Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Gedragsstoornissen (ODD/CD) bij kinderen en adolescenten

Hieronder vind je betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van gedragsstoornissen (ODD/CD) bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten over ODD en CD in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heb je suggesties? Deze kun je doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving ODD/CD

Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven
Terug naar boven

Diagnose ODD/CD

Terug naar boven
Terug naar boven

www.aseba.nl.

CBCL/1½-5 (Achenbach & Rescorla, 2000; Verhulst & Van der Ende, 2000)
Beschrijving: De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 1½-5 jaar (CBCL/1½-5, Child Behavior Checklist for Ages 1½-5) is een vragenlijst waarop ouders, andere familieleden of volwassenen die een kind goed kennen vragen kunnen beantwoorden over gedrag, moeilijkheden en goede dingen van een kind. De score op de probleemschaal Agressief Gedrag kan gebruikt worden zowel als screening voor ODD/CD (zie voor uitgebreidere beschrijving stuk Centrale Werkgroep Diagnostiek) als voor klinische doeleinden (situering van het oordeel binnen normale, borderline dan wel klinische gebied).
Beschikbaarheid: www.aseba.nl.

YSR (Achenbach & Rescorla, 2000; Verhulst & Van der Ende, 2000)
Beschrijving: De Zelf in te Vullen Vragenlijst voor 11-18 jarigen (YSR, Youth Self-Report for Ages 11-18) is een vragenlijst waarop jongeren vragen over zichzelf kunnen beantwoorden over vaardigheden en emotionele en gedragsproblemen. Veel van deze vragen zijn hetzelfde als op de CBCL/6-18, aangevuld met veertien sociaal wenselijke vragen waarop de meeste jongeren positief antwoorden. De score op de probleemschaal Agressief Gedrag kunnen worden gebruikt als screening voor ODD/CD (zie voor uitgebreidere beschrijving stuk Centrale Werkgroep Diagnostiek), maar ook voor klinische doeleinden (situering van het oordeel binnen normale, borderline dan wel klinische gebied).
Beschikbaarheid: www.aseba.nl.

TRF (Achenbach & Rescorla, 2000; Verhulst & Van der Ende, 2000)
Beschrijving: De Gedragsvragenlijst voor kinderen, Informatie Leerkracht (TRF, Teacher’s Report Form for Ages 6-18, ages 1½-5) is een vragenlijst waarop leerkrachten vragen kunnen beantwoorden over schoolwerk, functioneren en emotionele en gedragsproblemen. Ook kunnen leerkrachten scores op schoolvorderingstoetsen en intelligentietests vermelden. De TRF omvat 118 probleemvragen waarvan 93 ook in de CBCL/6-18 voorkomen. De andere vragen gaan over gedrag dat ouders niet goed kunnen waarnemen, zoals: vindt het moeilijk om aanwijzingen op te volgen, stoort andere leerlingen, veroorzaakt onrust in de klas. De scores op de probleemschalen Normafwijkend en Agressief Gedrag kunnen worden gebruikt als screening voor ODD/CD bij de kinderen van 6-18, de score op de schaal Agressief Gedrag kan worden gebruikt bij de screening van kinderen jonger dan 6 (zie voor uitgebreidere beschrijving stuk Centrale Werkgroep Diagnostiek) maar ook voor klinische doeleinden (situering van het oordeel binnen normale, borderline dan wel klinische gebied).
Beschikbaarheid: www.aseba.nl.

Diagnostiek

DISC-IV-C en P (Shaffer e.a., 2000; Nederlandse vertaling Ferdinand en Van der Ende) is een gestructureerd interview af te nemen bij de ouders of de jeugdige. Afhankelijk van het doel binnen het onderzoek kan men zich beperken tot de ODD en CD modulen, dan wel modulen van co-morbide stoornissen meenemen.

K-SADS: zie andere stoornissen

DAWBA (Diagnostic and Well Being Assessment)

Overzicht van aanbevolen instrumenten in dit protocol

Screening Diagnostiek
Interview DISC
K-SADS
K-DBDs
DB-DOS
PICS-NL
Vragenlijst CBCL 1½ - 5 jaar / CBCL 6-18 jaar
YSR
TRF
Terug naar boven

Behandeling ODD/CD

>> Meer lezen bij het NJi

Minder Boos en Opstandig

‘Minder boos en opstandig’ helpt kinderen (8-12 jaar) met een gedragsstoornis (eventueel met co-morbiditeit ADHD en leerstoornissen), en hun ouders. Het programma laat negatief probleemgedrag afnemen en pro-sociaal gedrag toenemen.

>> Meer lezen bij het NJi

MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT)

‘MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT)’ richt zich op vier domeinen in het leven van een jongere: de jongere en zijn problemen, de ouders van de adolescent, het gezin en de familie als geheel, en voor de jongere belangrijke externe systemen, zoals peergroep, school, werk en mogelijk politie en justitie.

>> Meer lezen bij het NJi

Multisysteem Therapie (MST)

‘Multi-systeem therapie (MST)’ is bedoeld voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar met ernstig antisociaal gedrag die gesloten uithuis geplaatst zijn of dreigen te worden en voor hun gezin.

>> Meer lezen bij het NJi

Parent-Child Interaction Therapy (PCIT)

‘Parent-Child Interaction Therapy (PCIT)’ vermindert gedragsproblemen bij het kind en verlaagt bij de ouders door de opvoedingsvaardigheden te vergroten en de kwaliteit van ouder-kind relatie te verbeteren.

>> Meer lezen bij het NJi

Parent Management Training Oregon (PMTO)

Tijdens de ‘Parent Management Training Oregon model (PMTO)’ ouders van kinderen (4-12 jaar) met ernstige externaliserende gedragsproblemen (ODD/CD), vaak in combinatie met ADHD effectieve opvoedingsvaardigheden toe te passen.

>> Meer lezen bij het NJi

Relationele gezinstherapie (RGT)

‘Relationele gezinstherapie (RGT)’ is een behandelmethode die onderlinge gezinsrelaties positief beïnvloedt en gedragsproblemen van de jeugdige vermindert.

>> Lees meer bij het NJi

'Triple P, niveau 4' en 'Triple P, niveau 5'

‘Triple P’ richt zich op de preventie van (ernstige) emotionele en gedragsproblemen bij kinderen (2-16 jaar) door de versterking van de pedagogische vaardigheden bij de ouders.

>> Meer lezen bij het NJi

Zelfcontrole

‘Zelfcontrole’ versterkt kinderen in sociale situaties waarbij zij minder gedragsproblemen vertonen, meer zelfcontrole hebben, minder impulsief zijn en betere sociaal-cognitieve vaardigheden laten zien.

>> Lees meer over Zelfcontrole

Terug naar boven
Terug naar boven

Medicatie ODD en CD

atomoxetine.
Hoewel het effect van risperidon op agressief gedrag overtuigend is aangetoond, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn in het starten van farmacotherapie met risperidon vanwege de onzekerheid over ongunstige lange termijn effecten en de mogelijke bijwerkingen.

Als al gestart wordt, dan wordt het bij voorkeur tijdelijk voorgeschreven. Wanneer ernstige openlijke agressieve symptomen bij het staken van risperidon opnieuw voorkomen, wordt aanbevolen om een nieuwe zorgvuldige afweging te maken met eventueel herbeoordeling (diagnostiek) en heroverweging van nieuwe (gedrags/gezins/systeem) therapeutische methoden.

Flowchart behandeling en medicatie bij gedragsstoornissen ODD-CD

Terug naar boven
Terug naar boven

atomoxetine dat de afname van de ODD symptomen sterk samenhing met de afname van de ADHD symptomen.

Een studie van Jensen et al. (2001) bij kinderen in de schoolleeftijd met ODD of CD en een studie van Greenhill et al. (2006) bij kleuters met ODD tonen dat het effect van methylfenidaat op ADHD symptomen gelijk blijft in geval van comorbiditeit met ODD of CD. Ten tweede bleek uit de studie van Jensen et al. (2001) ook een duidelijk positief effect van methylfenidaat op oppositionele en agressieve symptomen.

Klein e.a. (1997) onderzochten kinderen en adolescenten met CD, waarvan 2/3 ook ADHD had. Hieruit bleek een duidelijk effect van methylfenidaat op antisociaal gedrag, onafhankelijk van ADHD symptomen.

Uit het onderzoek van Gadow e.a. (2008) bij kinderen met ADHD en een chronische ticstoornis met of zonder ODD, bleek methylfenidaat een effect te hebben op ODD symptomen.

Conner e.a. (2002) hebben een meta-analyse van 28 studies uitgevoerd naar het effect van psychostimulantia op agressief gedrag bij kinderen met primair ADHD. Naast de positieve effecten van deze medicatie op ADHD is er ook een positief effect gevonden van deze medicatie op agressief gedrag dat gerelateerd is aan ADHD. Stimulantia bleken een groot effect te hebben op openlijke (overte) agressie (effectgrootte .83) en een matig groot effect op heimelijke (coverte) agressie (effectgrootte .69). In studies bij kinderen met primair ADHD werd het effect op openlijke agressie minder naarmate vaker ODD of CD voorkwam.

Bovengenoemde studies hadden betrekking op de kortwerkende vorm van methylfenidaat of een ander kortwerkend psychostimulans. In de studie van Sinzig e.a. (2007) werd het effect van een lang-werkend methylfenidaat op ODD en CD symptomen onderzocht bij kinderen en adolescenten met ADHD van wie 58% ODD of CD had. Behalve een effect op ADHD symptomen werkte dit ook bij symptomen van ODD en CD. De effect size voor agressief gedrag ’s morgens op school, gerapporteerd door de leraren, was groot (d = 1,0) , maar de effect size voor agressief gedrag ‘s middags, gerapporteerd door de ouders, was lager (d = 0,4). De effect size voor ernstiger agressie symptomen was ook lager.

Concluderend zijn er voldoende aanwijzingen om te stellen dat psychostimulantia effectief zijn bij de behandeling van ODD en CD als comorbiditeit met ADHD wordt vastgesteld of als er veel symptomen van ADHD voorkomen (Turgay e.a., 2009; Matthys & Lochman, 2018).

Belangrijke informatie

Bijwerkingen

De meest voorkomende bijwerkingen (10-15%) zijn inslaapproblemen, eetlustvermindering, hoofdpijn, maagpijn en prikkelbaarheid in placebogecontroleerde studies (Barkley e.a, 1990). Sommige kinderen ontwikkelen tics.

Gebruiksgemak

Van methylfenidaat zijn meerdere formuleringen met verschillende werkingsduren op de Nederlandse markt beschikbaar. Dexamfetamine werkt ongeveer 4-6 uur.

Toepasbaarheid

Methylfenidaat kan van "6 tot 80 jaar" worden voorgeschreven. Het wordt tegenwoordig ook aan kinderen jonger dan 6 jaar voorgeschreven met goed effect. Dit dient wel ingesteld te worden door een ervaren kinder- en jeugdpsychiater of kinderarts. Methylfenidaat is minder werkzaam bij kinderen met een lagere intelligentie.

Overige farmacotherapeutische overwegingen

In het International Consensus Statement on attention deficit hyperactivity disorder (ADHD) and disruptive behaviour disorders (DBDs) (Kutcher e.a., 2004) wordt geadviseerd zowel een lang- en/of kortwerkend stimulantium (methylfenidaat of dexamfetamine) te proberen bij ADHD met CD. De ervaring leert dat sommige kinderen niet op het ene, maar wel op het andere preparaat goed reageren. De slow-release preparaten worden thans (2009) door de meeste verzekeraars slechts voor een klein deel vergoed. Uit klinische ervaring blijkt dat de werking en bijwerkingen verschillen tussen methylfenidaat en Ritalin®. Bij het preparaat op stofnaam kan de hoeveelheid werkzaam middel per tablet meer variëren dan bij de merknamen. Bovendien kunnen er andere vulmiddelen bij het preparaat zijn gevoegd, waarvoor men overgevoelig kan zijn.

Niet-medicamenteuze aspecten

Het effect van stimulantia kan gemeten worden met vragenlijsten m.b.t. ADHD. De Revised Conners Teacher Rating Scale (CTRS-R), (Conners, 1997b) voor leerkrachten heeft ook vragen m.b.t. ODD/CD, evenals de vragenlijst voor ouders (Revised Conners Parent Rating Scale CPRS-R (Conners, 1997a). De SNAP IV lijst is zowel een categorisch als dimensionele schaal voor ouders en leerkrachten en meet op een 4 puntsschaal de ernst van ADHD en ODD/CD symptomen. De lijst bestaat uit 90 items, maar is ook in verkorte versie te gebruiken (Swanson, 1995).

>> Lees meer over methylfenidaat in het Kinderformularium

>> Lees meer over diagnostiek bij ADHD

Terug naar boven

clonidine op ODD/CD symptomen of agressie symptomen is niet overtuigend aangetoond. Allereerst bleek uit een meta-analyse van 11 dubbelblind, gecontroleerde en gerandomiseerde studies tussen 1980-1999 dat clonidine een matig effect heeft op ADHD symptomen (effect size van .58 ) bij kinderen met ADHD al dan niet met CD, ontwikkelingsachterstand en tics (Conners e.a., 1999). Verder lieten enkele open studies een effect van clonidine op agressie zien (Kemph e.a., 1993; Schvela e.a., 1994; Comings e.a., 1990). Ook bleek uit een kleine, gerandomiseerde studie zonder placebo conditie dat zowel clonidine, methylfenidaat als de combinatie van beide een effect had op aandachtstekorten, impulsiviteit en ODD/CD symptomen bij kinderen en adolescenten met ADHD en ODD/CD (Connor, Barkley & Davis, 2000).

Belangrijke informatie

Veiligheidsaspecten

Bij tot op heden ongeveer 14 gebruikers van atomoxetine (van de ruim 2 miljoen) zijn reversibele leverfunctiestoornissen gevonden. Geadviseerd wordt atomoxetine in dat geval niet meer te hervatten. Atomoxetine dient nooit samen met een MAO-remmer of korter dan 2 weken na het staken van een MAO-remmer gebruikt te worden. Glaucoom is een contra-indicatie voor het gebruik van atomoxetine. Zeer sporadisch worden in klinische onderzoeken bij kinderen suïcidale gedachten, zelfs eenmaal een suïcidepoging gerapporteerd. Het percentage is echter nauwelijks hoger dan in de placebo groep. Men moet als clinicus hier wel navraag naar doen en ouders goed informeren.

Bij clonidine zijn orthostatische hypotensie en cardiale arithmieën beschreven. Voor de behandeling moeten eventueel bestaande cardiale problemen (tensie of ritme) bij het kind of in de familie worden uitgevraagd. Controle van bloeddruk en pols (frequentie en regelmatigheid) is aangewezen, vooraf en gedurende de behandeling. De systolische en diastolische bloeddruk daalt bij clonidine ongeveer 10 mm Hg, dit heeft echter geen klinische relevantie. Klachten die optreden bij lichamelijke inspanning dienen echter goed uitgezocht te worden. Bij twijfel over de cardiovasculaire toestand is een ECG aangewezen. Indien er cardiovasculaire problemen zijn wordt er geadviseerd een cardioloog te raadplegen (zie ook advies Kinderformularium). Contra-indicaties voor het gebruik van clonidine zijn ernstige depressie, cardiale arithmie vb sick sinus syndroom. Bij nierinsufficiëntie dient overdosering in de gaten gehouden te worden (Taylor e.a., 2004). Cantwell e.a. (1997) beschreef ernstige bijwerkingen bij 4 kinderen die met clonidine werden behandeld i.v.m. ADHD. Een van hen overleed aan een insult gekoppeld aan een activiteit, hetgeen gerelateerd werd aan clonidine gebruik. Verlenging van PR en QT interval is gevonden. Het is niet duidelijk of dit al dan niet samenhangt met clonidine gebruik (Conner e.a., 1999 en 2000).

Clonidine moet nooit plots gestopt worden. Het moet altijd worden afgebouwd om rebound hypertensie en tics te voorkomen. (Taylor e.a. 2004; Newcorn e.a., 2003). Hunt e.a. (1990) stellen dat als clonidine slechts 1 week is gebruikt het wel direct gestaakt kan worden. Als het tussen 1-4 weken is gebruikt, wordt geadviseerd met 0,05 mg per dag af te bouwen. Als het meer dan 4 weken is gebruikt met 0,05 mg om de derde dag.

Bijwerkingen

In geval van sedatie wordt geadviseerd het middel ’s avonds te nemen. In geval van eetlustvermindering en/of gastro-intestinale bijwerkingen (braken, misselijkheid, buikpijn, diarree, obstipatie) wordt geadviseerd het middel tijdens een (vette) maaltijd te nemen of in twee doseringen per dag.

Gebruiksgemak

Atomoxetine is vanaf 16 december 2004 geregistreerd in Nederland voor ADHD bij kinderen en adolescenten en voor volwassenen die als adolescent goed gereageerd hebben op atomoxetine. Het is dus niet geregistreerd voor behandeling van ODD/CD met comorbiditeit van ADHD. De kosten bedragen ongeveer euro 3,10 euro per capsule. De capsules kunnen eenmaal daags in de ochtend en/of de avond (bij sedatie) geslikt worden. Eventueel in 2 doseringen bij bijvoorbeeld gastro-intestinale bijwerkingen. De kosten zullen dan verdubbelen. Effect van atomoxetine wordt na ongeveer 4 weken waargenomen en kan zelfs tot na 9 weken nog toenemen (product informatie Lilly). Er bestaan capsules van 10, 18, 25, 40, 60, 80 en 100 mg. Soms moet men gezien het gewicht 2 capsules slikken. Dit maakt de behandeling dan erg kostbaar als het niet vergoed wordt.

Clonidine dient over 2-4 weken te worden opgebouwd naar een dosering van 3-5 microgram per kg per dag, verdeeld over 2 doseringen per dag (ochtend/avond). Geadviseerd wordt de dosering nooit met meer dan 0,05 mg per dag te verhogen per 3 dagen (Newcorn e.a., 2003). Het effect kan geëvalueerd worden als er 6 weken een adequate dosis is gegeven (Taylor e.a. 2004).

Toepasbaarheid

Er zijn geen gegevens bekend over atomoxetine bij kinderen onder de 6 jaar bij ADHD alleen.
Onderzoek bij atomoxetine was bij kinderen met IQ >80 (Newcorn e.a., 2005). Bij clonidine zijn de bekende onderzoeken niet gedaan voor jonge kinderen onder 6 jaar en er is geen onderzoek bekend naar effect van clonidine op ODD/CD en ADHD bij kinderen functionerend op zwakbegaafd of lager niveau (Aman e.a., 2003).

Overige farmacotherapeutische overwegingen

Uit klinisch ervaring komt naar voren dat clonidine minder effectief is dan methylfenidaat. Het heeft met name effect op hyperactiviteit.

Niet-medicamenteuze aspecten

Klinische ervaring leert dat het bij kinderen die gevoelig zijn voor prikkelbaarheid of ontremming op medicatie soms nodig is de dosis langzamer op te hogen dan wordt geadviseerd. In enkele gevallen moet atomoxetine gestaakt worden vanwege bijwerkingen als prikkelbaarheid, stemmingsschommelingen, affectlabiliteit of huidreacties. In de studie van Newcorn e.a. (2005) is gebruik gemaakt van de CGI-ADHD-S (Clinical Global Impressions of Severity, gericht op ernst van ADHD), verkorte Conners lijst voor ouders, CHQ (Child Heallth Questionnaire) voor evaluatie van het effect van medicatie. De onder methylfenidaat genoemde lijsten kunnen worden gebruikt bij evaluatie van het medicatie effect. Dit dient dan over meerdere weken gedaan te worden omdat het medicatie effect enkele weken op zich laat wachten.

Terug naar boven

risperidon onderzocht. Risperidon is effectief gebleken bij jongeren met ADHD en ODD of CD. Findling e.a. (2000) vond in een dubbelblinde studie met 20 kinderen met CD een vermindering van agressie bij risperidon gebruik. Ook in studies van Aman e.a. (placebo-gecontroleerd, 2002), Turgay e.a. (open label, gevolgd door dubbel blinde opzet, 2002) en Findling e.a. (dubbelblind, 2002 a) wordt een positief effect gezien op gedrag van kinderen met ADHD en ODD of CD. Ercan e.a. (2003) toonde in een 8 weken durende open label studie aan dat er verbetering optrad in aandachtstekort, impulsiviteit/hyperactiviteit en ODD of CD symptomen. Ook bij kinderen met een beneden gemiddelde intelligentie en ODD of CD (Snyder e.a., 2002) en bij adolescenten met beneden gemiddelde intelligentie en ernstige vormen van agressief gedrag (Buitelaar e.a., 2001) werd een effect van risperidon op agressief gedrag vastgesteld.

Hoewel het effect van risperidon op agressief gedrag overtuigend is aangetoond, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn in het starten van farmacotherapie met risperidon vanwege de onzekerheid over ongunstige lange termijn effecten en de mogelijke bijwerkingen (zie onder). Als al gestart wordt, dan wordt het bij voorkeur tijdelijk voorgeschreven. Wanneer ernstige openlijke agressieve symptomen bij het staken van risperidon opnieuw voorkomen, wordt aanbevolen om een nieuwe zorgvuldige afweging te maken met eventueel herbeoordeling (diagnostiek) en heroverweging van nieuwe (gedrags/gezins/systeem)therapeutische methoden.

Belangrijke informatie

Prolactine spiegels

Findling e.a. (2002) verzamelde gedurende een jaar gegevens over de prolactinespiegels bij kinderen met CD, die 1,5 mg risperidon per dag gebruikten. Aanvankelijk stegen de prolactinespiegels om na een jaar weer te dalen naar de uitgangswaarden. Prolactinespiegels zouden niet correleren met bijwerkingen gerelateerd aan een verhoogde prolactinespiegel zoals menstruatieproblemen, gynaecomastie of galactorrhoea. In een ander onderzoek naar langdurig gebruik (48 weken) bij kinderen met disruptieve gedragsstoornissen en met zwakbegaafdheid of lichte dan wel matige mentale handicap bleken geen afwijkingen aantoonbaar in lichaamstemperatuur, pols, ademhalingsritme, bloeddruk, ECG, hematologie, urine, groeihormoon en bloedchemie (Findling e.a., 2004). Wel was er een matige stijging van prolactine 4 weken na start, waarna normalisatie optrad. In een ander onderzoek bleek dat een voorbijgaande stijging van prolactine niet samenhing met de groei en seksuele rijping (Dunbar e.a., 2004). Voor de klinische praktijk betekenen deze onderzoeksbevindingen dat ECG en labbepalingen als routine niet vereist zijn, tenzij bij een positieve familiale anamnese voor hartziekten, bij aanwijzingen voor een beginnende diabetes of bij een sterke gewichtstoename (zie onder).

Bijwerkingen

Findling e.a. (2004) vond bij kinderen met een IQ tussen 36-84 als bijwerkingen van risperidon slaperigheid (33%), hoofdpijn (33%), rhinitis (28%), gewichtstoename (21%). Er werden geen bijwerkingen op cognitief gebied waargenomen.

Er bestaan volgens Snyder e.a. (2002), die onderzoek deden bij 110 kinderen met intelligentie op zwakbegaafd niveau die placebo of risperidon (0,02-0,06 mg per kg per dag) kregen een kans op sedatie (41%), verhoogde eetlust (15%), kwijlen (11%), extrapyramidale bijwerkingen (13%). Het verminderen van de agressie in deze groep zou niet gerelateerd zijn aan de mate van sedatie.

In de review van Schur e.a. (2003) worden gewichtstoename, extrapyramidale verschijnselen (doseringen varieerden tussen 1,23-6,6 mg per dag, ook bij andere indicaties), sedatie, hyperprolactinaemie genoemd mn bij hogere doseringen van risperidon.

Mogelijke gevolgen op de lange termijn van het gebruik van atypische antipsychotica zijn onderzocht. Hierin zijn de volgende gevolgen gevonden: verhoogd risico op cardiovasculaire ziekten en diabetes (Overbeek e.a., 2010).

Gebruiksgemak

Risperidon is zowel verkrijgbaar in tablet- als vloeibare vorm en is daarom relatief makkelijk toe te dienen. Een eenmaal geopende fles is beperkt houdbaar. Een eenmaal daagse gift is vaak voldoende. Soms dient de dosering verspreid te worden over de dag i.v.m. sedatie (bijwerking). Risperidon is geregistreerd voor de behandeling van gedragsstoornissen van 5 tot 18 jaar.

Toepasbaarheid

Terughoudendheid is aangewezen bij kinderen jonger dan 6 jaar. Het wordt gegeven aan normaal begaafde, zwakbegaafde en mentaal gehandicapte kinderen en adolescenten. Er zijn geen studies bekend naar effectiviteit van risperidon bij kinderen met ODD/CD en ADHD onder 6 jaar met een normale intelligentie. Risperidon wordt gegeven aan kinderen/adolescenten met een intelligentie op normaal - en zwakbegaafd niveau en mentaal gehandicapte kinderen vanaf 5 jaar met ODD/CD met of zonder ADHD (Aman e.a. 2002, Findling e.a., 2004). Risperidon heeft een positief effect op agressief gedrag bij kinderen, die functioneren op zwakbegaafd-licht mentaal gehandicapt niveau met een oppositionele-opstandige stoornis, een antisociale gedragsstoornis, een gedragsstoornis NAO al dan niet in combinatie met een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (Snyder e.a., 2002). Aman e.a., (2004) concludeert dat risperidon al dan niet in combinatie met een stimulantium een vermindering geeft van disruptief en hyperactief gedrag op de gedragsschalen bij kinderen met een IQ tussen 36 en 84.

Overige farmacotherapeutische overwegingen

De behandeling met risperidon dient zo kort mogelijk te zijn i.v.m. de kans op bijwerkingen en dient elk half jaar/jaar gestopt te worden. Als dit leidt tot ernstige toename van klachten kan er gekozen worden voor een langere tussenperiode. Gestart kan worden onder 50 kg met 0,25 mg eenmaal per dag. Na 4-6 weken kan de dosering bij onvoldoende effect worden verhoogd tot maximaal 0,75 mg per dag. Verhoging dient met stappen van 0,25 mg per week te gebeuren. Bij een gewicht boven 50 kg kan gestart worden met 0,5 mg per dag. Na 4-6 weken kan de dosering bij onvoldoende effect worden verhoogd tot maximaal 1,5 mg per dag. Dit dient met stappen van 0,5 mg per week te gebeuren. Als deze interventies onvoldoende effect hebben, kan over gegaan worden op (dag)klinische behandeling. Er is onvoldoende bekend over de lange termijn effecten en veiligheid van risperidon. Farmacotherapie bij kinderen met ADHD en ODD/CD dient vooral om de symptomen te reduceren en zo de psychosociale interventies te faciliteren. Er dient aandacht te zijn voor de calorie intake bij kinderen die risperidon gebruiken. Geadviseerd kan worden lager calorische voeding te geven, op vaste tijden maaltijden en tussendoortjes aan te bieden en meer te bewegen om gewichtstoename zo veel mogelijk te beperken.

Niet-medicamenteuze aspecten

De vragenlijsten genoemd onder 'methylfenidaat' bij ODD/CD en ADHD kunnen gebruikt worden om symptoomreductie gedurende de behandeling te meten.

>> Lees meer over bijwerkingen bij risperidon en overige antipsychotica bij het Kinderformularium

>> Lees meer over diagnostiek bij ADHD

Terug naar boven

Carbamazepine: Een dubbelblinde studie bij 22 jongeren met CD, solitaire agressieve type, liet geen effect zien van carbamazepine (Cueva e.a., 1996). Ook in een andere studie (Connor et al., 2006) werd geen effect gevonden van carbamazepine vergeleken met het placebo.

Valproaat: In het onderzoek van Donovan e.a (2000) werd aangetoond dat valproaat effectief is voor de beïnvloeding van explosief gedrag en stemmingslabiliteit bij kinderen met ODD/CD (Donovan e.a., 2000). Maar dit onderzoek was niet gecontroleerd. In een andere wel gecontroleerde studie werd dit resultaat niet gevonden. In een gerandomiseerde gecontroleerde klinische trial van Steiner et al. (2003) wordt gesuggereerd dat de verbetering in impulscontrole en zelfbeheersing mogelijk afhankelijk kan zijn van de dosis. De steekproef bestond uit jongens (M=16) die voldeden aan de DSM-IV criteria voor CD met minimaal één strafrechtelijke vervolging.

Guanfacine: Sinds 1 november 2016 Is guanfacine in Nederland geregistreerd voor de behandeling van ADHD. Met betrekking tot de effecten van guanfacine op comorbide ODD/CD beschrijven twee RCT studies kleine (Wilens e.a., 2012) tot matige effecten (Connor e.a., 2010).

Terug naar boven
Terug naar boven

Onderzoek naar ODD en CD

Expertgroep ODD/CD

De tekst over gedragsstoornissen ODD en CD is in 2018 geactualiseerd met dank aan:

  • Walter Matthys, voormalig kinder- en jeugdpsychiater, UMC Utrecht/emeritus hoogleraar Agressie bij kinderen, Universiteit Utrecht
  • Pierre Herpers, kinder- en jeugdpsychiater en manager behandelzaken High & Intensive Care Jeugd bij Karakter, Universitair Centrum in Nijmegen
  • Robert Vermeiren, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie bij Curium-LUMC en hoogleraar forensische kinder- en jeugdpsychiatrie bij het VUMC

Het thema ODD/CD is in 2014 geactualiseerd met dank aan:

  • Nico Beuk, kinder- en jeugdpsychiater/onderzoeker, Curium-LUMC en ForCA (JJI) Teylingereind
  • Walter Matthys, voormalig kinder- en jeugdpsychiater, UMC Utrecht/emeritus hoogleraar Agressie bij kinderen, Universiteit Utrecht

Het thema ODD/CD is tot stand gekomen met dank aan de expertgroep bestaande uit:

  • Walter Matthys, voormalig kinder- en jeugdpsychiater, UMC Utrecht/emeritus hoogleraar Agressie bij kinderen, Universiteit Utrecht
  • Els van den Ban, kinder- en jeugdpsychiater, Altrecht
  • C. Spierings
  • Petra Veraar, ervaringsdeskundige, oudervereniging Balans
Terug naar boven

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten