Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Angst bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van angst bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving angst

Een angststoornis wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een pathologische (ziekelijke) angst. Als angst geen reële grond heeft en iemand sociale problemen ondervindt, is er sprake van een stoornis.

In de DSM-5 worden de volgende specifieke angststoornissen beschreven:

  • separatieangststoornis;
  • gegeneraliseerde angststoornis;
  • sociale angststoornis;
  • paniekstoornis;
  • agorafobie;
  • specifieke fobie;
  • angststoornis door een middel/medicatie;
  • angsstoornis door een somatische aandoening;
  • andere gespecificeerde angststoornis;
  • ongespecificeerde angststoornis;
  • selectief mutisme

De validiteit van deze angststoornissen als op zich staande stoornissen is, sinds de introductie van de DSM-III in 1980, onderwerp van discussie. Een belangrijk element hierbij is het gegeven dat de meeste kinderen en jeugdigen met een angststoornis daarnaast nog één of meer angststoornissen hebben.

Deze richtlijn beschrijft de meest voorkomende angststoornissen bij kinderen en jongeren: de separatieangststoornis, gegeneraliseerde angststoornis, sociale angststoornis, paniekstoornis/agorafobie, en de enkelvoudige fobie. Achtereenvolgend komt het klinisch beeld, de etiologie, prevalentie, co-morbiditeit, beloop, prognose aan de orde. Aan schoolweigering, een veel voorkomend symptoom bij angststoornissen, wordt tot slot afzonderlijk aandacht besteed.

De posttraumatische stressstoornis en acute stressstoornis worden elders op de site beschreven onder het thema trauma en kindermishandeling. De obsessief-compulsieve stoornis wordt beschreven bij het thema dwangstoornis / OCS. In het thema middelenmisbruik & comorbiditeit is informatie terug te vinden over de behandeling van verslaving. Bij een angststoornis door alcohol of drugs neemt de angst meestal af wanneer de verslaving wordt behandeld.

Terug naar boven

Separatieangststoornis

Bij de separatieangststoornis staat heftige angst bij een verwachte of actuele scheiding van de primaire verzorger(s) op de voorgrond. Deze angst kan betrekking hebben op wat het kind zelf, of de ouder(s) kan overkomen. Vaak uit de angst zich in lichamelijke klachten en symptomen. Veel kinderen met een separatieangststoornis weigeren te gaan slapen, als niet één van de ouders in de directe nabijheid is. Schoolweigering is een veel voorkomend symptoom van een separatieangststoornis. Bij adolescenten heeft de scheidingsangst vaak betrekking op langduriger separaties (bijvoorbeeld een schoolkamp). Bij hen is vaak sprake van langdurige lichamelijke klachten.

Gegeneraliseerde angststoornis

Bij de gegeneraliseerde angststoornis staan buitensporige angst en bezorgdheid over tal van ogenschijnlijk vaak nietige thema's (bijvoorbeeld in relatie met school) centraal. Kinderen en adolescenten met deze stoornis piekeren eindeloos, wat ook leidt tot concentratieproblemen en interfereert met een gezonde nachtrust. Ze willen telkens maar weer gerustgesteld worden.

Sociale angststoornis

De sociale angststoornis is gekenmerkt door angst voor bij de ontwikkeling behorende contacten met volwassenen en leeftijdgenoten. Deze angst treedt vaak het meest prominent op de voorgrond in situaties waarin een kind "beoordeeld" wordt, bijvoorbeeld bij het houden van een spreekbeurt, het verkleden voor de gymnastiekles of een muziekuitvoering. De angst neemt onder die omstandigheden niet zelden de proporties aan van een paniekaanval. De uit de sociale angst voortvloeiende vermijding heeft uiteraard vergaande gevolgen voor de ontwikkeling. De sociale angststoornis leidt nogal eens tot schoolweigering.

Paniekstoornis

De paniekstoornis is gekenmerkt door het onverwacht optreden van heftige angst in combinatie met de lichamelijke symptomen daarvan (bijvoorbeeld hartkloppen, beven). De angst kan betrekking hebben op de lichamelijke symptomen (bijvoorbeeld angst voor een "hartaanval"), maar kan ook de vorm aannemen van angst om gek te worden of angst voor een andere catastrofe. Veel adolescenten hebben wel eens een paniekaanval. Bij de paniekstoornis is doorgaans sprake van aanzienlijke angst voor het opnieuw optreden van een paniekaanval. De paniekstoornis kan al dan niet gecombineerd optreden met agorafobie, dat is angst in een situatie te zijn waaruit men slechts met moeite kan ontsnappen, bijvoorbeeld in een tunnel, of in een bus of trein.

Specifieke fobie

De specifieke fobie verwijst naar een overdreven of onredelijke angst voor een bepaald object (bijvoorbeeld een spin) of situatie (bijvoorbeeld hoogte). Confrontatie met een dergelijk object of een dergelijke situatie leidt tot intense angst, die vaak de proportie aanneemt van een paniekaanval. Om van een fobie te mogen spreken moet de angst interfereren met het dagelijks functioneren. Dit kan aan de orde zijn wanneer de angst leidt tot vergaande vermijding of wanneer het kind of de adolescent sterk gepreoccupeerd is met de angst.

Selectief mutisme

Definitie selectief mutisme

Er is sprake van selectief mutisme wanneer een kind consequent niet kan praten in specifieke sociale situaties waarin dit wel verwacht wordt, bijvoorbeeld op school, terwijl het kind in andere situaties, bijvoorbeeld thuis, wel praat.
Selectief mutisme openbaart zich meestal tussen het derde en vijfde levensjaar en wordt vaak voor het eerst opgemerkt aan het begin van de basisschool omdat dan de verbale communicatie met kinderen en volwassenen buiten het gezin steeds vaker voorkomt. Het zwijgen van het kind is niet het gevolg van een gebrek aan kennis van of vertrouwdheid met de gesproken taal en is niet toe te schrijven aan een communicatiestoornis.

Behandeling selectief mutisme

Selectief mutisme (waarbij het kinderen in specifieke situaties zoals op school steeds niet lukt om te spreken, hardop te lezen of te zingen, terwijl ze dit in andere situaties zoals thuis wel kunnen) betreft vooral jonge kinderen en vraagt vanwege de aard van de stoornis ‘het niet spreken’ een specifieke aanpak. In gevalsstudies over selectief mutisme worden voor deze kinderen geïndividualiseerde, multimodale behandelprogramma’s aanbevolen. Enkele belangrijke aanpassingen die genoemd worden zijn het betrekken van ouders en leerkrachten bij de behandeling (zij kunnen de communicatie van het kind thuis en op school in de gaten houden) en het geven van positieve bekrachtiging wanneer het kind probeert te spreken, lezen of zingen (Connolly, 2008).

In Nederland is een behandelprotocol voor selectief mutisme in ontwikkeling. De behandeling vindt, in samenwerking met de leerkracht, op school plaats. Centrale ingrediënten van het protocol zijn shaping, fading en modeling. Shaping is het in kleine stapjes aanleren van nieuwe gedrag. Fading is het geleidelijk veranderen van omgeving waarin het gewenste gedrag plaatsvindt en modeling verwijst naar het voordoen van gewenst gedrag. Uit een eerste evaluatie onderzoek blijkt het protocol een bruikbare leidraad voor de behandeling van kinderen met selectief mutisme (Wippo en Güldner).

Schoolweigering

Voor aan angst gerelateerde schoolweigering is cognitieve gedragstherapie de meest onderzochte behandeling met goede resultaten (Heyne & Sauter, in press). Varianten in behandeling kunnen betrekking hebben op de selectie en dosering van de componenten van CGT en uitbreiding van CGT met extra modulen. Meest gangbaar is de opvatting dat aanvullende modulen wenselijk zijn omdat naast oorzaken als één of meer angststoornissen er ook andere factoren een rol spelen die het probleem in stand houden, zoals andere psychopathologie (depressie, autismespectrumstoornis, ernstige dwang), extra gedrags- en gezinsproblemen (Scharree, 2007). Ouders kunnen in verschillende rollen bij de behandeling betrokken worden: als consultant, als co-therapeut en /of als co-cliënt als zij zelf angstproblemen hebben (Sauter et al., 2009). Daarnaast is de leeftijd van het kind van belang voor de rol van ouders in de behandeling van het kind: steunend of meer sturend (Heyne & Sauter, in press). Onderzoek naar CGT bij adolescenten met aan angst en depressie gerelateerd schoolverzuim suggereert dat het belangrijk kan zijn ouders bij de behandeling te betrekken (Heyne et al., 2011; Walter et al, 2010). Heyne et al (2011) ontwikkelde een modulair samengesteld CGT protocol voor zowel adolescenten als hun ouders met daarnaast modules voor de school, en deed onderzoek naar de effecten ervan. Bij de nameting en de follow-up na twee maanden bleek een significante en blijvende verbetering op de schoolgang, aan school gerelateerde angst en van de angststoornis met middelmatige tot grote effect sizes.

Het protcol is beschreven in een hoofdstuk in The Wiley-Blackwell Handbook of The Treatment of Childhood and Adolescent Anxiety (2013 John Wiley & Sons, Ltd.). Voor meer informatie over het protocol, kan contact worden opgenomen met david Heyne (heyne@fsw.leidenuniv.nl).

Terug naar boven

Of kinderen en adolescenten een angststoornis ontwikkelen, hangt af van een samenspel van beschermende factoren en risicofactoren. Deze factoren kunnen te maken hebben met kenmerken van de kinderen zelf en van de omgeving waarin zij opgroeien.

Erfelijke aanleg

Erfelijke aanleg kan bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis. Het deel waarvoor een angststoornis erfelijk is wordt geschat op 40% (Boer, 2011). Of er werkelijk een angststoornis zal ontstaan hangt ook samen met omgevingsfactoren. Het onderzoek naar de relatie tussen gen en omgeving is ingewikkeld omdat genetische en omgevingsfactoren elkaar wederzijds beïnvloeden (Boer, 2002).
In diverse onderzoeken is een verband gevonden tussen de aanwezigheid van een angststoornis bij een van de ouders en een verhoogd risico op een angststoornis bij hun kinderen (Biederman, Faraone en Hirshfeld-Becker, 2001; Merikangas, Avenevoli, Dierker & Grillon, 1999). Er hoeft niet altijd sprake te zijn van erfelijke aanleg, verschillende studies tonen aan dat psychische problemen van de ouders ook van invloed kunnen zijn op het opvoedingsgedrag (Muris, 2006).

Temperament

Als een kind op jonge leeftijd opvallend veel geremd gedrag vertoont, dan verhoogt dat het risico op een angststoornis halverwege de kinderjaren en het risico op een sociale fobie tijdens de adolescentie. Er is bewijs dat gedragsinhibitie geldt als een kwetsbaarheidsfactor voor de ontwikkeling van angststoornissen (Murris, 2006). Aanhoudende, ernstige verlegenheid kan een signaal zijn dat het risico bestaat voor angstproblemen in de adolescentie maar veel zeer verlegen kinderen ontwikkelen geen angststoornissen (Prior, 2000).
Andere eigenschappen zoals angstgevoeligheid of walgingsgevoeligheid vormen eveneens een risicofactor voor de ontwikkeling van bepaalde angststoornissen (Muris, 2006).

Cognitieve informatieverwerking

Er zijn aanwijzingen gevonden dat net als bij volwassenen bij jeugdigen met angststoornissen sprake is van verstoorde cognitieve processen. Muris & Field (2008) beschrijven in een review drie vertekeningen in cognitieve processen die ertoe bij dat kinderen geen correctieve ervaringen opdoen en dat de angst in stand blijft. Uit onderzoek blijkt duidelijk dat angstige jeugdigen geneigd zijn om ambigue situaties als bedreigend te interpreteren. Daarnaast is enig bewijs gevonden dat erop wijst dat angstige kinderen en adolescenten een verhoogde aandacht hebben voor informatie over gevaar. Ook zijn er een aantal studies die laten zien dat kinderen selectief gebeurtenissen onthouden die gerelateerd zijn aan een angstig gevoel (Muris, 2008).

Omgevingsfactoren

Bij angststoornissen spelen omgevingsinvloeden een grotere rol dan bij veel andere psychiatrische stoornissen (Verhulst, 2003).

Onveilige gehechtheid

Een onveilige gehechtheidrelatie met de ouders, en met name een angstig-vermijdend of angstig-afwerende gehechtheid, kan het risico op angststoornissen bij kinderen vergroten (Manassis, Bradley, Goldberg, Hood & Swinson, 1994; Warren, Huston, Egeland & Sroufe, 1997).
In een veilige gehechtheidsrelatie is de ouder ontvankelijk en gevoelig voor de behoeften van het kind. Dit geeft het kind vertrouwen en een gevoel van veiligheid. Kinderen die onveilig gehecht zijn ervaren niet die ontvankelijkheid en gevoeligheid van hun ouder. Dit kan angstgevoelens oproepen en uiteindelijk bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis. Er is nog niet zoveel onderzoek verricht naar het verband tussen de hechtingsrelatie met de ouder en angst bij kinderen en jongeren. De studies die er gedaan zijn tonen aan dat de gehechtheidsrelatie met de moeder gerelateerd is aan internaliserende problemen bij de kinderen (Manassis, Bradley, Goldberg, & Hood, 1995; Cowan, Cohn, Cowan & Pearso, 1996). Ook van Brakel en collega's (2006) vonden dat kinderen die onveilig gehecht waren sterkere angstsymptomen hadden.

Opvoedingsgedrag en ouderlijke stijl

Het opvoedingsgedrag van de ouders lijkt ook van belang. Zo kunnen ouders zelf het voorbeeld geven voor angstig gedrag of ongewild angstig copinggedrag belonen en vermijdend gedrag in stand houden (Fisak & Grills-Taquechel, 2007; Dadds & Roth, 2001). Ook overmatig beschermende, overheersende of kritische opvoedstijlen kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis bij kinderen met een kwetsbaar temperament (Brakel et al., 2006). Uit onderzoek van Lindhout (2008) blijkt dat in gezinnen waarin een gezinslid lijdt aan een angststoornis, hetzij een ouder, hetzij een kind, de ouderlijke stijl gekenmerkt wordt door een grotere mate van controle en een kleinere mate van warmte in vergelijking met gezinnen zonder psychopathologie. De bevindingen uit onderzoek naar de invloed van opvoeding zijn vooralsnog niet eenduidig (Nauta, 2005).

Negatieve 'life events'

Negatieve 'life events', zoals de echtscheiding van de ouders of het sterven van een familielid, zijn van invloed op het ontstaan van angststoornissen. Het kan hierbij gaan om traumatische ervaringen maar ook lichtere negatieve ervaringen, bijvoorbeeld met de dokter of tandarts, zijn in verband gebracht met de ontwikkeling van angststoornissen (Muris, 2006; Verhulst, 2006).

Beschermende factoren

Of een stoornis al dan niet ontstaat, hangt mogelijk ook af van de aanwezigheid van beschermende factoren. De relatie tussen beschermende factoren en de ontwikkeling van angststoornissen is echter nog maar weinig onderzocht. Er zijn aanwijzingen dat zelfregulatie (effortfull control) en de mate waarin het kind heeft ervaren controle uit te kunnen oefenen over zijn omgeving van invloed is op de mate waarin jeugdigen symptomen van angst ontwikkelen (Muris, 2006).

Terug naar boven

Angststoornissen behoren tot de meest voorkomende psychische stoornissen bij kinderen en jongeren (Verhulst, 2001).

In Nederland zijn twee landelijke onderzoeken uitgevoerd naar het aantal jongeren met angststoornissen.
In 1997 is een nationale populatiestudie 'Prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten' uitgevoerd onder jongeren van 13 tot en met 17 jaar en hun ouders. Daaruit bleek dat ruim 10 procent van deze jongeren in de zes maanden voorafgaand aan de meting een angststoornis had (Verhulst, et al., 1997).
In 2010 verschenen de resultaten van het tweede NEMESIS onderzoek naar de psychische gezondheid van volwassenen. Bij de jongste groep die meedeed aan dit onderzoek, 18 tot en met 24 jaar, heeft 11,7 procent het afgelopen jaar te maken gehad met een angststoornis (Graaf, et al., 2010). Volgens beide studies zijn de meest voorkomende angststoornissen de sociale fobie en de specifieke fobie. Deze stoornissen komen meer voor bij meisjes dan bij jongens.
Uit bevolkingsonderzoeken in Zuid Holland komt ook informatie over de prevalentie van angststoornissen bij jongere kinderen naar voren. Door ouders werden in 2003 bij 2,5% van de kinderen in de leeftijd 2-3 jaar angstige/depressieve klachten gerapporteerd. In de leeftijdsgroep 6 – 16 jaar scoort 3,2% van de kinderen op de schaal angstig/depressief (Tick, et al., 2007).

Terug naar boven

Met betrekking tot de co-morbiditeit kan erop gewezen worden dat er bij kinderen en jeugdigen met angststoornissen ook vaak sprake is van een stemmingsstoornis. De stemmingsstoornis treedt meestal later op in de tijd dan de angststoornis(sen). Angststoornissen komen veel vaker co-morbide voor bij kinderen en jeugdigen met ADHD en conduct disorder dan enige jaren geleden werd gedacht. Ook bij jeugdigen met misbruik of afhankelijkheid van alcohol (en met een middel-gebonden stoornis) komen angststoornissen vaker voor dan op grond van gegevens over de prevalentie van angststoornissen verwacht mag worden.

Terug naar boven
Gegevens over het verloop van angststoornissen zijn niet eenduidig. De meeste onderzoeken naar het beloop van angststoornissen in klinische populaties gaan niet verder dan de kindertijd of de adolescentie, hebben een korte follow-up-periode, of hebben betrekking op een kleine groep uniform behandelde kinderen. Ook zijn er grote verschillen in de mate waarin een angststoornis continuïteit vertoont met dezelfde stoornis, overgaat in een andere angststoornis, of in een andere stoornis, bijvoorbeeld depressie. Bevolkingsonderzoeken waarin het beloop van angststoornissen bepaald werd in aselecte steekproeven, laten een aanzienlijke continuïteit zien met latere psychopathologie zowel homotypisch (een bepaalde stoornis voorspelt dezelfde stoornis) als heterotypisch (een bepaalde stoornis voorspelt een andere stoornis) (Verhulst 2001). In het onderzoek is niet meegenomen of kinderen al dan niet behandeld zijn. In een tweejarig onderzoek bij een steekproef uit de populatie van Nederlandse adolescenten is bewijs gevonden voor homotypische continuïteit bij symptomen van seperatie-, sociale- en gegeneraliseerde angst en bij meisjes bij symptomen van een paniekstoornis (Ferdinand, 2007).

Schoolweigering

Bij tamelijk veel kinderen en jeugdigen met een angststoornis is schoolweigering één van de symptomen die voorkomen. Schoolweigering is geen afzonderlijke diagnostische categorie. De complexiteit van het symptoom rechtvaardigt echter een korte afzonderlijke bespreking ervan. Van de angststoornissen zijn de separatieangststoornis, sociale fobie en specifieke fobie het meest verbonden met schoolweigering (Last & Strauss, 1990). Daarnaast is er vaak sprake van extra gedragsproblematiek, met name dwars gedrag, en van gezinsproblemen. Schoolweigering komt ook bij andere psychiatrische stoornissen voor (met name depressie; aanpassingsstoornis met angst en/of depressieve kenmerken; autisme spectrum stoornissen; psychotische stoornis). Schoolweigering moet afgegrensd worden van spijbelen (Heyne, 2006). Anders dan bij spijbelen zijn ouders van meet af aan op de hoogte van de schoolweigering. Bij spijbelaars is vaak sprake van antisociale gedragsproblemen. Bij schoolweigeraars is hiervan slechts in een kleine minderheid van de gevallen sprake; men spreekt dan van 'gemengde schoolweigering' (Egger et al., 2003). Sommige auteurs spreken niet van schoolweigering wanneer er sprake is van gelijktijdige antisociale gedragingen. Hoewel schoolweigering kan leiden tot schooluitval moet schoolweigering ook onderscheiden worden van schooluitval. Ook schoolonthouding, als ouders hun kind 'thuishouden' van school, valt niet onder schoolweigering (Vuijk, Heyne, & Van Efferen-Wiersma, 2010). Somatoforme stoornissen (lichamelijke klachten waarbij geen lichamelijke ziekte wordt gevonden) en lichamelijke ziekte, eveneens redenen waarom een kind niet naar school gaat, zijn ook geen vormen van schoolweigering. Schoolweigering komt bij ongeveer 1-2% van de schoolgaande kinderen en jeugdigen voor (met een piek op de leeftijd van 11-13 jaar, dat wil zeggen bij de overgang naar de middelbare school). In klinische populaties lijkt de prognose in zoverre niet zo gunstig dat in lange termijn follow-up onderzoek bij veel voormalige schoolweigeraars nog sprake is van angst- en of stemmingsstoornissen. In geval van schoolweigering is diagnostiek en behandeling op korte termijn gewenst (Treffers, 2005; Heyne, 2006)
Terug naar boven

Biederman, J., Faraone, S.V., & Hirshfeld-Becker, D. (2001). Patterns of Psychopathology and Dysfunction in High-Risk Children of Parents With Panic Disorder and Major Depression. American Journal of Psychiatry, 158, 49-57.

Brakel, A.M.L. van, Muris, P., Bogels, S.M., & Thomassen, C. (2006). A Multifactorial Model for the Etiology of Anxiety in Non-Clinical Adolescents: Main and Interactive Effects of Behavioral Inhibition, Attachment and Parental Rearing. Journal of Child and Family Studies, 15, 1573-2843.

Boer, F. (2011). Angst bij kinderen. Tielt: Uitgeverij Lannoo.

Boer, F. & Bögels, S.M. (2002). Angststoornissen bij kinderen: genetische en gezinsinvloeden. Kind en Adolescent, 23, 266-284.

Cowan, P.A., Cohn, D.A., Cowan, C.P., & Pearson, J.L. (1996). Parents' attachment histories and children's externalizing and internalizing behaviors: Exploring family systems models of linkage. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 64, 53-63.

Dadds, M.R., & Roth, J.H. (2001). Family processes in the development of anxiety problems. In: M.W. Vasey, & M.R. Dadds (Eds.), The Developmental Psychopathology of Anxiety. New York: Oxford University Press.

Egger, H.L., Costello, E.J., & Angold, A. (2003). School refusal and psychiatric disorders: A community study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 797-807.

Ferdinand, R.F., Dieleman, G., Ormel, J., & Verhulst, F.C. (2007). Homotypic Versus Heterotypic Continuity of Anxiety Symptoms in Young Adolescents: Evidence for Distinctions Between DSM-IV Subtypes. Journal of Abnormal Child Psychology, 35, 325–333.

Fisak jr., B., & Grills-Taquechel, A.E. (2007). Parental Modeling, Reinforcement, and Information Transfer: Risk Factors in the Development of Child Anxiety? Clinical Child and Family Psychology, 10, 213-231.

Graaf, R. de, Have, M. ten, & Dorsselaer, S. van (2010). De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking NEMESIS-2: opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos-instituut.

Haan, E. de (2003). Angst. In: G.A. Bakker, D.M.C.B. van Zeben-van der Aa, J. Dewispelaere, R. Vecht-van den Bergh, M. van der Meulen-van Dijk, & V.H. Soyez. (Ed.), Handboek Kinderen en Adolescenten. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Heyne, D. (2006). School Refusal. In: J.E. Fischer & W.T.O. Donohue (Eds.), Practitioner's Guide to evidence-based psychotherapy. New York: Springer.

Landelijk Preventie Platform Depressie en Angststoornissen, werkgroep Kinderen en Jongeren (2004). Preventie Programma Depressie en Angst bij kinderen en jongeren. Basisdocument.

Last, C.G., & Strauss, C.C. (1990). School refusal in anxiety-disordered children and adolescents. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 29, 31-35.

Lindhout, I.E. (2008). Childhood anxiety disorders – a family perspective. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam.

Manassis K., & Hood, J. (1998). Individual and familial predictors of impairment in childhood anxiety disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 37, 428–34.

Manassis, K., Bradley, S., Goldberg, S., Hood, J., & Swinson, R.P. (1995). Behavioural inhibition, attachment and anxiety in children of mothers with anxiety disorders. Canadian Journal of Psychiatry, 40, 87-92.

Manassis, K., Bradley, S., Goldberg, S., Hood, J., Swinson, R.P. (1994). Attachment in mothers with anxiety disorders and their children. Journal of the American Academy of child and Adolescent Psychiatry, 33, 1106-1113.

Merikangas, K.R., Avenevoli, S., Dierker, L., & Grillon, C. (1999). Vulnerability factors among children at risk for anxiety disorders. Biological Psychiatry, 46, 1523-1535.

Muris, P. (2006). The pathogenesis of childhood anxiety disorders: Considerations from a developmental psychopathology perspective. International Journal of Behavioral Development, 30, 5–11.

Muris, P., & Field, P.A. (2008). Distorted cognition and pathological anxiety in children and adolescents. Cognition and emotion, 22, 395-421.

Nauta, M.H. (2005). Anxiety Disorders in Children and Adolescents: assessment, cognitive behavioural therapy, and predictors of treatment outcome. Enschede: Febodruk bv (proefschrift Rijksuniversiteit Groningen).

Prior, M. (2000). Does shy-inhibited temperament un childhood lead to anxiety problems in Adolescence? Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 39, 461-468.

Tick, N.T., & Ende, J. van der, & Verhulst, F.C. (2007). Twenty-year trends in emotional and behavioral problems in Dutch children in a changing society. Acta Pschyciatrica Scandinavia, 116, 473-482.

Treffers, Ph.D.A. (2005). Schoolweigering: een complex probleem. Praktijkboek Jeugdgezondheidszorg V3.9: 1-20. Amsterdam: Elsevier.

Verhulst, F.C., Ende, J. van der, Ferdinand, R.F., & Kasius, M.C. (1997). De prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 777-781.

Verhulst, F.C. (2006). Leerboek kinder- en jeugdpsychiatrie. Assen: van Gorcum.

Verhulst, F.C. (2003). Kinder- en jeugdpsychiatrie: psychopathologie. Assen: van Gorcum.

Verhulst, F.C . (2001). Continuïteit en discontinuïteit van psychopathologie bij kinderen en adolescenten in de volwassenheid. Tijdschrift voor Psychiatrie, 43, 777-786.

Vuijk, P., Heyne, D., & van Efferen-Wiersma, E. (2010). @school project: Prevalentie en functies van problematisch schoolverzuim in het Rotterdamse basisonderwijs. Kind en Adolescent, 31, 29-40.

Warren, S.L., Huston, L., Egeland, B., & Sroufe, L.A. (1997). Child and adolescent anxiety disorders and early attachment. Journal of the American Academy of child and Adolescent Psychiatry, 36, 637- 644.

Terug naar boven

Diagnose angst

Bij het vermoeden van angst- en/of stemmingsstoornissen verdient het aanbeveling om in de diagnostiek een combinatie te gebruiken van een (semi-) gestructureerd klinisch-diagnostisch interview (afgenomen bij zowel ouders/verzorgers als het kind) en psychometrisch goed onderbouwde vragenlijsten. Bij de vragenlijsten kan onderscheid gemaakt worden tussen meer screenende vragenlijsten en vragenlijsten die zich richten op meer specifieke angst-aspecten. Bij de keuze van de instrumenten is met name geselecteerd op instrumenten:

  • waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij effectief zijn
  • die aansluiten bij 'de beste klinische praktijk' binnen het vakgebied
  • die aansluiten bij het meest recente DSM classificatiesysteem
  • waarvan een goede Nederlandse vertaling en goede normgegevens beschikbaar zijn (dan wel binnenkort beschikbaar komen)

Ten aanzien van de voorgestelde instrumenten geldt dat ze in eerste instantie gericht zijn op het in kaart brengen van de aanwezige problematiek. De voorgestelde instrumenten kunnen evenwel ook gebruikt worden in het kader van behandelingsevaluaties. Bij het onderzoek van kinderen en adolescenten met Angststoornissen moet rekening worden gehouden met co-morbiditeit (depressie, schoolweigering, gedragsstoornissen). Voor de gestandaardiseerde meting daarvan verwijzen wij naar de desbetreffende praktijkstandaarden:

Voor selectief mutisme is een vragenlijst in ontwikkeling.

Terug naar boven
Screening Diagnostiek
Interviews ADIS
Vragenlijsten SDQ subschaal emotionele problemen
ASEBA-lijsten (CBCL/YSR/TRF)
subschalen angstig/depressief en
DSM subschaal angst / stemming
DSM gerelateerde vragenlijsten:
SCAS/RCADS
SCARED-NL
MASC
Algemene vragenlijsten over angst:
CASI
VAK
Vragenlijsten specifieke angststoornissen:
SPAI-C
PSWQ-C
SRAS-R
Niet-specifieke instrumenten PMT-K
CATS-N/P

Tabel 1: Overzicht van de aanbevolen instrumenten in deze richtlijn

Screening

Voor screening op angststoornissen verdient het aanbeveling om een korte vragenlijst (of subschaal van een vragenlijst) te kiezen. De SDQ (of SPSy) subschaal emotionele problemen is een goede optie. Daarnaast kunnen de subschalen van de ASEBA-lijsten (i.e. CBSL, YSR) die betrekking hebben op angst- en stemmingsstoornissen prima worden gebruikt om angstproblemen te signaleren.

Screeningsinstrument PSYchische stoornissen (SPsy) en Strength and difficulties Questionnaire (SDQ). De SPsy is een screeningsinstrument voor het signaleren van psychosociale problemen bij kinderen van 4-18 jaar. Het instrument geeft op een relatief snelle wijze een betrouwbare en valide indicatie van de psychische gesteldheid van de cliënt.

De SPsy is een bewerking van de veelgebruikte Strength and difficulties Questionnaire (SDQ) (Goodman, 1997), De SDQ is internationaal gevalideerd en beschikbaar in 68 verschillende talen op de website www.sdqinfo.com. Hij bestaat uit vijf subschalen, te weten:

  • emotionele symptomen (angst / depressie)
  • gedragsproblemen
  • hyperactiviteit / aandachtstekort
  • problemen met leeftijdgenoten
  • prosociaal gedrag

Het Trimbos-instituut heeft voor gebruik in de BJZ een aantal screeningsvragen toegevoegd aan de SDQ, bijvoorbeeld over middelenmisbruik en psychose: de SPsy. Het is een korte en eenvoudig schriftelijk af te nemen instrument. Aan de hand van de score op 45 eenvoudig te beantwoorden vragen kan een professionele hulpverlener zijn klinisch beeld van de cliënt onderbouwen.
De SDQ/SPsy kan gebruikt worden om psychische stoornissen te signaleren maar ook als onderdeel van een behandelevaluatie. De SDQ/SPsy kan gebruikt worden op het Bureau Jeugdzorg, de jeugd-GGZ en verwante instellingen voor jeugdzorg. De SDQ/SPsy heeft ouderversies voor kinderen van 4-11 jaar, en van 12-18 jaar en een jongerenversie voor 12-18 jarigen. Ook is een leerkrachtversie beschikbaar. Er wordt niet alleen naar problemen gevraagd, maar ook naar sterke kanten (prosociaal gedrag). De SDQ/SPsy kan in gemiddeld 10 minuten afgenomen worden, en in gemiddeld 3 minuten worden verwerkt en gescoord. Het verdient aanbeveling de lijst door tenminste twee informanten te laten invullen.

ASEBA-schalen: Youth Self Report (YSR) en Child Behaviour Checklist (CBCL)Met de YSR (Youth Self Report) wordt de visie van de jongere zelf in kaart gebracht op het eigen probleemgedrag en de eigen vaardigheden, terwijl de CBCL (Child Behaviour Checklist) de visie van ouders in kaart brengt.

Bij de YSR kunnen op basis van 132 items acht probleemschalen worden berekend: Teruggetrokken/Depressief, Lichamelijke Klachten, Angstig/Depressief, Sociale Problemen, Denkproblemen, Aandachtsproblemen, Normafwijkend Gedrag en Agressief Gedrag. De eerste drie probleemschalen vormen samen de schaal Internaliseren en de laatste twee de schaal Externaliseren. Alle vragen over gedrag opgeteld vormen de schaal Totale Problemen. Een indeling van de vragen over gedrag die nauw aansluit bij het classificatiesysteem van de DSM leidt tot zogenaamde DSM-schalen. Deze zes DSM-schalen zijn: Affectieve Problemen, Angstproblemen, Lichamelijk Problemen, Aandachtstekort/Hyperactiviteitsproblemen, Oppositioneel-Opstandige Problemen en Gedragsproblemen.

Veel van deze vragen zijn hetzelfde als op de CBCL/6-18, aangevuld met veertien sociaal wenselijke vragen waarop de meeste jongeren positief antwoorden. Jongeren kunnen voor elke vraag aangeven hoe goed een vraag bij hun past in de afgelopen zes maanden volgens dezelfde manier als bij de CBCL/6-18. Er is ook een leerkrachtversie beschikbaar, de Teacher Report Form (Verhulst e.a., 1997; Verhulst e.a 1996; Achenbach, 2008).

Klinische diagnostiek

Voor de diagnostiek van angststoornissen verdient het aanbeveling een combinatie te gebruiken van instrumenten. Een (semi-) gestructureerd klinisch diagnostisch interview (ADIS bijvoorbeeld) met minimaal een DSM gerelateerde vragenlijst (SCAS, SCARED, RCADS of MASC).

Interviews

Anxiety Disorders Interview Schedule (ADIS-C) De ADIS-C (Anxiety Disorders Interview Schedule) is een semi-gestructureerd interview dat kan worden afgenomen door de diagnosticus. Van dit interview is zowel een kindversie als een ouderversie beschikbaar. In het interview zijn hoofdstukken opgenomen over alle angststoornissen, inclusief de dwangstoornissen en de posttraumatische stress stoornis. Daarnaast wordt er uitvoerig aandacht besteed aan schoolweigering, een veel voorkomende complicatie van angststoornissen.

Verder zijn er hoofdstukken over affectieve stoornissen, ADHD, de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en de gedragsstoornis. Tenslotte is er een hoofdstuk met screeningsvragen over middelenmisbruik, schizofrenie, selectief mutisme, eetstoornissen en somatoforme stoornissen. Aangeraden wordt om in ieder geval de modules angststoornissen, schoolweigering, OCD en PTSS af te nemen, zowel bij het kind/jeugdige als de ouders. Aan de hand van het interview kunnen volgens de DSM-IV criteria angststoornissen en andere psychische stoornissen geclassificeerd worden Meerdere aspecten van angststoornissen worden nagevraagd. In het interview komen zowel ernst, intensiteit, mate van interferentie met het functioneren, controleerbaarheid en mate van vermijding met betrekking tot de stoornissen en symptomen aan de orde waarover de interviewer op basis van de interviews beoordelingen geeft en de uiteindelijk toe te kennen classificaties bepaald. Onderzoek met de DSM-IV versie van de ADIS-C laat over het algemeen bevredigende interbeoordelaar- en test-hertest betrouwbaarheid zien. Voorwaarde hierbij is dat de interviewer over voldoende kennis van DSM-IV en de behandelde stoornissen bezit.

Het interview kan ook gebruik worden om de effecten van behandelingen te evalueren en te zien of angststoornissen zijn verdwenen of in ernst zijn afgenomen (Siebelink & Treffers, 2001).

Spence Children's Anxiety Scale (SCAS) en Revised Child Anxiety and Depression Scale (RCADS)

De SCAS (Spence Children's Anxiety Scale) is een zelfrapportage vragenlijst voor kinderen en jeugdigen van circa 8 t/m 18 jaar. Er is ook een genormeerde ouderversie beschikbaar, de SCAS-p. Deze vragenlijst bestaat uit 44 items die gescoord worden op een schaal van 0 tot en met 3. Naast één totaalscore levert de lijst scores op 6 subschalen: paniek/agorafobie, separatieangst, sociale fobie, gegeneraliseerde angst, dwang en angst voor lichamelijke verwonding. De lijst is consistent met de DSM-IV classificatie van angststoornissen, met een algemene angststoornis waarbinnen de specifieke angststoornissen. Uitgebreid onderzoek met zowel de Engelstalige als de Nederlandse versie van de lijst heeft goede psychometrische eigenschappen aangetoond Scholing & Nauta, 1999). Voor meer informatie hierover zie www.scaswebsite.com.

De RCADS (Revised Child Anxiety and Depression Scale) is een bewerking van de SCAS. Deze zelfrapportagelijst van 47 items bevat een extra subschaal met symptomen van depressie en bevat extra worry-vragen voor de subschaal gegeneraliseerde angst. De subschaal angst voor lichamelijke verwonding (van de SCAS) wordt weggelaten (Oldehinkel, 2000).

Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED-R of SCARED-NL)

De SCARED-NL (Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders) is een vergelijkbare zelfrapportagelijst (correlatie van .89 met de SCAS). Deze lijst is bedoeld voor kinderen en jeugdigen in de leeftijd van 8 tot en met 18 jaar en bestaat uit 66 items die worden gescoord op een 0-2 schaal en die zich richten op symptomen van de gegeneraliseerde angststoornis, separatieangststoornis, paniekstoornis, sociale fobie, schoolfobie, obsessief-compulsieve stoornis, posttraumatische en acute stressstoornis. De SCARED-R is gericht op het maken van classificaties. De SCARED-R is na onderzoek bij zowel een klinische als niet-klinische populatie betrouwbaar en valide gebleken. De vragenlijst is ook geschikt voor het in kaart brengen van behandelingseffecten bij kinderen met angststoornissen. Van de lijst is inmiddels ook een, met name wat betreft sociale fobie , uitgebreidere lijst, de SCARED-71. SCARED-NL is de Nederlandse vertaling van SCARED-R (Muris & Steerneman, 2000;Bodden e.a, 2009).

De Multidimensional Anxiety Scale (MASC)

De MASC (Multidimensional Anxiety Scale) is een screeningsinstrument voor angstproblemen bij kinderen en adolescenten van 8 tot en met 18 jaar. De MASC bestaat uit 39 items verdeeld over vier angstschalen: Fysieke symptomenschaal, Schade vermijdingschaal, Sociale angstschaal en de Separatie-paniekschaal. Deze schalen zijn verder onderverdeeld in een aantal subschalen.
De schaal fysieke symptomen maakt een onderscheid in somatische symptomen en spanningssymptomen. De schade vermijdingschaal bestaat uit: symptomen van perfectionisme en angstige coping symptomen. De sociale angstschaal differentieert tussen angst om voor gek te staan en angst om voor meerdere mensen wat te doen. De separatie-paniekschaal heeft geen subschalen.
Naast een totale angstsscore levert de lijst een indicatie van de mate van zorgvuldigheid waarmee de lijst is ingevuld en een indicatie of aanvullend diagnostisch onderzoek gewenst is omdat het kind lijkt te voldoen aan de criteria van een angststoornis (March, 1997; Utens & Ferdinand, 2000).

Algemene vragenlijsten over angst

Childhood Anxiety Sensitivity Index (CASI)

De CASI (Childhood Anxiety Sensitivity Index) is een vragenlijst met 18 items die zich richt op de geneigdheid om met vrees te reageren op de lichamelijke, mentale en publiekelijk waarneembare symptomen van angst en die dan als bedreigend of catastrofaal te interpreteren. Onderzoek met zowel de oorspronkelijke Amerikaanse lijst als met de Nederlandse bewerking ervan heeft aangetoond dat de lijst een significante meerwaarde heeft wat betreft het voorspellen van angst en vrees. De Nederlandse versie van de CASI blijkt betrouwbaar en valide te zijn (Silverman e.a., 1991; Widenfelt e.a., 2002).

Vragenlijst voor Angst bij Kinderen (VAK)

Voor het kwantificeren van angst bij kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar is er de VAK (Vragenlijst voor Angst bij Kinderen) gepubliceerd in 1995. Van deze zelfrapportage wordt een nieuwe versie verwacht (de VAK 4-12) . Met behulp van deze zelfrapportage-vragenlijst worden door middel van 80 items die situaties en objecten beschrijven die bij kinderen angst kunnen oproepen, systematisch de stimuli in kaart gebracht die geassocieerd zijn met de disfunctionele angst bij het kind. Behalve voor individuele psychodiagnostiek kan de lijst ook worden gebruikt voor het vaststellen van behandelingseffecten en voor wetenschappelijk onderzoek. Er zijn vijf subschalen: falen en kritiek, het onbekende, kleine verwondingen/ kleine dieren, gevaar en dood, angst gerelateerd aan de medische situatie. De totaalscore op de VAK weerspiegelt de algemene geneigdheid van het kind angstig te reageren op een groot aantal situaties en objecten. De prevalentiescore geeft het aantal situaties en objecten aan waarvoor het kind aangeeft "erg bang" te zijn (Vercruysse & Bijttebier 2000).

Specifieke vragenlijsten over angst

Social Phobia and Anxiety Inventory for Children (SPAI-C)

Een andere vragenlijst, die is gericht op sociale fobie, is de SPAI-C (Social Phobia and Anxiety Inventory for Children). Deze lijst bevat 26 items en kan worden afgenomen wanneer men bij een kind of jeugdige een sociale fobie vermoedt. Bij een score boven het "afbreekpunt" dient een klinisch interview verder uit te wijzen of er sprake is van een sociale fobie. De lijst richt op de somatische, cognitieve en gedragsaspecten van sociale fobie. Voor onderzoek is de lijst beschikbaar maar duidelijke normdata zijn op dit moment nog niet voorhanden (Beidel e.a., 1998, Utens, e.a. 2000).

Penn State Worry Questionnaire for Children (PSWQ-C)

De PSWQ-C (Penn State Worry Questionnaire for Children) is een vragenlijst van 14 items die zich richt op de neiging tot piekeren. In de DSM-IV wordt dit als één van de hoofdkenmerken van de gegeneraliseerde angststoornis aangeduid. De kinderen beantwoorden de vragen op een vierpuntsschaal (helemaal waar tot helemaal niet waar). Doordat de lijst kort en snel is af te nemen handig in gebruik, maar normdata zijn op dit moment slechts in beperkte mate voorhanden (Siebelink e.a. 1998).

School Refusal Assessment Scale – Revised (SRAS-R of SRAS-R-NL)

In de diagnostiek bij schoolweigering kan onder andere gebruik worden gemaakt van de Nederlandse bewerking van de School Refusal Assessment Scale – Revised: Vragenlijst Functies van schoolweigering (SRAS-R-NL). De vragenlijst bestaat uit een vragenlijst voor kinderen en uit een lijst voor ouders. Deze vragenlijst meet de relatieve kracht van vier gehypothetiseerde functies van schoolweigering en spijbelen. Zowel de kindversie als de ouder versie bestaat uit 32 items, waarbij op een 6-punt Likert schaal, lopend van 0 (nooit) tot 6 (altijd) wordt gescoord. De SRAS-R-NL bestaat uit de volgende vier subschalen: 1) Het vermijden van schoolgerelateerde stimuli die negatief affect oproepen. 2) Het vermijden van sociale of evaluatieve situaties op school waar men een afkeer van heeft. 3) Het najagen van aandacht van belangrijke anderen. 4) Het najagen van tastbare versterkers buiten de schoolsetting (Heyne, e.a. 2008).

In ontwikkeling

Voor selectief mutisme is een vragenlijst in ontwikkeling.

Terug naar boven

Achenbach, T.M., Becker, A., Döpfner, M., Heiervang, E., Roessner, V., Steinhausen, H.C., et al. (2008). Multicultural assessment of child and adolescent psychopathology with ASEBA and SDQ instruments: research findings, applications, and future directions. Child Psychology and Psychiatry, 49, 251-275.

Bakker, F.C., Wieringen, P.C.W. van, Ploeg, H.M. van der & Spielberger, C.D. (1989). Handleiding bij de zelfbeoordelingsvragenlijst voor kinderen. Amsterdam: Pearson Testpublisher.

Beidel, D.C., Turner, S.M., & Morris, T.L. (1998). SPAI-C. Social Phobia & Anxiety Inventory for Children. Manual. New York: Multi-Health Systems Inc.

Birmaher, B., Khetarpal, S., Brent, D., Cully, M., Balach, L., Kaufman, J., et al. (1997). The Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED): Scale construction and psychometric characteristics. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 36, 545-553.

Bodden, D.H.M., Bögels, S.M., & Muris, P. (2009). The diagnostic utility of the Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders-71 (SCARED-71). Behaviour Research and Therapy, 47, 418-425.

Chorpita, B.F., Moffitt, C.E., & Gray, J. (2005). Psychometric properties of the revised child anxiety and depression scale in a clinical sample. Behaviour Research and Therapy, 43, 309-322.

Chorpita, B..F, Yim, L., Moffitt, C., Umemoto, L.A., & Francis, S.E. (2000). Assessment of symptoms of DSM-IV anxiety and depression in children: a revised child anxiety and depression scale. Behaviour Research and Therapy, 38, 835-855.

Goedhart, A., Treffers, F. & Widenfelt, B. (2003). Vragen naar psychische problemen bij kinderen en adolescenten: de Strengths and Difficulties Questionnaire. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid. 58, 1018-1035.

Goodman, R. (1997). The Strengths and Difficulties Questionnaire: A research note. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 38, 581-586.

Heyne, D.A, Vreeke, L., & Maric, M. (2008). School Refusal Assessment Scale-Revised (kindversie) Nederlandse vertaling en bewerking. Leiden: Universiteit Leiden.

Heyne, D.A, Vreeke, L., & Maric, M. (2008). School Refusal Assessment Scale-Revised (ouderversie) Nederlandse vertaling en bewerking. Leiden: Universiteit Leiden.

Hogendoorn, S.M., Wolters, L.H., Vervoort, L. Prins, P.J.M., Boer, F., Kooij, R., et al. (2010). Measuring Negative and Positive Thoughts in Children: An Adaptation of the Children's Automatic Thoughts Scale (CATS). Cognitive Therapy Research, 34, 467-478.

March, J.S. (1997). MASC- The Multidimensional Anxiety Scale for Children. Multi-Health Systems Inc.

Muris, P., & Steerneman, P. (2001). The revised version of the Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED-R): first evidence for its reliability in a clinical sample. British Journal of Clinical Psychology, 40, 35-44.

Muris, P., Meesters, C., & Gobel, M. (2001). Reliability, validity, and normative data of the Penn State Worry Questionnaire in 8-12-yr-old children. Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 32, 63-72.

Ollendick, T.H. (1983). Reliability and validity of the Revised Fear Survey Schedule for Children (FSSC-R). Behaviour Research and Therapy, 21, 685-693.

Oldehinkel, A.J. (2000). Nederlandse vertaling van de Revised Child Anxiety and Depression Scale (RCADS). [Dutch translation of the Revised Child Anxiety and Depression Scale]. Groningen: Department of Psychiatrie (RUG).

Oosterlaan, J., Prins, P.J.M., Hartman, C.A., & Sergeant, J.A. (1995). Vragenlijst voor Angst bij Kinderen. Handleiding. Lisse: Swets Test Services.

Reynolds, C.R., & Richmond, B.O. (1978). "What I Think and Feel": A revised measure of children's manifest anxiety. Journal of Abnormal Child Psychology, 6, 271-280.

Scholing, A., Nauta, M.H., & Spence, S.H. (1999a). Spence Children´s Anxiety scale (Dutch Translation of Child Version). Amsterdam: University of Amsterdam.

Scholing, A., Nauta, M.H., & Spence, S.H. (1999b). Spence Children´s Anxiety scale (Dutch Translation of Parent Version). Amsterdam: University of Amsterdam.

Siebelink, B.M., & Treffers, Ph.D.A. (2001). Nederlandse bewerking van het Anxiety Disorder Interview Schedule for DSM-IV: Child version van W.K. Silverman en A.M. Albano. Lisse / Amsterdam: Swets & Zeitlinger.

Siebelink, B.M., Treffers, Ph.D.A., & Widenfelt, B.M. (1998). Nederlandse vertaling van de PSWQ-C (PSWQ-K). Oestgeest: Curium.

Silverman, W.K., & Albano, A.M. (1996). Anxiety Disorders Interview Schedule for DSM-IV Child Version, Child Interview Schedule. San Antonio: The Psychological Corporation.

Silverman, W.K., Fleissig, W., Rabian, B., & Peterson, R.A. (1991). Childhood Anxiety Sensitivity Index. Journal of Clinical Child Psychology, 20, 162-168.

Spence, S. H. (1997). Structure of anxiety symptoms among children: a confirmatory factor-analytic study. Journal of Abnormal Psychology, 106, 280-297.

Spence, S.H. (1999). Spence Children´s Anxiety Scale- Parent Version. Brisbane, Australia: University of Queensland.

Utens, E.M.W.J., & Ferdinand, R.F. (2000). Nederlandse vertaling van de MASC (MASC-NL). Rotterdam: AZR-Sophia/Erasmus Universiteit.

Utens, E.M.W.J., Ferdinand, R.F., & Bögels, S.M. (2000). Nederlandse vertaling van de SPAI-C (SPAI-C NL). Rotterdam: AZR-Sophia / Erasmus Universiteit.

Vercruysse, T., & Bijttebier, P. (2000). De Vragenlijst voor Angst bij Kinderen (VAK) doorgelicht. Tijdschrift Klinische Psychologie, 30, 217-220.

Verhulst, F.C., Ende, J. van der & Koot, H.M. (1997). Handleiding voor de Youth Self-Report (YSR). Rotterdam: Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus MC.

Verhulst, F.C., Ende, J. van der & Koot, H.M. (1996). Handleiding voor de CBCL/4-18. Rotterdam: Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus MC.

Widenfelt, B.M. van, Siebelink, B.M., Goedhart, A.W., & Treffers, Ph.D.A. (2002). The Dutch Childhood Anxiety Sensitivity Index: Psychometric properties and factor structure. Journal of Clinical Child Psychology, 31, 90-100.

Terug naar boven

Behandeling angst

Voor de behandeling van angststoornissen is Cognitieve Gedragstherapie (CGT) de methode van eerste keuze. Cognitieve gedragstherapie blijkt voor een groot deel van de jeugdigen effectief, zowel op korte als lange termijn. Psychofarmaca (in het bijzonder SSRI's) dienen slechts gebruikt te worden als psychosociale vormen van behandeling niet of onvoldoende werkzaam blijken.

Onderzoek laat zien dat cognitief-gedragsmatige behandelingen goede effecten hebben: bij kinderen en adolescenten vanaf acht jaar leidt behandeling tot een significante afname van angstklachten in vergelijking met jeugdigen die op een wachtlijst staan. Gemiddeld is bij 50-70% van jeugdigen sprake van een verbetering.
De meeste studies naar cognitief gedragsmatige behandeling maken geen onderscheid naar verschillende specifieke angststoornissen. In meerdere meta-analyses komen eveneens weinig verschillen naar voren tussen resultaten van individuele CGT en groeps CGT. Dat geldt ook voor behandelingen met of zonder betrokkenheid van ouders. Afzonderlijke studies laten echter met betrekking tot dit laatste punt tegenstijdige resultaten zien (Cartwright-Hatton; 2004, In-Albon;2007, Silverman:2008).

Hoewel de algehele conclusie is dat CGT effectief is, laat onderzoek ook zien dat 50% - 30% van de jeugdigen niet profiteert van de behandeling. Onderzoek waar bij CGT wordt vergeleken met andere typenbehandeling is nauwelijks beschikbaar. Er zijn maar weinig studies uitgevoerd naar de resultaten van andere typen behandeling, zoals psychoanalyse of psychotherapie, en de kwaliteit van deze studies is mager (Cartwright-Hatton; 2004, In-Albon;2007).

Voor kinderen en adolescenten zijn verschillende CGT behandelprotocollen beschikbaar. Alle protocollen bevatten vijf componenten van CGT. De protocollen worden breed toegepast bij de meest voorkomende angststoornissen en zijn niet diagnose specifiek voor verschillende angststoornissen. Voor de behandeling van Selectief mutisme bestaat wel een specifieke aanpak. Ook voor de behandeling van Schoolweigering is een specifiek CTG protocol met aanvullende modulen.

Terug naar boven

Cognitieve gedragstherapie voor angststoornissen van jeugdigen bestaat over het algemeen uit vijf componenten (Albano en Kendall, 2002 in: Connolly, 2008; Bodden, 2006).

De meeste ouders van kinderen met een angststoornis hebben vragen over de oorzaken van de angst: is het erfelijk, is het een gevolg van nare ervaringen, van opvoeding? Het is belangrijk om zowel ouders als kind een goede uitleg te geven over mogelijke oorzaken van angst, en vooral over de manier waarop die angst kan worden verminderd (Scholing, 2002).

Terug naar boven

Vermijden is een groot probleem bij angsten. Om de angst te voorkomen, zorgt het kind ervoor dat de angst niet kàn optreden en gaat niet naar school, niet naar buiten, zorgt dat ouders bij hen blijven, enzovoort. In cognitieve gedragstherapie bij angststoornissen wordt gebruik gemaakt van 'exposure.' Daarin wordt het kind heel geleidelijk blootgesteld aan dat waar het bang voor is. Een kind met een separatie-angststoornis leert bijvoorbeeld eerst in een andere kamer te zijn dan de ouders. Een volgende stap kan zijn dat de ouders een brief gaan posten en daarna een boodschap gaan doen, of dat het kind steeds langere tijd bij een vriendje gaat spelen. Zo leert het kind stapje voor stapje de angst te overwinnen (Nauta, 2011a).

Terug naar boven

Kinderen met een angststoornis zien de wereld vaak als beangstigend en negatief. Bij cognitieve herstructurering worden angstige gedachten nader bekeken, besproken, uitgedaagd en omgezet in helpende gedachten. De therapeut kan hiervoor gebruikmaken van diverse technieken. De therapeut leert het kind bijvoorbeeld om vragen aan zichzelf te stellen (hoe groot is de kans dat er iets akeligs gebeurt, hoe vaak is het eigenlijk voorgekomen), reikt helpende gedachten aan en spoort samen met het kind gedachtenkronkels en denkfouten op. Een kind met een sociale fobie kan bijvoorbeeld denken dat anderen hem of haar raar zullen vinden omdat hij of zij bloost. Deze gedachte kan worden aangepakt en vervangen worden door de gedachte dat de meeste mensen wel eens blozen en het dus ook niet raar vinden om te zien dat een ander bloost (Nauta, 2011b).

Terug naar boven

Tijdens vaardigheidstraining leert het kind wat het moet doen als het angstig is. Dit wordt ook wel coping gedrag genoemd. Coping gedrag wordt ingezet om de angst en exposure aan te kunnen en is niet gericht op vermijding of ontsnapping. Voorbeelden van coping gedrag zijn probleemoplossen ('als ik bang wordt dan vraag ik hulp'), helpende 'zelfspraak' ('ik kan het wel') , afleiding en ontspanningsoefeningen (Nauta, 2011a).

Terug naar boven

Om terugval te voorkomen worden vaak terugkomsessies gepland evenals afspraken met ouders en school over wat te doen als zij terugval signaleren.

Terug naar boven

Naast deze vijf kerncomponenten wordt binnen cognitieve gedragstherapie voor angststoornissen vaak gebruik gemaakt van het principe van modeleren, oftewel het demonstreren (door de therapeut of de ouders) van dapper gedrag in een angstige situatie, zodat het kind dit gewenste gedrag kan nadoen als reactie op de eigen angst (Bodden, 2006). Ook worden regelmatig beloningsschema's gebruikt waarin dapper gedrag beloond wordt en ongewenst gedrag zoveel mogelijk genegeerd wordt. Beloningsschema's kunnen kinderen motiveren om zich meer bloot te stellen aan de angst. Uiteindelijk moet het kind ook zelf leren om zijn of haar eigen gedrag te evalueren en zichzelf te belonen voor goede prestaties. (Scholing, 2002). Ouders leren daarnaast vaak ontspanningstechnieken en kunnen als coach fungeren (Connolly, 2008).

Andere aspecten van cognitieve gedragstherapie

Sommige kinderen reageren beter op CGT dan andere kinderen. Meer onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op het behandelresultaat is nodig om cognitieve gedragstherapie te kunnen verfijnen en de effectiviteit te verbeteren (Bodden, 2006). Wanneer de behandelprotocollen geen resultaat opleveren zijn er vooralsnog weinig alternatieven. Onderzocht wordt of differentiatie binnen het protocol van de cognitieve gedragstherapie het percentage jeugdigen dat profiteert van de behandeling kan verhogen.

Afhankelijk van individuele kenmerken kunnen selectie en dosering van de CGT componenten verschillen (Sauter et al, 2009). Modulaire CGT bestaat uit geleide combinatie van individueel voorgeschreven technieken die matchen met individuele behoeften en krachten van een kind. De modulaire benadering combineert de positieve effecten van de toepassing van gestandaardiseerde protocollen met een hoog niveau van flexibiliteit in de toepassing van per individu verschillende behandeltechnieken (Chorpita et al, 2004).

Een van de factoren waarop gedifferentieerd wordt is het type angststoornis. Bij verschillende angststoornissen horen verschillende cognities. Daarom staan per stoornis verschillende kerncomponenten van CGT op de voorgrond, zoals meer nadruk op geleidelijke blootstelling bij de specifieke fobie (Velting, Setzer en Albano, 2004 in: Connolly, 2008). Om cognitieve gedragstherapie beter toe te spitsen op sociale fobie bevelen Spence, Donovan en Brechman-Toussaint (1999) aan sociale vaardigheidstraining en mogelijkheden om hiermee te oefenen toe te voegen aan de basiscomponenten. Kinderen met een sociale fobie blijken namelijk slechtere sociale vaardigheden te hebben en sociaal minder goed te functioneren (Spence et al., 1999 in: Connolly, 2008). Welke aanpassingen nodig zijn om cognitieve gedragstherapie beter aan te laten sluiten bij de paniekstoornis en selectief mutisme is nog niet voldoende onderzocht. Voor de paniekstoornis wordt gedacht aan de volgende behandelcomponenten:

  • oproepen van fysieke kenmerken die optreden bij paniek zoals duizeligheid, kortademigheid en zweten) door middel van oefeningen. Oefeningen kunnen onder meer zijn: rustig nee schudden, met het hoofd tussen de benen hangen, adem inhouden, hyperventileren.
  • informatie geven over de fysiologische processen die vooraf gaan aan een paniekstoornis (Ollendick, 1995 in: Connolly, 2008).

Modularisering van het CGT protocol naar leeftijd is in ontwikkeling. In Nederland werkt Bögels aan de uitwerking van het protocol Denken + Doen = Durven voor kinderen van 4-7 jaar met angststoornissen. Van het Vriendenprogramma zijn voor kleuters van 4 tot en met 7 jaar, voor kinderen van 7 tot en met 11 jaar en voor jongeren van 12 tot en met 16 jaar afzonderlijke handleidingen en werkboeken beschikbaar.

In een review van Sauter en anderen (2009) is geïnventariseerd op welke wijze CBT voor adolescenten kan worden vormgegeven om angstklachten van adolescenten effectiever te behandelen.

De ernst en de duur van de stoornis lijkt van invloed op het verloop van de behandeling. Uit enkele studies blijkt dat jeugdigen met ernstigere angstsymptomen een slechte respons op alleen cognitieve gedragstherapie hebben (Barrett et al., 2001; Last et al., 1998; Layne et al. 2003; Southam-Gerow et al. 2001; in: Connolly, 2008). In Nederland vonden zowel Nauta (2005) als Liber, Widenfelt, Van der Leeden, Goedhart, Utens en Treffers (2010) dat bij kinderen met veel angstsymptomen meer tijd nodig is om resultaten te behalen en dat de kinderen meer restklachten houden. Uit het onderzoek van Nauta (2005) blijkt dat dit ook geldt voor kinderen die al gedurende lange tijd last hebben van de angstklachten.

Afgelopen jaren is een studie uitgevoerd naar 'Stepped Care CGT' en een studie naar een modulaire benadering van CGT waarbij naar individuele behoeften behandeling op maat wordt geboden. Een meer intensieve behandeling wordt geboden wanneer de eerste CGT onvoldoende blijkt. Uit beide studies komt naar voren dat door een dergelijke aanpak aanvullende kansen worden gecreëerd om het gewenste resultaat te behalen (Chorpita et al 2004, Adelinde et al 2011).

De Amerikaanse Praktijkrichtlijn voor de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten met angststoornissen, die begin 2008 in het Nederlands is vertaald (Connolly, 2008), benadrukt dat het belangrijk is vast te houden aan de basiscomponenten van cognitieve gedragstherapie, maar dat flexibiliteit en aandacht voor de individuele situatie ook noodzakelijk is om de behandeling te laten slagen (Albano en Kendall, 2002, in: Connolly, 2008).

Terug naar boven

Ouders en gezinnen kunnen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling en het voortbestaan van de angsten van kinderen. Hierbij kan gedacht worden aan factoren als angst bij de ouders zelf, opvoedingsstijl, onveilige gehechtheid en ouder-kind interacties.

Onderzoek naar effecten van betrokkenheid van ouders bij de behandeling is beperkt. Ouders kunnen verschillende (meerdere) rollen hebben in de behandeling: adviseur, co-therapeut of co-cliënt.

Afhankelijk van de rollen varieert ouderbetrokkenheid van een aantal oudersessies waarin ouders psycho-educatie krijgen en uitleg over het verloop van de behandeling tot het intensief trainen van vaardigheden.

De belangrijkste vaardigheden die de ouders daarin leren zijn:

  • Opvoedingsvaardigheden. Een voorbeeld daarvan is contingency management waarin ouders leren om enthousiast te reageren op dapper gedrag van hun kind en empathisch te reageren op angstig gedrag, maar tevens het kind aan te moedigen om de angst te bestrijden met de strategieën die het in de behandeling geleerd heeft. Ook leren ouders om zich te richten op het gewenste gedrag en niet op het straffen van angstig gedrag. Rollenspellen worden vaak gebruikt om ouders te laten oefenen met deze vaardigheden.
  • Vaardigheden om hun eigen angstige reacties en emotionele stress beter te hanteren en hun kind voor te doen hoe ze zelf moeilijke situaties te lijf gaan.
  • Vaardigheden om als ouders met elkaar te praten over de manier waarop ze hun kind kunnen helpen en om een team te vormen dat het kind kan begeleiden.
  • Probleemoplossende vaardigheden waarbij ouders leren hoe ze verschillende problemen op een adequate manier kunnen oplossen (Scholing, 2002).

Wat precies de effecten zijn van het toevoegen van een oudercomponent aan standaard cognitieve gedragstherapie voor angst bij kinderen is nog niet duidelijk (Connolly, 2008). In sommige studies wordt een significante meerwaarde van oudertraining aangetoond (waaronder Barret et al., 1996 die een effect op de korte termijn vonden, Mendlowitz, Manassis, Bradley, Scapillato, Miezitis en Shaw, 1999 en Heyne, King., Tonge, Rollings, Young, Pritchard et al., 2002). In andere studies wordt geen significante meerwaarde aangetoond (waaronder Barrett, 1998; Nauta, Scholing, Emmelkamp, en Minderaa, 2003; Spence, Donovan, en Brechman-Toussaint, 2000; Spielmans et al., 2007; Silverman et al., 2008). James et al (2005) vonden in hun review van 13 studies naar cognitieve gedragstherapie bij angststoornissen geen meerwaarde van het toevoegen van een ouder- of familiecomponent. Uit onderzoek van Bodden e.a. (2008) bleek dat individuele en alleen op het kind gerichte CBT bij 8-12 jarige kinderen effectiever was dan een therapie waarbij ook de ouders betrokken worden. Bij 12-18 jarigen was er geen verschil tussen met en zonder ouders voor zover de ouders zelf niet angstig waren. Daarentegen vonden Dowell & Ogles (2010) in een algemene meta-analyse naar psychotherapie bij diverse stoornissen en problemen wel positieve effecten van ouderbetrokkenheid.

Opvallend is het onderzoek van Cobham, Dadds en Spence (1998). Zij onderscheidden angstige kinderen met (een) angstige ouder(s) en angstige kinderen zonder (een) angstige ouder(s). Uit de resultaten bleek dat ouderlijke angst een voorspeller was van een slechter behandelingsresultaat van het kind; het betrekken van de ouders verbeterde het resultaat van de behandeling, maar alleen voor de angstige kinderen die een angstige ouder hadden (Scholing, 2002).

Naast het betrekken van ouders bij cognitieve gedragstherapie wordt in sommige interventies ook de school in de behandeling betrokken. Als een kind op school door angst wordt overspoeld kan er buiten de klas bijvoorbeeld een volwassene worden aangewezen die het kind kan helpen met probleemoplossende strategieën of met het omgaan met de angst. Bij faalangst kunnen toetsen worden afgenomen in een rustige omgeving (Connolly, 2008). Twee studies van King en collega's (1998 en 1999) laten zien dat individuele cognitieve gedragstherapie met ouder/leraar training effectief was bij kinderen die uit angst naar school weigerden te gaan (Bodden, 2006).

Terug naar boven

In verband met de kosteneffectiviteit is het interessant om de effectiviteit van groepstherapie en individuele therapie te vergelijken. In een aantal studies is de effectiviteit aangetoond van groepsgewijze cognitieve gedragstherapie bij jeugdigen (met of zonder betrokkenheid van de ouders) (Barrett, 1998; Flannery-Schroeder en Kendall, 2000; Manassis, Mendlowitz, Scapillato, Avery, Fiksenbaum, Freire et al., 2002; Muris, Mayer, Bartelds, Tierney en Bogie, 2001; Silverman et al., 1999a in: Connolly, 2008). In enkele studies werd bovendien een vergelijking gemaakt tussen individuele cognitieve gedragstherapie en de groepstoepassing (Flannery-Schroeder en Kendall, 2000; Barrett et al., 1996 in: Connolly, 2008). In deze studies werd gemiddeld geen verschil in effectiviteit gevonden. In de individuele variant voldeed 64% van de kinderen niet meer aan de criteria voor een angststoornis, in de groepsvariant 50%. Het lijkt er dus op dat cognitieve gedragstherapie zowel individueel als groeps¬gewijs even effectief is (Bodden, 2006; Toorn en Ferdinand, 2004; Scholing, 2002; Liber, Wedenfelt, Leeden en Treffers, 2007). Dit bevestigen ook James, Soler en Weatherall (2005) in hun review van 13 studies.

Voordelen van behandeling in groepsverband zijn dat dat het kosteneffectief kan zijn, het maakt training van sociale vaardigheden mogelijk en bovendien kunnen kinderen in een groep model staan voor elkaar (Verhulst, 2006). Een nadeel kan zijn dat een groep vol moet zijn om te starten waardoor kinderen moeten wachten op behandeling. In een aantal studies leek individuele cognitieve gedragstherapie bij bepaalde subgroepen de voorkeur te hebben boven de groepstoepassing: bij kinderen die naast een angststoornis ook gediagnosticeerd waren met ADHD, bij kinderen met een ernstig trauma en bij kinderen met een hoge mate van sociale angst (Connolly, 2008). Ook bij angstige pubers is groepstherapie minder effectief (Sauter e.a. 2009).

Terug naar boven
Terug naar boven

Selectief mutisme

Selectief mutisme (waarbij het kinderen in specifieke situaties zoals op school steeds niet lukt om te spreken, hardop te lezen of te zingen, terwijl ze dit in andere situaties zoals thuis wel kunnen) betreft vooral jonge kinderen en vraagt vanwege de aard van de stoornis ‘het niet spreken’ een specifieke aanpak. In gevalsstudies over selectief mutisme worden voor deze kinderen geïndividualiseerde, multimodale behandelprogramma’s aanbevolen. Enkele belangrijke aanpassingen die genoemd worden zijn het betrekken van ouders en leerkrachten bij de behandeling (zij kunnen de communicatie van het kind thuis en op school in de gaten houden) en het geven van positieve bekrachtiging wanneer het kind probeert te spreken, lezen of zingen (Connolly, 2008).

In Nederland is een behandelprotocol voor selectief mutisme in ontwikkeling. De behandeling vindt, in samenwerking met de leerkracht, op school plaats. Centrale ingrediënten van het protocol zijn shaping, fading en modeling. Shaping is het in kleine stapjes aanleren van nieuwe gedrag. Fading is het geleidelijk veranderen van omgeving waarin het gewenste gedrag plaatsvindt en modeling verwijst naar het voordoen van gewenst gedrag. Uit een eerste evaluatie onderzoek blijkt het protocol een bruikbare leidraad voor de behandeling van kinderen met selectief mutisme (Wippo en Güldner).

Schoolweigering

Voor aan angst gerelateerde schoolweigering is cognitieve gedragstherapie de meest onderzochte behandeling met goede resultaten (Heyne & Sauter, in press). Varianten in behandeling kunnen betrekking hebben op de selectie en dosering van de componenten van CGT en uitbreiding van CGT met extra modulen. Meest gangbaar is de opvatting dat aanvullende modulen wenselijk zijn omdat naast oorzaken als één of meer angststoornissen er ook andere factoren een rol spelen die het probleem in stand houden, zoals andere psychopathologie (depressie, autismespectrumstoornis, ernstige dwang), extra gedrags- en gezinsproblemen (Scharree, 2007). Ouders kunnen in verschillende rollen bij de behandeling betrokken worden: als consultant, als co-therapeut en /of als co-cliënt als zij zelf angstproblemen hebben (Sauter et al., 2009). Daarnaast is de leeftijd van het kind van belang voor de rol van ouders in de behandeling van het kind: steunend of meer sturend (Heyne & Sauter, in press). Onderzoek naar CGT bij adolescenten met aan angst en depressie gerelateerd schoolverzuim suggereert dat het belangrijk kan zijn ouders bij de behandeling te betrekken (Heyne et al., 2011; Walter et al, 2010). Heyne et al (2011) ontwikkelde een modulair samengesteld CGT protocol voor zowel adolescenten als hun ouders met daarnaast modules voor de school, en deed onderzoek naar de effecten ervan. Bij de nameting en de follow-up na twee maanden bleek een significante en blijvende verbetering op de schoolgang, aan school gerelateerde angst en van de angststoornis met middelmatige tot grote effect sizes.

Het protcol is beschreven in een hoofdstuk in The Wiley-Blackwell Handbook of The Treatment of Childhood and Adolescent Anxiety (2013 John Wiley & Sons, Ltd.). Voor meer informatie over het protocol, kan contact worden opgenomen met david Heyne (heyne@fsw.leidenuniv.nl).

Terug naar boven

Zoals beschreven bij Etiologie zijn er aanwijzingen voor verstoorde cognitieve processen bij jeugdigen met angststoornissen. Zo is gevonden dat angstige jeugdigen geneigd zijn om ambigue situaties als bedreigend te interpreteren en dat ze een verhoogde aandacht hebben voor informatie over gevaar (Muris & Field, 2008). Recent hebben onderzoekers methoden ontwikkeld om deze cognitive biases te veranderen om daarmee de angst te verminderen. Behandelingen die hieruit voortgekomen zijn, zijn Cognitive Bias Modification (CBM) en Attention Bias Modification (ABM).

ABM is een computertraining die zich specifiek richt op het verminderen van de selectieve aandacht voor bedreigende informatie. Een recente gerandomiseerde gecontroleerde studie bewees dat deze training angstproblemen bij kinderen kan verminderen (Eldar, Apter, Lotan, Edgar, Naim, Fox, et al, 2012). Er zijn echter meer studies nodig om de effectiviteit, ook op langere termijn, te onderzoeken. Een andere vorm van cognitive bias modification richt zich op het veranderen van negatieve interpretaties van ambigue stimuli (McLeod & Matthews, 2012). Ook deze vorm van behandeling kan leiden tot een vermindering in angstklachten, maar vraagt nog verder onderzoek.

Terug naar boven

Voor kinderen en jongeren met angststoornissen zijn verschillende online behandelmogelijkheden ontwikkeld.

De Dappere Kat blended

De Dappere kat is een goed onderbouwde cognitieve gedragstherapie voor kinderen en jongeren met een angststoornis. Deze behandeling bestaat inmiddels ook in blended vorm: deels online, deels face-to-face. Deze blended vorm wordt aangeboden bij Accare, de Bascule, de Jutters, Triversum, Karakter, Yulius en Curium-LUMC.

Schateiland

Het computerspel Schateiland is bedoeld als aanvulling op de behandeling van kinderen met angst- en stemmingsstoornissen in de leeftijd van 9 tot 13 jaar. In het spel doorlopen de kinderen spelenderwijs verschillende stappen van cognitieve gedragstherapie. Behandelaars kunnen het spel gratis verkrijgen via de website, op voorwaarde van legitimatie en deelname aan een evaluatieprogramma.

Spreekt voor zich

De website en methode 'Spreekt voor zich' zijn bedoeld voor kinderen van vier tot acht jaar met selectief mutisme, hun ouders, leerkrachten en behandelaren. Een juweeltje op de site is 'het Luiderslot', een slimme serious game. De game is een onderdeel van een totaalpakket, een uitgewerkt cognitiefgedragstherapeutisch protocol voor de behandeling van jonge kinderen met selectief mutisme.

Terug naar boven

Dappere Kat

Het programma is erop gericht om kinderen en adolescenten te helpen om te leren gaan met stuaties die ze eng vinden en daarom meestal vermijden.Met samenvatting en beoordeling door de werkgroep Angststoornissen. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: bewezen effectief voor kinderen tot en met 16 jaar.
Lees meer over Dappere Kat  >>
Lees meer over Dappere Kat (Blended- e-health) >>

Vrienden

Het vergroten van de emotionele veerkracht van kinderen, hen vaardigheden leren om problemen op te lossen en om moeilijke situaties aan te kunnen. Met samenvatting en beoordeling door de werkgroep Angststoornissen. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: theoretisch goed onderbouwd.
Lees meer over VRIENDEN  >>

Denken + Doen = Durven

Middels psycho-educatie, exposure en cognitieve therapie de kinderen en jongeren leren omgaan met en verminderen van hun angstklachten. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: nog niet beoordeeld.
Lees meer over Denken + Doen = Durven  >>

Praten op school, een kwestie van doen

Voor de behandeling van selectief mutisme is de behandelmethode 'Praten op school, een kwestie van doen' ontwikkeld. Dit protocol is een individuele ambulante behandeling van kinderen van 2,5-12 jaar met selectief mutisme (consequent niet praten op school of in één of meer andere sociale situaties). Doel is durven praten op school. De behandeling vindt wekelijks op school - buiten de klas - plaats en maakt gebruik van gedragstherapeutische technieken. De leerkracht fungeert als co-therapeut. Oordeel Erkenningscommissie Interventies: theoretisch goed onderbouwd.
Lees meer over Praten op school, een kwestie van doen >>

In ontwikkeling

Een behandelprotocol voor schoolweigering is in ontwikkeling: The @school program: modular cognitive behaviour therapy for school refusal in adolescence. (Heyne e.a., 2008).

Terug naar boven

Barret, P.M., Rapee, R.M., Dadds, M.M. & Ryan, S.M. (1996). Family enhancement of cognitive style in anxious and aggressive children.Journal of Abnormal Child Psychology, 24, 187-203.

Barrett, P.M. (1998). Evaluation of cognitive-behavioral group treatments for childhood anxiety disorders. Journal of Clinical Child Psychology, 27, 459-468.

Bodden, D.H.M. (2006). Individual versus family cognitive behavioural therapy in children with anxiety disorders. A clinical and economic evaluation. Maastricht: Universiteit Maastricht (proefschrift).

Bodden, D.H.M., Bögels, S.M., Nauta, M.H., Haan, E. de, Ringrose, J., Appelboom, C., et al. (2008). Child versus family cognitive-behavioural therapy in clinically anxious youth: an afficacy and partial effectiveness study.Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 47, 1384-1394.

Cartwright-Hatton, S., Roberts, C., Chitsabesan, P., Fothergrill, C., & Harrington, R. (2004). Systematic review of the efficacy of cognitive behavior therapies for childhood and adolescent anxiety disorders.British Journal of Clinical psychology, 43, 421-236.

Chorpita, B.F., Taylor, A.A., Francis, S.E., Moffitt, C., & Austin, A.A. (2004). Efficacy of modular Cognitive Behavior Therapy for childhood anxiety disorders.Behavior Therapy, 35, 263-287.

Connolly, S.D. (2008). Praktijkrichtlijnen voor diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten met angststoornissen.Kind en adolescent review, 15, 5-41.

Connolly, S.D. & Bernstein, G.A., Workgroup on Quality Issues (2007). Practice parameter for the assessment and treatment of children and adolescents with anxiety disorders.Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 46,267-283.

Eldar, S., Apter, A., Lotan, D., Edgar, K.P., Naim, R., Fox, N.A., et al. (2012). Attention bias modification treatment for pediatric anxiety disorders: A randomized controlled trial. American Journal of Psychiatry, 169, 213-220.

Ellard, K.K., Fairholme, C.P., Boisseau, C.L., Farchione, T.J., & Barlow, D.H. (2010). Unified protocol for the transdiagnostic treatment of emotional disorders: Protocol development and initial outcome data.Cognitive and Behavioral Practice, 17, 88-101.

Güldner, M., Wippo, E., Tesselaar, M. & Erkelens, P. (2010). Evaluatie van een behandelprotocol voor selectief mutisme. Behandeling op school.Kind en Adolescent Praktijk, 4,160-166.

Heyne, D., King, N.J., Tonge, B.J., Rollings, S., Young, D., Pritchard, M., et al. (2002). Evaluation of child therapy and caregiver training in the treatment of school refusal.Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 41, 687-695.

Heyne, D., Sauter, F.M., Van Widenfelt, B.M., Vermeiren, R. & Westenberg, P.M. (2011). School Refusal and Anxiety in Adolescence: Non-Randomized Trial of a Developmentally-Sensitive Cognitive Behavioral Therapy.Journal of Anxiety Disorders, 25, 870-878.

Heyne, D., Sauter, F. M., & Van Hout, R. (2008).The @school program: modular cognitive behaviour therapy for school refusal in adolescence. Unpublished treatment manual. Leiden, the Netherlands: Faculty of Social and Behavioral Sciences, Leiden University.

In-Albon, T. & Schneider, S. (2007). Psychotherapy of Childhood Anxiety Disorders: A Meta-Analysis.Psychotherapy and Psychosomatics, 26, 15-24.

James, A., Soler, A., & Weatherall, R. (2005). Cognitive behavioural therapy for anxiety disorders in children and adolescents.Cochrane Database of Systematic Reviews, 4, CD004690.

Leeden, A.J.M. van der, Widenfelt, B.M. van, Leeden, R. van der, Liber, J.M., Utens, E.M., & Treffers, P.D.A. (2011). Stepped Care Cognitive Behavioural Therapy for Children with Anxiety Disorders: A New Treatment Approach.Behavioural Cognitive Psychotherapy, 39, 55-75.

Liber, J.M., Widenfelt, B.M., Van der Leeden, A.J.M., Goedhart, A.W., Utens, E.M. & Treffers, P.D.A. (2010). The relation of severity and comorbidity to treatment outcome with cognitive behavioral therapy for childhood anxiety disorder.Journal of Abnormal Child Psychology, 38, 683-694.

Maric, M., Heyne, D., Widenfelt, B.M. van & Westenberg, M. (2011). Distorted cognitive processing in youth: the structure of negative cognitive errors and their associations with anxiety.Cognitive Therapy Research, 35, 11-20.

McLeod, C., & Matthews, A. (2012). Cognitive bias modification approaches to anxiety. Annual Reviews in Clinical Psychology, 8, 189-217.

Mendlowitz, S. L., Manassis, K., Bradley, S., Scapillato, D., Miezitis, S., & Shaw, B. F. (1999). Cognitive-behavioral group treatments in childhood anxiety disorders: The role of parental involvement.Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 1223-1229.

Muris, P., Field, P.A. (2008). Distorted cognition and pathological anxiety in children and adolescents. Cognition and emotion, 22 (3), 395-421.

Nauta, M.H. (2005).Anxiety Disorders in Children and Adolescents: assessment, cognitive behavioural therapy, and predictors of treatment outcome. Enschede: Febodruk bv. (proefschrift Rijksuniversiteit Groningen).

Nauta, M.H. & Scholing, A. (2011a). A. Anti-angsttechnieken In: P.J.M. Prins, J.D Bosch & C. Braet (Eds.),Methoden en technieken van gedragstherapie. Houten: Bohn Stafleu van Lochum.

Nauta, M.H., Breat, C. & Scholing, A. (2011b). Cognitieve interventies bij kinderen en jongeren. In: S.M. Bögels & P. van Oppen.Cognitieve therapie: theorie en praktijk. Houten: Bohn Stafleu van Lochum

Pina, A.A, Zerr, A.A., Gonzales, N.A & Ortiz, C.D. (2009). Psychosocial interventions for school refusal behavior in children and adolescents.Child Development perspectives, 3, 11-20.

Rapee, R.M., Schniering, C.A., & Hudson, J.L. (2009). Anxiety disorders during childhood and adolescence: origins and treatment.Annual Review of Clinical Psychology, 5, 311-341.

Sauter, F.M., Heyne, D., & Westenberg, P.M. (2009). Cognitive behaviour therapy for anxious adolescents: developmental influences on treatment design and delivery.Clinical Child and Family Psychology Review, 12, 310-335.

Scholing, A. (2002). Gedragstherapeutische en cognitieve interventies bij kinderen met angststoornissen.Kind en Adolescent, 23, 313-336.

Silverman, W.K., Pina, A.A., & Viswesvaran, C. (2008). Evidence-based psychosocial treatments for phobic and anxiety disorders in children and adolescents.Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 37, 105–130.

Spence, S.H., Donovan, C., & Brechman-Toussaint, M. (2000). The treatment of childhood social phobia: The effectiveness of a social skills training-based, cognitive-behavioural intervention, with and without parental involvement.Journal of Child Psychology and Psychiatry, 41, 713-726.

Spielmans, G.I., Pasek, L.F. & McFall, J.P. (2007). What are the active ingredients in cognitive and behavioral psychotherapy for anxious and depressed children? A meta-analytic review.Clinical Psychology Review, 27, 642-654.

Toorn, S.L.M. van der, & Ferdinand, R.F. (2004). Angststoornissen bij kinderen: welke psychosociale behandeling is bewezen effectief? Tijdschrift voor psychiatrie, 46, 167-177.

Verhulst, F.C. (2006). Leerboek kinder- en jeugdpsychiatrie. Assen: Van Gorcum.

Walter, D., Hautmann, C., Rizk, S., Petermann, M., Minkus, J., Sinzig, J., et al. (2010). Short term effects of inpatient behavioral treatment of adoleschents with anxious-depressed school absenteeism: an observational study.European Child Adolescent Psychiatry, 19, 835-844.

Wippo, E. & Güldner, M. Praten op school, een kwestie van doen. Kinderen met selectief mutisme. Een handleiding voor de behandelaar.Kind en Adolescent Praktijk, 2, 16-23.

Meer lezen
Boer, F. (2011).Angst bij kinderen. Tielt: Uitgeverij Lannoo.

Creswell, C., & Cartwright-Hatton, S. (2007). Family treatment of child anxiety: outcomes, limitations and future directions.Clinical Child and Family Psychology Reviews, 10, 232-252.

James, A., Soler, A., & Weatherall, R. (2005). Cognitive behavioural therapy for anxiety disorders in children and adolescents.The Cochrane Database of Systematic Reviews, 4, CD004690.

Kearney, C.A. (2002). Identifying the function of school refusal behavior: a revision of the School Refusal Assessment Scale. Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment, 24, 235-245.

Murray, L., Creswell, C., & Cooper, P.J. (2009). The development of anxiety disorders in childhood: an integrative review.Psychology Review, 38, 1413-1423.

Nauta, M.H., Scholing, A., Emmelkamp, P. M.G., & Minderaa, R.B. (2003). Cognitive-behavioral therapy for children with anxiety disorders in a clinical setting: No additional effect of a parent training.Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry,42, 1270-1278.

Ollendick, T.H., & March, J.S. (eds.) (2004).Phobic and Anxiety Disorders in children and adolescents; a clinician’s guide to effective psychosocial and pharmacological interventions. New York: Oxford University Press.

Scheeringa, M.S., Peebles, C.D., Cook, C.A., & Zeanah, C.H. (2001). Toward establishing procedural, criterion, and discriminant validity for PTSD in early childhood.Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 52-60.

Silverman, W.K., & Treffers, Ph.D.A. (eds.) (2001).Anxiety disorders in children and adolescents. Research, assessment and intervention. Cambridge: Cambridge University Press.

Terug naar boven

Medicatie bij angst

Cognitieve gedragstherapie (CGT) is bij angststoornissen de behandeling van eerste keus.

Wanneer CGT geen of onvoldoende effect heeft, kan tijdelijk farmacologische behandeling met een serotonineheropname remmer (SSRI) overwogen worden bij voortzetting van psychosociale behandeling.

Het wordt aanbevolen om te starten met een lage dosering en de bijwerkingen te monitoren. (JAACAP, 2007) Voor dosering van SSRI's, zie SSRI's in het formularium.
Benzodiazepine-agonisten dienen bij voorkeur niet gebruikt te worden.
Het voorschrijven van SSRI's bij angststoornissen aan kinderen en jeugdigen is vooralsnog 'off label'. De verwachting is dat eind 2011 van de NVvP een protocol over off label voorschrijven van SSRI's bij kinderen en jeugdigen zal verschijnen. Alleen wanneer het off labelmiddel niet is opgenomen in de richtlijn van de beroepsgroep wordt geadviseerd een verklaring te laten tekenen.

Flowchart farmacotherapie*

Angst Medicatie Flowchart

*Noot: Afgeleid uit Kinder- en Jeugdpsychiatrie (2007) F. Verheij, F.C. Verhulst, R.F. Ferdinand, Van Gorcum, Assen

Terug naar boven

Beknopte omschrijving van de problematiek

De volgende angststoornissen worden beschreven in de DSM-5: separatieangststoornis, gegeneraliseerde angststoornis, sociale-angststoornis, paniekstoornis, agorafobie, specifieke fobie, angststoornis door een middel/medicatie, selectief mutisme. De validiteit van deze angststoornissen als op zich staande stoornissen is (sinds de introductie van de DSM-III in 1980) een onderwerp van discussie. Een belangrijk element hierbij is het gegeven dat de meeste kinderen en jeugdigen met een angststoornis nog één of meer angststoornissen hebben. Vaak hebben kinderen met een angststoornis last van somatische klachten zoals hoofdpijn en buikpijn (JAACAP, 2007). Voor meer informatie, zie de beschrijving over angst. De angststoornis door een middel/medicatie en selectief mutisme worden hier niet besproken. In het kennisdossier problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit is informatie terug te vinden over de behandeling van verslaving. Bij een angststoornis door alcohol of drugs neemt de angst meestal af wanneer de verslaving wordt behandeld.

Terug naar boven

Effectiviteit

De effectiviteit van SSRI's worden in verschillende onderzoeken aangetoond. Er is echter nog te weinig wetenschappelijk informatie beschikbaar over de effectiviteit tussen de verschillende middelen om een keuze te maken tussen de SSRI's. De keuze wordt vaak gebaseerd op bijwerkingen profiel, duur werkzaamheid en positieve respons op een bepaalde SSRI bij een eerstelijns familielid (JAACAP, 2007). Hieronder wordt een overzicht gegeven van belangrijke onderzoeken naar SSRI's in de behandeling van angststoornissen. Rynn (2001) onderzocht de werkzaamheid van sertraline bij kinderen en adolescenten met een gegeneraliseerde angststoornis in een kleinschalig onderzoek. In dit placebo gecontroleerde onderzoek bleek dat sertraline effectief en veilig was. De Research Unit on Pediatric Psychopharmacology Anxiety Study Group deed in 2001 een placebo-gecontroleerde onderzoek naar de werkzaamheid van fluvoxamine bij kinderen en adolescenten met een sociale fobie, een separatieangststoornis en/of gegeneraliseerde angststoornis. In dit onderzoek bleek dat fluvoxamine effectief was bij deze angststoornissen. Echter acht procent van de kinderen (fluvoxamine groep) stopte met de studie als gevolg van de bijwerkingen (sedatie, somatische klachten of hyperactiviteit). Birmaher 2003 voerde een onderzoek uit naar de werkzaamheid van fluoxetine bij kinderen en adolescenten met een sociale fobie, een separatieangststoornis en/of gegeneraliseerde angststoornis waaruit bleek dat fluoxetine effectief was. De RCT van Beidel 2007 rapporteerde ook dat de behandeling met fluoxetine effectief was bij kinderen met sociale fobie ten opzichte van placebo (RR 5.16, 95%CI: 1.23, 21.59). Wagner et al. (2004) onderzocht de werkzaamheid van paroxetine bij sociale fobie bij kinderen en adolescenten. Uit dit placebo-gecontroleerd onderzoek bleek dat paroxetine effectief was. Twee open extensie-onderzoeken (met fluvoxamine en fluoxetine) suggereren dat het zinvol kan zijn een SSRI ook na de acute fase nog een tijd lang voor te schrijven (Research Unit on Pediatric Psychopharmacology Anxiety Study Group 2002; Clark 2005). De review van Ipser (2009) richtte zich op de medicamenteuze behandeling van kinderen met angststoornissen en is afkomstig van de Cochrane Database of Systematic Reviews. Medicatie door middel van SSRI's had geen waarneembaar effect op de mate van comorbide depressie bij kinderen met angststoornissen (Ipser, 2009). De RCT van Rynn 2007 concludeerde dat extended-release venlafaxine een effectieve behandeling is voor kinderen met gegeneraliseerde angststoornis (RR 1.44, 95%CI: 1.19 – 1.75) (Rynn, 2007; Ipser, 2009). Echter in deze RCT is het niet duidelijk hoe de randomisatieprocedure en blindering (inclusie, patiënten, behandelaars, beoordelaars) zijn uitgevoerd. Er is nog geen placebo-gecontroleerd onderzoek verricht bij kinderen en adolescenten met een paniekstoornis. Dit zal onder andere verband houden met de lage prevalentie van deze stoornis bij deze leeftijdsgroep. In de klinische praktijk worden hierbij, als CGT ontoereikend is, ook wel SSRI's voorgeschreven. Evenmin is placebo-gecontroleerd onderzoek verricht bij kinderen en adolescenten met een enkelvoudige fobie.

Belangrijke informatie

Veiligheid: Vanaf 2003 is zorg ontstaan over het verhoogd risico op een aantal psychiatrische bijwerkingen zoals suïcidaliteit, automutilatie en vijandigheid. Het is aannemelijk dat deze discussie ook voor kinderen met andere internaliserende stoornissen dan depressie gevoerd moet worden. Wel is belangrijk om te vermelden dat de waarschuwing betreffende SSRI's is gebaseerd op onderzoeken uitgevoerd bij kinderen met als primaire diagnose depressie en dus niet bij angststoornissen (JAACAP, 2007). De fabrikant raadt af paroxetine en venlafaxine voor te schrijven bij kinderen. Bijwerkingen: Het kan moeilijk zijn om de bijwerkingen te onderscheiden van de symptomen van de behandelde stoornis, bijvoorbeeld in geval van nervositeit bij een angstige adolescent. Voor het verminderen van onttrekkingsverschijnselen, wordt aangeraden de medicatie "uit te sluipen" bij het staken van een SSRI. Zie verder de tekst over bijwerkingen van SSRI's. Toepasbaarheid: Systematisch onderzoek naar de werkzaamheid van SSRI's bij kinderen en adolescenten met angststoornissen met comorbiditeit is nog niet verricht. Over de veiligheid en werkzaamheid van SSRI's bij kinderen die jonger zijn dan zes jaar zijn geen gegevens beschikbaar.
Terug naar boven

Andere middelen

Effectiviteit

Onder overige middelen vallen benzodiazepine-agonisten, buspiron en tricyclische antidepressiva (TCA's). Naar de werkzaamheid van benzodiazepine-agonisten is geen dubbelblind gerandomiseerde onderzoek verricht. De werkzaamheid van buspiron is uitsluitend in open onderzoeken onderzocht. Ook voor TCA's is niet voldoende bewijs over de werkzaamheid bij angststoornissen. Mede op grond van het ongunstige bijwerkingenprofiel dienen TCA's niet voorgeschreven te worden bij kinderen en jeugdigen met angststoornissen.

Onderzoek TCA's bij angststoornissen

Bernstein (2000) onderzocht 63 schoolweigeraars in de adolescentie bij wie sprake was van een angststoornis en depressie. Bij deze groep werd de werkzaamheid van een combinatie van CGT met imipramine vergeleken met CGT met placebo. Bij de groep die CGT/imipramine aangeboden kreeg nam de aanwezigheid op school significant toe, bij de CGT/placebogroep niet. Bij follow-up van een deel van de onderzoeksgroep een jaar later bleken de groepen niet te verschillen ten aanzien van het voorkomen van angststoornissen en depressieve stoornissen (Bernstein 2001). Er worden geen gegevens vermeld over schoolbezoek ten tijde van de follow-up. Dit onderzoek biedt om meerdere redenen onvoldoende evidentie van de werkzaamheid van TCA's in geval van angststoornissen. Een reden is dat het gaat om een groep adolescenten met een comorbide angststoornis en stemmingsstoornis. Een andere reden is dat in feite de werkzaamheid van een TCA met CGT wordt onderzocht.

Terug naar boven

Beschikbare evidence tabellen van deze artikelen.

Beidel, D.C., Turner, S.M., Sallee, F.R., Ammerman, R.T., Crosby, L.A., & Pathak, S. (2007). SET-C versus fluoxetine in the treatment of childhood social phobia. Journal of the American Academy of CHild and Adolescent Psychiatry, 46, 1622-1632.

Bernstein, G.A., Borchardt, C.M., Perwien, A.R., Crosby, R.D., Kushner, M.G., Thuras, P.D., et al. (2000). Imipramine plus cognitive-behavioral therapy in the treatment of school refusal. Journal of the American Academy of CHild and Adolescent Psychiatry, 39, 276-383.

Bernstein, G.A., Hektner, J.L., Borchardt, C.M., & McMillan, M.H. (2001). Treatment of school refusal: one-year follow up. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 206-213.

Birmaher, B., Axelson, D.A., Monk, K., Kalas, C., Clark, D.B., Ehmann, M., et al. (2003). Fluoxetine for the treatment of childhood anxiety disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 415-23.

Dieleman, G.C., & Ferdinand, R.F. (2008). Farmacotherapie bij sociale fobie, gegeneraliseerde angststoornis en separatieangststoornis bij kinderen en adolescenten. Tijdschrift voor Psychiatrie, 50, 43-53.

Hidalgo, R.B., Tupler, L.A., & Davidson, J.R. (2007). An effect-size analysis of pharmacologic treatments for generalized anxiety disorder. Journal of Psychopharmacology, 21, 864-872.

Ipser, J.C., Stein, D.J., Hawkridge, S., & Hoppe, L. (2009). Pharmacotherapy for anxiety disorders in children and adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews, 3, CD005170.

Reinblatt, S.P., DosReis, S., Walkup, J.T., & Riddle, M.A. (2009). Activation adverse events induced by the selective serotonin reuptake inhibitor fluvoxamine in children and adolescents. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 19, 119-126.

Research Unit on Pediatric Psychopharmacology Anxiety Study Group. (2001). Fluvoxamine for the treatment of anxiety disorders in children and adolescents. New England Journal of Medicine, 344, 1279-1285.

Research Unit on Pediatric Psychopharmacology Anxiety Study Group. (2002). Treatment of pediatric anxiety disorders: an open-label extension of the Research Units on Pediatric Psychopharmacology anxiety study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 12, 175-188.

Rynn, M.A., Riddle, M.A., Yeung, P.P., & Kunz, N.R. (2007). Efficacy and safety of extended-release venlafaxine in the treatment of generalized anxiety disorder in children and adolescents: two placebo-controlled trials. American Journal of Psychiatry, 164, 290-300.

Rynn, M.A., Siqueland, L., & Rickles, K. (2001). Placebo-controlled trial of sertraline in the treatment of children with generalized anxiety disorder. American Journal of Psychiatry, 158, 2008-2014.

Verbeek, E.J., Helfrich, E., & Kalverdijk, L.J. Off-label gebruik van geneesmiddelen in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Psyfar, 4, 12 -19.

Wagner, K.D., Berard, R., Stein, M.D., Wetherhold, E., Carpenter, D.J., Perera, P., et al. (2004). A multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled trial of paroxetine in children and adolescents with social anxiety disorder. Archives of General Psychiatry, 61,1153-1162.

Walkup, J.T., Albano, A.M., Piacentini, J., Birmaher, B., Compton, S.N., Sherrill J.T., et al. (2008). Cognitive behavioral therapy, sertraline, or a combination in childhood anxiety. New England Journal of Medicine, 359, 2753-2766.

White, S.W., Oswald, D., Ollendick, T., & Scahill, L. (2009). Anxiety in children and adolescents with autism spectrum disorders. Clinical Psychology Reviews, 29, 216-229.

Terug naar boven

Expertgroep angst

De tekst over Angststoornissen is in 2011 tot stand gekomen met dank aan de expertgroep:

  • Max Güldner, klinisch psycholoog en psychotherapeut, De Bascule
  • Else de Haan, bijzonder hoogleraar Cognitieve Gedragstherapie, AMC; Psycholoog en psychotherapeut, De Bascule
  • David Heyne, associate professor Ontwikkeling en Onderwijspsychologie, Rijksuniversiteit Leiden
  • Josine van Hamersveld, directeur Angst, Dwang, Fobie Stichting
  • Erwin Kluwer, gezondheidspsycholoog, De Jutters
  • Ingeborg Lindhout, kinder- en jeugdpsychiater, chef de clinique van jeugdafdeling voor opname en observatie, Triversum
  • Maaike Nauta, gedragstherapeut, gz-psycholoog, Accare
  • Nicole van Remortele, klinisch psycholoog, GGZ Breburg

Naast de bovengenoemde experts en ervaringsdeskundige, gaat onze dank uit naar allen die hebben bijgedragen door het maken van waardevolle opmerkingen, het geven van interviews:

  • Susan Bögels, hoogleraar orthopedagogiek, Universiteit van Amsterdam

Versie 2006:

  • Frits Boer, kinder- en jeugdpsychiater, emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, AMC
  • Sophie Borst, klinisch psycholoog, Curium-LUMC
  • Catrien Reichart, kinder- en jeugdpsychiater, Curium-LUMC
  • Marike Serra, senior adviseur, Accare; University Centre for Child and Adolescent Psychiatry
  • Bart Siebelink, kinder- en jeugdpsycholoog, Curium-LUMC
  • Flip Treffers, emeritus-hoogleraar kinder- en jeugdpscyhiatrie, LUMC; voormalig medisch directeur Curium-LUMC
Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close