Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Slaapproblemen bij kinderen en adolescenten

Hieronder vind je betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van slaapproblemen bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heb je suggesties? Deze kun je doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving

angststoornissen,autismespectrumstoornissen en psychotische stoornissen) (APA, 2013; Lancel e.a., 2020).

Slaapproblemen bij het kind kunnen leiden tot verminderd functioneren op allerlei gebieden: op leren, geheugen, aandacht, maar ook op stemming, sociaal functioneren, en het ontwikkelen van lichamelijke problemen, zoals obesitas. Slaapproblemen kunnen tevens de ouder-kind interactie negatief beïnvloeden. Door de slaapproblemen van het kind kunnen ouders zelf slaap tekortkomen. Zo kunnen de slaapproblemen van kinderen gevolgen hebben voor het welzijn en ontstaan van psychische problemen van de ouders en zelfs voor de onderlinge relatie van ouders (Troxel et al., 2007; Boer, 2011).

In het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) zijn slaap-waakstoornissen als aparte categorie opgenomen. De classificatiecriteria van onder andere de insomniastoornis, hypersomnolentiestoornis en andere slaap-waakstoornissen staan hierin beschreven (APA, 2013). In het hoofdstuk Diagnostiek van deze praktijkstandaard staat meer informatie over de DSM-criteria voor slaapproblemen.

Naast de DSM-5 bestaat er een ander classificatiesysteem voor slaapproblemen: in 1990 is de International Classification of Sleep Disorders (ICSD) (AASM, 1990) gepubliceerd. Dit classificatiesysteem is internationaal aanvaard als basis voor diagnostiek en wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot slaapstoornissen. De ICSD-3 bestaat uit zeven hoofdcategorieën (Stateia, 2014): insomnia, slaap-gerelateerde ademhalingsstoornissen, centrale hypersomnolentie, circadianeritme slaap-waakstoornissen, slaap-gerelateerde bewegingsstoornissen, parasomnia en andere slaapstoornissen.

Aanmeldingsklachten

De gebruikelijke aanmeldingsklachten voor slaapproblemen zijn in- en doorslaapproblemen, grote slaperigheid overdag en abnormale gedragingen tijdens de slaap of tijdens de overgang van slapen naar waken (Berden, 2000).
Vaak betreffen de problemen niet de slaap zelf, maar de verdeling ervan over dag en nacht. Veelal is er geen sprake van verstoorde slaap door genetische factoren, maar van slaappatronen die afwijken van de wensen of verwachtingen van het kind of zijn omgeving (Boer, 2014). Onderscheid kunnen maken tussen slaapproblemen en slaapstoornissen vereist kennis van het normale slaapgedrag in de diverse ontwikkelingsfasen en van de psychofysiologische factoren die van invloed kunnen zijn op slaap. Er is sprake van een slaapstoornis wanneer slaapproblemen tot ernstige beperkingen in het functioneren leiden (Boer, 2014).

Fysiologie van slaap

Vanwege het feit dat de fysiologie van slaap complex is, is kennis van de fysiologie onmisbaar voor goede diagnostiek en behandeling van slaapproblemen. Fysiologisch worden twee soorten slaap onderscheiden: de Non-Rapid Eye Movement (NREM)-slaap en de Rapid Eye Movement (REM)-slaap.

De NREM-slaap kan worden onderverdeeld in drie stadia:

  • In stadium 1 en 2 is sprake van lichte slaap met trage oogbewegingen en geringe spieractiviteit, waarin men schommelt tussen waken en slapen en gemakkelijk wakker wordt.
  • In stadium 3 bevindt men zich in diepe slaap. De ademhaling en het hartritme vertragen tot het laagste ritme.

Tijdens de REM-slaap zijn er snelle oogbewegingen, is er vaak sprake van dromen en zijn de spieren in het lichaam volledig ontspannen.

NREM- en REM-slaap wisselen elkaar in een cyclisch verloop af. Vanaf de adolescentie duurt een enkele slaapcyclus ongeveer negentig minuten. De verdeling tussen NREM-slaap en REM-slaap in een enkele cyclus verandert met de leeftijd. De opeenvolging van de slaapstadia vormt de slaapcyclus. Na een cyclus is er een korte periode van wakker zijn of vindt de overgang naar NREM-slaap plaats (van Bemmel e.a., 2001; Boer, 2011).

Figuur 1: Voorbeeld van de opbouw van de slaapstadia en cycli gedurende een nacht (bron: NCJ).
NCJ Slaapstadia

De belangrijkste processen van slaapregulatie zijn de slaapdruk en het circadiaan ritme zoals beschreven in het 2-proces-model van Borbely (Borbely & Achermann, 1999; España & Scammell, 2011). Slaapdruk betreft de opgebouwde slaapbehoefte die toeneemt naarmate iemand langer wakker is. Wanneer de slaapdruk een bepaalde drempel overstijgt, wordt men slaperig. Als iemand wakker is, wordt de signaalstof adenosine opgebouwd (Bosch, 2007). Wanneer het adenosinegehalte in het bloed een bepaald niveau bereikt, kan deze de kernen in de hersenstam die ons wakker houden uitschakelen.

Het circadiaan ritme ontleent zijn naam aan het Latijn voor ‘ongeveer een dag’. Het circadiaan ritme betreft dus een slaap/waakritme dat ongeveer met een dag samenvalt. Het circadiaan ritme verhoogt of verlaagt de drempel die bepaalt bij welke slaapdruk iemand slaperig wordt. Hierdoor kan het gebeuren dat iemand met een hoge slaapdruk op het ene moment van de dag toch gemakkelijk wakker blijft (de drempel is dan hoog) en op het andere moment juist makkelijk inslaapt (de drempel is dan laag).

Het is de combinatie van slaapdruk en het circadiaan ritme die uitmaakt wanneer mensen slaap hebben en wanneer ze wakker zijn (Krueger e.a., 2008; Boer, 2014). Slaap is bovendien afhankelijk van externe omstandigheden, zoals de slaapkamertemperatuur, het gevoel van veiligheid, het hebben van pijn, of het kind of de jongere alleen slaapt en cognities over slaap.

Door individuele verschillen en de vele factoren die invloed hebben op de slaapduur is het lastig om een norm te bepalen. De gemiddelde slaapduur van kinderen en jongeren verandert bovendien per leeftijdsfase. In de richtlijn Gezonde Slaap en Slaapproblemen bij Kinderen van TNO (2017) worden op basis van onderzoek de volgende categorieën onderscheiden:

  • Baby’s (0-6 maanden): in deze periode is de slaapduur gemiddeld 14 uur per dag.
  • Peuters en kleuters (6 maanden tot 4 jaar): de slaapduur neemt af naar gemiddeld 11 uur per dag op de leeftijd van 4 jaar.
  • Kinderen (4-12 jaar): de totale slaapduur neemt af naarmate kinderen ouder, van 11 tot ongeveer 9 uur per dag.
  • Adolescenten (12-18 jaar): de slaapduur is vanaf 12 jaar ongeveer 9 uur per dag en loopt terug tot 8,5 uur per dag op de leeftijd van 18 jaar.

N.B. Bovenstaande tijden zijn geen aanbevelingen.

Figuur 2 geeft meer informatie over de ontwikkeling van een dag-nacht ritme op verschillende leeftijden. De lijn staat voor de verschillende slaap- en waakperiodes gedurende 24 uur: Onder het zwarte vlak is men in slaap, boven het zwarte vlak is men wakker. De kleine schommelingen in de lijn symboliseren de verschillende slaapfases (afwisselend diepe en oppervlakkige slaap) en waakfases (afwisselend periodes van alertheid en van verminderde concentratie).

Figuur 2: ontwikkeling van een dag-nacht ritme op verschillende leeftijden (bron: NCJ).

NCJ ontwikkeling van een dag-nacht ritme op verschillende leeftijden

Functie van slaap

Slaap heeft diverse essentiële functies en is een eerste levensbehoefte. Slaap bevordert lichamelijk en psychische herstel . Er wordt dan ook gedacht dat slaap van cruciaal belang is voor herstel, onderhoud en plasticiteit van zenuwcellen. Deze zenuwcellen zijn belangrijk voor het functioneren van de hersenen als geheel. Ze onderhouden de alertheid, maar zijn ook van belang voor hogere cognitieve functies, zoals de vorming van geheugen en het reguleren van emoties. Alhoewel deze theorieën aannemelijk lijken, heerst er binnen de wetenschap onduidelijkheid. De reden hiervoor is dat de hersenen juist tijdens de slaap veel energie verbruiken (Meerlo & Havakes, 2021; Lancel et al., 2020).

Terug naar boven
Terug naar boven

angststoornis. De relatie tussen slaap en angst is complex. Slaapproblemen maken deel uit van de diagnostische criteria van enkele angststoornissen, zoals gegeneraliseerde angststoornis. Slaapproblemen kunnen ook ontstaan als gevolg van angsten. Jongeren met een separatieangststoornis kunnen het moeilijk vinden alleen naar hun slaapkamer te gaan. Jongeren met een gegeneraliseerde angststoornis kunnen door het piekeren last hebben van insomnie. De symptomen van een angststoornis zijn gemiddeld ernstiger wanneer er tevens sprake is van slaapproblemen (Van der Heijden e.a., 2013; Boer, 2014).

Autisme

Bij kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) komen vaker slaapstoornissen voor (prevalentie 80%), dan bij kinderen zonder een ASS. Onderzoek wees uit dat meisjes met ASS vaker last hebben van slaapproblemen dan jongens (Solomon e.a., 2011). De meest voorkomende slaapproblemen binnen deze doelgroep zijn in- en doorslaapproblemen. Jongeren met een ASS kunnen een verstoorde melatonineproductie hebben Dit kan de verhoogde prevalentie van slaapproblemen bij deze doelgroep deels verklaren (Melke e.a., 2008). De combinatie met angst en ADHD kenmerken kunnen ook de slaap negatief beïnvloeden. Slaapstoornissen versterken de symptomen van autisme, zoals rigiditeit en prikkelbaarheid.

Depressie

Jongeren met een depressie hebben regelmatig slaapproblemen. Depressie en slaapproblematiek hangen sterk met elkaar samen. In het geval van een ernstige depressie bij kinderen en adolescenten, is er vaak sprake van problematiek met het in- en doorslapen (Hansen e.a., 2003). Langdurige slaapproblemen gaan vaak vooraf aan depressieve stoornissen, maar slaapproblemen kunnen ook ontstaan als gevolg van een depressie (Meijer e.a., 2010). Slaapproblemen kunnen dus zowel een gevolg zijn van een depressie, als een instandhouder ervan (van Eldik & Pillen, 2021). Slaapproblemen en hypersomnie maken deel uit van de diagnostische criteria van enkele stemmingsstoornissen, zoals een depressieve episode. De symptomen van een depressie zijn ernstiger wanneer er tevens sprake is van slaapproblemen (Van der Heijden e.a., 2013; Boer, 2014).

PTSS

Slaapproblemen zijn een belangrijk klinisch probleem bij een posttraumatische-stressstoornis (PTSS). PTSS is een stoornis die kan ontstaan na een traumatische gebeurtenis. Kinderen met slaapproblemen hebben na een traumatische ervaring een grotere kans op de ontwikkeling van PTSS (Koren e.a., 2002). Verder hebben jongeren met PTSS regelmatig last van angstaanjagende dromen en/of aanvallen van nachtelijke angst, wat kan leiden tot in- en doorslaapproblemen (Boer, 2011). Tevens kan een kind als gevolg van een trauma inslaapproblemen vertonen door het gevoel continu op de hoede te moeten zijn. Dit gevoel is natuurlijk en instinctief, maar maakt het moeilijk om te ontspannen (Arendsen, z.d.).

OCS

Kinderen en jongeren met een dwangstoornis (OCS) kunnen door de rituelen die zij moeten uitvoeren rond het slapen slaaptekort krijgen (Boer, 2014). OCS is een angststoornis, omdat achter het dwangmatige gedrag een irreële angst schuilt voor wat er kan gebeuren wanneer iemand met de dwanghandelingen ophoudt. Deze handelingen, zoals veelvuldig tellen, voorwerpen rangschikken en handen wassen zijn erg moeilijk te stoppen, ook al weet de jongere dat het onnodige handelingen zijn (Verhulst, 2006). Slaapproblemen kunnen de symptomen van OCS veroorzaken, alsook verergeren (neuroCare, 2019).

ODD/CD

Bij een hulpvraag over gedragsproblemen zoals agressiviteit dient men alert te zijn op de mogelijke aanwezigheid van slaapstoornissen. Bij kinderen met gedragsproblemen komen vaker en meer slaapstoornissen voor. De medicamenteuze behandeling van gedragsstoornissen kan slaapproblemen veroorzaken of versterken. Behandeling van de slaapproblemen kan de gedragsproblemen verminderen, en kan ook een positief effect hebben op het functioneren op school (Van der Heijden e.a., 2013; Kuin & Boyer, 2019).

Verstandelijke beperking

Slaapproblemen komen vaker voor bij jongeren met een verstandelijke beperking, dan bij jongeren zonder verstandelijke beperking (Dosen, 2008). De verschillen in slaappatroon van mensen met een verstandelijke beperking worden toegeschreven aan biologische factoren zoals genetische afwijkingen. Slaapproblemen zijn mogelijk het gevolg van een combinatie van een kwetsbaar brein en comorbide gezondheidsproblemen. Uit onderzoek is gebleken dat de REM-slaap bij mensen met een verstandelijke beperking korter is en dat de NREM-slaap zwakker is dan bij mensen zonder een verstandelijke beperking. Dit kan de kwaliteit van slaap verminderen (Smits, 2021).

Terug naar boven

https://doi.org/10.1177/074873099129000894

Bosch, W. J. H. M. (red.). (2007). Slapen en Waken. Springer.

Corkum, P., Davidson, F., & Macpherson, M. (2011). A framework for the assessment and treatment of sleep problems in children with attention-deficit/hyperactivity disorder. Pediatric clinics of North America58(3), 667–683. https://doi.org/10.1016/j.pcl.2011.03.004

Cortese, S., Faraone, S. V., Konofal, E., & Lecendreux, M. (2009). Sleep in children with attention-deficit/hyperactivity disorder: meta-analysis of subjective and objective studies. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry48(9), 894–908. https://doi.org/10.1097/CHI.0b013e3181ac09c9

De Bruin, E. J., Bögels, S. M., Oort, F. J., & Meijer, A. M. (2015). Efficacy of Cognitive Behavioral Therapy for Insomnia in Adolescents: A Randomized Controlled Trial with Internet Therapy, Group Therapy and A Waiting List Condition. Sleep38(12), 1913–1926. https://doi.org/10.5665/sleep.5240

De Bruin, E. J., Bögels, S. M., Oort, F. J., & Meijer, A. M. (2018). Improvements of adolescent psychopathology after insomnia treatment: results from a randomized controlled trial over 1 year. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines59(5), 509–522. https://doi.org/10.1111/jcpp.12834

De Bruin, E. J., van Kampen, R. K., van Kooten, T., & Meijer, A. M. (2014). Psychometric properties and clinical relevance of the adolescent sleep hygiene scale in Dutch adolescents. Sleep medicine15(7), 789–797. https://doi.org/10.1016/j.sleep.2014.03.015

Curcio, G., Ferrara, M., & De Gennaro, L. (2006). Sleep loss, learning capacity and academic performance. Sleep medicine reviews10(5), 323–337. https://doi.org/10.1016/j.smrv.2005.11.001

Dosen, A. (2008). Psychische stoornissen, gedragsstoornissen en verstandelijke handicap. (p144-149). Van Gorcum.

España, R. A., & Scammell, T. E. (2011). Sleep neurobiology from a clinical perspective. Sleep34(7), 845–858. https://doi.org/10.5665/SLEEP.1112

Fallone, G., Owens, J. A., & Deane, J. (2002). Sleepiness in children and adolescents: clinical implications. Sleep medicine reviews6(4), 287–306. https://doi.org/10.1053/smrv.2001.0192

Fatima, Y., Doi, S. A., & Mamun, A. A. (2015). Longitudinal impact of sleep on overweight and obesity in children and adolescents: a systematic review and bias-adjusted meta-analysis. Obesity reviews : an official journal of the International Association for the Study of Obesity16(2), 137–149. https://doi.org/10.1111/obr.12245

Fuller, C., Lehman, E., Hicks, S., & Novick, M. B. (2017). Bedtime Use of Technology and Associated Sleep Problems in Children. Global pediatric health4. https://doi.org/10.1177/2333794X17736972

Galland, B. C., Taylor, B. J., Elder, D. E., & Herbison, P. (2012). Normal sleep patterns in infants and children: a systematic review of observational studies. Sleep medicine reviews16(3), 213–222. https://doi.org/10.1016/j.smrv.2011.06.001

Gregory, A. M., & Sadeh, A. (2012). Sleep, emotional and behavioral difficulties in children and adolescents. Sleep medicine reviews16(2), 129–136. https://doi.org/10.1016/j.smrv.2011.03.007

Gregory, A. M., & Sadeh, A. (2015). Annual Research Review: Sleep problems in childhood psychiatric disorders--a review of the latest science. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines57(3), 296–317. https://doi.org/10.1111/jcpp.12469

Groot, M. M., & de Bruin, E. J. (2021). Clinical effectiveness of insomnia treatment in adolescents with comorbid disorders: A single case experimental design study. Clinical Practice in Pediatric Psychology, 9(1), 46–57. https://doi.org/10.1037/cpp0000317

Hale, L., & Guan, S. (2015). Screen time and sleep among school-aged children and adolescents: a systematic literature review. Sleep medicine reviews21, 50–58. https://doi.org/10.1016/j.smrv.2014.07.007

Hansen, A., Berendes, R., & Wolke, T. (2003). Slaapproblemen bij angstige kinderen. Kind & Adolescent Praktijk2(4), 3-10.

Hoebert, M., van der Heijden, K. B., van Geijlswijk, I. M., & Smits, M. G. (2009). Long-term follow-up of melatonin treatment in children with ADHD and chronic sleep onset insomnia. Journal of pineal research47(1), 1–7. https://doi.org/10.1111/j.1600-079X.2009.00681.x

Johnson, E. O., Roth, T., Schultz, L., & Breslau, N. (2006). Epidemiology of DSM-IV insomnia in adolescence: lifetime prevalence, chronicity, and an emergent gender difference. Pediatrics117(2), e247–e256. https://doi.org/10.1542/peds.2004-2629

Koren, D., Arnon, I., Lavie, P., & Klein, E. (2002). Sleep complaints as early predictors of posttraumatic stress disorder: a 1-year prospective study of injured survivors of motor vehicle accidents. The American journal of psychiatry159(5), 855–857. https://doi.org/10.1176/appi.ajp.159.5.855

Krueger, J. M., Rector, D. M., Roy, S., Van Dongen, H. P., Belenky, G., & Panksepp, J. (2008). Sleep as a fundamental property of neuronal assemblies. Nature reviews. Neuroscience9(12), 910–919. https://doi.org/10.1038/nrn2521

Kuin, M., & Boyer, B. (2019). Kind en adolescent praktijkreeks - Slaaptraining voor jongeren op basis van CGT en motiverende gespreksvoering (1ste ed.). Bohn Stafleu van Loghum.

Lancel, M., van Veen, M. & Kamphuis, J. (2020). Slaapstoornissen in de psychiatrie. Diagnose en behandeling. Bohn Stafleu van Loghum.

Lancel, M., van Veen, M. M., & Verbeek, I. (2020). Slaap: De basis voor een gezonde leefstijl. Tijdschrift voor psychiatrie, 62(11), 949-954.

Meerlo P., Havekes R. (2021) Belang van slaap voor cognitief en psychologisch functioneren. In: Lancel M., van Veen M., Kamphuis J. (eds) Slaapstoornissen in de psychiatrie. Bohn Stafleu van Loghum, Houten. https://doi-org.proxy.library.uu.nl/10.1007/978-90-368-2524-5_2

Meijer, A.M. & Hofman, W.(2008). Assessment en protocollaire behandeling van slaapproblemen bij kinderen. In C. Braet & S.M. Bögels (red.), Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten (pp 49-73). Boom Uitgevers.

Melke, J., Goubran Botros, H., Chaste, P., Betancur, C., Nygren, G., Anckarsäter, H., Rastam, M., Ståhlberg, O., Gillberg, I. C., Delorme, R., Chabane, N., Mouren-Simeoni, M. C., Fauchereau, F., Durand, C. M., Chevalier, F., Drouot, X., Collet, C., Launay, J. M., Leboyer, M., Gillberg, C., … Bourgeron, T. (2008). Abnormal melatonin synthesis in autism spectrum disorders. Molecular psychiatry13(1), 90–98. https://doi.org/10.1038/sj.mp.4002016

Owens J. A. (2008). Sleep disorders and attention-deficit/hyperactivity disorder. Current psychiatry reports10(5), 439–444. https://doi.org/10.1007/s11920-008-0070-x

Roberts, R. E., Roberts, C. R., & Duong, H. T. (2008). Chronic insomnia and its negative consequences for health and functioning of adolescents: a 12-month prospective study. The Journal of adolescent health: official publication of the Society for Adolescent Medicine42(3), 294–302. https://doi.org/10.1016/j.jadohealth.2007.09.016

Sateia, M. J. (2014). International Classification of Sleep Disorders-Third Edition. Chest, 146(5), 1387–1394. https://doi.org/10.1378/chest.14-0970

Smits A. (2021). Slaap en verstandelijke beperking. In: Lancel M., van Veen M., Kamphuis J. (eds) Slaapstoornissen in de psychiatrie. Bohn Stafleu van Loghum, . https://doi.org/10.1007/978-90-368-2524-5_22

Solomon, M., Miller, M., Taylor, S. L., Hinshaw, S. P., & Carter, C. S. (2012). Autism symptoms and internalizing psychopathology in girls and boys with autism spectrum disorders. Journal of autism and developmental disorders42(1), 48-59.

Touchette, E., Petit, D., Séguin, J. R., Boivin, M., Tremblay, R. E., & Montplaisir, J. Y. (2007). Associations between sleep duration patterns and behavioral/cognitive functioning at school entry. Sleep, 30(9), 1213–1219. https://doi.org/10.1093/sleep/30.9.1213

Troxel, W. M., Robles, T. F., Hall, M., & Buysse, D. J. (2007). Marital quality and the marital bed: examining the covariation between relationship quality and sleep. Sleep medicine reviews11(5), 389–404. https://doi.org/10.1016/j.smrv.2007.05.002

Van Bemmel, A.L., Beersma, D.G.M., Groen, J.H.M. de & Hofman, W.F. (2001). Handboek slaap en slaapstoornissen. Elsevier Gezondheidszorg.

van Eldik, N., & Pillen, S. (2021). Slaapproblemen bij kinderen en jeugdigen. In Slaapstoornissen in de psychiatrie (pp. 469-497). Bohn Stafleu van Loghum, Houten.

Van Litsenburg, R. R., Waumans, R. C., van den Berg, G., & Gemke, R. J. (2010). Sleep habits and sleep disturbances in Dutch children: a population-based study. European journal of pediatrics169(8), 1009–1015. https://doi.org/10.1007/s00431-010-1169-8

Van der Heijden, K. B., Dhondt, K. (2013). Overige slaapstoornissen bij kinderen: Interactie tussen hypersomnolentie, gedragsmatige stoornissen en slaapgerelateerde ademhalingsstoornissen. In J. Verbraecken & B. Buyse (red.) Leerboek Slaap en Slaapstoornissen. Acco.

Van der Heijden, K. B., Smits, M. G., & Gunning, W. B. (2005). Sleep-related disorders in ADHD: a review. Clinical pediatrics44(3), 201–210. https://doi.org/10.1177/000992280504400303

Verhulst, FC (2006). Leerboek kinder- en jeugdpsychiatrie (pp. 156 – 164). Van Gorcum.

Terug naar boven

Diagnose

Terug naar boven

actigrafie, een melatonine bepaling of polysomnografie. Het laatstgenoemde onderzoek wordt uitgevoerd in gespecialiseerde slaapcentra. Een voorbeeld van een slaapdagboek is dat van NHG. Dit slaapdagboek is ontwikkeld voor volwassenen, maar wordt ook voor adolescenten gebruikt (NCJ, 2017).

Na verzameling van de informatie over de slaapgeschiedenis, het slaap-waakdagboek en eventueel andere klachten kan een inschatting worden gemaakt van de slaapstoornis. Het is belangrijk te weten of de slaapstoornis:

  1. Een primaire slaapstoornis betreft;
  2. Secundair is aan een psychiatrische stoornis;
  3. Secundair is aan somatisch lijden of middelen- en medicatiegebruik;
  4. Voortkomt uit een melatonine-aanmaak/-afgifte probleem;
  5. Verband houdt met stress;
  6. Een gevolg is van onjuiste slaaphygiëne;
  7. Verband houdt met een onjuiste pedagogische benadering;
  8. Geen andere aanwijsbare oorzaak heeft (psychofysiologische insomnie) (Meijer e.a., 2008).

Aanvullend onderzoek

Actigrafie

Een registratie van slaaptijden middels actigrafie kan uitgevoerd worden met de Actometer, een apparaatje dat als polshorloge gedragen kan worden. Hierbij is het van belang om ook een slaap-waak-dagboek bij te houden om de gegevens van de Actometer goed uit te kunnen lezen. De Actometer registreert het niveau van activiteit van een persoon. Aan de hand daarvan kan redelijk betrouwbaar worden gereconstrueerd wanneer iemand wakker, in NREM-slaap (met weinig activiteit) of in een partiële arousal (met meer activiteit) is (Van Bemmel, 2001; Boer, 2014).

Niet iedere behandelaar kan de actigrafie uitvoeren, hiervoor is training en apparatuur nodig. Het kan binnen de psychiatrische praktijk worden gedaan, of de cliënt wordt hiervoor doorverwezen naar een slaapcentrum. Er kan worden doorverwezen wanneer behandeling niet aanslaat. Tegenwoordig zijn er meerdere applicaties (apps) beschikbaar waarmee een actigrafie meting gedaan kan worden. Het kan interessant zijn om na te gaan of de slaapduur beter kan worden bepaald hiermee, naast het bijhouden van een dagboek. Echter, deze applicaties zijn vooralsnog niet betrouwbaar, omdat de bewegingsregistratie van deze applicaties niet nauwkeurig is.

Polysomnografie

Door middel van een polysomnografie kan de fysiologie van slaap en andere lichamelijke functies tijdens het slapen worden geregistreerd. Dit gebeurt in een daartoe uitgerust slaaplaboratorium. Bij een vermoeden van ademhalingsgebonden slaapproblemen (bijvoorbeeld apneu) wordt ook de ademhaling gemeten: borst-buikademhaling, mond-neusademhaling en de zuurstofsaturatie van het bloed. Verder wordt het slaapgedrag regelmatig vastgelegd in videobeelden. Er worden niet altijd video opnamen gemaakt, omdat niet ieder slaapcentrum deze voorziening heeft.

Polysomnografie is een arbeidsintensieve methode, waarbij het kind of de jongere regelmatig in een onnatuurlijke omgeving moet slapen (Boer, 2014). Er vinden ook thuisregistraties plaats, waarbij de apparatuur in de kliniek wordt aangebracht, maar het kind één of twee nachten thuis hiermee slaapt. Niet iedere behandelaar kan de polysomnografie uitvoeren; de cliënt kan hiervoor doorverwezen worden naar een slaapcentrum. Er kan worden doorverwezen wanneer de gebruikelijke behandeling niet aanslaat.

Melatonine bepaling

Een slaap-waak-dagboek en anamnese kunnen veelal voldoende informatie geven over een al dan niet verschoven slaapfase. Om vast te stellen of sprake is van een verschoven slaapfase die te maken zou kunnen hebben met melatonine, dan kan gebruik gemaakt worden van een melatonine bepaling. Dit wordt gedaan door middel van bepaling van melatonine in het speeksel. Ruim een uur voor het natuurlijk in slaap vallen treedt er een forse stijging op van de melatoninespiegel in het bloed. De melatonine bepaling moet plaatsvinden bij weinig licht (‘dim light’, hetgeen betekent <50 lux), omdat licht de aanmaak van melatonine remt. Daarom wordt de melatonine bepaling ook wel Dim Light Melatonin Onset (DLMO) genoemd. Voor de DLMO moet een kind of jongere vanaf het begin van de avond om het uur op een wattenstaafje kauwen, waarna aan de hand van de speekselmonsters een curve kan worden bepaald die laat zien hoe de melatonine afgifte is. (Van der Heijden, 2005; Boer, 2014). De melatonine bepaling kan, mits de behandelaar ervaring heeft met de interpretatie ervan, binnen de psychiatrische praktijk worden uitgevoerd. Voor de bepaling dient het materiaal verstuurd te worden naar geschikt laboratorium. Nederland kent verschillende slaapcentra. Het betreft multidisciplinaire klinieken, poliklinieken met specifieke aandachtsgebieden binnen de kinderslaapgeneeskunde en particuliere instellingen. Een doorverwijzing naar een slaapcentrum voor verder onderzoek wordt aanbevolen als er sprake is van de volgende situatie(s):

  • Bij verdenking slaapgebonden ademhalingsstoornis (bijvoorbeeld wanneer het kind snurkt zonder dat het verkouden is, ademstops tijdens de slaap, verhoogde slaperigheid overdag zonder andere goede verklaring, voortdurende zindelijkheidsproblemen)
  • Bij verdenking (nachtelijke) epilepsie
  • Bij verdenking narcolepsie
  • Bij een circadiane ritmestoornis die niet voldoende gedragsmatig te behandelen is, en een DLMO gewenst is
  • Bij andere slaapproblemen die niet goed reageren op de gebruikelijke (gedragsmatige) behandeling, waar andere problemen zijn uitgesloten, en je als behandelaar vervolgonderzoek nodig acht wegens het uitsluiten van verdere behandelingsopties.
Terug naar boven

https://doi.org/10.5665/sleep.5240

Dewald, J. F., Short, M. A., Gradisar, M., Oort, F. J., & Meijer, A. M. (2012). The Chronic Sleep Reduction Questionnaire (CSRQ): a cross-cultural comparison and validation in Dutch and Australian adolescents. Journal of sleep research21(5), 584–594. https://doi.org/10.1111/j.1365-2869.2012.00999.x

Harsh, J. R., Easley, A., LeBourgeois, M. (2002). A Measure of Children's Sleep Hygiene. Sleep, 25, A316-A317.

Kerkhof, G. A., Geuke, M. E., Brouwer, A., Rijsman, R. M., Schimsheimer, R. J., & Van Kasteel, V. (2013). Holland Sleep Disorders Questionnaire: a new sleep disorders questionnaire based on the International Classification of Sleep Disorders-2. Journal of sleep research22(1), 104–107. https://doi.org/10.1111/j.1365-2869.2012.01041.x

Meijer, A.M. & Hofman, W.(2008). Assessment en protocollaire behandeling van slaapproblemen bij kinderen. In C. Braet & S.M. Bögels (red.), Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten  (pp 49-73). Boom Uitgevers.

Owens, J. A., Spirito, A., & McGuinn, M. (2000). The Children's Sleep Habits Questionnaire (CSHQ): psychometric properties of a survey instrument for school-aged children. Sleep23(8), 1043–1051.

Van Bemmel, A.L., Beersma, D.G.M., Groen, J.H.M. de & Hofman, W.F. (2001). Handboek slaap en slaapstoornissen. Elsevier Gezondheidszorg.

Van der Heijden, K. B., Smits, M. G., & Gunning, W. B. (2005). Sleep-related disorders in ADHD: a review. Clinical pediatrics44(3), 201–210. https://doi.org/10.1177/000992280504400303

Van Maanen, A., Dewald-Kaufmann, J. F., Oort, F. J., de Bruin, E. J., Smits, M. G., Short, M. A., ... Meijer, A. M. (2014). Screening for sleep reduction in adolescents through self-report: Development and validation of the sleep reduction screening questionnaire (SRSQ). Child & Youth Care Forum, 43(5), 607-619. https://doi.org/10.1007/s10566-014-9256-z

Terug naar boven

Behandeling

Terug naar boven

Verbeter je slaap' van Ingrid Verbeek en Merijn van de Laar (2016) is bedoeld voor personen die kampen met langdurige slapeloosheid. Dit werkboek is te gebruiken naast een kortdurende therapeutische behandeling van langdurige slapeloosheid. Het geeft een stuk psycho educatie over slaap, een slaap-waakdagboek, formulieren en uitleg die men tijdens de behandeling nodig heeft.

Slim slapen

Het programma SlimSlapen richt zich op cognitief gedragstherapeutische methoden. Tijdens de behandeling leert de jongere onder andere vaste bedtijden aan te houden en juiste slaapgewoonten te ontwikkelen.

Cognitieve gedragstherapie voor insomnia

Cognitieve gedragstherapie voor insomnia (CGT-i) bestaat uit een combinatie van verschillende technieken ter bevordering van goede slaap, namelijk instructies voor slaaphygiëne, stimuluscontrole, restrictie van tijd in bed, cognitief herstructureren en ontspanningstechnieken. Deze technieken worden door de Standards of Practice Committee van de American Academy of Sleep Medicine (AASM) aanbevolen als een effectieve therapie in de behandeling van insomnia (Morgenthaler e.a., 2006). SlimSlapen is effectief gebleken voor de behandeling van insomnia bij adolescenten in zowel groepstherapie en internetherapie (De Bruin, Oort, e.a., 2014; De Bruin e.a., 2015; De Bruin e.a., 2018; Groot & de Bruin, 2020).

De volgende technieken worden gebruikt binnen CGT-i:

  • Slaaphygiëne en psychoeducatie
    De adolescent krijgt uitleg over (leeftijds-eigen) slaapregulatie en (gedragsmatige) factoren die de slaap positief en negatief kunnen beïnvloeden. De gewenste gedragsveranderingen op dit vlak worden met behulp van onder meer motivatietechnieken ondersteund (zoals motivationele gesprekvoering of motivational interviewing).
  • Cognitieve technieken
    Cognitieve technieken worden gebruikt om disfunctionele gedachten over slaap (bijvoorbeeld ‘als ik niet goed slaap, zal ik morgen slecht presteren’) om te zetten in functionele gedachten (bijvoorbeeld ‘ook al slaap ik slecht, dan kan ik morgen toch goed presteren’).
  • Stimuluscontrole
    De behandeling is erop gericht om jongeren met insomnie te leren om bedtijd, bed en slaapkamer associëren met snel in slaap vallen.
  • Restrictie van tijd in bed
    Restrictie van tijd in bed betekent het zodanig beperken van de tijd in bed dat deze overeenkomt met de subjectief aangegeven slaaptijd. Hierbij wordt een slaapefficiëntie van minimaal 85% als richtlijn aangehouden (soms 90% bij jongere kinderen). De slaapefficiëntie is de proportie daadwerkelijke slaap van de tijd in bed. Als iemand bijvoorbeeld om 22:00 in bed ligt en het licht uit doet om te gaan slapen, daarna 1 uur wakker ligt voor het inslapen (inslaaplatentietijd) e’ vervolgens ’s nachts een keer wakker wordt en dan 2 uur wakker ligt om tot ’lot om 8:00 ’s ochtends voor het laatst wakker te worden, dan heeft die persoon een slaapefficiëntie van tijd in bed (TIB) = 10 uur, minus 3 uur = totale slaaptijd (TST) van 7 uur, geeft een slaapefficiëntie van (7/10) *100% = 70%. Indien de slaapefficiëntie onder de 85% komt wordt de tijd in bed beperkt tot ongeveer de daadwerkelijke totale slaaptijd (in het voorbeeld 7 uur, met adviesbedtijden van bijvoorbeeld 23:30 naar bed en 7:00 opstaan = 7:30 uur tijd in bed). Hiermee wordt o.m. in eerste instantie de slaapdruk opgevoerd waardoor iemand sneller in zal slapen en beter door zal slapen. Wanneer dan de slaapefficiëntie rond de 85% of hoger uitkomt kunnen de bedtijden stapsgewijs (met stappen van ongeveer 15 minuten) worden verruimd door vroeger naar bed te gaan en/of later op te staan, totdat een optimale of acceptabele slaaptijd bereikt wordt. Omdat deze techniek door cliënten vaak als lastig wordt gezien, maar zeer effectief kan zijn in het verbeteren van de slaap, is het belangrijk om in goed overleg met de jongere de bedtijden vast te stellen zodat er commitment is en de techniek effectief kan zijn.
  • Ontspanningsoefeningen
    Hierbij kan gebruik worden gemaakt van mindfulness-based ontspanningsoefeningen of progressieve spier-relaxatie oefeningen om psychofysiologische arousal tijdens de bedtijd te verminderen. Er is een aantal apps beschikbaar waarmee deze oefeningen gedaan kunnen worden

Protocol bij nachtmerries

Nachtmerries dienen niet alleen als symptoom te worden beschouwd, maar verdienen een eigen behandeling. Een cognitieve behandelingsmethode die hier eventueel toegepast kan worden is imaginatie- en rescriptingtherapie (IRT; Schagen & Lancee, 2016).

E-health

>> VGZ Beter Slapen

Dit is een online (zelf)hulpprogramma waarmee slaapproblemen in kaart gebracht kunnen worden. Ook krijgt men opdrachten, tips en coaching om slaapklachten te verminderen. 

Terug naar boven

https://doi.org/10.5665/sleep.5240

De Bruin, E. J., Bögels, S. M., Oort, F. J., & Meijer, A. M. (2018). Improvements of adolescent psychopathology after insomnia treatment: results from a randomized controlled trial over 1 year. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines59(5), 509–522. https://doi.org/10.1111/jcpp.12834

Groot, M. M., & de Bruin, E. J. (2021). Clinical effectiveness of insomnia treatment in adolescents with comorbid disorders: A single case experimental design study. Clinical Practice in Pediatric Psychology, 9(1), 46–57. https://doi.org/10.1037/cpp0000317

Meesters, Y (2010). Lichttherapie. Psychopraktijk 2, 14–17. https://doi-org.proxy.library.uu.nl/10.1007/s13170-010-0087-9

Meijer, A.M. & Hofman, W. (2008). Assessment en protocollaire behandeling van slaapproblemen bij kinderen. In C. Braet & S.M. Bögels (red.), Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten  (pp 49-73). Boom Uitgevers.

Morgenthaler, T., Kramer, M., Alessi, C., Friedman, L., Boehlecke, B., Brown, T., Coleman, J., Kapur, V., Lee-Chiong, T., Owens, J., Pancer, J., Swick, T., & American Academy of Sleep Medicine (2006). Practice parameters for the psychological and behavioral treatment of insomnia: an update. An american academy of sleep medicine report. Sleep29(11), 1415–1419.

Overige Behandelingen - GGZ Groep. (z.d.). GGZ Groep: Geestelijke Gezondheidszorg. https://www.slaapproblemen-behandeling.nl/behandeling/overige-slaapproblemen-behandelingen#lichttherapie

Schagen, A., & Lancee, J. (2016). Protocollen voor de GGZ - Imaginatie- en rescriptingtherapie voor nachtmerries. Bohn Stafleu van Loghum.

Slingeland Ziekenhuis Doetinchem. (2021). Lichttherapie. Kenniscentrum Slaapaandoeningen Slingeland Ziekenhuis. Kenniscentrum Slaapaandoeningen. https://slaapcentrum.slingeland.nl/kenniscentrum/Behandelingen/Lichttherapie/839/884

Van der Heijden, K. B., Smits, M. G., & Gunning, W. B. (2005). Sleep-related disorders in ADHD: a review. Clinical pediatrics44(3), 201–210. https://doi.org/10.1177/000992280504400303

Verhulst, S. (2020). Slaapstoornissen bij kinderen en jongeren: Een praktisch overzicht. JGZ Tijdschrift voor jeugdgezondheidszorg, 52(5–6), 104–110. https://doi.org/10.1007/s12452-020-00219-2

Terug naar boven

Medicatie

evidentietabel van I. van Geijlswijk. Er zijn weinig veiligheidsgegevens voor de lange termijn, maar op de korte termijn zijn er weinig bijwerkingen. Hoewel melatonine niet als geneesmiddel is geregistreerd, wordt het wel veel gebruikt. Het is daarom lastig om een goede plaatsbepaling te maken en er is gekozen om hier enige achtergrondinformatie over het middel te bieden. Benzodiazepines zijn nauwelijks onderzocht voor deze indicatie. Antihistaminica zijn wel onderzocht, maar geven vaak aanleiding tot een 'hangover' en geven snel gewenning.

Bij adolescenten zal men zich mogelijk baseren op de beschikbare gegevens bij volwassenen.

Bij langer bestaande slaapproblemen in het kader van ontwikkelingsproblematiek zoals ADHD of ASS, of die ontstaan als bijwerking van stimulantia is melatonine onderzocht en effectief gebleken.

Kortdurende inslaapproblemen kunnen optreden bij veel stress. Medicatie kan dan geïndiceerd zijn om kind en gezin 'op de been' te houden. Er is dan wellicht meer een anxiolytisch dan een hypnotisch effect nodig.

Flowchart psychofarmaca bij behandeling slaapproblemen

Terug naar boven

In combinatie met ASS:

  • behandel evt. onderliggende oorzaak (angst, depressie, dwang etc.).
  • overweeg melatonine 0,5-3 mg (Wirojanan et al., 2009).

Kortdurende behandeling (<7 dagen) bij extreme slaapproblemen

Oxazepam (geregistreerd vanaf 12 jaar) en diazepam (geregistreerd vanaf 6 jaar) zijn geen slaapmiddelen maar worden in de praktijk veel gebruikt, in een dosering van 10-50 mg (oxazepam) of 2,5 tot 10 mg (diazepam).

Nitrazepam in 1 dosis ’s avonds voor het slapengaan (Informatorium Medicamentorum, september 2009):

  • Kinderen 1-5 jaar: 2,5 (tot 5) mg
  • Kinderen vanaf 6 jaar: start met 5 mg

Temazepam 10 mg in 1 dosis voor het slapengaan:

  • Alleen bij kinderen vanaf 12 jaar.

Langdurig DSPD

Melatonine in 1 dosis geven, geruime tijd (uren) voor het DLMO (Braam et al., 2008) waarbij dient te worden opgemerkt dat dit zonder bepaling van de melatonine curve slechts geschat kan worden.

  • Kinderen tot 12 jaar: 0,1 mg (sublinguaal) tot 3 mg
  • Jeugdigen vanaf 12 jaar: 3-5 mg

Flowchart medicatie bij behandeling slaapproblemen

Uw webbrowser kan geen pdfs tonen. U kunt deze flowchart downloaden.

Terug naar boven
Terug naar boven

DLMO (tijdstip van op gang komen endogene melatonine productie, bij gedempt licht) is mogelijk om beter te weten wanneer melatonine gegeven moet worden. Met meerdere bepalingen over de dag in speeksel (kauwwatten, op te sturen naar een melatoninepoli (zie bijv. www.slaapstoornissen.nl) kan de melatonineconcentratie en daarmee de DLMO bepaald worden. Exogeen melatonine, toegediend 5 uur voor de DLMO verschuift het melatonine ritme en de daarmee samenhangende circadiane ritmen het meest krachtig 2 uur naar voren. Het is nog geen uitgemaakte zaak of in alle gevallen de DLMO bepaald moet worden. Bij verstandelijk beperkte kinderen komen vaker problemen op dit gebied voor en zijn er argumenten om de DLMO te bepalen, ook bij therapieresistentie is het waarschijnlijk verstandig.

Een sublinguale dosis van 0,1 of 0,2 mg is vaak al succesvol.

Te hoge doseringen melatonine (boven de 3 mg) kunnen de biologische klok ontregelen, waarschijnlijk vooral bij te langzame afbraak van melatonine, waardoor het Zeitgeber effect verdwijnt, en de biologische klok ontregeld raakt; de melatonine werkt dan niet meer na aanvankelijk succes. De melatonine moet dan een paar maanden gestopt worden en later in een veel lagere dosis gegeven worden. Melatonine verkort de slaaplatentie (na geschikte gedragsinterventies) bij kinderen met inslaapstoornissen, DSPD, verstandelijke beperkingen, autisme en ADHD (Wilson et al., 2010). Alleen bij kinderen met een verstandelijke beperking, maar niet bij de andere groepen, is daarnaast een verbeterde slaapkwaliteit gevonden.

Bijwerkingen van melatonine bij kinderen zijn vooralsnog nauwelijks gevonden. Hoofdpijn, gevoel van kou en gedaalde stemming worden soms gezien (van Geijlswijk, 2011). Een niet klinisch relevante, voorbijgaande, verhoging van prolactine spiegels werd gevonden bij volwassenen. In het boek van Dieleman e.a. 2011 is beschreven dat de convulsiedrempel verlaagd zou kunnen worden. Van Geijlswijk (2011) vond de beste invloed op verschuiving DLMO en op de slaap bij doseringen van 0,1 tot 0,15 mg per kg. Een sublinguale toediening geeft een vijf maal hogere spiegel omdat dan bijna alles opgenomen wordt, i.t.t. orale toediening waarbij slechts 20% in de bloedbaan komt. Ouders kopen vaak zelf melatonine bij de drogist, het is dan te adviseren een chemische bereiding te kopen.

In de praktijk is de dosering meestal tussen de 0,1 en 2 mg voor kinderen en 2-5 mg voor adolescenten. De tijd van toediening is dus van belang, vaak 1-2 uur voor het naar bed gaan.

De therapie blijft jaren werkzaam en kan jaren voortgezet worden (Weiss, 2006). Hoewel effect op de hypothalame-gonadale as gevreesd werd, zijn er geen meetbare effecten op de ontwikkeling gevonden (van Geijlswijk, 2011). Voor het slow release preparaat Circadin® lijkt op basis van bovengenoemde fysiologie en bij gebrek aan registratie voor kinderen en adolescenten geen plaats.

Terug naar boven

temazepam meer gebruikt dan nitrazepam, terwijl temazepam niet is geregistreerd voor kinderen (Informatorium Medicamentorum, september 2009). Temazepam heeft echter wel een gunstiger profiel als slaapmiddel door het sneller intreden van werking en de kortere halfwaardetijd (Wilson et al., 2010).

Clonazepam 0,1 tot 0,8 mg (0,02-0,1 mg per kg per dag) wordt wel aangeraden voor inslaapproblemen bij angststoornissen (Gunning, 2008).

Zolpidem heeft een plaats bij de behandeling van slapeloosheid bij volwassenen in verband met de gunstige kinetiek en relatief weinig effect op de slaaparchitectuur. Het is echter niet werkzaam gebleken bij een onderzoek onder 6-17 jarigen met een dosis van 0,25 mg per kg (tot max 10 mg). Alleen in de oudere groep waren er mogelijk enige gunstige effecten. Het heeft dus geen plaats in het formularium.

Terug naar boven

methylfenidaataripiprazol en fluvoxamine geven verslechtering van de slaap, stoppen van het middel of toedienen op een ander moment is dan te overwegen. Atomoxetine komt als alternatief voor stimulantia in aanmerking.

Antidepressiva

Deze middelen geven in het algemeen vermindering van REM slaap en toename NREM.

Van mirtazapine is in 1 kleine, open label studie bij sommige kinderen en jongeren met autisme, PDD en verstandelijke beperking (Posey et al., 2001).

Mirtazapine (Remeron®, 7,5 tot 15 mg) en trazodon (Trazolan®, 50 tot 100 mg) kunnen in zeldzame gevallen laag gedoseerd voorgeschreven worden bij therapieresistente slaapproblemen bij adolescenten met met name bij comorbide depressieve klachten en/of PTSS. Deze middelen geven al in een lage dosis 5HT2a blokkade wat slaap induceert. Mirtazapine kan de eetlust stimuleren. Trazodon zou laag gedoseerd nauwelijks invloed hebben op de REM slaap maar kan priapisme en cardiale geleidingsproblemen veroorzaken. Imipramine (tot 2-3 mg per kg per dag, zie formularium voor startdosering) wordt soms gegeven bij pavor nocturnus en slaapwandelen. Onder meer cardiale problemen vormen een contra-indicatie.

Agomelatine is nog niet geregistreerd voor kinderen en jeugd en er zijn nog onvoldoende ervaringen met dit middel, gebruik wordt niet aangeraden (zie ook de review Geneesmiddelenbulletin, mei 2013).

Antihistaminica (promethazine en hydroxyzine)

Deze middelen hebben sederende eigenschappen en zijn niet verslavend, tolerantie kan ontstaan, paradoxale effecten zijn beschreven, mogelijk geven ze vermindering van slaapkwaliteit. Niet geven beneden 2 jaar, vanwege risico op ademdepressie.

Antipsychotica

Het gebruik van lage doses olanzapine, en quetiapine (25-50 mg) is voor volwassenen beschreven in de acute psychiatrie bij angststoornissen en ernstige slaapproblemen en ook bij posttraumatische nachtmerries. Bij kinderen is er onvoldoende documentatie, langdurig gebruik kan metabool syndroom veroorzaken.

Clonidine

Clonidine kan overwogen worden met name bij slaapstoornissen bij ADHD en Gilles de la Tourette. Het geeft vermindering van de REM slaap.

Indien clonidine wordt gebruikt als slaapmiddel, wordt met 25 microgram begonnen. Meer dan 50 of 75 microgram wordt over het algemeen niet gegeven in verband met de kans op een te lage nachtelijke bloeddruk. Niet combineren met bètablokkers en tricyclische antidepressiva.

L-Tryptofaan

L-Tryptofaan lijkt geen plaats te hebben in de behandeling vanwege hepatotoxische effecten.

Terug naar boven
Terug naar boven

Expertgroep

Vereniging Kind & Slaap

De vereniging Kind & Slaap is in 2015 opgezet vanuit een bestaande samenwerking tussen enkele slaapcentra in Nederland en inmiddels uitgegroeid tot een groep van meer dan 90 specialisten vanuit zowel Nederland als België. De website geeft niet alleen informatie aan specialisten over slaapproblemen bij kinderen, maar ook praktische hulp voor ouders en jongeren, eventueel aangevuld met de juiste route naar hulpverlening.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten