-engage school-refusing adolescents in mainstream schooling. Cognitive and Behavioral Practice, 26, 75-91.

Bufferd, S. J., Dougherty, L. R., Olino, T. M., Dyson, M. W., Carlson, G. A., & Klein, D. N.(2018) Temperament Distinguishes Persistent/Recurrent from Remitting Anxiety Disorders Across Early Childhood, Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 47 (6), 1004-1013. DOI: 1080/15374416.2016.1212362

Cartwright-Hatton, S., McNicol, K., & Doubleday, E. (2006). Anxiety in a neglected population: Prevalence of anxiety disorders in pre-adolescent children. Clinical psychology review, 26: 7, 817-833.

Colonnesi, C., Draijer, E. M., Stams, G. J. J. M., Van der Bruggen, C. O., Bögels, S. M., & Noom, M. J.(2011) The Relation Between Insecure Attachment and Child Anxiety: A Meta-Analytic Review, Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 40 (4), 630-645. DOI: 1080/15374416.2011.581623

Cowan, P.A., Cohn, D.A., Cowan, C.P., & Pearson, J.L. (1996). Parents’ attachment histories and children’s externalizing and internalizing behaviors: Exploring family systems models of linkage. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 64, 53-63.

Cowan, P. A., Cowan, C. P., Pruett, M. K., & Pruett, K. (2019) Fathers’ and mothers’ attachment styles, couple conflict, parenting quality, and children’s behavior problems: an intervention test of mediation. Attachment & Human Development, 21:5, 532-550, DOI:10.1080/14616734.2019.1582600

Dadds, M.R., & Roth, J.H. (2001). Family processes in the development of anxiety problems. In: M.W. Vasey, & M.R. Dadds (Eds.), The Developmental Psychopathology of Anxiety. New York: Oxford University Press.

Drake, K. L., & Ginsburg, G. S. (2012). Family factors in the development, treatment, and prevention of childhood anxiety disorders. Clinical Child and Family Psychology Review, 15, 144 –162. http://dx.doi.org/10.1007/ s10567-011-0109-0

De Lijster, J. N., Dieleman, G. C., Utens, E. M. W. J., Dierckx, B., Wierenga, M., Verhulst, F. C., Legerstee, J. S. (2018) Social and academic functioning in adolescents with anxiety disorders: A systematic review. Journal of Affective Disorders, 230, 108 – 117. https://doi.org/10.1016/j.jad.2018.01.008.

De Lijster, J. M., Dierckx, B., Utens, E. M., Verhulst, F. C., Zieldorff, C., Dieleman, G. C., & Legerstee, J. S. (2017). The Age of Onset of Anxiety Disorders. Canadian journal of psychiatry. Revue canadienne de psychiatrie62(4), 237–246. doi:10.1177/0706743716640757

Egger, H.L., Costello, E.J., & Angold, A. (2003). School refusal and psychiatric disorders: A community study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 797-807.

Eley, T. C., McAdams, T. A., Rijsdijk, F. V., Lichtenstein, P., Narusyte J., Reiss, D., Spotts, E. L., Ganiban, J. M., & Neiderhiser, J. M. (2015). The Intergenerational Transmission of Anxiety: A Children-of-Twins Study. The American Journal of Psychiatry, 172 (7), 630-637. https://doi.org/10.1176/appi.ajp.2015.14070818

Ferdinand, R.F., Dieleman, G., Ormel, J., & Verhulst, F.C. (2007). Homotypic Versus Heterotypic Continuity of Anxiety Symptoms in Young Adolescents: Evidence for Distinctions Between DSM-IV Subtypes. Journal of Abnormal Child Psychology, 35, 325–333.

Fisak jr., B., & Grills-Taquechel, A.E. (2007). Parental Modeling, Reinforcement, and Information Transfer: Risk Factors in the Development of Child Anxiety? Clinical Child and Family Psychology, 10, 213-231.

Ginsburg, G. S., & Schlossberg, M. C. (2002). Family-based treatment of childhood anxiety disorders. International Review of Psychiatry, 14, 143–154. http://dx.doi.org/10.1080/09540260220132662

Graaf, R. de, Have, M. ten, & Dorsselaer, S. van (2010). De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking NEMESIS-2: opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut.

Havik, T., Bru, E., & Ertesvåg, S. K. (2015). Assessing reasons for school non-attendance. Scandinavian journal of educational research, 59(3), 316-336. https://doi.org/10.1080/00313831.2014.904424

Heyne, D., & King, N.J. (2004). Treatment of school refusal. In P.M. Barrett & T.H. Ollendick (Eds.), Handbook of Interventions That Work with Children and Adolescents: Prevention and Treatment (pp. 243–272). Chichester: John Wiley & Sons, Ltd.

Heyne, D., Gren-Landell, M., Melvin, & Gentle-Genitty, C. (2019). Differentiation Between School Attendance Problems: Why and How? Cognitive and Behavioral Practice, 26: 1, 8-34.

Heyne, D., King, N. J., Tonge, B. J., Rollings, S., Young, D., Pritchard, M., Ollendick, T. (2002) Evaluation of Child Therapy and Caregiver Training in the Treatment of School Refusal. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 41 (6), 687-695. https://doi.org/10.1097/00004583-200206000-00008

Heyne, D.A., Sauter, F.M., & Maynard, B.R. (2015). Moderators and mediators of treatments for youth with school refusal or truancy. In M. Maric, P.J.M. Prins, & T.H. Ollendick (Eds.), Moderators and mediators of youth treatment outcomes (pp. 230-266). Oxford: Oxford University Press.

Heyne, D., Sauter, F. M., van Widenfelt, B. M., Vermeiren, R., & Westenberg, P. M. (2011). School refusal and anxiety in adolescence: Non-randomized trial of a developmentally-sensitive cognitive behavioral therapy. Journal of Anxiety Disorders, 25, 870-878.

Ingul, J.M., Havik, T., & Heyne, D. (2019). Emerging school refusal: A school-based framework for identifying early signs and risk factors. Cognitive and Behavioral Practice, 26, 46-62.

Ingul, J. M., & Nordahl, H. M. (2013). Anxiety as a risk factor for school absenteeism: What differentiates anxious school-attenders from nonattenders? Annals of General Psychiatry, 12, 25. https://doi.org/10.1186/1744-859X-12-25

Jones, A. M., & Suveg, C. (2015). Flying Under the Radar: School Reluctance in Anxious Youth. School Mental Health, 7, 212–223. https://doi.org/10.1007/s12310-015-9148-x

Jonker, I., Rosmalen, J. & Schoevers, R. (2017). Childhood life events, immune activation and the development of mood and anxiety disorders: the TRAILS study. Translational Psychiatry, 7, 1112.

Kearney, C. A. (2016). Managing school absenteeism at multiple tiers: an evidence-based and practical guide for professionals: Oxford University Press.

Kearney, C. A., & Graczyk, P. (2014). A response to intervention model to promote school attendance and decrease school absenteeism. Child Youth Care Forum, 43, 1–25. https://doi.org/10.1007/s10566-013-9222-1

Last, C.G., & Strauss, C.C. (1990). School refusal in anxiety-disordered children and adolescents. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 29, 31-35.

Layne, A. E., Bernstein, G. A., Egan, E. A., & Kushner, M. G. (2003). Predictors of Treatment Response in Anxious-Depressed Adolescents With School Refusal. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 42 (3), 319-326.

Lebowitz, E. R., Leckman, J. F., Silverman, W. K., & Feldman, R. (2016). Cross-generational influences on childhood anxiety disorders: pathways and mechanisms. Journal of Neural Transmission, 123, 1053–1067. http://dx.doi.org/10.1007/s00702-016-1565-y

Legerstee, J. S., Garnefski, N., Verhulst, F. C., Utens, E.M.W.J. (2011). Cognitive coping in anxiety-disordered adolescents. Journal of Adolescence, 34 (2), 319-326.

Lindhout, I.E. (2008). Childhood anxiety disorders – a family perspective. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam.

Majdandžić, M., De Vente, W., Colonnesi, C., & Bögels, S. M. (2018). Fathers' challenging parenting behavior predicts less subsequent anxiety symptoms in early childhood. Behaviour Research and Therapy, 109, 18-28.

Majdandžić, M., De Vente, W., Feinberg, M. E., Aktar, E., & Bögels, S. M. (2012). Bidirectional Associations Between Coparenting Relations and Family Member Anxiety: A Review and Conceptual Model. Clinical Child and Family Psychology Review, 15, 28-42. https://doi.org/10.1007/s10567-011-0103-6

Manassis, K., Bradley, S., Goldberg, S., Hood, J., & Swinson, R.P. (1995). Behavioural inhibition, attachment and anxiety in children of mothers with anxiety disorders. Canadian Journal of Psychiatry, 40, 87-92.

Maric, M., Heyne, D., MacKinnon, D., Van Widenfelt, B., & Westenberg, P. (2013). Cognitive Mediation of Cognitive-Behavioural Therapy Outcomes for Anxiety-Based School Refusal. Behavioural and Cognitive Psychotherapy, 41(5), 549-564. doi:10.1017/S1352465812000756

McLeod, B. D., Wood, J. J., & Weisz, J. R. (2007). Examining the association between parenting and childhood anxiety: A meta-analysis. Clinical Psychology Review, 27 (2), 155-172. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2006.09.002

Mcshane, G., Walter, G., & Rey, J. M. (2001). Characteristics of Adolescents with School Refusal. Australian & New Zealand Journal of Psychiatry, 35(6), 822–826. https://doi.org/10.1046/j.1440-1614.2001.00955.x

Melvin, G. A., Dudley, A. L., Gordon, M. S., Klimkeit, E., Gullone, E., Taffe, J., & Tonge, B. J. (2017). Augmenting cognitive behavior therapy for school refusal with fluoxetine: A randomized controlled trial. Child Psychiatry & Human Development, 48, 485-497.

Miloyan, B., Bienvenu, O. J., Brilot, B., & Eaton, W. W. (2018). Adverse life events and the onset of anxiety disorders. Psychiatry Research, 259, 488-492.

Möller, E. L., Nikolić, Majdandžić, M., & Bögels, S. M. (2016). Associations between maternal and parental parenting behaviors, anxiety and its precursors in early childhood: A meta-analyse. Clinical Psychology Review, 45, 17-33. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2016.03.002

Muris, P. (2006). The pathogenesis of childhood anxiety disorders: Considerations from a developmental psychopathology perspective. International Journal of Behavioral Development, 30, 5–11.

Muris, P., & Field, P.A. (2008). Distorted cognition and pathological anxiety in children and adolescents. Cognition and emotion, 22, 395-421.

Muris, P., & Field, A.P. (2010). The Role of Verbal Threat Information in the Development of Childhood Fear. “Beware the Jabberwock!”. Clinical Child and Family Psychology Review, 13, 129–150.

Pappa, I., Fedko, I. O., Mileva-Seitz, V. R., Hottenga, J. Bakermans-Kranenburg, M. J., Bartels, M., … Boomsma, D. I. (2015). Single Nucleotide Polymorphism Heritability of Behavior Problems in Childhood: Genome-Wide Complex Trait Analysis. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 54(9), 737-744.

Polanczyk, G., Salum, G. A>, Sugaya, L. S., Caye, A., & Rohde, L. A. (2015). Annual Research Review: A meta-analysis of the worldwide prevalence of mental disorders in children and adolescents. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 56 (3).

Prior, M. (2000). Does shy-inhibited temperament un childhood lead to anxiety problems in Adolescence? Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 39, 461-468.

Rapee, R. (2012). Family Factors in the Development and Management of Anxiety Disorders. Clinical Child and Family Psychology Review, 15. 69-80. 10.1007/s10567-011-0106-3.

Steinhausen, H.-C., Müller, N., & Metzke, C. W. (2008). Frequency, stability and differentiation of self-reported school fear and truancy in a community sample. Child and Adolescent Psychiatry and Mental Health, 2(1), 17.

Tick, N.T., & Ende, J. van der, & Verhulst, F.C. (2007). Twenty-year trends in emotional and behavioral problems in Dutch children in a changing society. Acta Pschyciatrica Scandinavia, 116, 473-482.

Trzaskowski, M., Eley, T. C., Davis, O. S., Doherty, S. J., Hanscombe, K. B., Meaburn, E. L., Haworth, C. M., Price, T., & Plomin, R. (2013). First genome-wide association study on anxiety-related behaviours in childhood. PloS one, 8(4), e58676. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0058676

Van der Bruggen, C. O., Stams, G. J. J. M., Bögels, S. M. (2008). Research Review: The relation between child and parent anxiety and parenal control: a meta-analytic review. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 49 (12), 1257-1269. https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2008.01898.x

Van der Giessen, D., Colonnesi, C., & Bögels, S. M. (2019). Changes in Rejection and Psychological Control During Parent–Child Interactions Following CBT for Children’s Anxiety Disorder. Journal of Family Psychology, 33: 7, 775–787.

Verhulst, F.C., Ende, J. van der, Ferdinand, R.F., & Kasius, M.C. (1997). De prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 777-781.

Verhulst, F.C. (2006). Leerboek kinder- en jeugdpsychiatrie. Assen: van Gorcum.

Verhulst, F.C. (2003). Kinder- en jeugdpsychiatrie: psychopathologie. Assen: van Gorcum.

Verhulst, F.C . (2001). Continuïteit en discontinuïteit van psychopathologie bij kinderen en adolescenten in de volwassenheid. Tijdschrift voor Psychiatrie, 43, 777-786.

Terug naar boven

Diagnose angst

Bij het vermoeden van angststoornissen verdient het aanbeveling om in de diagnostiek een combinatie te gebruiken van een (semi-) gestructureerd klinisch-diagnostisch interview (afgenomen bij zowel ouders/verzorgers als bij het kind) en psychometrisch goed onderbouwde vragenlijsten (waar mogelijk heeft een multi-informant benadering de voorkeur: invullen door kinderen, ouders en/of leerkracht). Bij de vragenlijsten kan onderscheid gemaakt worden tussen meer screenende vragenlijsten, vragenlijsten die zich richten op meer specifieke angst-aspecten en vragenlijsten die afgestemd zijn op DSM-classificaties. Bij de keuze van de instrumenten is met name geselecteerd op instrumenten:

  • waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij voldoende onderbouwde psychometrische kwaliteiten hebben;
  • die aansluiten bij ‘de beste klinische praktijk’ binnen het vakgebied;
  • die aansluiten bij het meest recente DSM-classificatiesysteem;
  • waarvan een goede Nederlandse vertaling en goede normgegevens beschikbaar zijn (dan wel binnenkort beschikbaar komen).

Ten aanzien van de voorgestelde instrumenten geldt dat ze in eerste instantie gericht zijn op het in kaart brengen van de aanwezige problematiek. De voorgestelde instrumenten kunnen evenwel ook gebruikt worden in het kader van behandelingsevaluaties. Bij het onderzoek van kinderen en adolescenten met angststoornissen moet rekening worden gehouden met comorbiditeit (depressie, schoolweigering, gedragsstoornissen). Voor de gestandaardiseerde meting daarvan verwijzen wij naar de desbetreffende praktijkstandaarden:

Terug naar boven
Screening Diagnostiek
Interviews ADIS

MINI KID

K-SADS

Kid-SCID/Junior SCID

Vragenlijsten SDQ/SPsy

 

ASEBA-lijsten (CBCL/YSR/TRF)
subschalen angstig/depressief en
DSM subschaal angst / stemming

 

DAWBA

MASC

DSM gerelateerde vragenlijsten:
SCAS/RCADS
SCARED-NL
YAM-5Algemene vragenlijsten over angst:
ZBV-K
CASI
VAKSpecifieke vragenlijsten over angst:
SPAI-C
PSWQ-C

Specifieke vragenlijsten over schoolweigering:

SRAS-R
SNACK

In ontwikkeling:
De Selectief Mutisme Vragenlijst

Niet-specifieke instrumenten PMT-K
CATS-N/P

Tabel 1: Overzicht van de aanbevolen instrumenten in deze richtlijn

Wanneer er vermoedens van angst bij een kind zijn kunnen screeningsinstrumenten ingezet worden. Wanneer hieruit blijkt dat een kind hoge niveaus van angst laat zien en mogelijk een angststoornis heeft, dan is verdere diagnostiek om de angststoornis vast te stellen noodzakelijk.

Screening

Voor screening op angststoornissen verdient het aanbeveling om een korte vragenlijst (of subschaal van een vragenlijst) te kiezen. De subschalen van de ASEBA-lijsten (CBSL, YSR, TRS) die betrekking hebben op angst- en stemmingsstoornissen en depressie zijn hiervoor een goede optie. Een voordeel hiervan is dat er ook DSM-schalen en tevens cross-culture normen en vertalingen beschikbaar zijn (voor niet-Nederlandssprekende kinderen/ouders).
Een andere optie zou kunnen zijn om de ouderversie van de SDQ (of SPsy) subscaal ‘emotionele problemen’ te gebruiken. Deze is in Nederland gevalideerd voor de ouderversie voor kinderen van 12-18 jaar (Maurice-Stam et al., 2018).

Screeningsinstrument Strength and Difficulties Questionnaire (SDQ)
De SDQ is een screeningsinstrument voor het signaleren van psychosociale problemen bij kinderen van 4-18 jaar (Goodman, 1997). Het instrument geeft op een relatief snelle wijze een betrouwbare en valide indicatie van de psychische gesteldheid van de cliënt. Dit geldt echter alleen voor rapportage door anderen en niet voor zelfrapportage.
De SDQ is internationaal gevalideerd en beschikbaar in 68 verschillende talen op de website https://sdqinfo.org. Hij bestaat uit 5 subschalen, namelijk:

  • emotionele symptomen (angst / depressie);
  • gedragsproblemen;
  • hyperactiviteit / aandachtstekort;
  • problemen met leeftijdgenoten;
  • prosociaal gedrag

De SDQ/SPsy kan gebruikt worden om psychische stoornissen te signaleren maar ook als onderdeel van een behandelevaluatie. De SDQ/SPsy kan gebruikt worden op het Bureau Jeugdzorg, de jeugd-GGZ en verwante instellingen voor jeugdzorg. De SDQ/SPsy heeft ouderversies voor kinderen van 4-11 jaar, en van 12-18 jaar en een jongerenversie voor 12-18 jaar. Ook is een leerkrachtversie beschikbaar. Er wordt niet alleen naar problemen gevraagd, maar ook naar sterke kanten (prosociaal gedrag). De SDQ/SPsy kan in gemiddeld 10 minuten afgenomen worden, en in gemiddeld 3 minuten worden verwerkt en gescoord. Het verdient aanbeveling de lijst door tenminste twee informanten te laten invullen.

ASEBA-schalen: Youth Self Report (YSR), Child Behaviour Checklist (CBCL) en Teacher Report Form (TRF).
Met de YSR (Youth Self Report) wordt de visie van de jongere zelf in kaart gebracht op het eigen probleemgedrag en de eigen vaardigheden, terwijl de CBCL (Child Behaviour Checklist) de visie van ouders in kaart brengt.

Bij de YSR kunnen op basis van 132 items acht probleemschalen worden berekend: Angstig/Depressief, Teruggetrokken, Lichamelijke Klachten, Sociale Problemen, Denkproblemen, Aandachtsproblemen, Normafwijkend Gedrag en Agressief Gedrag. De eerste drie probleemschalen (Angstig/Depressief, Teruggetrokken, Lichamelijke Klachten) vormen samen de bredere schaal Internaliseren en de laatste twee de schaal Externaliseren. Alle vragen over gedrag opgeteld vormen de schaal Totale Problemen. Een indeling van de vragen over gedrag die nauw aansluit bij het classificatiesysteem van de DSM leidt tot zogenaamde DSM-schalen. Deze zes DSM-schalen zijn: Depressieve problemen, Angstproblemen, Lichamelijk Problemen, Aandachtstekort/Hyperactiviteitsproblemen, Oppositioneel-Opstandige Problemen en Gedragsproblemen.

De vragen in de YSR zijn veelal parallelle items die ook in de CBCL 6-18 gesteld worden, aangevuld met veertien sociaal wenselijke vragen waarop de meeste jongeren positief antwoorden. Jongeren kunnen voor elke vraag aangeven hoe goed een vraag bij hun past in de afgelopen zes maanden volgens dezelfde manier als bij de CBCL/6-18. Er is ook een leerkrachtversie beschikbaar, de Teacher Report Form (www.aseba.nl) (Achenbach, 2008; Verhulst & Van der Ende, 2013).
De vragenlijsten zijn psychometrisch goed onderbouwd en er zijn cross-culturele normen en vele vertalingen voorhanden (voor kinderen en ouders die niet-Nederlandssprekend zijn).

Development and Well-Being Assessment (DAWBA)
De DAWBA is bedoeld om psychopathologie bij kinderen en adolescenten in beeld te brengen. Het bestaat uit een interview voor ouders, een interview voor de jongere en een vragenlijst voor de leerkracht. Deze vragenlijsten kunnen ook via de computer ingevuld worden. Uit eerste onderzoeken blijkt de validiteit uitstekend te zijn. Meer informatie is te vinden op http://dawba.info/a0.html.

 De Multidimensional Anxiety Scale (MASC)
De MASC is een screeningsinstrument voor angstproblemen bij kinderen en adolescenten van 8 tot en met 18 jaar. De MASC bestaat uit 39 items verdeeld over vier angstschalen: Fysieke symptomenschaal, Schade vermijdingschaal, Sociale angstschaal en de Separatie-paniekschaal. Deze schalen zijn verder onderverdeeld in een aantal subschalen.

De schaal fysieke symptomen maakt een onderscheid in somatische symptomen en spanningssymptomen. De schade vermijdingschaal bestaat uit: symptomen van perfectionisme en angstige coping symptomen. De sociale angstschaal differentieert tussen angst om voor gek te staan en angst om voor meerdere mensen wat te doen. De separatie-paniekschaal heeft geen subschalen.
Naast een totale angstsscore levert de lijst een indicatie van de mate van zorgvuldigheid waarmee de lijst is ingevuld en een indicatie of aanvullend diagnostisch onderzoek gewenst is omdat het kind lijkt te voldoen aan de criteria van een angststoornis (March, 1997; Utens & Ferdinand, 2000). Uitgebreid normeringsonderzoek en nadere afstemming op de DSM-5 moet nog plaatsvinden.

Diagnostiek

Voor de diagnostiek van angststoornissen verdient het aanbeveling een combinatie te gebruiken van instrumenten. Een (semi-) gestructureerd klinisch diagnostisch interview (ADIS bijvoorbeeld) met minimaal een DSM-gerelateerde vragenlijst (SCARED, SCAS, RCADS of MASC). Voor de diagnostiek is het van belang dat er altijd een interview wordt afgenomen.

Interviews

Anxiety Disorders Interview Schedule (ADIS-C/ADIS-P)
De ADIS-C is een semi-gestructureerd interview dat kan worden afgenomen door de diagnosticus. Van dit interview is zowel een kinderversie als een ouderversie beschikbaar. In het interview zijn hoofdstukken opgenomen over alle angststoornissen, inclusief de dwangstoornissen en de posttraumatische stress stoornis. Deze laatste twee stoornissen worden in de DSM-5 echter als aparte stoornissen beschouwd. Daarnaast wordt er uitvoerig aandacht besteed aan schoolweigering, een veel voorkomende complicatie van angststoornissen. Verder zijn er hoofdstukken over affectieve stoornissen, ADHD, de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en de gedragsstoornis. Tenslotte is er een hoofdstuk met screeningsvragen over middelenmisbruik, schizofrenie, selectief mutisme, eetstoornissen en somatoforme stoornissen. Aangeraden wordt om in ieder geval de modules angststoornissen en schoolweigering af te nemen, zowel bij het kind/jeugdige als de ouders. Aan de hand van het interview kunnen volgens de DSM-5 criteria angststoornissen en andere psychische stoornissen geclassificeerd worden.
Meerdere aspecten van angststoornissen worden nagevraagd. In het interview komen zowel ernst, intensiteit, mate van interferentie met het functioneren, controleerbaarheid en mate van vermijding met betrekking tot de stoornissen en symptomen aan de orde waarover de interviewer op basis van de interviews beoordelingen geeft en de uiteindelijk toe te kennen classificaties bepaald. Onderzoek met de DSM-IV versie van de ADIS-C laat over het algemeen bevredigende interbeoordelaar- en test-hertest betrouwbaarheid zien. Voorwaarde hierbij is dat de interviewer over voldoende kennis van DSM-IV en de behandelde stoornissen bezit.
Het interview kan ook gebruik worden om de effecten van behandelingen te evalueren en te zien of angststoornissen zijn verdwenen of in ernst zijn afgenomen (Siebelink & Treffers, 2001). Er is helaas nog geen versie voor de DSM-5 in Nederland beschikbaar.

Mini International Neuropsychiatric Interview for Children and Adolescent (MINI KID)
De MINI KID is een semigestructureerd interview dat, (mits uitgevoerd door een professional), geschikt is om in korte tijd 40-60 min betrouwbare en valide DSM-IV-TR-diagnoses bij kinderen en jeugdigen te stellen (Bauhuis et al., 2013).

K-SADS
De Kiddie-SADS is een semi-gestructureerd interview. De ouders en het kind worden geïnterviewd door een getrainde professional. Als het kind jonger is dan 12 jaar, worden de ouders eerst geïnterviewd. Kinderen boven de 12 jaar worden zelf eerst geïnterviewd. Het interview bestaat uit de volgende onderdelen: een ongestructureerd inleidend interview, een diagnostisch screeningsinterview, een aanvullende supplementen checklist, de juiste diagnostische supplementen (Affectieve stoornissen; Psychotische stoornissen; Angststoornissen; Gedragsstoornissen; Middelenmisbruik en andere stoornissen), een samenvattende checklist voor lifetime diagnoses en de C-GAS (Schaal voor de globale beoordeling van kinderen). Het ongestructureerde inleidende interview neemt ongeveer 10-15 minuten in beslag. Duur van het interview is minstens 2 a 3 uur en kan indien er sprake is van veel pathologie langer duren.

Kid-SCID/Junior SCID
Het Structured Clinical Interview for DSM-IV Childhood Disorders (Kid-SCID) is een semi-gestructureerd interview voor de classificatie van psychiatrische stoornissen bij kinderen en jongeren. De Kid-SCID is gebaseerd op de SCID-versie voor volwassenen en op verschillende manieren aangepast. Zo zijn specifieke kinderstoornissen, zoals ADHD, ODD en CD, toegevoegd en worden de interviews afgenomen bij zowel de jongeren als hun ouders. De Kid-SCID is gebaseerd op de DSM-IV-criteria. Uit onderzoek blijkt dat Kid-SCID een betrouwbaar en relevant instrument is (Roelofs et al., 2015).

DSM-gerelateerde vragenlijsten

Spence Children’s Anxiety Scale (SCAS) en Revised Child Anxiety and Depression Scale (RCADS)
De SCAS is een zelfrapportage vragenlijst voor kinderen en jeugdigen van circa 8 t/m 18 jaar. Er is ook een genormeerde ouderversie beschikbaar, de SCAS-p. Deze vragenlijst bestaat uit 44 items die gescoord worden op een schaal van 0 tot en met 3. Naast één totaalscore levert de lijst scores op 6 subschalen: paniek/agorafobie, separatieangst, sociale fobie, gegeneraliseerde angst, dwang en angst voor lichamelijke verwonding. De lijst is consistent met de DSM-IV classificatie van angststoornissen, met een algemene angststoornis waarbinnen de specifieke angststoornissen. Uitgebreid onderzoek naar de Engelstalige versie toonde goede psychometrische eigenschappen aan (Spence, 1998; Spence, Barrett, & Turner, 2003). Voor Nederland zijn de psychometrische kwaliteiten onderzocht door M. Nauta (2005). Zij veronderstelde een goede betrouwbaarheid en validiteit voor zowel de kinder- als de ouderversie ((SCAS-P; Nauta, 2004). Voor meer informatie hierover zie www.scaswebsite.com. Onderzoek naar hoe de schalen op de DSM-5 afgestemd zijn, dient nog plaats te vinden

De RCADS (Revised Child Anxiety and Depression Scale) is een bewerking van de SCAS. Deze zelfrapportagelijst van 47 items bevat een extra subschaal met symptomen van depressie en bevat extra worry-vragen voor de subschaal gegeneraliseerde angst. De subschaal angst voor lichamelijke verwonding (van de SCAS) wordt weggelaten (Oldehinkel, 2000).

Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED-R of SCARED-NL)
De SCARED-NL is een vergelijkbare zelfrapportagelijst (correlatie van .89 met de SCAS). Deze lijst is bedoeld voor kinderen en jeugdigen in de leeftijd van 8 tot en met 18 jaar en bestaat uit 66 items die worden gescoord op een 0-2 schaal en die zich richten op symptomen van de gegeneraliseerde angststoornis, separatieangststoornis, paniekstoornis, sociale fobie en schoolfobie.
De SCARED-R is na onderzoek bij zowel een klinische als niet-klinische populatie betrouwbaar en valide gebleken. De vragenlijst is ook geschikt voor het in kaart brengen van behandelingseffecten bij kinderen met angststoornissen. Van de lijst is inmiddels ook een, met name wat betreft sociale fobie, uitgebreidere lijst, de SCARED-71. SCARED-NL is de Nederlandse vertaling van SCARED-R. De validiteit en betrouwbaarheid zijn uitgebreid onderzocht (Muris & Steerneman, 2001; Bodden et al., 2009) en ook bevestigd in meta-analyse (Hale, Crocetti, Raaijmakers, & Meeus, 2011). Afstemming op de DSM-5 moet nog plaatsvinden.

De Youth Anxiety Measure for DSM-5 (YAM-5; Muris et al., 2017)
De YAM-5 is een nieuwe zelf- en ouderrapportvragenlijst voor het beoordelen van angststoornis-symptomen bij kinderen en adolescenten in termen van het hedendaagse DSM-5 classificatiesysteem. Deel 1 van de schaal bestaat uit 28 items en meet de belangrijkste angststoornissen waaronder separatieangststoornis, selectief mutisme, sociale fobie, paniekstoornis en gegeneraliseerde angststoornis. Deel 2 bevat 22 items die zich richten op specifieke fobieën en (gezien de overlap met situationele fobieën) agorafobie. Een voorlopig onderzoek van de YAM-5 bij niet-klinische (N = 132) en klinisch verwezen (N = 64) kinderen en adolescenten gaf aan dat de YAM-5 gemakkelijk door jongeren te voltooien was. De psychometrische kwaliteiten lijken veelbelovend: de interne consistentie was goed voor beide delen, evenals voor de meeste subschalen, de ouder-kind overeenkomst leek bevredigend en er was ook bewijs voor de validiteit. Toekomstig onderzoek is nodig om de YAM-5 verder te valdieren.

Algemene vragenlijsten over angst

Zelfbeoordelingsvragenlijst voor kinderen (ZBV-K)
De ZBV-K is een Nederlandstalige bewerking van de State-Trait Anxiety Inventory for Children (STAI-C). De ZBV-K is een meetinstrument bedoeld om angst bij kinderen van 8 tot 15 jaar te meten. Het bestaat uit twee afzonderlijke zelf-beoordelingsvragenlijsten, waarmee twee vormen van angst gemeten kunnen worden: toestandsangst en angstdispositie. De toestandsangstschaal is bedoeld om bij kinderen de mate van angst op een bepaald moment te meten. De angstdispositieschaal is bedoeld om vast te stellen wat de neiging van het kind is om situaties als bedreigend te interpreteren en daar met toestandsangst op te reageren (Bakker, et al., 1989, 2004).

Childhood Anxiety Sensitivity Index (CASI)
De CASI (Childhood Anxiety Sensitivity Index) is een vragenlijst met 18 items die zich richt op de geneigdheid om met vrees te reageren op de lichamelijke, mentale en publiekelijk waarneembare symptomen van angst en die dan als bedreigend of catastrofaal te interpreteren. Onderzoek met zowel de oorspronkelijke Amerikaanse lijst als met de Nederlandse bewerking ervan heeft aangetoond dat de lijst een significante meerwaarde heeft wat betreft het voorspellen van angst en vrees. De Nederlandse versie van de CASI blijkt betrouwbaar en valide te zijn (Silverman et al., 1999; Van Widenfelt et al., 2002).

Vragenlijst voor Angst bij Kinderen (VAK)
Voor het kwantificeren van angst bij kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar is in 2012 een nieuwe versie gepubliceerd (de VAK 4-12; Oosterlaan & Prins, 2011). Met behulp van deze zelfrapportage-vragenlijst worden door middel van 80 items die situaties en objecten beschrijven die bij kinderen angst kunnen oproepen, systematisch de stimuli in kaart gebracht die geassocieerd zijn met de disfunctionele angst bij het kind. Behalve voor individuele psychodiagnostiek kan de lijst ook worden gebruikt voor het vaststellen van behandelingseffecten en voor wetenschappelijk onderzoek. Er zijn vijf subschalen: falen en kritiek, het onbekende, kleine verwondingen/ kleine dieren, gevaar en dood, angst gerelateerd aan de medische situatie. De totaalscore op de VAK weerspiegelt de algemene geneigdheid van het kind angstig te reageren op een groot aantal situaties en objecten. De prevalentiescore geeft het aantal situaties en objecten aan waarvoor het kind aangeeft "erg bang" te zijn (Vercruysse & Bijttebier, 2000).

Specifieke vragenlijsten over angst

Social Phobia and Anxiety Inventory for Children (SPAI-C)
Een andere vragenlijst, die is gericht op sociale fobie, is de SPAI-C. Deze lijst bevat 26 items en kan worden afgenomen wanneer men bij een kind of jeugdige een sociale fobie vermoedt. Bij een score boven het "afbreekpunt" dient een klinisch interview verder uit te wijzen of er sprake is van een sociale fobie. De lijst richt zich op de somatische, cognitieve en gedragsaspecten van sociale fobie. Voor onderzoek is de lijst beschikbaar, maar duidelijke normdata zijn op dit moment nog niet voorhanden (Beidel et al., 1998; Utens et al., 2000).

Penn State Worry Questionnaire for Children (PSWQ-C)
De PSWQ-C is een vragenlijst van 14 items die zich richt op de neiging tot piekeren. Angst is een centraal kenmerk bij de gegeneraliseerde angststoornis (Boer, 2018). De kinderen beantwoorden de vragen op een vierpuntsschaal (helemaal waar tot helemaal niet waar). Doordat de lijst kort en snel is af te nemen handig in gebruik, maar normdata zijn op dit moment slechts in beperkte mate voorhanden (Siebelink et al., 1998).

Specifieke vragenlijsten over schoolweigering

School Refusal Assessment Scale – Revised (SRAS-R of SRAS-R-NL)
In de diagnostiek bij schoolweigering kan onder andere gebruik worden gemaakt van de Nederlandse bewerking van de School Refusal Assessment Scale – Revised: Vragenlijst Functies van Schoolweigering (SRAS-R-NL). De vragenlijst bestaat uit een vragenlijst voor jeugdigen en uit een lijst voor ouders. Deze vragenlijst meet de relatieve kracht van vier gehypothetiseerde functies van schoolweigering en spijbelen; 1) Het vermijden van schoolgerelateerde stimuli die negatief affect oproepen. 2) Het vermijden van sociale of evaluatieve situaties op school waar men een afkeer van heeft. 3) Het najagen van aandacht van belangrijke anderen. 4) Het najagen van tastbare versterkers buiten de schoolsetting. Zowel de jeugd- als de ouderversie bestaat uit 24 items, waarbij op een 6-punt Likert schaal, lopend van 0 (nooit) tot 6 (altijd) wordt gescoord.
De Nederlandse versie is geëvalueerd in een onderzoek met 199 jongeren met een leerplichtprobleem en 131 ouders (Heyne et al., 2017). Resultaten ondersteunden het vier-factorenmodel, de interne consistentie van de subschalen en validiteit (gebaseerd op associaties tussen de vier factoren en maatstaven van internaliserend of externaliserend gedrag).

School Non-Attendance Checklist (SNACK)
De SNACK is een nieuw ontwikkeld screeningsinstrument om soorten verzuim te differentiëren: schoolweigering, spijbelen, schoolontslag en schooluitsluiting. Het bevat items die verzuim beoordelen die vaak als legitiem worden beschouwd (bijvoorbeeld een afspraak met een arts). Deze vragenlijst wordt afgenomen bij ouders en leerkrachten. Het instrument wordt gepresenteerd in het artikel van Heyne en collega’s (2019).

In ontwikkeling

De Selectief Mutisme Vragenlijst
Voor selectief mutisme is een Engelstalig lijst beschikbaar, waarnaar net Nederlands valideringsonderzoek gestart is (De Bascule, 2019).

De Selectief Mutisme Vragenlijst bestaat uit twee schalen (23 items) (Bergman et al., 2008):
a) de symptoomschaal (aanwezigheid en ernst van symptomen): 17 vragen over spreken in bepaalde situaties;

  1. b) de belemmeringschaal: 6 vragen over in hoeverre selectief mutisme een belemmering is voor het kind en gezin.
    De vragenlijst kan ingevuld worden door ouders en de leerkracht.

Niet-specifieke instrumenten

Prestatie Motivatie Test voor Kinderen (PMT-K)
De PMT-K is een vragenlijst die prestatiemotivatie en faalangst bij kinderen meet. Deze vragenlijst kan zowel klassikaal als individueel, en zowel met pen en papier als digitaal, afgenomen worden onder supervisie van een psycholoog of pedagoog. De vragenlijst bestaat uit 89 items en bestaat uit de volgende schalen: prestatiemotivatie, negatieve faalangst, positieve faalangst en sociale wenselijkheid. De betrouwbaarheid, begripsvaliditeit en criteriumvaliditeit van dit instrument zijn goed.

Children’s Automatic Thoughts Scale – Negative / Positive (CATS-N/P)
De CATS-N/P is een vragenlijst die negatieve en positieve gedachten van het kind over zichzelf meet. Deze vragenlijst wordt door het kind ingevuld en heeft een tijdsduur van ongeveer 15 minuten. CATS-N/P bevat 50 vragen en bestaat uit de volgende schalen: fysieke bedreiging, sociale bedreiging, persoonlijk falen, vijandigheid en positieve gedachten.

Terug naar boven

Achenbach, T.M., Becker, A., Döpfner, M., Heiervang, E., Roessner, V., Steinhausen, H.C., e.a. (2008). Multicultural assessment of child and adolescent psychopathology with ASEBA and SDQ instruments: research findings, applications, and future directions.Child Psychology and Psychiatry, 49, 251-275.

Bakker, F.C., Wieringen, P.C.W. van, Ploeg, H.M. van der & Spielberger, C.D. (1989).Handleiding bij de zelfbeoordelingsvragenlijst voor kinderen. Amsterdam: Pearson Testpublisher.

Bakker, F. C., Van Wieringen P. C. W., Van der Ploeg, H. M. (2004). Handleiding bij de Zelf-BeoordelingsVragenlijst voor Kinderen. Amsterdam: Pearson.

Bauhuis, O., Jonker, K., Verdellen, C., Reynders, J., & Verbraak, M. (2013). De Introductie Van Een Nederlandstalig Instrument Om Dsm-IV-Tr-Diagnoses Bij Kinderen Te Stellen. Kind & Adolescent Praktijk, 12, 20-26.

Beidel, D.C., Turner, S.M., & Morris, T.L. (1998).SPAI-C. Social Phobia & Anxiety Inventory for Children. Manual. New York: Multi-Health Systems Inc.

Bergman, R.L., Keller, M.L., Piacentini, J., & Bergman, A.J. (2008). The development and psychometric properties of the selective mutism questionnaire. Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology, 37 (2), 456-464.

Bodden, D.H.M., Bögels, S.M., & Muris, P. (2009). The diagnostic utility of the Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders-71 (SCARED-71).Behaviour Research and Therapy, 47, 418-425.

Boer, F. (2018). Angst – van monster tot stille kracht. Uitgeverij de Tijdstroom

Goodman, R. (1997). The Strengths and Difficulties Questionnaire: A research note.The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 38, 581-586.

De Bascule [Rodrigues, Ensink, de Jonge, Lindauer, Utens]. (2019, 25 februari). Selectief mutisme en behandeling op school. Geraadpleegd van https://www.debascule.com/Over-ons/Nieuws/selectief-mutisme-en-behandeling-op-school

Hale, W. W., Crocetti, E., Raaijmakers, Q. A. W., & Meeus, W. H. J. (2011). A meta-analysis of the cross-cultural psychometric properties of the Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED). The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 52 (1), 80-90. https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2010.02285.x

Heyne, D., Gren-Landell, M., Melvin, G., & Gentle-Genitty, C. (2019). Differentiation Between School Attendance Problems: Why and How? Cognitive and Behavioral Practice, 26 (1), 8-34.

Heyne, D., Vreeke, L. J., Maric, M., Boelens, D., & van Widenfelt, B. M. (2017). Functional assessment of school attendance problems: An adapted version of the School Refusal Assessment Scale – Revised. Journal of Emotional and Behavioral Disorders, 25, 178– https://doi.org/10.1177/1063426616661701

March, J.S. (1997).MASC- The Multidimensional Anxiety Scale for Children. Multi-Health Systems Inc.

Maurice-Stam, H., Haverman, L., Splinter, A., Van Oers, H. A., Schepers, S. A., & Grootenhuis, M. A. (2018). Dutch norms for the Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) – parent form for children aged 2–18 years. Health and Quality of Life Outcomes, 16,

Muris, P., & Steerneman, P. (2001). The revised version of the Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED-R): first evidence for its reliability in a clinical sample.British Journal of Clinical Psychology, 40, 35-44.

Muris, P., Simon, E., Lijphart, H., Bos, A., Hale, W., Schmeitz, K. (2017). The Youth Anxiety Measure for DSM-5 (YAM-5): Development and First Psychometric Evidence of a New Scale for Assessing Anxiety Disorders Symptoms of Children and Adolescents. Child Psychiatry & Human Development, 48 (1), 1-17. https://doi.org/10.1007/s10578-016-0648-1

Nauta, M. H., Scholing, A., Rapee, R. M., Abbott, M., Spence, S. H., & Waters, A. (2004). A parent-report measure of children's anxiety: psychometric properties and comparison with child-report in a clinic and normal sample. Behaviour Research and Therapy, 42 (7), 813-839. https://doi.org/(...)0005-7967(03)00200-6

Oldehinkel, A.J. (2000).Nederlandse vertaling van de Revised Child Anxiety and Depression Scale (RCADS). [Dutch translation of the Revised Child Anxiety and Depression Scale]. Groningen: Department of Psychiatrie (RUG).

Oosterlaan, J., & Prins, P. J. M. (2011). Vragenlijst voor angst bij kinderen van 4 tot en met 12 jaar. Design, Pearson.

Roelofs, J., Muris, P., Braet, C., Arntz, A., & Beelen, I. (2015). The structured clinical interview for DSM-IV childhood diagnoses (Kid-SCID): First psychometric evaluation in a Dutch sample of clinically referred youths. Child Psychiatry & Human Development, 46(3), 367-375.

Siebelink, B.M., & Treffers, Ph.D.A. (2001).Nederlandse bewerking van het Anxiety Disorder Interview Schedule for DSM-IV: Child version van W.K. Silverman en A.M. Albano. Lisse / Amsterdam: Swets & Zeitlinger.

Siebelink, B.M., Treffers, Ph.D.A., & Widenfelt, B.M. (1998).Nederlandse vertaling van de PSWQ-C (PSWQ-K). Oestgeest: Curium.

Silverman, W.K., Ginsburg, G., & Goedhart, A. W. (1999). Factor structure of the childhood anxiety sensitivity index. Behaviour Research and Therapy, 37 (9), 903-917. https://doi.org/10.1016/S0005-7967(98)00189-2

Spence, S. H. (1998) A measure of anxiety symptoms among children. Behaviour Research and Therapy, 36 (5), 545-566. https://doi.org/10.1016/S0005-7967(98)00034-5

Spence, S. H., Barrett, P. M., & Turner, C. M. (2003). Psychometric properties of the Spence Children’s Anxiety Scale with young adolescents. Journal of Anxiety Disorder, 17 (6), 605-625. https://doi.org/10.1016/S0887-6185(02)00236-0

Utens, E.M.W.J., & Ferdinand, R.F. (2000).Nederlandse vertaling van de MASC (MASC-NL). Rotterdam: AZR-Sophia/Erasmus Universiteit.

Utens, E.M.W.J., Ferdinand, R.F., & Bögels, S.M. (2000).Nederlandse vertaling van de SPAI-C (SPAI-C NL). Rotterdam: AZR-Sophia / Erasmus Universiteit.

Van Widenfelt, B.M., Siebelink, B.M., Goedhart, A.W., & Treffers, Ph.D.A. (2002). The Dutch Childhood Anxiety Sensitivity Index: Psychometric properties and factor structure.Journal of Clinical Child Psychology, 31, 90-100.

Vercruysse, T., & Bijttebier, P. (2000). De Vragenlijst voor Angst bij Kinderen (VAK) doorgelicht.Tijdschrift Klinische Psychologie, 30, 217-220.

Verhulst, F.C., & Van der Ende, J. (2013) Handleiding ASEBA Vragenlijsten voor leeftijden 6 tot en met 18 jaar. Rotterdam: ASEBA Nederland

Terug naar boven

Behandeling angst

Een multi-level meta-analyse naar de effecten van psychotherapie bij jongeren (447 studies; 30,431 kinderen/jongeren) liet zien dat de behandeling van angststoornissen in verband met andere kinderpsychiatrische stoornissen bij kinderen/jongeren het meest effectief was (Weisz et al., 2017). Voor de behandeling van angststoornissen is Cognitieve Gedragstherapie (CGT) de methode van eerste keuze. Cognitieve gedragstherapie blijkt effectief, zowel op korte als langere termijn. Psychofarmaca (in het bijzonder SSRI’s) dienen slechts gebruikt te worden als psychosociale vormen van behandeling niet of onvoldoende werkzaam blijken.

Onderzoek laat zien dat cognitief gedragsmatige behandeling goede effecten heeft: bij kinderen en adolescenten vanaf acht jaar leidt behandeling tot een significante afname van angstklachten in vergelijking met jeugdigen die op een wachtlijst staan. Gemiddeld is bij 50-70% van jeugdigen sprake van een verbetering (James et al., 2015; McKinnon et al., 2018; Reynolds et al., 2012; Warwick et al., 2017). Een recente meta-analyse rapporteerde zelfs een verbetering van 77%-82% (Sun et al., 2019). Het betrof hier echter alleen “within-group effects””; dat wil zeggen voor- en nametingen bij alleen de behandelde CGT-groep, zonder vergelijking met een wachtlijst controle of actieve controlegroep. Dus deze resultaten dienen voorzichtig geïnterpreteerd te worden.

De meeste studies naar cognitief gedragsmatige behandeling maken geen onderscheid naar verschillende specifieke angststoornissen. In meerdere meta-analyses komen eveneens weinig verschillen naar voren tussen resultaten van individuele CGT en groeps-CGT. Ook in een Nederlandse studie werd geen verschil gevonden tussen individuele versus groepsbehandeling (Liber et al., 2008). Ten aanzien van het al dan niet betrekken van ouders bij de behandeling zijn verschillende resultaten gevonden (zie hiervoor verderop bij: rol van de ouders).

Hoewel de algehele conclusie is dat CGT effectief is, laat onderzoek ook zien dat circa 30% van de kinderen en jeugdigen met een angststoornis op de lange termijn niet profiteert van de behandeling (Gibby, Casline & Ginsburg, 2017). Onderzoek waarbij CGT wordt vergeleken met andere typen behandeling is nauwelijks beschikbaar. Er zijn maar weinig studies uitgevoerd naar de resultaten van andere typen behandeling, zoals psychoanalyse of psychotherapie, en de kwaliteit van deze studies is mager (Cartwright-Hatton, 2004; In-Albon, 2007). Wel laat een onderzoek naar sociale angststoornis zien dat cognitieve gedragstherapie en psychodynamische psychotherapie beide zeer effectief waren, met remissiepercentages van meer dan 50% (Bögels et al., 2014).

Terug naar boven

Voor kinderen en adolescenten met angststoornissen zijn verschillende CGT-behandelprotocollen beschikbaar. Alle protocollen bevatten vijf componenten van CGT (Albano & Kendall, 2002 in: Connolly, 2008; Bodden, 2006):

De meeste ouders van kinderen met een angststoornis hebben vragen over de oorzaken van de angst: is het erfelijk, is het een gevolg van nare ervaringen, van opvoeding? Het is belangrijk om zowel ouders als kind een goede uitleg te geven over mogelijke oorzaken van angst, en vooral over de manier waarop die angst kan worden verminderd (Scholing, 2002).

Terug naar boven

Vermijden is een groot probleem bij angsten. Om de angst te voorkomen, zorgt het kind ervoor dat de angst niet kàn optreden. Het kind gaat bijvoorbeeld niet naar school, niet naar buiten of het kind zorgt dat ouders bij hem/haar blijven, enzovoort. In cognitieve gedragstherapie bij angststoornissen wordt gebruik gemaakt van ‘exposure.’ Daarin wordt het kind heel geleidelijk blootgesteld aan dat waar het bang voor is. Een kind met een separatie-angststoornis leert bijvoorbeeld eerst in een andere kamer te zijn dan de ouders. Een volgende stap kan zijn dat de ouders een brief gaan posten en daarna een boodschap gaan doen, of dat het kind steeds langere tijd bij een vriendje gaat spelen. Zo leert het kind stapje voor stapje de angst te overwinnen (Nauta & Scholing, 2011).

Terug naar boven

Kinderen met een angststoornis zien de wereld vaak als beangstigend en negatief. Bij cognitieve herstructurering worden angstige gedachten nader bekeken, besproken, uitgedaagd en omgezet in helpende gedachten. De therapeut kan hiervoor gebruikmaken van diverse technieken. De therapeut leert het kind bijvoorbeeld om vragen aan zichzelf te stellen (hoe groot is de kans dat er iets akeligs gebeurt, hoe vaak is het eigenlijk voorgekomen), reikt helpende gedachten aan en spoort samen met het kind gedachtenkronkels en denkfouten op. Een kind met een sociale fobie kan bijvoorbeeld denken dat anderen hem of haar raar zullen vinden omdat hij of zij bloost. Deze gedachte kan worden aangepakt en vervangen worden door de gedachte dat de meeste mensen wel eens blozen en het dus ook niet raar vinden om te zien dat een ander bloost (Nauta et al., 2011).

Terug naar boven

Tijdens vaardigheidstraining leert het kind wat het moet doen als het angstig is. Dit wordt ook wel coping gedrag genoemd. Coping gedrag wordt ingezet om de angst en exposure aan te kunnen en is niet gericht op vermijding of ontsnapping. Voorbeelden van coping gedrag zijn probleemoplossen (‘als ik bang word, dan vraag ik hulp’), helpende ‘zelfspraak’ (‘ik kan het wel’), afleiding en ontspanningsoefeningen (Nauta & Scholing, 2011).

Terug naar boven

Om terugval te voorkomen worden vaak terugkomsessies gepland evenals afspraken met ouders en school over wat te doen als zij terugval signaleren.

Terug naar boven

Naast deze vijf kerncomponenten in de voor Nederland beschikbare protocollen tegen angststoornissen bij kinderen en jongeren, wordt binnen cognitieve gedragstherapie voor angststoornissen vaak gebruik gemaakt van het principe van modeleren, oftewel het demonstreren (door de therapeut of de ouders) van dapper gedrag in een angstige situatie, zodat het kind dit gewenste gedrag kan nadoen als reactie op de eigen angst (Bodden, 2006). Ook worden regelmatig beloningsschema’s gebruikt waarin dapper gedrag beloond wordt en ongewenst gedrag zoveel mogelijk genegeerd wordt. Beloningsschema’s kunnen kinderen motiveren om zich meer bloot te stellen aan de angst. Uiteindelijk moet het kind ook zelf leren om zijn of haar eigen gedrag te evalueren en zichzelf te belonen voor goede prestaties (Scholing, 2002). Ouders leren daarnaast vaak ontspanningstechnieken en kunnen als coach fungeren (Connolly, 2008).

De protocollen worden breed toegepast bij de meest voorkomende angststoornissen en zijn niet diagnose-specifiek voor verschillende angststoornissen. Voor de behandeling van Selectief mutisme bestaat wel een specifieke aanpak. Ook voor de behandeling van Schoolweigering is een specifiek CGT-protocol met aanvullende modulen.

Een recent systematische review (Fréchette-Simard et al., 2018) over het toepassen van CGT-programma om internaliserende stoornissen (angst en depressie) bij jongeren te behandelen, toonde aan dat 40 verschillende CGT-technieken toegepast werden, maar dat er slechts enkele technieken toegepast werden in meer dan 50% van de studies. Voor angststoornissen werden exposure en ontspanning het meest vaak toegepast.

Andere aspecten van cognitieve gedragstherapie

Sommige kinderen reageren beter op CGT dan andere kinderen. Meer onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op het behandelresultaat is nodig om cognitieve gedragstherapie te kunnen verfijnen en de effectiviteit te verbeteren (Bodden, 2006; Utens, 2017). Wanneer de behandelprotocollen geen resultaat opleveren zijn er vooralsnog weinig alternatieven. Onderzocht wordt of differentiatie binnen het protocol van de cognitieve gedragstherapie het percentage jeugdigen dat profiteert van de behandeling kan verhogen.

Afhankelijk van individuele kenmerken kunnen selectie en dosering van de CGT-componenten verschillen (Sauter et al., 2009; Utens, 2017; Fréchette-Simard et al., 2017). Ook kan de CGT uitgebreid worden met extra modulen. Meest gangbaar is de opvatting dat aanvullende modulen wenselijk zijn omdat naast oorzaken als één of meer angststoornissen er ook andere factoren een rol spelen die het probleem in stand houden, zoals andere psychopathologie (depressie, autismespectrumstoornis, ernstige dwang), extra gedrags- en gezinsproblemen (Scharree, 2007). Modulaire CGT bestaat uit geleide combinatie van individueel voorgeschreven technieken die matchen met individuele behoeften en krachten van een kind. De modulaire benadering combineert de positieve effecten van de toepassing van gestandaardiseerde protocollen met een hoog niveau van flexibiliteit in de toepassing van per individu verschillende behandeltechnieken (Chorpita et al., 2004).

Een van de factoren waarop gedifferentieerd wordt is het type angststoornis. Bij verschillende angststoornissen horen verschillende cognities. Daarom staan per stoornis verschillende kerncomponenten van CGT op de voorgrond, zoals meer nadruk op geleidelijke blootstelling bij de specifieke fobie (Velting, Setzer, & Albano, 2004 in: Connolly, 2008). Om cognitieve gedragstherapie beter toe te spitsen op sociale fobie lijkt het zinvol sociale vaardigheidstraining toe te voegen aan de basiscomponenten. Kinderen met een sociale fobie blijken namelijk slechtere sociale vaardigheden te hebben en sociaal minder goed te functioneren (Liber, 2008). Welke aanpassingen nodig zijn om cognitieve gedragstherapie beter aan te laten sluiten bij de paniekstoornis is nog niet voldoende onderzocht. Voor de paniekstoornis wordt gedacht aan de volgende behandelcomponenten:

  • Oproepen van fysieke kenmerken die optreden bij paniek (zoals duizeligheid, kortademigheid en zweten) door middel van oefeningen. Oefeningen kunnen onder meer zijn: rustig nee schudden, met het hoofd tussen de benen hangen, adem inhouden, hyperventileren.
  • Informatie geven over de fysiologische processen die voorafgaan aan een paniekstoornis (Ollendick, 1995; Connolly, 2008).

Modularisering van het CGT-protocol naar leeftijd is in ontwikkeling. In Nederland werkt Bögels aan de uitwerking van het protocol Denken + Doen = Durven voor kinderen van 4-7 jaar met angststoornissen. Van het Vriendenprogramma zijn reeds voor kleuters van 4 tot en met 7 jaar, voor kinderen van 7 tot en met 11 jaar en voor jongeren van 12 tot en met 16 jaar afzonderlijke handleidingen en werkboeken beschikbaar. Meer informatie over Denken + Doen = Durven en het Vriendenprogramma is te vinden onder het kopje Behandelprotocollen.

In een review van Sauter en collega’s (2009) is geïnventariseerd op welke wijze CBT voor adolescenten kan worden vormgegeven om angstklachten van adolescenten effectiever te behandelen. Een recent review (Kendall & Peterman, 2015) laat echter geen verschil zien tussen de effectiviteit van CGT bij kinderen versus die bij adolescenten, terwijl men bij adolescenten (op grond van mogelijk langer bestaande klachten) slechtere resultaten zou kunnen verwachten.

De ernst en de duur van de stoornis lijkt van invloed op het verloop van de behandeling. Uit enkele studies blijkt dat jeugdigen met ernstigere angstsymptomen een slechte respons op alleen cognitieve gedragstherapie hebben (Barrett et al., 2001; Last et al., 1998; Layne et al., 2003; Southam-Gerow et al., 2001 in: Connolly, 2008). In Nederland vonden zowel Nauta (2005) als Liber, Widenfelt, Van der Leeden, Goedhart, Utens en Treffers (2010) dat bij kinderen met ernstigere angstsymptomen meer tijd nodig is om resultaten te behalen en dat de kinderen meer restklachten houden. Uit het onderzoek van Nauta (2005) blijkt dat dit ook geldt voor kinderen die al gedurende lange tijd last hebben van de angstklachten.

Afgelopen jaren is een studie uitgevoerd naar ‘Stepped Care CGT’ en een studie naar een modulaire benadering van CGT waarbij naar individuele behoeften behandeling op maat wordt geboden. Een meer intensieve behandeling wordt geboden wanneer de eerste CGT onvoldoende blijkt. Uit beide studies komt naar voren dat door een dergelijke aanpak aanvullende kansen worden gecreëerd om het gewenste resultaat te behalen (Chorpita et al., 2004; Van der Leeden et al., 2011).

De Amerikaanse Praktijkrichtlijn voor de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten met angststoornissen, die begin 2008 in het Nederlands is vertaald (Connolly, 2008), benadrukt dat het belangrijk is vast te houden aan de basiscomponenten van cognitieve gedragstherapie, maar dat flexibiliteit en aandacht voor de individuele situatie ook noodzakelijk is om de behandeling te laten slagen (Albano & Kendall, 2002 in: Connolly, 2008).

Terug naar boven

Ouders en gezinnen kunnen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling en het voortbestaan van de angsten van kinderen. Hierbij kan gedacht worden aan factoren als angst bij de ouders zelf, opvoedingsstijl, onveilige gehechtheid en ouder-kind interacties.

Onderzoek naar effecten van betrokkenheid van ouders bij de behandeling laat gemengde resultaten zien. Ouders kunnen verschillende (meerdere) rollen hebben in de behandeling: adviseur, co-therapeut en/of co-cliënt als zij zelf angstproblemen hebben (Sauter et al., 2009). De leeftijd van het kind is van belang voor de rol van ouders in de behandeling van het kind: steunend of meer sturend (Heyne & Sauter, 2013).

Afhankelijk van de rollen varieert ouderbetrokkenheid van een aantal oudersessies waarin ouders psycho-educatie krijgen en uitleg over het verloop van de behandeling tot het intensief trainen van vaardigheden.

De belangrijkste vaardigheden die de ouders in CGT leren zijn:

  • Een voorbeeld daarvan is contingency management, waarin ouders leren om enthousiast te reageren op dapper gedrag van hun kind en empathisch te reageren op angstig gedrag, maar tevens het kind aan te moedigen om de angst te bestrijden met de strategieën die het in de behandeling geleerd heeft. Ook leren ouders om zich te richten op het gewenste gedrag en niet op het straffen van angstig gedrag. Rollenspellen worden vaak gebruikt om ouders te laten oefenen met deze vaardigheden.
  • Vaardigheden om hun eigen angstige reacties en emotionele stress beter te hanterenen hun kind voor te doen hoe ze zelf moeilijke situaties te lijf gaan.
  • Vaardigheden om als ouders met elkaar te praten over de manier waarop ze hun kind kunnen helpen en om een team te vormen dat het kind kan begeleiden.
  • Probleemoplossende vaardighedenwaarbij ouders leren hoe ze verschillende problemen op een adequate manier kunnen oplossen (Scholing, 2002).

In de literatuur worden gemengde resultaten gevonden over wat de effecten zijn van het toevoegen van een oudercomponent aan standaard cognitieve gedragstherapie voor angst bij kinderen (Connolly, 2008).

In sommige studies wordt een significante meerwaarde van oudertraining aangetoond (waaronder Barret et al., 1996, die een effect op de korte termijn vonden; Mendlowitz et al., 1999; Heyne et al., 2002). Dowell en Ogles (2010) vonden in een algemene meta-analyse naar psychotherapie bij diverse stoornissen en problemen positieve effecten van ouderbetrokkenheid. Ook een meta-analyse van Manassis en collega’s (2014) liet zien dat CGT met ouderlijke betrokkenheid zorgde voor betere lange-termijn uitkomsten (tot 1 jaar follow-up) dan CGT met minder/geen ouderlijke betrokkenheid.

Een recent review van Gibby en collega’s uit 2017 toont aan dat er op langere termijn (bij studies met een follow-up van minimaal 2 jaar) meer angstvermindering optreedt in CGT mét ouderlijke betrokkenheid dan in de “CGT alleen met het kind ” (zonder ouders). Bovendien laat ook een recent review van Sun en anderen (2019) duidelijk de meerwaarde van ouderlijke betrokkenheid bij de CGT-behandeling van hun kind zien. Door ouders te betrekken, vooral op lange termijn, kunnen de geleerde technieken beter generaliseren en beklijven in de thuissituatie.

In andere studies wordt geen significante meerwaarde aangetoond (waaronder Barrett, 1998; Nauta et al., 2003; Spence, Donovan, & Brechman-Toussaint, 2000; Spielmans et al., 2007; Silverman et al., 2008). James en collega’s (2005) vonden in hun review van 13 studies naar cognitieve gedragstherapie bij angststoornissen geen meerwaarde van het toevoegen van een ouder- of familiecomponent. Uit onderzoek van Bodden en collega’s (2008) bleek dat individuele en alleen op het kindgerichte CBT bij 8 tot 12-jarige kinderen effectiever was dan een therapie waarbij ook de ouders betrokken worden. Bij 12 tot 18-jarigen was er geen verschil tussen met en zonder ouders voor zover de ouders zelf niet angstig waren. De meta-analyse van Thulin en anderen (2014) laat ook géén verschil zien tussen of er nu wel of niet ouderlijke betrokkenheid was bij de CGT-behandeling van hun kind.

Opvallend is het onderzoek van Cobham, Dadds en Spence (1998). Zij onderscheidden angstige kinderen met (een) angstige ouder(s) en angstige kinderen zonder (een) angstige ouder(s). Uit de resultaten bleek dat ouderlijke angst een voorspeller was van een slechter behandelingsresultaat van het kind; het betrekken van de ouders verbeterde het resultaat van de behandeling, maar alleen voor de angstige kinderen die een angstige ouder hadden (Scholing, 2002).

Een verklaring voor gemengde resultaten over ouderlijke betrokkenheid, kan zijn dat tijdens de CGT niet de juiste ouderlijke gedragingen direct aangreep (Utens, 2017). Uit recent onderzoek (Van der Giessen, Colonnessi, & Bögels, 2019) blijkt dat tijdens dyadische en triadische ouder-kind interacties ouderlijke afwijzing afnam na zowel kindCGT als gezinsCGT. Echter, tijdens triadische ouder-kind interacties nam ouderlijke psychologische controle juist toe na CGT. Dit zou enerzijds kunnen suggereren dat er potentiële negatieve effecten zijn van CGT op psychologische controle van ouders. Anderzijds kan het ook betekenen dat ouders, met name moeders, strenger moeten zijn om hun kind te helpen om hun angststoornis te boven te komen. Er is daarom meer onderzoek nodig naar welke ouderlijke gedragingen essentieel zijn om de effectiviteit van CGT te verbeteren.

Een onderzoek van Lebowitz en collega’s (2020) vergelijkt het effect van een interventie voor ouders van kinderen met een angststoornis, waarbij er geen contact is tussen kind en therapeut, met CGT bij kinderen. Hieruit blijkt dat behandeling voor ouders een effectieve manier is om angst bij kinderen te verminderen en het niet onder doet aan CGT voor kinderen. Deze behandeling biedt een alternatieve strategie voor de behandeling van kinderen met een angststoornis.

Naast het betrekken van ouders bij cognitieve gedragstherapie wordt in sommige interventies ook de school in de behandeling betrokken. Dit gebeurt bij de behandeling van selectief mutisme (Zie onder bij het protocol: Praten op school: een kwestie van doen). Tevens kan, als een kind op school door angst wordt overspoeld, buiten de klas bijvoorbeeld een volwassene worden aangewezen, die het kind kan helpen met probleemoplossende strategieën of met het omgaan met de angst. Bij faalangst kunnen toetsen worden afgenomen in een rustige omgeving (Connolly, 2008). Twee studies van King en collega’s (1998; 1999) laten zien dat individuele cognitieve gedragstherapie met ouder/leraar training effectief was bij kinderen die uit angst naar school weigerden te gaan (Bodden, 2006).

Terug naar boven

In verband met de kosteneffectiviteit is het interessant om de effectiviteit van groepstherapie en individuele therapie te vergelijken. In een aantal studies is de effectiviteit aangetoond van groepsgewijze cognitieve gedragstherapie bij jeugdigen (met of zonder betrokkenheid van de ouders) (Barrett, 1998; Flannery-Schroeder & Kendall, 2000; Manassis, Mendlowitz, Scapillato, Avery, Fiksenbaum, & Freire, 2002; Muris, Mayer, Bartelds, Tierney, & Bogie, 2001; Silverman, et al., 1999 in: Connolly, 2008). In enkele studies werd bovendien een vergelijking gemaakt tussen individuele cognitieve gedragstherapie en de groepstoepassing (Flannery-Schroeder en Kendall, 2000; Barrett et al., 1996 in: Connolly, 2008). In deze studies werd gemiddeld geen verschil in effectiviteit gevonden. In de individuele variant voldeed 64% van de kinderen niet meer aan de criteria voor een angststoornis, in de groepsvariant 50%. Het lijkt er dus op dat cognitieve gedragstherapie zowel individueel als groepsgewijs even effectief is (Bodden, 2006; Toorn en Ferdinand, 2004; Scholing, 2002; Liber, Wedenfelt, Leeden, & Treffers, 2007). Dit bevestigen ook James, Soler en Weatherall (2005) in hun review van 13 studies.

Voordelen van behandeling in groepsverband zijn dat dat het kosteneffectief kan zijn, het maakt training van sociale vaardigheden mogelijk en bovendien kunnen kinderen in een groep model staan voor elkaar (Verhulst, 2006). Een nadeel kan zijn dat een groep vol moet zijn om te starten waardoor kinderen moeten wachten op behandeling. In een aantal studies leek individuele cognitieve gedragstherapie bij bepaalde subgroepen de voorkeur te hebben boven de groepstoepassing: bij kinderen die naast een angststoornis ook gediagnosticeerd waren met ADHD, bij kinderen met een ernstig trauma en bij kinderen met een hoge mate van sociale angst (Connolly, 2008). Ook bij angstige pubers is groepstherapie minder effectief (Sauter et al. 2009).

Terug naar boven
Terug naar boven

Selectief mutisme

Selectief mutisme (waarbij het kinderen in specifieke situaties zoals op school steeds niet lukt om te spreken, hardop te lezen of te zingen, terwijl ze dit in andere situaties zoals thuis wel kunnen) betreft vooral jonge kinderen en vraagt vanwege de aard van de stoornis ‘het niet spreken’ een specifieke aanpak. In gevalsstudies over selectief mutisme worden voor deze kinderen geïndividualiseerde, multimodale behandelprogramma’s aanbevolen. Enkele belangrijke aanpassingen die genoemd worden zijn het betrekken van ouders en leerkrachten bij de behandeling (zij kunnen de communicatie van het kind thuis en op school in de gaten houden) en het geven van positieve bekrachtiging wanneer het kind probeert te spreken, lezen of zingen (Connolly, 2008). Een voorbeeld van een behandeling voor kinderen met selectief mutisme is: Praten op school, een kwestie van doen. Meer informatie hierover is te vinden onder het kopje Behandelprotocollen.

Schoolweigering

Voor aan angst gerelateerde schoolweigering is cognitieve gedragstherapie de meest onderzochte behandeling met goede resultaten (Heyne & Sauter, 2013). Een systematische review en meta-analyse van psychosociale interventies voor schoolweigering wijst op verbeteringen in schoolgang (Maynard et al., 2018). Op één na waren alle onderzoeken die in de review waren opgenomen CGT-interventies (d.w.z. gedragsmatig, cognitief of cognitief gedragsmatig).

Heyne en collega’s (2011) ontwikkelden een modulair samengesteld CGT-protocol voor zowel adolescenten als hun ouders met daarnaast modules voor de school, en deed onderzoek naar de effecten ervan. Bij de nameting en de follow-up na twee maanden bleek een significante en blijvende verbetering op de schoolgang, aan school gerelateerde angst en van de angststoornis met middelmatige tot grote effect sizes (effect grootte). Het protocol is beschreven in een hoofdstuk in The Wiley-Blackwell Handbook of The Treatment of Childhood and Adolescent Anxiety (2013 John Wiley & Sons, Ltd.). Een case-study van Heyne en anderen (2014) illustreert de implementatie van de interventie bij een adolescente vrouw, haar moeder en de school. Voor meer informatie over het protocol, kan contact worden opgenomen met David Heyne.

Terug naar boven

Zoals beschreven bij Etiologie zijn er aanwijzingen voor verstoorde cognitieve processen bij jeugdigen met angststoornissen. Zo is gevonden dat angstige jeugdigen geneigd zijn om ambigue situaties als bedreigend te interpreteren en dat ze een verhoogde aandacht hebben voor informatie over gevaar (Muris & Field, 2008). Er zijn methoden ontwikkeld om deze cognitive biases te veranderen om daarmee de angst te verminderen. Behandelingen die hieruit voortgekomen zijn, zijn Cognitive Bias Modification (CBM) en Attention Bias Modification (ABM). ABM is een computertraining die zich specifiek richt op het verminderen van de selectieve aandacht voor bedreigende informatie. Een recente gerandomiseerde gecontroleerde studie bewees dat deze training angstproblemen bij kinderen kan verminderen (Eldar, Apter, Lotan, Edgar, Naim, & Fox, 2012). Een andere vorm van cognitive bias modification richt zich op het veranderen van negatieve interpretaties van ambigue stimuli (McLeod & Matthews, 2012).

Een recent overview van systematic reviews (ORS) liet zien dat dat Attention Bias Modification (ABM) en Cognitieve Bias Modification (CBM) weinig effect sorteerden op angststoornissen bij kinderen (Bennet et al., 2016). De tegenvallende resultaten lijken uit te wijzen dat ABM trainingen of CBM interpretatietrainingen meer gepersonaliseerd zouden moeten worden.

Terug naar boven

Dappere Kat

Het programma is erop gericht om kinderen en adolescenten te leren omgaan met situaties die ze eng vinden en daarom meestal vermijden. Met samenvatting en beoordeling door de werkgroep Angststoornissen. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: bewezen effectief voor kinderen tot en met 16 jaar. Lees meer over Dappere Kat >>

VRIENDEN

Het vergroten van de emotionele veerkracht van kinderen, hen vaardigheden leren om problemen op te lossen en om moeilijke situaties aan te kunnen. Met samenvatting en beoordeling door de werkgroep Angststoornissen. Dit behandelprotocol wordt niet meer in Nederland uitgegeven. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: bewezen effectief (Köster et al., 2017; Liber et al., 2008; Van der Leeden et al., 2011). VRIENDEN is in 2004 door de Wereld Gezondheidsraad uitgeroepen als zijnde: ”the only evidence-based programme effective at all levels of intervention for anxiety in children” (WHO 2004). Lees meer over VRIENDEN >>

Denken + Doen = Durven

Middels psycho-educatie, exposure en cognitieve therapie de kinderen en jongeren leren omgaan met en verminderen van hun angstklachten. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: bewezen effectief voor kinderen van 8 tot 18 jaar (Bögels, 2008; Van Steensel & Bögels, 2015). Lees meer over Denken + Doen = Durven >>

Praten op school, een kwestie van doen

Voor de behandeling van selectief mutisme is het protocol Praten op school, een kwestie van doen ontwikkeld (auteurs: Max  Güldner en Els Wippo). Dit protocol is een individuele ambulante behandeling van kinderen van 2,5-12 jaar met selectief mutisme. Het doel is durven praten op school. De behandeling vindt wekelijks op school - buiten de klas - plaats en maakt gebruik van gedragstherapeutische technieken. De leerkracht fungeert als co-therapeut. Centrale ingrediënten van het protocol zijn shaping, fading en modeling. Shaping is het in kleine stapjes aanleren van nieuwe gedrag. Fading is het geleidelijk veranderen van omgeving waarin het gewenste gedrag plaatsvindt en modeling verwijst naar het voordoen van gewenst gedrag. In Nederland wordt op de Bascule, Amsterdam, in samenwerking met het UMC Utrecht (prof. Utens, prof. Lindauer en prof. De Jonge) een gerandomiseerd gecontroleerd interventieonderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit. Uit pilot onderzoek bleek het protocol een bruikbare leidraad voor de behandeling van kinderen met selectief mutisme (Braet & Bögels, 2019).
Oordeel Erkenningscommissie Interventies: theoretisch goed onderbouwd.

Terug naar boven

Er zijn inmiddels meta-analyses en systematische reviews op dit gebeid verschenen, met gemengde resultaten (Vigerland et al., 2016; Rooksby et al., 2015). De publicaties laten bijna allemaal zien dat internet-CGT een goed potentieel heeft en goed ontvangen wordt door tieners en ouders. Echter kunnen er nog geen harde conclusies getrokken worden. Er is nader onderzoek nodig.

Voor Nederlandse kinderen en jongeren met angststoornissen zijn verschillende online behandelmogelijkheden ontwikkeld:

De Dappere Kat blended

De Dappere kat is een goed onderbouwde cognitieve gedragstherapie voor kinderen en jongeren met een angststoornis (lees meer over Dappere kat). Deze behandeling bestaat inmiddels ook in blended vorm: deels online, deels face-to-face. Deze blended vorm wordt aangeboden bij Accare, de Bascule, de Jutters, Triversum, Karakter, Yulius en Curium-LUMC.

Schateiland

Het computerspel Schateiland is bedoeld als aanvulling op de behandeling van kinderen met angst- en stemmingsstoornissen in de leeftijd van 9 tot 13 jaar. In het spel doorlopen de kinderen spelenderwijs verschillende stappen van cognitieve gedragstherapie. Behandelaars kunnen het spel gratis verkrijgen via de website, op voorwaarde van legitimatie en deelname aan een evaluatieprogramma.

Spreekt voor zich

De website en methode 'Spreekt voor zich' zijn bedoeld voor kinderen van vier tot acht jaar met selectief mutisme, hun ouders, leerkrachten en behandelaren. Een serious game op de site is 'het Luiderslot'. De game is een onderdeel van een totaalpakket, een uitgewerkt cognitief gedragstherapeutisch protocol voor de behandeling van jonge kinderen met selectief mutisme.
Oordeel Erkenningscommissie Interventies: theoretisch goed onderbouwd.

Meer informatie over E-health in de jeugd-GGz kunt u vinden op onze website: https://ehealth.kenniscentrum-kjp.nl

Terug naar boven

Barret, P.M., Rapee, R.M., Dadds, M.M. & Ryan, S.M. (1996). Family enhancement of cognitive style in anxious and aggressive children.Journal of Abnormal Child Psychology, 24, 187-203.

Barrett, P.M. (1998). Evaluation of cognitive-behavioral group treatments for childhood anxiety disorders.Journal of Clinical Child Psychology, 27, 459-468.

Bennett, K., Manassis, K., Duda, S., Bagnell, A., Bernstein, G. A., Garland, E. J., Miller, L. D., Newton, A., Thabane, L., & Wilansky, P. (2016). Treating child and adolescent anxiety effectively: Overview of systematic reviews. Clinical Psychology Review, 50, 80-94. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2016.09.006

Bodden, D.H.M. (2006).Individual versus family cognitive behavioural therapy in children with anxiety disorders. A clinical and economic evaluation. Maastricht: Universiteit Maastricht (proefschrift).

Bodden, D.H.M., Bögels, S.M., Nauta, M.H., Haan, E. de, Ringrose, J., Appelboom, C., e.a. (2008). Child versus family cognitive-behavioural therapy in clinically anxious youth: an afficacy and partial effectiveness study.Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 47, 1384-1394.

Bögels, S. M. (2008). Behandeling van angststoornissen bij kinderen en adolescenten met het cognitief gedragstherapeutisch protocol Denken + Doen = Durven. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Bögels, S. M., Wijts, P., Oort, F. J., & Sallaerts, S. J. M. (2014). Psychodynamic psychotherapy versus cognitive behavior therapy for social anxiety disorder: An efficacy and partial effectiveness trial. Depression and Anxiety, 31(5), 363-373. https://doi.org/10.1002/da.22246

Braet, C., & Bögels, S. (2019). Protocollaire behandelingen voor kinderen en adolescenten met psychische klachten. Amsterdam, Nederland: Boom uitgevers Amsterdam.

Cartwright-Hatton, S., Roberts, C., Chitsabesan, P., Fothergrill, C., & Harrington, R. (2004). Systematic review of the efficacy of cognitive behavior therapies for childhood and adolescent anxiety disorders.British Journal of Clinical psychology, 43, 421-236.

Chorpita, B.F., Taylor, A.A., Francis, S.E., Moffitt, C., & Austin, A.A. (2004). Efficacy of modular Cognitive Behavior Therapy for childhood anxiety disorders.Behavior Therapy, 35, 263-287.

Cobham, V. E., Dadds, M. R., & Spence, S. H. (1998). The role of parental anxiety in the treatment of childhood anxiety. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 66 (6), 893–905.

Connolly, S.D. (2008). Praktijkrichtlijnen voor diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten met angststoornissen.Kind en adolescent review, 15, 5-41.

Dowell, K. A., & Ogles, B. M. (2010) The Effects of Parent Participation on Child Psychotherapy Outcome: A Meta-Analytic Review. Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 39 (2), 151-162, DOI: 10.1080/15374410903532585

Eldar, S., Apter, A., Lotan, D., Edgar, K.P., Naim, R., Fox, N.A., e.a. (2012). Attention bias modification treatment for pediatric anxiety disorders: A randomized controlled trial. American Journal of Psychiatry, 169, 213-220.

Flannery-Schroeder, E.C., & Kendall, P.C. (2002). Group and Individual Cognitive-Behavioral Treatments for Youth with Anxiety Disorders: A Randomized Clinical Trial. Cognitive Therapy and Research, 24, 251–278.

Fréchette-Simard, C., Plante, I., & Bluteau, J. (2018). Strategies included in cognitive behavioral therapy programs to treat internalized disorders: a systematic review. Cognitive Behaviour therapy, 47 (4), 263-285. https://doi.org/10.1080/16506073.2017.1388275

Gibby, A., Casline, E. P., & Ginsburg, G. S. (2017). Long-Term Outcomes of Youth Treated for an Anxiety Disorder: A Critical Review. Clinical Child and Family Psychology Review, 20 (2), 201-225. https://doi.org/10.1007/s10567-017-0222-9

Heyne, D. A., & Sauter, F. M. (2013). School refusal. In C. A. Essau & T. H. Ollendick (Eds.), The Wiley-Blackwell handbook of the treatment of childhood and adolescent anxiety(p. 471–517). Wiley-Blackwell.

Heyne, D., King, N.J., Tonge, B.J., Rollings, S., Young, D., Pritchard, M., e.a. (2002). Evaluation of child therapy and caregiver training in the treatment of school refusal.Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 41, 687-695.

Heyne, D., Sauter, F.M., Ollendick, T.H. Van Widenfelt, B. M., & Westenberg, P. M. (2014). Developmentally Sensitive Cognitive Behavioral Therapy for Adolescent School Refusal: Rationale and Case Illustration. Clinical Child and Family Psycholy Review, 17, 191–215.

Heyne, D., Sauter, F.M., Van Widenfelt, B.M., Vermeiren, R. & Westenberg, P.M. (2011). School Refusal and Anxiety in Adolescence: Non-Randomized Trial of a Developmentally-Sensitive Cognitive Behavioral Therapy. Journal of Anxiety Disorders, 25, 870-878.

In-Albon, T. & Schneider, S. (2007). Psychotherapy of Childhood Anxiety Disorders: A Meta-Analysis. Psychotherapy and Psychosomatics, 26, 15-24.

James, A., Soler, A., & Weatherall, R. (2005). Cognitive behavioural therapy for anxiety disorders in children and adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews, 4, CD004690.

James A.C., James G, Cowdrey FA, Soler A, Choke A. (2015). Cognitive behavioural therapy for anxiety disorders in children and adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews, 2. Art. No.: CD004690. DOI: 10.1002/14651858.CD004690.pub4.

Kendall, P. C., & Peterman, J. (2015). CBT for Adolescents With Anxiety: Mature Yet Still Developing. The American Journal of Psychiatry, 172 (2), 519-530. https://doi.org/10.1176/appi.ajp.2015.14081061

King, N. J., Tonge, B. J., Heyne, D., Pritchard, M., Rollings, S., Young, D., Myerson, N., Ollendick, T. H. (1998). Cognitive‐Behavioral Treatment of School‐Refusing Children: A Controlled Evaluation. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 37 (4), 395-403.

King, N. J., Tonge, B. J., Turner, S., Heyne, D., Pritchard, M., Rollings, S., Young, D., Myerson, N., Ollendick, T. H. (1999). Brief cognitive‐behavioural treatment for anxiety‐disordered children exhibiting school refusal. Clinical Psychology & Psychotherapy, 6 (1), 39-45.

Kösters, M., Koot H., Paw. M. C. A., Zwaanswijk, M., & Van der Wal., M. (2017). Met vrienden angst en depressie op de basisschool te lijf. Kind en Adolescent Praktijk, 16, 34-40. doi:10.1007/s12454-017-0020-z

Lebowitz, E. R., Marin, C., Martino, A., Shimshoni, Y., Silverman, W. K. (2020). Parent-Based Treatment as Efficacious as Cognitive-Behavioral Therapy for Childhood Anxiety: A Randomized Noninferiority Study of Supportive Parenting for Anxious Childhood Emotions. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 59 (3), 362-372.

Leeden, A.J.M. van der, Widenfelt, B.M. van, Leeden, R. van der, Liber, J.M., Utens, E.M., & Treffers, P.D.A. (2011). Stepped Care Cognitive Behavioural Therapy for Children with Anxiety Disorders: A New Treatment Approach.Behavioural Cognitive Psychotherapy, 39, 55-75.

Liber, J.M. (2008). Friends or foes? Predictors of treatment outcome of cognitive behavioral therapy for childhood anxiety disorders. [Doctoral thesis], Leiden University

Liber, J. M., Van Widenfelt, B. M., Utens, E. M. W. J., Ferdinand, R. F., Van der Leeden, A. J. M., Van Gastel, W., & Treffers, P. D. A. (2008). No differences between group versus individual treatment of childhood anxiety disorders in a randomised clinical trial. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 49 (8), 886-893. https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2008.01877.x

Liber, J.M., Widenfelt, B.M., Van der Leeden, A.J.M., Goedhart, A.W., Utens, E.M. & Treffers, P.D.A. (2010). The relation of severity and comorbidity to treatment outcome with cognitive behavioral therapy for childhood anxiety disorder. Journal of Abnormal Child Psychology, 38, 683-694.

Manassis, K., Lee, T. C., Bennett, K., Zhao, X. Y., Mendlowitz, S., Duda, S., . . . Wood, J. J. (2014). Types of parental involvement in CBT with anxious youth: A preliminary meta-analysis. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 82 (6), 1163–1172. https://doi.org/10.1037/a0036969

Manassis, K., Mendlowitz, S. L., Scapillato, D., Avery, D., Fiksenbaum, L., Freire, M., Monga, S., & Owens, M. (2002). Group and Individual Cognitive-Behavioral Therapy for Childhood Anxiety Disorders: A Randomized Trial. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 41 (12), 1423-1430.

Maynard, B.R., Heyne, D., Brendel, K.E., Bulanda, J.J., Thompson, A.M., & Pigott, T.D. (2018). Treatment for school refusal among children and adolescents: A systematic review and meta-analysis. Research on Social Work Practice, 28, 56-67.

McKinnon A., Keers R., Coleman J. R. I., Lester K. J., Roberts S., Arendt K., …, Hudson J. L. (2018). The impact of treatment delivery format on response to cognitive behaviour therapy for preadolescent children with anxiety disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 59, 763-772.

McLeod, C., & Matthews, A. (2012). Cognitive bias modification approaches to anxiety. Annual Reviews in Clinical Psychology, 8, 189-217.

Melvin, G. A., & Gordon, M. S. (2019). Antidepressant medication: Is it a viable and valuable adjunct to cognitive-behavioral therapy for school refusal? Cognitive and Behavioral Practice, 26, 107-118.

Mendlowitz, S. L., Manassis, K., Bradley, S., Scapillato, D., Miezitis, S., & Shaw, B. F. (1999). Cognitive-behavioral group treatments in childhood anxiety disorders: The role of parental involvement.Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 1223-1229.

Muris, P., Field, P.A. (2008). Distorted cognition and pathological anxiety in children and adolescents. Cognition and emotion, 22 (3), 395-421.

Muris, P., Mayer, B., Bartelds, E., Tierney, S., & Bogie, N. (2010). The revised version of the Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED-R): Treatment sensitivity in an early intervention trial for childhood anxiety disorders. British Journal of Clinical Psychology, 40 (3).

Nauta, M.H. (2005). Anxiety Disorders in Children and Adolescents: assessment, cognitive behavioural therapy, and predictors of treatment outcome. Enschede: Febodruk bv. (proefschrift Rijksuniversiteit Groningen).

Nauta, M.H. & Scholing, A. (2011). A. Anti-angsttechnieken In: P.J.M. Prins, J.D Bosch & C. Braet (Eds.), Methoden en technieken van gedragstherapie. Houten: Bohn Stafleu van Lochum.

Nauta, M.H., Breat, C. & Scholing, A. (2011). Cognitieve interventies bij kinderen en jongeren. In: S.M. Bögels & P. van Oppen.Cognitieve therapie: theorie en praktijk. Houten: Bohn Stafleu van Lochum

Nauta, M. H., Scholing, A., Emmelkamp, P. M. G., & Minderaa, R. B. (2003). Cognitive-Behavioral Therapy for Children With Anxiety Disorders in a Clinical Setting: No Additional Effect of a Cognitive Parent Training. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 42 (11), 1270-1278.

Ollendick, T. H. (1995). Cognitive behavioral treatment of panic disorder with agoraphobia in adolescents: A multiple baseline design analysis. Behavior Therapy, 26(3), 517–531. https://doi-org.proxy.library.uu.nl/10.1016/S0005-7894(05)80098-X

Rapee, R.M., Schniering, C.A., & Hudson, J.L. (2009). Anxiety disorders during childhood and adolescence: origins and treatment.Annual Review of Clinical Psychology, 5, 311-341.

Reynolds S., Wilson C., Austin J., Hooper L. (2012). Effects of psychotherapy for anxiety in children and adolescents: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review, 32, 251-262.

Rooksby, M., Elouafkaoui, P., Humphris, G., Clarkson, J., & Freeman, R. (2015). Internet-assisted delivery of cognitive behavioural therapy (CBT) for childhood anxiety: Systematic review and meta-analysis. Journal of Anxiety Disorders, 29, 83-92. https://doi.org/10.1016/j.janxdis.2014.11.006

Sauter, F.M., Heyne, D., & Westenberg, P.M. (2009). Cognitive behaviour therapy for anxious adolescents: developmental influences on treatment design and delivery.Clinical Child and Family Psychology Review, 12, 310-335.

Scholing, A. (2002). Gedragstherapeutische en cognitieve interventies bij kinderen met angststoornissen.Kind en Adolescent, 23, 313-336.

Silverman, W.K., Pina, A.A., & Viswesvaran, C. (2008). Evidence-based psychosocial treatments for phobic and anxiety disorders in children and adolescents.Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 37, 105–130.

Spence, S.H., Donovan, C., & Brechman-Toussaint, M. (2000). The treatment of childhood social phobia: The effectiveness of a social skills training-based, cognitive-behavioural intervention, with and without parental involvement.Journal of Child Psychology and Psychiatry, 41, 713-726.

Spielmans, G.I., Pasek, L.F. & McFall, J.P. (2007). What are the active ingredients in cognitive and behavioral psychotherapy for anxious and depressed children? A meta-analytic review.Clinical Psychology Review, 27, 642-654.

Sun, M., Rith-Najarian, L. R., Williamson, T. J., & Chorpita, B. F. (2019). Treatment Features Associated with Youth Cognitive Behavioral Therapy Follow-Up Effects for Internalizing Disorders: A Meta-Analysis. Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 48 (1), 269-283. https://doi.org/10.1080/15374416.2018.1443459

Thulin, U., Svirsky, L., Serlachius, E., Andersson, G., & Öst, L. (2014). The Effect of Parent Involvement in the Treatment of Anxiety Disorders in Children: A Meta-Analysis. Cognitive Behaviour Therapy, 43 (3), 185-200. https://doi.org/10.1080/16506073.2014.923928

Toorn, S.L.M. van der, & Ferdinand, R.F. (2004). Angststoornissen bij kinderen: welke psychosociale behandeling is bewezen effectief?Tijdschrift voor psychiatrie, 46, 167-177.

Utens, E. (2017). Ik ben niet bang meer! Cognitieve gedragstherapie bij kinderen en adolescenten [Oratie]. Geraadpleegd van http://cf.bc.uva.nl/download/oraties/Oraties_2017/Utens_Lisbeth.pdf

Verhulst, F.C. (2006).Leerboek kinder- en jeugdpsychiatrie. Assen: Van Gorcum.

Van Steensel, F. J. A., & Bögels, S. M. (2015). Cbt for anxiety disorders in children with and without autism spectrum disorders. Journal of consulting and clinical psychology, 83(3), 512-523. https://doi.org/10.1037/a0039108

Vigerland, S., Lenhard, F., Bonnert, M., Lalouni, M., Hedman, E., Ahlen, J., Olén, O., Serlachius, E., & Ljótsson, B. (2016). Internet-delivered cognitive behavior therapy for children and adolescents: A systematic review and meta-analysis. Clinical Psychology Review, 50, 1-10. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2016.09.005

Warwick, H., Reardon, T., Cooper, P., Murayama, K., Reynolds, S., Wilson, C., & Creswell, C. (2017). Complete recovery from anxiety disorders following Cognitive Behavior Therapy in children and adolescents: A meta-analysis. Clinical Psychology Review, 52, 77-91.

Weisz, J. R., Kuppens, S., Ng, M. Y., Eckshtain, D., Ugueto, A. M., Vaughn-Coaxum, R., Jensen-Doss, A., Hawley, K. M., Krumholz Marchette, L. S., Chu, B. C., Weersing, V. R., & Fordwood, S. R. (2017). What five decades of research tells us about the effects of youth psychological therapy: A multilevel meta-analysis and implications for science and practice. American Psychologist, 72 (2), 79–117. https://doi.org/10.1037/a0040360

Wippo, E. & Güldner, M., (2003). Praten op school, een kwestie van doen. Kinderen met selectief mutisme. Een handleiding voor de behandelaar.Kind en Adolescent Praktijk, 2, 16-23. 

Meer lezen

Boer, F. (2011). Angst bij kinderen. Tielt: Uitgeverij Lannoo.

Creswell, C., & Cartwright-Hatton, S. (2007). Family treatment of child anxiety: outcomes, limitations and future directions.Clinical Child and Family Psychology Reviews, 10, 232-252.

James, A., Soler, A., & Weatherall, R. (2005). Cognitive behavioural therapy for anxiety disorders in children and adolescents.The Cochrane Database of Systematic Reviews, 4, CD004690.

Kearney, C.A. (2002). Identifying the function of school refusal behavior: a revision of the School Refusal Assessment Scale.Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment, 24, 235-245.

Murray, L., Creswell, C., & Cooper, P.J. (2009). The development of anxiety disorders in childhood: an integrative review.Psychology Review, 38, 1413-1423.

Nauta, M.H., Scholing, A., Emmelkamp, P. M.G., & Minderaa, R.B. (2003). Cognitive-behavioral therapy for children with anxiety disorders in a clinical setting: No additional effect of a parent training.Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry,42, 1270-1278.

Ollendick, T.H., & March, J.S. (eds.) (2004). Phobic and Anxiety Disorders in children and adolescents; a clinician’s guide to effective psychosocial and pharmacological interventions.New York: Oxford University Press.

Scheeringa, M.S., Peebles, C.D., Cook, C.A., & Zeanah, C.H. (2001). Toward establishing procedural, criterion, and discriminant validity for PTSD in early childhood.Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40,52-60.

Silverman, W.K., & Treffers, Ph.D.A. (eds.) (2001). Anxiety disorders in children and adolescents. Research, assessment and intervention. Cambridge: Cambridge University Press.

Terug naar boven

Medicatie bij angst

Beknopte omschrijving van de problematiek

De validiteit van de angststoornissen als op zich staande stoornissen is (sinds de introductie van de DSM-III in 1980) een onderwerp van discussie. Een belangrijk element hierbij is het gegeven dat de meeste kinderen en jeugdigen met een angststoornis nog één of meer angststoornissen hebben. Vaak hebben kinderen met een angststoornis last van somatische klachten zoals hoofdpijn en buikpijn (JAACAP, 2007). Voor meer informatie, zie de inleiding over angst. Bij een angststoornis door alcohol of drugs neemt de angst meestal af wanneer de verslaving wordt behandeld. In het thema Jeugd-ggz voor jongeren met problematisch middelengebruik en/of verslaving is informatie terug te vinden over de behandeling van verslaving.

Plaatsbepaling psychofarmaca

Sommige jongeren reageren niet op cognitieve gedragstherapie. Medicatie wordt soms beschouwd als een aanvullende behandeling. Melvin en Gordon (2019) beoordeelden de combinatie van CGT en antidepressiva op basis van zes gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken, twee open onderzoeken, zes casestudy's en één observationele studie. Ze concludeerden dat er wetenschappelijke ondersteuning is voor gecombineerde CGT en imipramine, maar adviseerden om het gebruik van dit medicijn niet als vanzelfsprekend te zien, vanwege het risico op vervelende bijwerkingen. Er was geen bewijs voor de toegevoegde waarde van het combineren van fluoxetine met CGT bij de behandeling van schoolweigering. Bij gebrek aan dergelijk bewijs geven de auteurs aanbevelingen voor clinici die overwegen om antidepressiva voor te schrijven of te verwijzen naar aanvullende antidepressiva voor schoolweigering. Het voorschrijven van SSRI’s bij angststoornissen aan kinderen en jeugdigen is vooralsnog 'off label’. Onderzoek toont de effectiviteit van SSRI’s aan. Uit één studie kwamen aanwijzingen naar voren dat combinatietherapie van CGT en medicatie betere resultaten geeft dan monotherapie met CGT of medicatie. In de RCT (randomized controlled trial) van Walkup en collega’s (2008) is de effectiviteit en veiligheid onderzocht van vier verschillende behandelingsvormen voor kinderen en adolescenten met angststoornissen (leeftijd: 7-17 jaar). In totaal werden 488 kinderen en adolescenten met de primaire diagnose separatie-, gegeneraliseerde angststoornis of sociale fobie (DSM-IV-TR) toegewezen aan een van de vier behandelingsgroepen; namelijk Cognitieve Gedragstherapie (CGT), sertraline, een combinatiebehandling van CGT en sertraline en placebo. De behandelingsrespons werd vastgesteld door middel van de Clinical Global Impression-Improvement scale (CGI-I). Na de behandeling (post-treatment assessment) bleek de behandelingsrespons in de combinatie groep 80,7%, in de CGT-groep 59,7%, in de sertraline groep 54,9% en in de placebogroep 23,7%. De respons was in alle actieve behandelingsgroepen significant hoger dan placebo (p<0.001). De combinatietherapie was superieur ten opzichte van de monotherapieën (p<0.001). De RCT van Beidel en collega’s (2007) onderzochten de effectiviteit van fluoxetine, placebo en Social Effectiveness Therapy for Children (SET-C) bij kinderen en jongeren met een sociale fobie. Het onderzoek includeerde 139 kinderen en adolescenten in de leeftijd 7 tot 17 jaar met de primaire diagnose sociale fobie. Ook kinderen met secundaire comorbiditeit werden geïncludeerd met uitzondering van bipolaire stoornis, psychose, conduct disorder, autisme spectrum stoornissen en mentale retardatie, evenals jongeren met matige tot ernstige depressie. Beidel en collega’s (2007) toonden aan dat zowel medicatie als SET-C effectief is voor de behandeling van sociale fobieën bij kinderen en jongeren. Een behandeling met SET-C leidde in vergelijking tot een behandeling met fluoxetine tot minder sociale stress en ontwijkgedrag en tot een beter algemeen functioneren. Het is onbekend welke kinderen en jongeren met een sociale fobie beter behandeld kunnen worden met medicatie dan met cognitieve gedragstherapie. Beidel en collega’s (2007) bevelen onderzoek aan op dit gebied. Het voorschrijven van SSRI’s bij angststoornissen aan kinderen en jeugdigen is vooralsnog ‘off label’. De verwachting is dat eind 2011 van de NVvP een protocol over off label voorschrijven van SSRI’s bij kinderen en jeugdigen zal verschijnen. Het artikel van Verbeek, Helfrich & Kalverdijk (2010) met de spelregels bij off-label gebruik van geneesmiddelen in de kinder- en jeugdpsychiatrie is vooralsnog een goede leidraad.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]
Terug naar boven

Cognitieve gedragstherapie (CGT) is bij angststoornissen de behandeling van eerste keus. Wanneer CGT geen of onvoldoende effect heeft, kan tijdelijk farmacologische behandeling met een serotonineheropname remmer (SSRI) overwogen worden bij voortzetting van psychosociale behandeling. Het wordt aanbevolen om te starten met een lage dosering en de bijwerkingen te monitoren. (JAACAP, 2007). Benzodiazepine-agonisten dienen bij voorkeur niet gebruikt te worden.

Het voorschrijven van SSRI’s bij angststoornissen aan kinderen en jeugdigen is vooralsnog ‘off label’. De verwachting is dat eind 2011 van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) een protocol over off label voorschrijven van SSRI’s bij kinderen en jeugdigen zal verschijnen. Alleen wanneer het off label middel niet is opgenomen in de richtlijn van de beroepsgroep wordt geadviseerd een verklaring te laten tekenen.

 

Flowchart farmacotherapie*

Picture 1
*Noot: Afgeleid uit Kinder- en Jeugdpsychiatrie (2007) F. Verheij, F.C. Verhulst, R.F. Ferdinand, Van Gorcum, Assen

Terug naar boven

Effectiviteit

De effectiviteit van SSRI’s worden in verschillende onderzoeken aangetoond. Er is echter nog te weinig wetenschappelijk informatie beschikbaar over de effectiviteit tussen de verschillende middelen om een keuze te maken tussen de SSRI’s. De keuze wordt vaak gebaseerd op bijwerkingenprofiel, duur werkzaamheid en positieve respons op een bepaalde SSRI bij een eerstelijns familielid (JAACAP, 2007). Hieronder wordt een overzicht gegeven van belangrijke onderzoeken naar SSRI’s in de behandeling van angststoornissen.

Rynn (2001) onderzocht de werkzaamheid van sertraline bij kinderen en adolescenten met een gegeneraliseerde angststoornis in een kleinschalig onderzoek. In dit placebogecontroleerde onderzoek bleek dat sertraline effectief en veilig was.

De Research Unit on Pediatric Psychopharmacology (RUPP) Anxiety Study Group deed in 2001 een placebo-gecontroleerde onderzoek naar de werkzaamheid van fluvoxamine bij kinderen en adolescenten met een sociale fobie, een separatieangststoornis en/of gegeneraliseerde angststoornis. In dit onderzoek bleek dat fluvoxamine effectief was bij deze angststoornissen. Echter, 8% van de kinderen (fluvoxamine groep) stopte met de studie als gevolg van de bijwerkingen (sedatie, somatische klachten of hyperactiviteit).

Birmaher (2003) voerde een onderzoek uit naar de werkzaamheid van fluoxetine bij kinderen en adolescenten met een sociale fobie, een separatieangststoornis en/of gegeneraliseerde angststoornis waaruit bleek dat fluoxetine effectief was. De RCT van Beidel en collega’s (2007) rapporteerde ook dat de behandeling met fluoxetine effectief was bij kinderen met sociale fobie ten opzichte van placebo (RR 5.16, 95%CI: 1.23, 21.59).

Wagner en collega’s (2004) onderzocht de werkzaamheid van paroxetine bij sociale fobie bij kinderen en adolescenten. Uit dit placebo-gecontroleerd onderzoek bleek dat paroxetine effectief was.

Twee open extensie-onderzoeken (met fluvoxamine en fluoxetine) suggereren dat het zinvol kan zijn een SSRI ook na de acute fase nog een tijd lang voor te schrijven (RUPP Anxiety Study Group, 2002; Clark, 2005).

De review van Ipser (2009) richtte zich op de medicamenteuze behandeling van kinderen met angststoornissen en is afkomstig van de Cochrane Database of Systematic Reviews. Medicatie door middel van SSRI’s had geen waarneembaar effect op de mate van comorbide depressie bij kinderen met angststoornissen (Ipser, 2009).

De RCT van Rynn (2007) concludeerde dat extended-release venlafaxine een effectieve behandeling is voor kinderen met gegeneraliseerde angststoornis (RR 1.44, 95%, CI: 1.19 – 1.75) (Rynn, 2007; Ipser, 2009). Echter, in deze RCT is het niet duidelijk hoe de randomisatieprocedure en blindering (inclusie, patiënten, behandelaars, beoordelaars) zijn uitgevoerd.

Er is nog geen placebo-gecontroleerd onderzoek verricht bij kinderen en adolescenten met een paniekstoornis. Dit zal onder andere verband houden met de lage prevalentie van deze stoornis bij deze leeftijdsgroep. In de klinische praktijk worden hierbij, als CGT ontoereikend is, ook wel SSRI’s voorgeschreven. Evenmin is placebo-gecontroleerd onderzoek verricht bij kinderen en adolescenten met een enkelvoudige fobie. 

Belangrijke informatie

Veiligheid: Vanaf 2003 is zorg ontstaan over het verhoogd risico op een aantal psychiatrische bijwerkingen zoals suïcidaliteit, automutilatie en vijandigheid. Het is aannemelijk dat deze discussie ook voor kinderen met andere internaliserende stoornissen dan depressie gevoerd moet worden. Wel is belangrijk om te vermelden dat de waarschuwing betreffende SSRI’s is gebaseerd op onderzoeken uitgevoerd bij kinderen met als primaire diagnose depressie en dus niet bij angststoornissen (JAACAP, 2007). De fabrikant raadt af paroxetine en venlafaxine voor te schrijven bij kinderen.

Bijwerkingen: Het kan moeilijk zijn om de bijwerkingen te onderscheiden van de symptomen van de behandelde stoornis, bijvoorbeeld in geval van nervositeit bij een angstige adolescent. Voor het verminderen van onttrekkingsverschijnselen, wordt aangeraden de medicatie “uit te sluipen” bij het staken van een SSRI.

Toepasbaarheid: Systematisch onderzoek naar de werkzaamheid van SSRI’s bij kinderen en adolescenten met angststoornissen met comorbiditeit is nog niet verricht. Over de veiligheid en werkzaamheid van SSRI’s bij kinderen die jonger zijn dan zes jaar zijn geen gegevens beschikbaar.

Terug naar boven

Effectiviteit

Onder overige middelen vallen benzodiazepine-agonisten, buspiron en tricyclische antidepressiva (TCA’s). Naar de werkzaamheid van benzodiazepine-agonisten is geen dubbelblind gerandomiseerde onderzoek verricht. De werkzaamheid van buspiron is uitsluitend in open onderzoeken onderzocht. Ook voor TCA’s is niet voldoende bewijs over de werkzaamheid bij angststoornissen. Mede op grond van het ongunstige bijwerkingenprofiel dienen TCA’s niet voorgeschreven te worden bij kinderen en jeugdigen met angststoornissen. 

Onderzoek TCA's bij angststoornissen

Bernstein (2000) onderzocht 63 schoolweigeraars in de adolescentie bij wie sprake was van een angststoornis en depressie. Bij deze groep werd de werkzaamheid van een combinatie van CGT met imipramine vergeleken met CGT met placebo. Bij de groep die CGT/imipramine aangeboden kreeg, nam de aanwezigheid op school significant toe, bij de CGT met placebogroep niet. Bij follow-up van een deel van de onderzoeksgroep een jaar later, bleken de groepen niet te verschillen ten aanzien van het voorkomen van angststoornissen en depressieve stoornissen (Bernstein, 2001). Er worden geen gegevens vermeld over schoolbezoek ten tijde van de follow-up. Dit onderzoek biedt om meerdere redenen onvoldoende evidentie van de werkzaamheid van TCA’s in geval van angststoornissen. Een reden is dat het gaat om een groep adolescenten met een comorbide angststoornis en stemmingsstoornis. Een andere reden is dat in feite de werkzaamheid van een TCA met CGT wordt onderzocht.

Terug naar boven

Beschikbare evidence tabellen van deze artikelen.

Beidel, D.C., Turner, S.M., Sallee, F.R., Ammerman, R.T., Crosby, L.A., & Pathak, S. (2007). SET-C versus fluoxetine in the treatment of childhood social phobia. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 46,1622-1632.

Bernstein, G.A., Borchardt, C.M., Perwien, A.R., Crosby, R.D., Kushner, M.G., Thuras, P.D., e.a. (2000). Imipramine plus cognitive-behavioral therapy in the treatment of school refusal. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 39, 276-383.

Bernstein, G.A., Hektner, J.L., Borchardt, C.M., & McMillan, M.H. (2001). Treatment of school refusal: one-year follow up. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 206-213.

Birmaher, B., Axelson, D.A., Monk, K., Kalas, C., Clark, D.B., Ehmann, M., e.a. (2003). Fluoxetine for the treatment of childhood anxiety disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42,415-23.

Clark, D. B., Birmaher, B., Axelson, D., Monk, K., Kalas, C., Ehmann, M., Bridge, J., … Brent, D. (2005). Fluoxetine for the Treatment of Childhood Anxiety Disorders: Open-Label, Long-Term Extension to a Controlled Trial. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 44 (12), 1263-1270.

Ipser, J.C., Stein, D.J., Hawkridge, S., & Hoppe, L. (2009). Pharmacotherapy for anxiety disorders in children and adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews, 3, CD005170.

Research Unit on Pediatric Psychopharmacology Anxiety Study Group. (2001). Fluvoxamine for the treatment of anxiety disorders in children and adolescents. New England Journal of Medicine, 344,1279-1285.

Research Unit on Pediatric Psychopharmacology Anxiety Study Group. (2002). Treatment of pediatric anxiety disorders: an open-label extension of the Research Units on Pediatric Psychopharmacology anxiety study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 12, 175-188.

Rynn, M.A., Riddle, M.A., Yeung, P.P., & Kunz, N.R. (2007). Efficacy and safety of extended-release venlafaxine in the treatment of generalized anxiety disorder in children and adolescents: two placebo-controlled trials. American Journal of Psychiatry, 164, 290-300.

Rynn, M.A., Siqueland, L., & Rickles, K. (2001). Placebo-controlled trial of sertraline in the treatment of children with generalized anxiety disorder. American Journal of Psychiatry, 158, 2008-2014.

Verbeek, E.J., Helfrich, E., & Kalverdijk, L.J. (2010). Off-label gebruik van geneesmiddelen in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Psyfar, 4,12 -19.

Wagner, K.D., Berard, R., Stein, M.D., Wetherhold, E., Carpenter, D.J., Perera, P., e.a. (2004). A multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled trial of paroxetine in children and adolescents with social anxiety disorder. Archives of General Psychiatry, 61,1153-1162.

Walkup, J.T., Albano, A.M., Piacentini, J., Birmaher, B., Compton, S.N., Sherrill J.T., e.a. (2008). Cognitive behavioral therapy, sertraline, or a combination in childhood anxiety. New England Journal of Medicine, 359, 2753-2766.

Terug naar boven

Expertgroep angst

De expertgroep in 2020 bestaat uit:

  • Gwen Dieleman, kinder- en jeugdpsychiater, Erasmus MC
  • Daniëlle van der Giessen, Universitair Docent Pedagogische Wetenschappen, Universiteit van Amsterdam.
  • Else de Haan, emeritus hoogleraar Cognitieve Gedragstherapie, AMC
  • David Heyne, associate professor Ontwikkeling en Onderwijspsychologie, Rijksuniversiteit Leiden
  • Frank Jonkman, GGZ Oost-Brabant
  • Jeroen Legerstee, postdoctoral researcher, child psychologist, Erasmus MC
  • Lisbeth Utens, bijzonder hoogleraar Cognitieve Gedragstherapie AMC
  • Ervaringsdeskundige, Ervaringsraad Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie

De expertgroep in 2011 bestond uit:

  • Max Güldner, klinisch psycholoog en psychotherapeut, De Bascule
  • Else de Haan, bijzonder hoogleraar Cognitieve Gedragstherapie, AMC; Psycholoog en psychotherapeut, De Bascule
  • David Heyne, associate professor Ontwikkeling en Onderwijspsychologie, Rijksuniversiteit Leiden
  • Josine van Hamersveld, directeur Angst, Dwang, Fobie Stichting
  • Erwin Kluwer, gezondheidspsycholoog, De Jutters
  • Ingeborg Lindhout, kinder- en jeugdpsychiater, chef de clinique van jeugdafdeling voor opname en observatie, Triversum
  • Maaike Nauta, gedragstherapeut, gz-psycholoog, Accare
  • Nicole van Remortele, klinisch psycholoog, GGZ Breburg

Naast de bovengenoemde experts en ervaringsdeskundige, gaat onze dank uit naar allen die hebben bijgedragen door het maken van waardevolle opmerkingen, het geven van interviews:

  • Susan Bögels, hoogleraar orthopedagogiek, Universiteit van Amsterdam

De expertgroep in 2006 bestond uit:

  • Frits Boer, kinder- en jeugdpsychiater, emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, AMC
  • Sophie Borst, klinisch psycholoog, Curium-LUMC
  • Catrien Reichart, kinder- en jeugdpsychiater, Curium-LUMC
  • Marike Serra, senior adviseur, Accare; University Centre for Child and Adolescent Psychiatry
  • Bart Siebelink, kinder- en jeugdpsycholoog, Curium-LUMC
  • Flip Treffers, emeritus-hoogleraar kinder- en jeugdpscyhiatrie, LUMC; voormalig medisch directeur Curium-LUMC
Terug naar boven

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten