Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Autismespectrumstoornissen (ASS) bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van autismespectrumstoornissen (ASS) bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Beschrijving autisme

Autismespectrumstoornissen (ASS) worden gekenmerkt door problemen in de ontwikkeling van sociale en communicatieve vaardigheden en een beperkt repertoire van spel en gedrag. De stoornissen binnen het autismespectrum behoren tot de neuropsychiatrische stoornissen met een heterogene etiologie en een heterogeen klinisch beeld.

In de DSM-5 zijn de naamgeving en definitie veranderd. In de DSM-5 is gekozen voor een meer dimensionele insteek. Doordat subgroepen van ASS moeilijk te onderscheiden zijn (Lord, et al. 2011) en de behandeling van de categorieën sterk overeenkomt (Lord, et al., 2006) is het voorstel om de verschillende stoornissen samen te voegen. De DSM-5 heeft de subgroepen binnen het autismespectrumstoornis als één categorie benoemd: Autismespectrumstoornis (ASS). De diagnose ASS wordt gesteld bij tekortkomingen in twee domeinen: sociale communicatie en interactie en beperkt en repetitief gedrag. Binnen het domein beperkt en repetitief gedrag wordt in de DSM-5 hypo- of hyperreactiviteit op sensorische stimuli meegewogen. In de DSM-5 wordt McDD mogelijk opgenomen als een voorloper van schizofrenie.

Hoewel het wenselijk is om ruimte te bieden aan dimensionele diagnostiek zijn er ook zorgen over de DSM-5 criteria (Greaves-Lord et al., 2012b). Een gedeelte van patiënten, waarbij de diagnose PDD-NOS of stoornis van Asperger is gesteld met de DSM-IV-TR classificatie, laten vaak tekortkomingen zien in de sociale communicatie en interactie. Deze groep heeft minder tekortkomingen in beperkt en repetitief gedrag (Mandy et al., 2011) en valt daardoor buiten de ASS diagnose volgens de DSM-5 classificatie (McPartland et al., 2012). Mogelijk is een gevolg dat patiënten met PDD-NOS of Asperger Syndroom en met een hoog cognitief niveau worden afgesloten van klinische hulp en hulp in onderwijs (Mandy et al., 2012; Kaland, 2011).

Variatie in de kern- en ontwikkelingdimensies van ASS, in comorbiditeit met aandachts- en angstproblemen en op cognitief gebied, zorgen ervoor dat de groep kinderen met ASS heterogeen is. Door de grote variatie is gedifferentieerd zorgaanbod nodig. (Greaves-Lord et al., 2012a).

Terug naar boven

DSM-5 criteria

Criteria Autismespectrumstoornis DSM-5

Moet voldoen aan de criteria A, B, C en D:

A: Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie in diverse situaties, niet te verklaren door een algemene ontwikkelingsvertraging, en zich manifesterend in alledrie hieronder beschreven:

1. Tekorten in sociaal-emotionele wederkerigheid

2. Tekorten in non-verbaal communicatief gedrag welke gebruikt worden voor sociale interactie

3. Tekorten in het ontwikkelen en onderhouden van relaties, passend bij het

ontwikkelingsniveau (met meer mensen dan alleen de verzorgers)

B: Beperkte, zich herhalende patronen van gedrag, interesses of activiteiten zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:

1. Stereotiep of repeterend in spraak, motoriek, of gebruik van voorwerpen

2. Overmatig vasthouden aan routines, geritualiseerde patronen van verbaal of nonverbaal gedrag, of overmatige weerstand tegen verandering

3. Zeer beperkte/gefixeerde interesses die abnormaal zijn in intensiteit of focus

4. Hyper-of hypo-reactiviteit op sensorische input of ongewone interesse in zintuiglijke aspecten in de omgeving

C: De symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege kindertijd (maar kunnen soms pas merkbaar worden wanneer sociale eisen de beperkte capaciteit overstijgen)

D: De symptomen leiden tot beperkingen en aantastingen van het dagelijks functioneren.

Autismespectrumstoornissen wordt binnen de DSM-5 criteria geclassificeerd bij tekortkomingen in sociale communicatie en interactie (SCI) en beperkt en repetitief gedrag (RRB) (zie ook www.dsm5.org). Er wordt geen onderscheid gemaakt in subgroepen, maar wel in niveaus van ernst of ondersteuningsbehoefte. Hiermee wordt geprobeerd de heterogeniteit van de groep kinderen met ASS te ondervangen.

Kernproblemen binnen ASS

  • Sociale communicatie en interactie (zie criterium A in tabel) verwijst vooral naar de taalontwikkeling, de kwaliteit van de verbale communicatie en de kwaliteit van, de interesse in en de hoeveelheid sociale interactie. Bij mensen met autisme en een laag cognitief niveau loopt de spraakontwikkeling achter en een deel leert nooit spreken. Bij mensen met een hoger cognitief functioneren is vrijwel altijd taal aanwezig. Wel is de taal vaak opvallend qua intonatie, woordgebruik en soms komt de taalontwikkeling laat op gang. Opvallendheden in het taalgebruik als echolalie (herhaalt letterlijk woorden, zinnen e.d.), verwisselen van voornaamwoorden (zegt 'jij' i.p.v. 'ik') en neologismen (gebruikt zelf verzonnen woorden en uitdrukkingen) kunnen voorkomen. Deze verschijnselen kunnen verdwijnen wanneer de kinderen ouder worden. Bij alle kinderen met ASS blijven echter de problemen in het communicatief/sociaal gebruik van de taal bestaan. Met andere woorden: hun pragmatisch vermogen (het sociaal gebruiken van taal; het overbrengen van een boodschap aan de ander) is zwak. Ook missen ze soms het gebruikelijke non-verbale gedrag (lichaamstaal & gebaren). Mede daardoor hebben kinderen en jongeren met ASS moeite met het ontwikkelen van relaties met leeftijdsgenootjes en met het delen van plezier en interesses met anderen. Kinderen met ASS vertonen ook een minder dan gebruikelijke sociale en emotionele wederkerigheid: anderen ervaren de interactie met hen vaak als eenrichtingverkeer. Het gebrek aan wederkerigheid uit zich onder andere in problemen met het afstemmen van het verbale en non-verbale gedrag op de (steeds wisselende) sociale context.
  • Beperkt en repetitief gedrag, (zie criterium B in tabel) ook bekend als stereotypieën, kan een marker zijn voor de ernst van ASS (Maski, et al., 2011). De manier waarop het zich manifesteert is afhankelijk van het cognitief niveau. Sommige kinderen met ASS, vooral die met een lager IQ, ´fladderen´met de handen of armen, springen bij opwinding (Minderaa, 2000), lopen op hun tenen of maken stereotiepe bewegingen. Verder zijn kinderen met ASS, ook die met een normaal of hoog IQ, sterk gehecht aan vaste routines en rituelen. Ze kunnen er slecht tegen wanneer er dingen veranderen of anders verlopen dan ze volgens hun eigen 'regels' horen te gaan. Tevens kan er sprake zijn van een eenzijdige of zeer beperkte belangstelling voor bepaalde onderwerpen. Het kan gaan om een ongebruikelijke interesse (zoals voor spoorboekjes, dienstregelingen, schoenmaten, vuilnisbakken, landkaarten of waterleiding) of een leeftijdadequete verhevigde interesse in een op zich gewoon onderwerp (bijvoorbeeld de computer voor jongens of kleding voor meisjes) maar op een ongewone manier. Daarnaast kan er kan sprake zijn van sensorische problemen. Kinderen met ASS kunnen op een afwijkende manier omgaan met zintuiglijke prikkels. Ze kunnen veel minder gevoelig zijn voor prikkels (nauwelijks reageren op pijn) of juist extra gevoelig zijn voor of gericht zijn op bepaalde prikkels (bijvoorbeeld overgevoeligheid voor pijn, harde geluiden, of gefascineerd zijn door aanraking van zachte stoffen, of door schitteringen van een spiegel). Ook komt het voor dat kinderen gefascineerd en vaak geïrriteerd zijn door prikkels die anderen nauwelijks opvallen, zoals het geritsel van een papiertje of krassen van bestek over een bord (Van der Veen-Mulders et al., 2001). Deze sensorische problemen kunnen leiden tot problemen met eten of met aankleden (zoals moeite met de overgang naar vast voedsel, beperkt eetpatroon, altijd dezelfde kleding aan willen).

Bijkomende problemen

Naast kernproblemen in sociale interactie en communicatie en beperkt, repetitief gedrag doen zich bij kinderen met ASS vaak problemen voor op andere ontwikkelingsgebieden.
Het voorstellingsvermogen of de verbeelding is bij kinderen met ASS minder goed ontwikkeld. Deze vaardigheden zijn nodig om samenhang en betekenis te verlenen aan menselijk gedrag en aan gebeurtenissen. Kinderen met ASS zijn vaak meer gericht op waarneembare, uiterlijke details (expliciet gedrag), in plaats van op de bedoeling of de betekenis. Dit leidt tot rigide en star gedrag dat te weinig is aangepast aan (de betekenis van) de situatie.Het heeft ook gevolgen voor het fantasiespel en voor het kunnen voorstellen van nieuwe situaties. Daarnaast kan het leiden tot problemen met generalisatie van kennis of vaardigheden. het heeft gevolgen voor het fantasie spel en het zich voorstellen van een nieuwe situatie.

Verder heeft een groot aantal kinderen met ASS problemen op het gebied van de motorische ontwikkeling: ze zijn onhandig, krampachtig of houterig in de motoriek. Ook de Gezondheidsraad beschrijft de motorische problemen: jonge kinderen met een ASS blijken zich motorisch vaak wat trager te ontwikkelen. Nicholas et al. (2008) bevestigen dat bij 62% van de kinderen met ASS motorische problemen worden gemeld. Daarnaast zien zij in meer dan de helft van de gevallen problemen met slapen en/of eten.

Ook woede-uitbarstingen of agressief gedrag komt regelmatig voor bij kinderen met een ASS, vaker dan bij zich normaal ontwikkelende kinderen en vaker dan bij kinderen met een verstandelijke beperking (Kanne, & Mazurek, 2011; Farmer, & Aman, 2011). Binnen de groep met ASS laten jonge kinderen en kinderen die veel repetitief gedrag tonen, de meeste agressie zien. Het gaat vooral op reactieve agressie, bijvoorbeeld uit frustratie dat iets niet gaat zoals het kind gewend is.

Terug naar boven

Het is bekend dat bij kinderen en jongeren met ASS veel verschillende psychiatrische symptomen kunnen voorkomen welke ook bekend zijn uit andere psychiatrische ziektebeelden. Soms zijn het symptomen behorend bij het ASS-beeld, soms is er sprake van een comorbide stoornis, zoals ADHD, gedragstoornissen, angststoornissen of depressie (bijvoorbeeld Leyfer et al. 2006; De Bruin et al, 2012).

Psychiatrische comorbiditeit komt voor bij ongeveer 70% van de kinderen en jongeren met een ASS (De Bruin, et al., 2012; Simonoff, et al., 2008). Veel voorkomende comorbide diagnoses zijn: sociale angststoornis (29,2 %, Simonoff, et al., 2008), ADHD (28,2%, Simonoff, et al., 2008), oppositioneel opstandige gedragsstoornis (28,1%, Simonoff, et al., 2008) en slaapstoornissen (40-86%, Maski et al, 2011). Daarnaast hebben jeugdigen met een ASS ook een verhoogde kans op stemmingsstoornissen (10%, Gjevik, 2011) en tics (11%, Gjevik, 2011). Van degenen met ADHD had 84% nog een tweede comorbide stoornis. In de richtlijn autismespectrumstoornissen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (2009) worden als meest vóórkomende comorbide psychopathologie ADHD en angststoornissen genoemd.

De Gezondheidsraad (2009) geeft aan dat een verstandelijke beperking (zie ook Prevalentie) een belangrijk comorbide kenmerk is van ASS: 40 tot 60% van de mensen met een ASS heeft ook een verstandelijke beperking (zie ook Charman et al., 2011). Hierbij moet opgemerkt worden dat het bewustzijn van ASS(-kenmerken) bij mensen met een normale tot hoge intelligentie nog groeiende is, dus het is mogelijk dat ASS bij kinderen met een lager IQ eerder opgemerkt wordt. In het 1e Concept Richtlijn Autisme Spectrum Stoornissen bij kinderen en jeugdigen van het Trimbos-instituut (2011) wordt aangegeven dat Bhaumik et al. (2010) een epidemiologisch onderzoek verrichtten naar de percentages waarin ASS met een verstandelijke beperking samen voor komt. Zij kwamen tot een range van 15% tot 70%, afhankelijk van de gehanteerde diagnostische criteria en het niveau van functioneren. ASS en een verstandelijke beperking betreffen twee verschillende cognitieve stoornissen. Het verschil ligt in een algeheel cognitief tekort (verstandelijke beperking) tegenover een cognitieve stijl van waarnemen en denken vanuit de informatieverwerkingsproblematiek (ASS) (Kraijer, 2004).

Er zijn een aantal syndromen die gepaard kunnen gaan met ASS-verschijnselen. Dit wordt onder andere gezien bij het fragiele-X syndroom, het Klinefelter syndroom, neurofibromatose 1 en het 22q11 deletiesyndroom.

Tot slot is er een verhoogd risico op aanvallen van epilepsie bekend. Het komt voor bij ongeveer 20% tot 30% van de mensen met ASS en vooral binnen de groep met een verstandelijke beperking (Bolton, et al., 2011; Maski et al, 2011).

Terug naar boven

ASS is een neurobiologische aandoening, zo is gebleken uit genetisch en neurologisch onderzoek. Zo zijn er bepaalde hersenziektes en genetische syndromen die frequenter voorkomen bij autisme, zoals als epilepsie en fragiel-X-syndroom, en kan bij bepaalde hersenbeschadigingen autistiform gedrag worden gezien. Daarnaast is bekend dat er sprake is van een grote genetische lading (tot 90%) bij ASS, maar ook pre- en perinatale factoren kunnen een rol spelen (Rutter, 2000). In een gezin komen nogal eens meerdere kinderen voor met ASS (in sterkere of mildere mate) en in een aantal gevallen heeft ook een van beide ouders dergelijke problemen (Cohen & Volkmar, 1997). Een recente studie schat de kans dat een zusje of broertje van een kind met ASS ook de stoornis krijgt zelfs op 19%.(Ozonoff, et al., 2011). Hoe de overerving precies plaatsvindt, is echter nog niet bekend. Momenteel wordt er veel onderzoek gedaan naar het vinden van verantwoordelijke genen. Dit is echter tijdrovend onderzoek waarvoor vele patiënten nodig zijn. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat het niet gaat om één gen, maar meerdere genen en dat ook de interactie met de omgeving van belang is.

Toenemend onderzoek (Dinstein, 2012) naar hersenfunctioneren bij ASS wijst erop dat bepaalde hersengebieden anders functioneren of dat de communicatie tussen hersengebieden anders verloopt (McPartland et al., 2011). Over de precieze afwijkingen en welke hersengebieden daarbij betrokken zijn, bestaat nog veel discussie en onduidelijkheid. Hoewel aan het eind van de vorige eeuw werd gedacht dat ASS in sommige gevallen werd veroorzaakt door vaccinaties, heeft onderzoek overtuigend aangetoond dat dit niet het geval is (Smeeth, et al., 2004).

Naast de biologische oorzaken een grote rol spelen bij autismespectrumstoornissen zijn ook omgevingsfactoren van belang. Uit recent tweeling-onderzoek naar de genetische erfelijkheid van ASS en omgevingsfactoren blijken genetische factoren een belangrijke rol te spelen, maar zijn zij van lagere magnitude dan eerdere tweelingstudies (Hallmayer et al., 2011). Omgevingsfactoren, waaronder opvoeding, zijn van belangrijk voor de wijze waarop de stoornis zich ontwikkelt. Een aangepaste opvoeding en passende scholing kunnen de ontwikkelingskansen van kinderen met ASS vergroten en de kans op gedragsproblemen doen afnemen (o.a. Van der Veen-Mulders, et al., 2001).

Terug naar boven

Autisme werd in eerdere epidemiologische studies gevonden in ongeveer 2-5 op de 10.000 kinderen. De richtlijnen van het Trimbos-instituut en de Gezondheidsraad (2009) gaan er vanuit dat 1% van de Nederlandse bevolking aan autisme lijdt. Zij sluiten zich hierbij in grote lijnen aan bij het onderzoek van Baird et al. (2006), dat op 1.16% uitkomt.

Toename prevalentiecijfers

Het aantal mensen met een autismespectrumstoornis lijkt toe te nemen. In 1966 waren er bij elke 10.000 mensen 2,5 gediagnosticeerd met ASS, in 2010 zijn dit 100 op de 10.000 mensen. Deze enorme toename hangt samen met verbetering van onderzoek en diagnostiek. De Richtlijn Autisme Spectrum Stoornissen bij kinderen en jeugdigen geeft aan dat de verruiming van de diagnostische criteria in de DSM-IV-TR en de toenemende bekendheid ook een belangrijke rol spelen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat maatschappelijke factoren van invloed zijn op het verhogen van de prevalentiecijfers van autisme. Het grotere beroep dat tegenwoordig op het individu als persoon wordt gedaan, zowel wat betreft de zelfsturing als de sociale vaardigheden, kan tot problemen leiden.

Samenhang met verstandelijke beperking

De Gezondheidsraad (2009) geeft aan dat uit de internationale literatuur blijkt dat tussen de 40 en 60% van de mensen met autisme ook een verstandelijke beperking heeft. In omgekeerde richting hebben 3% tot 50 % van de kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking autisme (De Bildt et al., 2005). Ook Matson en Shoemaker (2009) geven aan dat autisme een van de meest voorkomende comorbide stoornissen is bij individuen met een verstandelijke beperking.

Verschil tussen jongens en meisjes (gender)

In het 1e Concept Richtlijn Autisme Spectrum Stoornissen bij kinderen en jeugdigen van het Trimbos-instituut (2011) staat dat het aantal jongens waarbij autisme wordt gediagnosticeerd duidelijk groter is dan het aantal meisjes, in de verhouding van respectievelijk 4 op 1. Het IQ is mede bepalend voor de jongens:meisjes verhouding binnen autisme. Naarmate het IQ lager is, is het verschil in prevalentie kleiner. Bij zeer ernstige verstandelijke beperking zijn evenveel meisjes als jongens aangedaan. Bij hoge intelligentie is de verhouding jongens:meisjes met autisme 8:1. Die laatste verhouding wordt echter aangevochten, omdat een deel van de meisjes met autisme en een normale intelligentie mogelijk in de kindertijd niet worden herkend. De meisjes die met autisme zijn gediagnosticeerd wijken niet significant van de jongens af (Auyeung et al., 2009). Bij mogelijke ond een autisme erdiagnostiek bij meisjes gaat het dus om gedragsbeelden die minder herkend worden. Er zou verder naar de sociale en communicatieve gedragingen gekeken moeten worden. Gould & Ashton-Smith (2011) hebben naar de aard van de preoccupaties en obsessies van meisjes gekeken. Uit hun onderzoek wordt duidelijk dat meisjes met autisme in hun obsessies niet onderdoen voor jongens, maar dat deze qua onderwerp dichter tegen de normale hobby's aanliggen. Vaak gaat het hierover dieren, mode, soapseries, voedsel en dergelijke. In de meeste vragenlijsten en interviews worden veelal jongenshobby's zoals sterrenstelsels, routeplanners, treinen en automerken als voorbeelden gegeven. Het zou volgens Gould & Ashton-Smith (2011) dan ook nuttig zijn vragen over meer meisjesachtige hobby's toe te voegen aan autisme interviews.

Etniciteit

Begeer (2009) geeft in zijn onderzoek aan dat kinderen van Marokkaanse- en Turkse afkomst ondervertegenwoordigd zijn in de groep die verwezen wordt naar een ggz-instelling die gespecialiseerd is in autisme. Jeugdartsen signaleren autisme spontaan minder bij niet westerse allochtone kinderen dan bij westerse allochtone of autochtone kinderen. Deze vertekening verdwijnt als de artsen de waarschijnlijkheid van expliciet gegeven symptomen inschatten. De aanbeveling is dan ook om de jeugdartsen te laten werken met expliciete screeningslijsten.

Terug naar boven

Een autismespectrumstoornis wordt meestal gezien als een levenslange diagnose. Wel treden er in de loop van de verschillende ontwikkelingsfasen vaak verschuivingen op in het klinisch beeld. Echter, er zijn kinderen die net binnen de classificatie en er ook na een periode buiten kunnen vallen (Helt, et al., 2008). Belangrijke voorspellers voor het beloop op langere termijn zijn de taalontwikkeling (aanwezigheid van communicatieve spraak op de leeftijd van 5 jaar) en het intelligentieniveau. De uitkomst lijkt te zijn verbeterd met vroegere detectie en interventie.

Wat betreft de ontwikkeling en het beloop hebben de meeste ouders al zorgen in de eerste levensjaren. Tot 25% van de kinderen lijkt zich in dat eerste levensjaar zonder problemen te ontwikkelen. Op de schoolleeftijd wordt soms wat verbetering van sociale vaardigheden gezien, maar de sociale communicatie en interactie blijft minder, passief en/of vreemd. In de adolescentie neemt soms de sociale interesse wat toe, maar blijven mensen met ASS veel moeite houden met sociale regels en conventies. Daarmee ontstaan veelal problemen in de relatievorming.

Vroegsignalering van ASS bij kinderen is van belang om de problematiek te verminderen en de ontwikkeling van het kind te bevorderen. Het kind en zijn of haar familie kan hierdoor zo vroeg mogelijk beginnen met de behandeling en begeleiding (Gezondheidsraad, 2009). Recent onderzoek naar de effectiviteit van vroege intensieve gedragsinterventies laat zien dat belangrijke winsten kunnen worden behaald op het gebied van taal- en cognitieve vaardigheden en adaptief gedrag (Dawson, & Burner, 2011). Hoewel de kernsymptomen niet zullen verdwijnen, kan vroege behandeling wel zorgen dat kinderen minder last ervan ondervinden en dat comorbide aandoeningen zoals angst verminderen. Gedragsinterventies voor ouders zorgen voor verbeterde ouder-kind interacties (Dawson, & Burner, 2011).

Er is weinig bekend over de lange termijn prognose van ASS. Wel is bekend dat bij individuen met ASS en met een IQ hoger dan 70 de verwachtingen over het beloop beter zijn dan mensen met een lager IQ (Howlin, et al., 2004). Indien het intelligentieniveau en de taalontwikkeling bovengemiddeld zijn, is enerzijds een gunstigere ontwikkeling zichtbaar (met bijvoorbeeld wel academische vorderingen), maar anderzijds blijft ook de sociale handicap bestaan. Kijkend naar longitudinale studies wordt zichtbaar dat een minderheid van de mensen met ASS een hoog niveau van zelfstandigheid bereikt (Howlin, et al., 2004). Een groot gedeelte heeft levenslange supervisie en support nodig en een deel blijft ernstig beperkt, met name vanwege aanwezige verstandelijke beperking en epilepsie (Howlin, et al., 2004). Hoewel het merendeel van mensen met ASS afhankelijk blijven van hun ouders of verzorgers zoals bij ondersteuning van educatie, is de verwachting van hun kwaliteit van leven bemoedigend positief (Billstedt, et al., 2011). Verbeteringen op het gebied van beroepen, recreatieve activiteiten en een concept van een autismevriendelijke omgeving dragen hieraan bij (Billstedt, et al., 2011).

ASS heeft een chronisch karakter en veranderend beeld, waardoor behandeling en begeleiding wisselend ingezet moet worden (Gezondheidsraad, 2009). Een regelmatige herevaluatie en het eventueel opnieuw (bij)stellen van de zorg is daarom van belang (Greaves-Lord et al., 2012a). Het kan ouders helpen om de levensloop door te nemen en aan te geven wat er op verschillende leeftijden gedaan kan worden.

Terug naar boven

American Psychiatric Association. (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4th ed., text rev.). Washington, DC: APA.

Amir, R.E., Veyver, I.B. van den, Wan, M., Tran C.Q., Francke, U., & Zoghbi, H.Y. (1999). Rett syndrome is caused by mutations in X-linked MECP2, encoding methyl-CpG-binding protein 2. Nature Genetics, 23,185-188.

Auyeung, B., Wheelwright, S., Allison, C., Atkinson, M., Samarawickrema, N., Baron-Cohen, S. (2009). The children's empathy quotient and systemizing quotient: Sex differences in typical development and in autism spectrum conditions. Journal of Autism and Developmental Disorders, 39, 1509-1521.

Baird, G., Simonoff, E., Pickles, A., Chandler, S., Loucas, T., Meldrum, D. et al. (2006). Prevalence of disorders of the autism spectrum in a population cohort of children in South Thames: The Special Needs and Autism Project (SNAP). Lancet, 368, 210-215.

Begeer, S., El Bouk, S., Boussaid, W.,Meerum Terwogt, M., Koot, H.M., Underdiagnosis and Referral Bias of Autism in Ethnic Minorities, (2009), Journal of Autism and Developmental Disorders, 39,142–148.

Bhaumik, S., Tyrer, F., Barrett, M., Tin, N., McGrother, C.W., & Kiani, R. (2010). The relationship between carers' report of autistic traits in clinical diagnoses of autism spectrum disorders in adults with intellectual disability. Research in Developmental Disabilities, 31, 705-712.

Bildt, A. de, Sytema, S., Kraijer, D., Minderaa, R. (2005). Prevalence of pervasive developmental disorders in children and adolescents with mental retardation. Journal of Child Psychology and Psychiatry; 46,: 275-286.

Billstedt, E., Gillberg, I.C., & Gillberg, C. (2011). Aspects of quality of life in adults diagnosed with autism in childhood: A population based study. Autism, 15, 7-20.

Bolton, P.F., Carcani-Rathwell, I., Hutton, J., Goode, S., Howlin, P., & Rutter, M. (2011). Epilepsy in autism: Features and correlates. British Journal of Psychiatry, 198, 289-294.

Bruin, E.I. de, Ferdinand, R.F., Meester, S., Nijs, P.F.A. de & Verheij, F. (2007). High rates of psychiatric co-morbidity in PDD-NOS. Journal of Autism and Developmental Disorders, 37, 877-886.

Buitelaar, J.K. & Gaag, R.J. van der. (1998). Diagnostic rules for children with PDD-NOS and Multiple Complex Developmental Disorder. Journal of Child Psychology and Psychiatry and Allied Disciplines, 39, 911-919.

Charman, T., Pickles, A., Simonoff, E., Chandler, S., Loucas, T. & Baird, G. (2011). IQ in children with autism spectrum disorders: Data from the Special Needs and Autism Project (SNAP). Psychological Medicine, 41, 619-627.

Cohen, D.J & Volkmar, F. (1997). Handbook of Autism and Pervasive Developmental Disorders. New York: Wiley.

Dawson, G., & Burner, K. (2011). Behavioral interventions in children and adolescents with autism spectrum disorder: A review of recent findings. Current Opinion in Pediatrics, 23, 616-620.

Engeland, H. van, & Gaag, R. J. van der (1986). MCDD in Childhood: A Precursor of Schizophrenic Spectrum Disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 25, 213-220.

Farmer, C.A., & Aman, M.G. (2011). Aggressive behavior in a sample of children with autism spectrum disorders. Research in Autism Spectrum Disorders, 5, 317-323.

Gezondheidsraad (2009). Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders. Publicatienr. 2009/09. Den Haag: Gezondheidsraad.

Gjevik, E., Eldevik, S., Fjæran-Granum, T., & Sponheim, E. (2011). Kiddie-SADS reveals high rates of DSM-IV disorders in children and adolescents with autism spectrum disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 41, 761–769.

Gould, J., & Ashton Smith, J., (2011) Diagnosis and education of women and girls with autism. Paper presentation NAS, March 2011 Manchester.

Greaves-Lord, K., Eussen,M.L.J.M., Duvekot, J., Louwerse, A., Hoopen, L.W. ten & Nijs, de, P.F.A. (2012a). Dimensionele en categoriale diagnostiek binnen en buiten het autisme spectrum als solide basis voor zorg en onderzoek. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme,11 (2), 68-71.

Greaves-Lord, K., Eussen, M.L.J.M., Verhulst, F.C., Minderaa, R.B., Mandy, W.P., Hudziak, J.J., et al. (2012b). Empirically based phenotypic profiles of children with Pervasive Developmental Disorders: Interpretation in the light of the DSM-5. Journal of Autism and Developmental Disorders, in revision.

Hallmayer, J., Cleveland, S., Torres, A., Philips, J., Cohen, B., Torigoe, T., et al. (2011). Genetic Heritability and shared environmental factors among twin pairs with autism. Archives of General Psychiatry, 68, 1095-102.

Helt, M., Kelly, E., Kinsbourne, M., Pandey, J., Boorstein, H., Herbert, M., et al. (2008). Can Children with Autism Recover? If So, How? Neuropsychological Reviews, 18, 339-336.

Howlin, P., Goode, S., Hutton, J., & Rutter, M. (2004). Adult outcome for children with autism. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 45, 212-229.

Kaland, N. (2011). Should Asperger syndrome be excluded from the forthcoming DSM-V? Research in Autism Spectrum Disorders, 5, 984-999.

Kanne, S.M., Mazurek, M.O. (2011). Aggression in children and adolescents with ASD: Prevalence and risk factors. Journal of Autism and Developmental Disorders, 7, 926-937.

Kraijer, D.W. (2004). Handboek autismespectrumstoornissen en verstandelijke beperking. Lisse, Nederland: Harcourt Book Publishers.

Leyfer, O.T., Folstein, S.E., Bacalman, S., Davis, N.O., Dinh, E., Morgan, J., Tager-Flusberg, H., & Lainhart, J.E. (2006). Comorbid psychiatric disorders in children with autism: Interview development and rates of disorders. Journal of Autism & Developmental Disorders, 7,849-861.

Lord, C., Risi, S., DiLavore, P.S., Shulman, C., Thurm, A., Pickles, A. (2006). Autism from 2 to 9 Years of Age. Archives of General Psychiatry, 63, 694-701.

Lord, C., Petkova, E., Hus, V., Gan, W., Lu, F., Martin, D.M., Ousley, O. et al. (2011). A multisite study of the clinical diagnosis of different autism spectrum disorders. Archives of General Psychiatry, 69, 306-313.

Mandy, W.P., Charman, T., Gilmour, J., & Skuse, D.H. (2011). Toward specifying pervasive developmental disorder – not otherwise specified. Autism Research, 4, 121-131.

Mandy, W.P., Charman, T., Skuse, D.H. (2012). Testing the construct validity of proposed criteria for DSM-5 autism spectrum disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, 41-50.

Maski, K.P., Jeste, S.S., & Spence, S.J. (2011). Common neurological co-morbidities in autism spectrum disorders. Current Opinion in Pediatrics, 23, 609-615.

McPartland, J.C., Coffman, M., & Kevin, A.P. (2011). Recent advances in understanding the neural bases of autism spectrum disorder. Current Opinion in Pediatrics, 23, 628-632.

McPartland, J.C., Reichow, B., & Volkmar, F.R. (2012). Sensitivity and specificity of proposed DSM-5 diagnostic criteria for autism spectrum disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, 368-383.

Matson, J.L. & Shoemaker, M. (2009). Intellectual disability and its relationship to autism spectrum disorders. Research in Developmental Disabilities, 30, 1107-1114.

Nicholas, J.S., Charles, J.M., Carpenter, L.A., King, L.B., Jenner, W., & E.G. Spratt. (2008). Prevalence and characteristics of children with autism-spectrum disorders. Annals of Epidemiology, 18, 130-136.

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (2009). Richtlijn diagnostiek en behandeling van Autisme Spectrum Stoornissen (ASS). Utrecht, Nederland: De Tijdstroom.

Ozonoff, S., Young, G.S., Carter, A., Messinger, D., Zwaigenbaum, N.Y.L., Bryson, S., et al. (2011). Recurrence Risk for Autism Spectrum Disorders: A Baby Siblings Research Consortium Study. Pediatrics, 128, 488-495.

Rutter, M. (2000). Genetic studies of autism: From the 1970s into the millennium. Journal of Abnormal Child Psychology, 28, 3-14.

Simonoff, E., Pickles, A., Charman, T., Chandler, S., Loucas, T., & Baird, G. (2008). Psychiatric disorders in children with autism spectrum disorders: Prevalence, comorbidity, and associated factors in a population-derived sample. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 47, 921–929.

Smeeth, L., Cook, C., Fombonne, E., Heavey, L. Rodrigues, L.C., Smith, P.G, & Hall, A.J. (2004). MMR vaccination and pervasive developmental disorders: A case-control study. The Lancet, 364, 963-969.

Sprong, M., Becker, H. E., Schothorst, P. F., Swaab, H., Ziermans, T. B., Dingemans, P. M., et al. (2008). Pathways to psychosis: a comparison of the pervasive developmental disorder subtype multiple complex developmental disorder and the "at risk mental state". Schizophrenia research, 99(1), 38-47.

Trimbos-instituut. (2011). 1e Concept richtlijn autisme spectrum stoornissen bij kinderen en jeugdigen.

Veen-Mulders, L. Van der, Serra, M., Hoofdakker, B.J. Van den, Minderaa, R.B. (2001). Sociaal onhandig. De opvoeding van kinderen met PDDNOS en ADHD. Assen, Nederland: Koninklijke van Gorcum.

Volkmar, F.R., & Pauls, D. (2003). Autism. Lancet, 362: 1133–1141.

World Health Organization. (2008). ICD-10: International statistical classification of diseases and related health problems (10th Rev. ed.). New York, NY: World Health Organization.

Terug naar boven

Diagnose autisme

Voor deze tekst is gebruik gemaakt van de richtlijn diagnostiek en behandeling autismespectrumstoornissen (ASS) bij kinderen en jeugdigen (NvVP, 2009).

De diagnostiek van ASS is een sterkte-zwakte-analyse van alle ontwikkelingsdomeinen van het kind. De mogelijkheden en beperkingen van het kind worden beoordeeld in de context van alle betrokken leefdomeinen, zoals gezin (of leefgroep), school en buurt. Hoewel men ervan uitgaat dat ASS een stoornis is die grotendeels wordt bepaald door biologische factoren, spelen dynamische interacties met de omgeving een belangrijke rol in de manier waarop gedragsproblemen geassocieerd met deze stoornis concreet tot uiting komen (Hallmayer et al., 2011). Vooral voor de behandeling en begeleiding is het van belang een goed beeld te krijgen van de problematiek en de gevolgen die de problematiek van ASS heeft voor de interacties met de omgeving.

In de diagnostiek van ASS zijn de volgende elementen van belang:

  • Screening
  • Anamnese en ontwikkelingsanamnese
  • Onderzoek van het kind zelf
  • Aanvullend onderzoek (o.a. psychologisch onderzoek, logopedisch onderzoek, medisch onderzoek, genetisch onderzoek)
Terug naar boven

De diagnostiek van autisme is complex. In de klinische beoordeling moet daarom informatie uit veel bronnen worden geïnterpreteerd en meegewogen. Gestandaardiseerde diagnostische instrumenten, zoals interviews, observatieschalen of vragenlijsten, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het in kaart brengen van het klinisch beeld. De uiteindelijke classificerende diagnose wordt altijd gesteld op basis van alle beschikbare informatie, klinisch psychiatrisch onderzoek en gestandaardiseerde instrumenten (Minderaa, 2009). Instrumenten kunnen hierbij dus behulpzaam zijn, maar zullen nooit het klinisch oordeel kunnen vervangen. Bij kinderen van een etnische minderheid is het van belang om expliciete screeningslijsten te gebruiken en aandacht te besteden aan culturele achtergrond. (Begeer, 2009).

Screening Diagnostiek
Vragenlijst autisme symptomatologie SCQ
SRS
AVZ-R
VISK
ESAT
M-CHAT
PDDST-II-NL
AUTI-R
Vragenlijst bredere gedragsinventarisatie CBCL
YSR
TRF
SEV
Spsy/SDQ
Interview ADI-R
3Di
Observatieschaal ADOS-2
Aanvullend onderzoek Intelligentie, sociale cognitie (ToM test-R), taal/spraak, executieve functies (BRIEF), bredere neuropsychologische functies, medisch (gehoor, visus)

Tabel 1: Overzicht van aanbevolen instrumenten in deze richtlijn

Screening

Screening voorafgaand aan het eerste contact met ouders en kind is effectief omdat daarmee een eerste indruk verkregen kan worden van de aard en de ernst van de ontwikkelingsproblematiek en comorbide gedragsproblemen. Het kan richting geven aan het verdere onderzoek. De Richtlijn Trimbos (2009) geeft aan dat er 'Geen bewezen goede screeningsinstrumenten zijn die voldoen aan de richtlijn omdat de 'algemene sensitiviteit niet uitkomt boven 0.8'. Daarom moet de diagnose nooit op alleen screening worden gebaseerd.

Vroege screening

Bij jonge kinderen met autisme blijkt vroegtijdige en intensieve interventie te resulteren in een betere lange termijn prognose (Dawson, et al., 2010; Smith, et al., 2010; zie ook het hoofdstuk Behandeling). Daarom wordt screening van jonge kinderen steeds belangrijker geacht (Robins, & Dumont-Mathieu, 2006). Hierbij moet gewaarschuwd worden dat autisme moeilijk is vast te stellen bij zeer jonge kinderen. Enerzijds kunnen de ontwikkelingsverschillen tussen kinderen op jonge leeftijd nog heel groot zijn zonder dat dit iets zegt over de uiteindelijke ontwikkeling. Anderzijds is er een overlap tussen gedrag typisch voor autisme en ontwikkelingsadequaat 'jong' gedrag. Inmiddels is wel veel onderzoek gedaan naar welke kenmerken op jonge leeftijd onderscheidend zijn, met als doel vroegtijdige interventie mogelijk te maken. Bepaalde vormen van vroeg vocaal gedrag of gebrek aan vroeg vocaal gedrag zijn bijvoorbeeld een aanneembare voorspeller van een verhoogd risico voor autismesymptomen bij baby's en peuters met een ouder broertje of zusje met autisme (Paul, et al., 2011). Autismesymptomen binnen de motorische ontwikkeling, sociale en emotionele ontwikkeling en intentionele communicatie zijn bij deze kinderen te herkennen vanaf de leeftijd van 12-24 maanden (Rogers, 2009).
Om in te spelen op deze behoefte naar vroege screening en signalering van autisme, zijn instrumenten ontwikkeld die zich richten op autisme-symptomen bij jonge kinderen. Specifiek voor het screenen van baby's en peuters op autisme is de ESAT (Early Screening of Autistic Traits Questionnaire). Hiermee kunnen gesignaleerde risico's worden beoordeeld en kan de noodzaak tot doorverwijzing worden vastgesteld (Buitelaar, et al., 2009). Over de betrouwbaarheid en validiteit van deze vragenlijst is nog erg weinig bekend, waardoor deze aspecten als onvoldoende zijn beoordeeld door de COTAN. Daarnaast geven onderzoeksresultaten aan dat het screeningsinstrument M-CHAT (Modified Checklist for Autism in Toddlers) een goed instrument is voor de vroegtijdige opsporing van autisme bij peuters (Robins, et al., 2001).

Screeningsinstrumenten over autisme-symptomatologie

De Social Communication Questionnaire (SCQ) is een vragenlijst voor screening op autisme bij kinderen vanaf 4 jaar (met een mentale leeftijd vanaf 2 jaar), die door de ouders wordt ingevuld. Van de SCQ bestaan twee versies: de versie 'levensloop' waarin de gehele ontwikkelingsgeschiedenis van het kind wordt meegewogen en de versie 'huidige toestand' waarbij alleen de afgelopen drie maanden wordt bekeken (om eventuele verandering in gedrag na te gaan). De vragenlijst is gebaseerd op de ADI-R en is vertaald naar het Nederlands, maar er is weinig Nederlands onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit.

De Social Responsiveness Scale (SRS) richt zich op sociaal-communicatief gedrag en geeft dit weer op een dimensionele schaal, waarbij een hogere score meer problematiek betekent. Er zijn inmiddels Nederlandse normgegevens beschikbaar voor kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar, waardoor met de schaal onderscheid gemaakt kan worden tussen autisme en niet-autisme. Er zijn ook klinische normen (binnen de autisme-populatie) die bedoeld zijn om inzicht te geven in de ernst van de stoornis. Deze lijst is, net als de VISK, specifiek gericht op het in kaart brengen van problemen van kinderen met 'mildere varianten' van autisme (bron: www.wpspublish.com; Constantino en Gruber, 2005).

Voor het in kaart brengen van de problemen van kinderen met mildere vormen van autisme kan ook de VISK (Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag bij Kinderen) worden gebruikt. De VISK is een relatief korte lijst die door ouders kan worden ingevuld en vooral de meer subtiele sociale problemen inventariseert.

Een goed onderzocht en veel gebruikt screeningsinstrument in Nederland en Vlaanderen voor autisme bij kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking is de AVZ-R (Autisme en Verwante stoornissen-schaal-Z-Revisie). Het is een kort en eenvoudig in te vullen instrument. Hierbij wordt gebruik gemaakt van rechtstreekse observatie en dossiergegevens. Een nadeel van de AVZ-R is dat de specificiteit van het instrument laag is, waardoor het mogelijk is dat de problematiek te snel ten onrechte als autisme wordt aangemerkt.

De Pervasive Developmental Disorders Screening Test-II-NL (PDDST-II-NL) is bedoeld om te screenen op de verschillende vormen van autisme bij kinderen tussen 1 en 6 jaar oud. Ouders vullen de vragenlijst in. Over de betrouwbaarheid en validiteit van dit instrument is weinig bekend.

Bredere screeningsinstrumenten

Bredere screeningslijsten leveren weinig specifieke informatie op voor de autismespectrumstoornissen, maar kunnen wel goed worden gebruikt om de probleemgebieden waarbij hulp wordt gevraagd, en daarmee ook eventuele comorbiditeit, in kaart te brengen (NvvP, 2009).

De Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV) bestaat uit 72 vragen (afnameduur 30 minuten) voor ouders of leerkrachten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen sociaal-emotionele problematiek zoals die vaak voorkomt bij kinderen met ADHD, ODD, autisme of angststoornissen. De SEV is goed beoordeeld door de COTAN.

Internationaal geaccepteerde vragenlijsten, die accurate gegevens opleveren over de meest voorkomende internaliserende en externaliserende stoornissen, zijn de CBCL (Children Behavior Checklist), de TRF (Teacher's Report Form) en de YSR (Youth Self-Report). Ook de SDQ (Strenghts and Difficulties Questionnaire) wordt vaak gebruikt voor screening op psychopathologie.
Voor meer informatie over de comorbide stoornissen verwijzen wij naar de betreffende thema's:

Anamnese en ontwikkelingsanamnese

Een eerste belangrijke informatiebron in de diagnostiek van autisme is het verhaal (de anamnese) van de ouders/verzorgers. Zij kunnen de huidige problematiek die hun kind ervaart in het dagelijks leven meestal goed verwoorden. Onderwerpen die daarin aan de orde moeten komen zijn de contactmogelijkheden van het kind (de wijze waarop, de mate waarin, de behoefte etc.), de kwaliteit van de interactie, de ontwikkeling van de spraak, taal en communicatie, specifieke interesses, de ontwikkeling van de motoriek en de verstandelijke vermogens. Daarnaast is het belangrijk te vragen naar de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind en naar life-events. Ten derde is het nuttig om bij de inventarisatie van de problemen ook de gezinscontext goed in kaart te brengen. Dit geeft inzicht in de invloed die de problematiek van het kind heeft op het functioneren van het gezin (draagkracht / draaglast) en op de relaties tussen de gezinsleden, maar ook in de invloed van het gezinsfunctioneren op de problemen van het kind. Tot slot is ook informatie van de school, kinderdagverblijf of dagvoorziening belangrijk om een compleet beeld te krijgen van het functioneren van het kind. Voor een meer uitgebreide en inhoudelijke beschrijving van de inventarisatie van de problematiek verwijzen we naar Minderaa (2009), Van der Veen-Mulders et al. (2001) en Verhulst et al. (2009).

Instrumenten ter onderbouwing van de anamnese/ontwikkelingsanamnese

De ADI-R is een internationaal toegepast, betrouwbaar en valide klinisch interview met de ouders/verzorgers. Het kan gebruikt worden in de diagnostiek van autisme bij kinderen met een ontwikkelingsleeftijd vanaf 2 jaar. Afname van de ADI-R neemt 2 tot 2,5 uur in beslag en de interviewer moet getraind en gecertificeerd worden om betrouwbare codering van de interviewgegevens te waarborgen. De ADI-R leidt tot een classificatie wel/niet autisme en maakt geen onderscheid tussen de verschillende subtypen die in de DSM-IV beschreven staan. De ADI-R wordt in combinatie met de ADOS vaak gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek en is soms vereist door reviewers.

De Developmental, Dimensional and Diagnostic Interview (3Di) biedt een nauwkeurige en efficiënte manier van beoordeling van de aanwezigheid van autistische symptomen (Skuse 2004). Dit gevalideerde semi-gestructureerde interview met de ouders geeft zowel vroeger als huidig gedrag weer. De 3Di kost minder//www.kennisce tijd dan de ADI-R. Ook voor dit instrument geldt dat training en certificering vereist zijn.

De AUTI-R is bedoeld als instrument bij de onderkenning van klassiek autisme en wordt ingevuld door een beroepskracht die het kind goed kent (Van Berckelaer-Onnes & Hoekman, 1991). Het leeftijdsbereik is vanaf 10 maanden voor niet-sprekende en vanaf 3 jaar voor sprekende kinderen tot en met 12 jaar. Het instrument heeft een goede betrouwbaarheid en voldoende validiteit.

Onderzoek van het kind zelf

Het is van belang dat de onderzoeker zich zelf een indruk vormt van het kind door middel van een kindonderzoek. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zowel gesprek als spel, afhankelijk van leeftijd en niveau van functioneren. Minderaa (2009) en Van der Veen-Mulders e.a. (2001) geven een beschrijving van de verschillende aspecten waarop de onderzoeker moet letten. Denk aan contactname, taalgebruik, mogelijkheid tot verbeelding in fantasiespel, motoriek etc. Men dient er rekening mee te houden dat bij kinderen met een autismespectrumstoornis de problemen in een één-op-één-contact met de onderzoeker soms minder zichtbaar kunnen zijn dan in het verhaal van ouders naar voren komt. Dit komt doordat de problemen van deze kinderen het meest zichtbaar worden in situaties waarin ze zich op hun gemak voelen (zoals bijvoorbeeld thuis) en in situaties die weinig gestructureerd zijn (Minderaa, 2009).

Instrumenten ter onderbouwing van kindonderzoek

De ADOS-2 is een betrouwbaar en valide observatie-instrument dat gebruikt kan worden om op een gestandaardiseerde manier het gedrag van kinderen, adolescenten en volwassenen met autisme in kaart te brengen. Met behulp van de ADOS kan goed onderscheid worden gemaakt tussen AS (autistische stoornis) en niet-autisme en tussen AS en PDD-NOS. Dit laatste onderscheid is echter minder betrouwbaar dan die tussen AS en niet-autisme. De ADOS is een valide en betrouwbaar instrument, maar een volledig diagnostisch protocol moet worden toegepast (Kamp-Becker, et al., 2011).

De ADI-R en ADOS maken onafhankelijk een toegevoegde bijdrage aan meer accurate diagnostische beslissingen over peuters en jonge kleuters met autisme. Voor sommige kinderen leidt het opeenvolgend gebruik van beide instrumenten tot verbeterde diagnostische validiteit (Kim & Lord, 2012).

Aanvullend onderzoek

(Neuro)psychologisch onderzoek

Een IQ-test is een goede aanvulling op de diagnostiek bij autisme, omdat hiermee een profiel van de sterke en zwakke kanten van het kind kan worden gevormd. Verder psychologisch onderzoek kan om verschillende redenen nuttig zijn, bijvoorbeeld als er twijfels zijn over de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens, de taalontwikkeling of als er aanwijzingen zijn voor neuropsychologische problemen die het leren kunnen bemoeilijken. Neuropsychologische problemen die bij autisme vaak naar voren komen, zijn problemen met de executieve functies, centrale coherentie en schakelvaardigheden. Behalve via direct onderzoek met het kind kunnen problemen in de executieve functies ook in kaart gebracht worden via ouderrapportage met de BRIEF. Verder kan een psychologisch onderzoek geïndiceerd zijn bij vragen over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Sociale cognitie kan bijvoorbeeld getest worden met de Theory of Mind test-Revised (ToM test-R). Een psychologisch onderzoek brengt de sterke en zwakke kanten van een kind in kaart. Mede op basis van deze uitkomsten kunnen adviezen worden gegeven ten aanzien van schoolkeuze, didactische of pedagogische aanpak.

Voor kinderen met specifieke taalproblemen is het raadzaam om logopedisch onderzoek te laten verrichten en de talige en communicatieve capaciteiten in kaart te brengen met behulp van vragenlijsten (bijvoorbeeld de CCC-II-NL of de N-CDI: lijsten voor communicatieve ontwikkeling) of met behulp van tests voor taalbegrip, taalproductie of pragmatiek.

Somatisch onderzoek

In de praktijk blijkt uitgebreid somatisch onderzoek maar zeer laagfrequent een onderliggende etiologische factor naar voren te brengen. Echter, bij sommige afwijkende ontwikkelingen of bij abrupte gedragsveranderingen en regressie is uitgebreid medisch onderzoek juist wel zinvol. Het is goed om alle voors en tegens (zowel qua belasting voor kind en ouder als kosten-baten) goed door te nemen, alvorens tot somatisch of klinisch-genetisch onderzoek over te gaan (Cohen & Volkmar 1997; Rutter et al., 2002; Van der Veen-Mulders et al., 2001). Het wordt altijd aangeraden om te (laten) controleren of een kind goed hoort en ziet. Ook is het nuttig te kijken naar syndromale kenmerken. Voor een richtlijn over de somatische anamnese en te verrichten standaard onderzoek verwijzen wij naar de richtlijn van de NVvP (2009).

Recente ontwikkelingen

Recent wordt bij groepen jong volwassenen (met soms milde autisme symptomen) verschillende vragenlijsten afgenomen waarin zij worden gevraagd de aanwezigheid van autisme symptomen bij zichzelf te beoordelen (zie Kanne et al., 2012; Ingersoll et al., 2011). Bij kinderen en jongeren gebeurt dit minder. De paar onderzoeken die zijn gedaan laten zien dat net als bij andere groepen jongeren er grote verschillen zijn tussen wat ouders en leraren rapporteren en wat jongeren over zichzelf rapporteren. Jongeren met autisme rapporteren over het algemeen minder symptomen dan hun ouders. Dit kan samenhangen met dat zij minder zelfinzicht hebben (Johnson et al., 2009). Wat de waarde van zelfrapportages in onderzoek of in de klinische praktijk precies is, lijkt nog niet duidelijk en hangt vooral samen met het doel van de afname. Naast onderzoek naar zelfrapportages, vindt er recent ook meer onderzoek plaats naar het gebruik van digitale screening- en diagnostiekmogelijkheden voor kinderen en jongeren met autisme, zoals de bruikbaarheid van de DAWBA (zie Posserud et al., 2010; www.dawba.com). Zie ook het artikel: 'Diagnose via internet' (Balans 2013).

Om onderdiagnostiek bij meisjes tegen te gaan is volgens Gould en Ashton-Smith (2011) het verstandig om vragen te stellen over 'meisjeshobby's', zoals omgaan met dieren, mode etc. Deze onderwerpen liggen dichter tegen de 'normale' hobby's aan. Het gaat dan niet zozeer om het onderwerp op zich maar om de kwaliteit en intensiteit van deze hobby (Gould & Ashton-Smith, 2011). Deze onderwerpen komen tot nu toe niet voor in de meeste screenings- en diagnostische lijsten.

Terug naar boven

Achenbach, T.M. & Rescorla, L.A. (2000). Manual for ASEBA Preschool Forms & Profiles. Burlington, VT: University of Vermont, Research Center for Children, Youth, & Families.

Achenbach, T.M., & Rescorla, L.A. (2001). Manual for ASEBA School-Age Forms & Profiles. Burlington, VT: University of Vermont, Research Center for Children, Youth, & Families.

Begeer, S., El Bouk, S., Boussaid, W.,Meerum Terwogt, M., Koot, H.M. (2009). Underdiagnosis and Referral Bias of Autism in Ethnic Minorities. Journal of Autism and Developmental Disorders, 39, 142–148.

Berckelaer-Onnes, L.A. van & Hoekman, J. (1991). AUTI-R Schaal t.b.v. de onderkenning van vroegkinderlijk autisme: Handleiding en verantwoording. Amsterdam: Harcourt Test Publishers.

Bildt, A.A. de (2003). The Friesland study: pervasive developmental disorders in mental retardation. Enschede, Nederland: PPI.

Buitelaar, J., Daalen, E. van, Dietz, C., Engeland van, H., & Gaag, R.J. van der. (2009). Esat- screening van ASS op jonge leeftijd: Praktische handleiding voor signalering, screening en diagnostiek. Houten, Nederland: Bohn Stafleu van Loghum.

Constantino, J.N., & Gruber, C.P. (2005). Social responsiveness scale. Manual. Los Angeles: Western Psychological Services.

Dawson, G., Rogers, S., Munson, J., Smith, M., Winter, J., Greenson, J., et al. (2010). Randomized, controlled trial of an intervention for toddlers with autism: The Early Start Denver Model. Pediatrics, 125, 17-23.

Dereu, M., Roeyers, H., Raymaekers, R., Meirsschaut, M., & Warreyn, P. (2012). How useful are screening instruments for toddlers to predict outcome at age 4? General development, language skills, and symptom severity in children with a false positive screen for autism spectrum disorder. European Child and Adolescent Psychiatry, 21, 541-51.

Gould, J. & Ashton-Smith, J. (2011). Diagnosis and education of women and girls with autism. Paper presentation NAS, March, 2, Manchester.

Hartman, C.A., Luteijn, E., Moorlag, H., Minderaa, R., & Jackson, S. (2007). Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen. Herziene handleiding 2007. Amsterdam: Harcourt.

Ingersoll, B., Hopwood, C.J., Wainer, A., & Brent Donnellan, M. (2011). A Comparison of Three Self-Report Measures of the Broader Autism Phenotype in a Non-Clinical Sample. Journal of Autism and Developmental Disorders, 41, 1646-1757.

Johnson, S.A., Filliter J.H., & Murphy, R.R. ( 2009). Discrepancies Between Self- and Parent-Perceptions of Autistic Traits and Empathy in High Functioning Children and Adolescents on the Autism Spectrum. Journal of Autism and Developmental Disorders, 39, 1706-1714.

Kamp-Becker, I., Ghahreman, M., Heinzel-Gutenbrunner, M., Peters, M., Remschmidt H., & Becker, K. (2011). Evaluation of the revised algorithm of Autism Diagnostic Observation Schedule (ADOS) in the diagnostic investigation of high-functioning children and adolescents with autism spectrum disorders. Autism, 17, 87-102.

Kanne, S.M., Wang, J., & Christ, S.E., (2011). The Subthreshold Autism Trait Questionnaire (SATQ): Development of a Brief Self-Report Measure of Subthreshold Autism Traits. Journal of Autism and Developmental Disorders, 42, 769-780.

Kim, S.H. & Lord, C. (2012). Combining information from multiple sources for the diagnosis of autism spectrum disorders for toddlers and young preschoolers from 12 to 47 months of age. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 53, 143–151.

Lord, C., Risi, S., Lambrecht, L., Cook, E.H., Leventhal, B.L., DiLavore, P.C., Pickles, A., & M. Rutter. (2000). The Autism Diagnostic Observation Schedule-Generic: A standard measure of social and communication deficits associated with the spectrum of autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 30, 205-223.

Luteijn, E., Minderaa, R., & Jackson, S. (2007). VISK Handleiding Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen. Amsterdam: Pearson.

Mildenberger, K., Sitter, S., Noterdaeme, M., & Amorosa, H. (2001). The use of the ADI-R as a diagnostic tool in the differential diagnosis of children with infantile autism and children with a receptive language disorder. European Child and Adolescent Psychiatry, 10, 248-255.

Minderaa, R.B., in: Verhulst FC, Verheij F. (2009). Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek. Assen, Nederland: Van Gorcum.

NvvP (Werkgroep richtlijn autisme en aanverwante stoornissen bij kinderen en jeugdigen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, in samenwerking met het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie). (2009). Richtlijn diagnostiek en behandeling autismespectrumstoornissen bij kinderen en jeugdigen. Utrecht, Nederland: de Tijdstroom.

Ozonoff, S., Iosif, A., Baguio, F., Cook, I.C., Moore Hill, M., Hutman, T., et al. (2010). A prospective study of the emergence of early behavioral signs of autism. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 49, 258–268.

Paul, R., Fuerst, Y., Ramsay, G., Chawarska, K., & Klin, A. (2011). Out of the mouths of babes: Vocal production in infant siblings of children with ASD. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 52, 588–598.

Pilowsky, T., Yirmiya, N., Shulman, C., & Dover, R. (1998). The Autism Diagnostic Interview-Revised and the Childhood Autism Rating Scale: Differences between diagnostic systems and comparison between genders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 28, 143-151.

Posserud, M., Lundervold, A.J., Lie, S.A., Gillberg, G. (2008). The prevalence of autism spectrum disorders: Impact of diagnostic instrument and non-response bias. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 45, 319-327.

Robins, D.L., Fein, D., Barton, M.L., & J.A. Green (2001). The Modified Checklist for Autism in Toddlers: an initial study investigating the early detection of autism and pervasive developmental disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 31, 131-44.

Robins, D.L., & Dumont-Mathieu, T.M. (2006). Early screening for autism spectrum disorders: Update on the modified checklist for autism in toddlers and other measures. Journal of Developmental Behavioral Pediatrics, 27, 111-119.

Rogers, S. (2009). What are infant siblings teaching us about autism in infancy? Autism Research, 2, 125–137.

Smith, I.M., Koegel, T.L., Koegel, L.K., Openden, D.A., Fossum, K.L., & Bryson, S.E. (2010) Effectiveness of a Novel Community-Based Early Intervention Model for Children With Autistic Spectrum Disorder. American Journal on Intellectual and Developmental Disabilities, 115(6), 504-523.

Rutter, M., & Taylor, E.A. (2002). Child and Adolescent Psychiatry. Oxford, UK: Blackwell Publishing.

Saemundsen, E., Magnusson, P., Smari, J., & Sigurdardottir, S. (2003). Autism Diagnostic Interview-Revised and the Childhood Autism Rating Scale: Convergence and discrepancy in diagnosing Autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 33, 319-328.

Skuse, D., Warrington, R., Bishop, D., Chowdhury, U., Lau, J., Mandy, W., & Place, M. (2004). The Developmental, Dimensional and Diagnostic Interview (3di): A Novel Computerized Assessment for Autism Spectrum Disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 43, 548-558.

Smidts, D.P., & Huizinga, M. (2009). BRIEF executieve functies gedragsvragenlijst: Handleiding. Amsterdam: Hogrefe.

Steerneman, P., Meesters, C., & Muris, P. (2000). ToM-test. Leuven/Apeldoorn: Garant.

Swinkels, S.H., Dietz, C., Daalen, E. van, Kerkhof, I.H., Engeland, H. van, & Buitelaar, J.K. (2006). Screening for autistic spectrum in children aged 14 to 15 months. I: the development of the Early Screening of Autistic Traits Questionnaire (ESAT). Journal Autism and Developmental Disorders, 36, 723-32.

Veen-Mulders, L. van der, Serra, M., Hoofdakker, B. van den, & Minderaa, R. (2001). Sociaal Onhandig. Assen, Nederland: Van Gorcum.

Verhulst F.C., & Verheij, F. (2009). Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek. Assen, Nederland: Van Gorcum.

Terug naar boven

Behandeling autisme

Gezien de zeer uiteenlopende uitingsvormen van ASS is in alle gevallen grondige diagnostiek een belangrijke voorwaarde om te komen tot een zo integraal mogelijke behandeling. De inmiddels klassieke behandelprincipes van Rutter (1985) kunnen daarbij als leidraad dienen:

  1. Cognitie, taal en socialisatie / sociaal-emotionele ontwikkeling faciliteren
  2. Autistisch-gerelateerd maladaptief gedrag zoals rigiditeit, stereotypie en inflexibiliteit verminderen
  3. Niet-specifiek maladaptief gedrag zoals hyperactiviteit en disruptief gedrag elimineren
  4. Stress in het gezin, verbeteren van de communicatie en vergroten van de draagkracht verminderen

Autisme kan gezien worden als een chronische ontwikkelingsstoornis en er bestaat dan ook geen genezende therapie voor. Het is van belang om de levensloop van het kind en zijn omgeving goed te monitoren. Binnen de levensloop is het van belang om de behandeling en de begeleiding te plaatsen in het kader van de ontwikkelingsfase en aan te passen aan de levensomstandigheden.

Er zijn inmiddels veel therapieën en behandelingen ontwikkeld, maar voor de meerderheid ontbreekt bewijs voor de effectiviteit. Voor programma's met een gestructureerde omgeving met communicatieve ondersteuning (zoals in het TEACCH-programma) en voor gedragtherapeutische interventies (zoals ABA) bestaat het meeste bewijs. Afhankelijk van de noodzaak en op welk gebied de meeste belemmeringen liggen, kan daarnaast aanvullende behandeling worden gegeven in de vorm van bijvoorbeeld fysiotherapie, logopedie, speltherapie, zelfredzaamheidtraining, sociale vaardigheidstraining of gedragstherapeutische interventies voor specifiek storend gedrag (als bijvoorbeeld onzindelijkheid, zelfbeschadiging, stereotypieën, het leren omgaan met boosheid). In alle gevallen zijn structuur, duidelijkheid en consequent zijn sleutelbegrippen.

Voor een overzicht van alternatieve therapieën, waarbij wetenschappelijke evidentie voor de werkzaamheid ontbreekt, verwijzen we naar Howlin (2005) en de richtlijn van de NVvP (2009).

Terug naar boven

Psycho-educatie

Psycho-educatie is meestal de eerste stap van behandeling en is van belang om ouders inzicht te geven in de problematiek van hun kind. Problemen die ouders ervaren met hun kind worden verklaard en de diagnosestelling wordt verwerkt door ouders (Verheij, et al., 2007). Binnen de psycho-educatie dient aandacht te zijn voor de mogelijkheden van het kind en het benutten hiervan in plaats van het alleen aankaarten van de problemen en beperkingen van het kind (Verheij, et al., 2007). Psycho-educatie wordt aan de ouders gegeven, maar psycho-educatie aan het kind zelf dient ook te worden overwogen. Daarnaast kan het ook gegeven worden aan broertjes en zusjes, overige familieleden en bijvoorbeeld leerkrachten (Verheij, et al., 2007).

Binnen de jeugd-ggz-instellingen is een ruim aanbod van psycho-educatie. Een voorbeeld van psycho-educatie voor het kind is 'Ik ben Speciaal' (de beschrijving bevat een beoordeling). Adolescenten met ASS kunnen baat hebben bij de psycho-educatiemodule 'ASS voor volwassenen' van C.C. Kan. Deze module is ontwikkeld voor deelnemers die normaal tot hoogbegaafd zijn van 18 jaar of ouder, de Nederlandse taal voldoende beheersen en in de gelegenheid zijn om een belangrijke betrokkene van de persoon mee te nemen naar de bijeenkomsten (Kan, 2008). Ook jongeren die nog niet de leeftijd van 18 hebben bereikt, maar wel voldoende verbaal onderlegd zijn en zelf gemotiveerd zijn voor psycho-educatie rondom autisme, kunnen baat hebben bij de module zoals ontwikkeld door Kan. Van belang is wel om aan te sluiten bij de belevingswereld van de jongere door bijvoorbeeld het onderwerp 'school' toe te voegen. Tot slot bestaan er ook vormen van psycho-educatie die online of gedeeltelijk online worden aangeboden.

Gedragstherapie

Vroegtijdige gedragstherapieën

Onderzoek naar de effectiviteit van vroege, intensieve gedragstherapieën laat zien dat belangrijke winsten kunnen worden behaald op het gebied van taal- en cognitieve vaardigheden en adaptief gedrag (Dawson, et al., 2011). Daarnaast kunnen comorbide aandoeningen verminderen. Door het kind en zijn of haar familie zo vroeg mogelijk te laten beginnen met behandeling en begeleiding, kan de problematiek worden verminderd en wordt de ontwikkeling van het kind bevorderd (Gezondheidsraad, 2009).

Een voorbeeld van een behandelmethode die op jonge leeftijd kan worden gestart is Pivotal Response Treatment (PRT). PRT is een gedragstherapeutische behandeling gebaseerd op ABA-principes met als doel de sociale interactie, communicatie en andere adaptieve vaardigheden van jonge kinderen te verbeteren (Koegel & Koegel, 2006). De behandeling oriënteert zich op kernvaardigheden zoals motivatie voor contact en sociaal initiatief nemen. Oudertraining is een essentieel onderdeel van PRT (Koegel & Koegel, 2006). Onderzoek heeft aangetoond dat gedragsproblemen bij jonge kinderen (gemiddeld 50 maanden) verminderen na een PRT-behandeling van 1 jaar (Smith, et al., 2010). Ook waren er verbeteringen te zien in de taalontwikkeling en een afname in autismesymptomen, maar alleen voor kinderen met een IQ hoger dan 50 (Smith, et al., 2010). PRT is een intensieve behandeling en kan daarom voor ouders soms niet haalbaar zijn. Het wordt aanbevolen om rendement en behoefte met ouders te bespreken.

Een andere behandelmethode die bij jonge kinderen effectief is gebleken, is het Early Start Denver Model. Dit is ook een intensieve gedragstherapie gebaseerd op leertechnieken en ABA-principes en ontwikkeld voor kinderen van 1 tot 5 jaar (Dawson, et al., 2010). Ouders spelen een belangrijke rol in de uitvoering. Deze methode heeft een goede wetenschappelijke onderbouwing: na behandeling van twee jaar laten de kinderen verbetering zien in IQ en adaptief gedrag en vermindering in de ernst van autisme, sterker dan bij de controlegroep (Dawson, et al., 2010).

Applied Behavioural Analysis

Applied Behavioral Analysis (ABA) is een intensieve gedragstherapie waarbij gedragsanalyses en conditioneringtechnieken gebruikt worden om de motivatie voor sociaal gedrag te bevorderen en de taalontwikkeling en adaptief gedrag te stimuleren. De ontwikkelingsgerichte behandeling is op het kind afgestemd, begint op vrij jonge leeftijd (rond 4 jaar) en is vaak intensief en langdurig. Ouders worden direct betrokken en er wordt met één-op-één interacties gewerkt die langzaam worden uitgebreid naar groepscontexten en meer alledaagse situaties. Uit een meta-analyse blijkt dat ABA-behandeling een sterk effect heeft op de taalontwikkeling. Daarnaast zijn er ook duidelijke effecten gevonden op (verbaal) IQ, adaptief gedrag en socialisatie (Virués-Ortega, 2010). Ook is er bewijs dat intensieve training (>30 uur per week) zorgt voor meer effectiviteit dan minder intensieve training (< 12 uur per week) (Reed et al., 2006).

Vaardigheidstrainingen

ToM-training

"Theory of Mind" is een sociale vaardigheidstraining voor kinderen van 9 t/m 12 jaar met een stoornis in het autistisch spectrum die moeite hebben zich te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van anderen en die moeite hebben met het begrijpen van en omgaan met emoties en/of angstig en agressief zijn in sociale situaties. De ToM-training stimuleert de ontwikkeling van het sociaal en emotioneel denken. De training wordt gegeven in groepsverband. De ToM-training kan eventueel vervolgd worden door een Sociale Vaardigheidstraining.

SOVA

Sociale vaardigheidstraining (SOVA) is een in de klinische praktijk veelgebruikte methode om alledaagse sociale vaardigheden te trainen, waaronder oogcontact maken, laten merken hoe je je voelt, complimenten geven en afspraken maken met leeftijdgenoten. Sova-trainingen worden aangeboden voor verschillende leeftijdsgroepen. Het generaliseren van vaardigheden naar situaties buiten de training kan moeilijk zijn voor kinderen en jongeren met ASS, hierop wordt ingespeeld door huiswerkoefeningen te geven. Een SOVA-training kan vaardigheden tijdens sociale interacties verbeteren en daarmee het zelfvertrouwen van kinderen of jongeren met ASS vergroten (Laugeson, et al., 2012; Neef, et al., 2010; Tse, et al., 2007; Volkmar, 1998). Er zijn echter weinig gecontroleerde studies met een vergelijkingsgroep gedaan, waardoor de wetenschappelijke evidentie niet heel sterk is (Cappadocia & Weiss, 2011). Het is onvoldoende bekend welke elementen van de SOVA-trainingen voor de verbetering van de vaardigheden zorgen (Prins, et al., 2011).

Systeem-/ouderbegeleiding en oudertraining

Bekend is dat stress in het gezin geen autisme veroorzaakt, maar het hebben van een kind met autisme wel een forse belasting voor het gezin kan zijn. Wanneer ouders voor het eerst horen over autisme, realiseren zij zich veelal niet wat voor implicaties dit heeft voor de opvoeding, de gezinssituatie en de toekomst. Het is van belang de ouders, bijvoorbeeld via psycho-educatie, goed te informeren over de diagnose en wat dit betekent voor de toekomst van het kind. Zij moeten worden bijgestaan in de rouwverwerking en in het helpen een weg te vinden in welk aanbod van zorg voor hun kind op welk moment het meest geschikt is. Het is ook van belang om aandacht te schenken aan de overige gezinsleden, gezien de impact die ASS op andere leden van het gezin kan hebben. Dit kan de stress voor het gezin doen afnemen.

Er zijn verschillende behandelingen gericht op de ouders van kinderen met ASS of op het hele gezin. Een voorbeeld hiervan is 'Individuele oudertraining bij kinderen met autisme'. Een meer intensieve benadering is de Psychiatrische Gezinsbehandeling Autisme (PGA), gegeven door het dr. Leo Kannerhuis. PGA wordt in de thuissituatie ingezet bij gezinnen met een kind/adolescent met ASS, waarbij de ouders ondersteuning nodig hebben bij het opvoeden of het omgaan met ASS. Het doel is het verbeteren van het gezinsfunctioneren en het vergroten van de draagkracht van het gezin.

Gedragsinterventies die door de ouders uitgevoerd worden (parent-mediated), zorgen voor verbeterde ouder-kind interacties, maar hebben geen duidelijk effect op de kernsymptomen van autisme (Dawson & Burner, 2011; Green, et al., 2010). De evidentie voor zulke oudertrainingen is dus beperkt in vergelijking met gedragstherapieën zoals ABA of PRT, waarbij de ouders ook direct worden betrokken.

Onderwijs

Uit follow-up-studies is bekend dat een gevolgde vorm van scholing een betere prognose geeft. Het is daarom belangrijk samen met ouders te zoeken naar de beste onderwijsvorm: regulier dan wel ambulante ondersteuning of speciaal onderwijs (s.b.o. of v.s.o.). Verder toont onderzoek door de Universiteit van Tilburg e en fluent Zorgadvies aan dat de begeleiding van jongeren met ASS verbetert bij een integrale aanpak: thuis, op school en in vrije tijd -ASS Integraal- (Van Gaalen, 2012). Door de communicatie tussen ouders en school te verbeteren wordt er meer inzicht verkregen in de mogelijkheden van de jongere (Van Gaalen, 2012). Voor de docent is het belangrijk te weten wat er met het kind aan de hand is, en wat het desbetreffende kind nodig heeft om zo optimaal mogelijk van het onderwijsaanbod gebruik te kunnen maken. Vaak gaat het om extra individuele aandacht en een zeer gestructureerde benadering. Een speciaal educatieprogramma zoals TEACCH (Treatment and Education of Autistic and Related Communication Handicapped Children programme) kan hierbij gebruikt worden (Mesibov et al., 2005). Binnen dit programma wordt een sterk gestructureerde leeromgeving gecreëerd voor het kind of de jongere. De ruimte en tijd worden gestructureerd met behulp van pictogrammen, taken worden opgedeeld in concrete stappen en materialen worden geordend in materiaalbakjes. Van Bourgondien et al. (2003) hebben aangetoond dat TEACCH zorgt voor betere communicatieve en sociale vaardigheden en vermindering van gedragsproblemen op de korte termijn.

Een andere factor waar scholen en ouders rekening mee moeten houden, is dat ze te maken kunnen krijgen met schoolweigering door kinderen en/of jongeren met ASS. Bij schoolweigering gaat het om kinderen die blijvend afwezig zijn op school en lichamelijke klachten hebben zoals hoofdpijn, misselijkheid en slaapproblemen (Scharree, 2007). De schoolweigering kan bij kinderen en jongeren met ASS veel oorzaken hebben, waaronder angst (schoolfobie), overprikkeling en overvraging. Een analyse van de oorzaak is belangrijk om een passende interventie te kunnen inzetten. Mogelijke interventies zijn het behandelen van de angst, aanpassen van de klasomgeving of plaatsing in cluster 4-onderwijs. Een vorm van onderwijs voor kinderen die ook in het speciaal onderwijs vastlopen is 'Beter passend' van de Bascule, waarbij onderwijs wordt aangeboden aan schoolweigerende kinderen in de basisschool- en middelbare schoolleeftijd. Een ander voorbeeld is het volgen van school door kinderen thuis via de computer, zoals De Piloot aanbiedt.

Levensloop

Aangezien autisme een chronische aandoening is, blijft behandeling en begeleiding in periodes zeker nodig. De stoornis heeft bijvoorbeeld gevolgen voor de mogelijkheden ten aanzien van (zelfstandig) wonen en werken. Ondersteuning en training op deze gebieden kan jongeren met ASS helpen om hierin de optimale aanpassing te vinden. Levensloopbegeleiding kan mensen met ASS helpen hun leven zo zelfstandig mogelijk vorm te geven en de overgang naar een nieuwe levensfase versoepelen. Er wordt aandacht besteed aan onderwijs, werk en dagbesteding, wonen en vrije tijd, vriendschap, relaties, sexualiteit etc. De levensloop kan doorgenomen worden met ouders en de jeugdige zelf, waarbij aangegeven kan worden wat voor behandeling of begeleiding op verschillende leeftijden mogelijk is. Hierdoor weten ouders dat ze kunnen terugkomen en leid je ouders door bestaan heen. Daarnaast zijn er verschillende behandelingen specifiek voor jongeren met ASS, bijvoorbeeld gericht op stemmingsproblemen of seksualiteit. Caroline Schuurman heeft een gedragstherapeutisch programma ontwikkeld over stemming bij ASS (Schuurman, . 2010). Voor het bevorderen van de psychoseksuele en puberteitsontwikkeling bestaat de Ik Puber-training, die op dit moment onderzocht wordt op effectiviteit (zie www.ikpuber.nl ).

MEE Amstel en Zaan biedt levensloopbegeleiding aan jongeren van 15 tot 23 jaar.

E-health

Er zijn verschillende online behandelingen ontwikkeld voor de behandeling van ASS bij kinderen:

Cogmed

De digitale versie van Cogmed traint executieve functies bij kinderen vanaf 4 jaar door een serie gecomputeriseerde werkgeheugentrainingen en concentratietrainingen. Het programma wordt uitgegeven door Pearson Assessment and Information B.V.

Braingame Brian

Het computerspel Braingame Brain richt zich ook naast training van het werkgeheugen ook op cognitieve flexibiliteit en het remmen van gedrag. Het spel is bedoeld voor kinderen tussen de acht en twaalf jaar. De stichting Gaming and Training verzorgt de implementatie van het spel.

FindMe

Voor zeer jonge kinderen met autistische kenmerken is de app FindMe ontwikkeld. FindMe is een sociale-aandachttraining waarin kinderen leren minder op afleidende stimulie te reageren en de aandacht meer te richten op mensen. De app kan ingezet worden bij kinderen vanaf achttien maanden en is gratis te downloaden in de AppStore voor de iPad (in het Engels).

Leo Kannerhuis Autismezorg 2.0

Het Leo Kannerhuis heeft Autismezorg 2.0 ontwikkeld; een samensmelting en integratie van E-health en reguliere autismehulpverlening. Het draagt bij aan een actieve deelname van de cliënt tijdens de behandeling waardoor de weerbaarheid en de zelfredzaamheid wordt gestimuleerd.

Een voorbeeld is het spel Hows, een serious game voor jongeren met autisme vanaf veertien jaar. Het spel leert jongeren taken van zelfstandig wonen, zoals schoonmaken en de was doen. Het spel wordt op dit moment getest bij cliënten van het Leo Kannerhuis. Een ander hulpmiddel is de OV Coach, een digitale coach die kinderen en jongeren met ASS helpt om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. De app is voor € 5,49 te downloaden voor de Iphone in de AppStore en binnenkort ook beschikbaar voor Andriod-smartphones. Meer informatie over online behandelmogelijkheden en toepassingen voor mensen met ASS is t vinden op de website Autismeplein.

Voor meer informatie over deze en andere online behandelingen verwijzen wij u graag naar onze website 'De staat van e-health in de jeugd-ggz'.

Nieuwe ontwikkelingen

Naast gedragstherapieën specifiek gericht op de ontwikkelingsproblemen bij autisme, zijn er ook gedragstherapeutische interventies die inspelen op bijkomende problemen zoals boosheid en agressie. Het kind leren omgaan met zijn of haar boosheid kan de stress in een gezin verminderen. Een voorbeeld van een agressietraining is Baas over Boos; BOB-training (Van der Gaag, 2009; Gevers en Clifford, 2009). Dit is een individuele emotieregulatietherapie met als doel het kind grip te leren krijgen op zijn of haar emoties. De therapie is voorheen ontwikkeld voor kinderen met MCDD. In een samenwerkingsverband met de Vrije Universiteit en de Bascule wordt onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de methode.

Daarnaast wordt mindfulness soms als therapievorm toegepast om mensen met ASS te helpen meer rust te krijgen in hun hoofd (Spek, 2010). Onderzoek toont aan dat een op mindfulness gebaseerde behandeling depressieve klachten en angstklachten kan verminderen bij volwassenen met ASS (Spek, et al., 2013). Er is echter nog onvoldoende onderzocht of mindfulness ook effectief is bij jongeren met ASS. Drie kleine uitgevoerde onderzoeken bij adolescenten geven verbeteringen aan na een op mindfulness gebaseerde therapie in bijvoorbeeld sociale interactie, concentratie en agressievermindering, maar de onderzoeken zijn beperkt door de grootte en het ontbreken van een controlegroep (Spek, et al., 2013; Singh, et al., 2011a; Singh, et al., 2011b; Bögels, et al., 2008).

Terug naar boven

Bögels, S., Hoogstad, B., van Dun, L., de Schutter, S., & Restifo, K. (2008). Mindfulness training for adolescents with externalizing disorders and their parents. Behavioral and Cognitive Therapy, 36, 193–209.

Bourgondien, M.E. van, Reichle, N.C., & Schopler, E. (2003). Effects of a model treatment approach on adults with autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 33, 131-40.

Cappadocia, M., & Weiss, A. (2011). Review of social skills training groups for youth with Asperger Syndrome and High Functioning Autism. Research in Autism Spectrum Disorders,5, 70-78.

Dawson, G., & Burner, K. (2011). Behavioral interventions in children and adolescents with autism spectrum disorder: A review of recent findings. Current Opinion in Pediatrics, 23, 616-620.

Gaag, R.J. van der (2009). McDD- het behandelplan in grote lijn. In: R.J. van der Gaag (ed.), Multiple complex Developmental Disorder. Amsterdam: Benecke.

Gezondheidsraad (2009). Autismespectrumstoornissen: een leven lang anders. Den Haag: Gezondheidsraad, publicatienr. 2009/09.

Gevers, C., & Clifford, P. (2009). De psychologische behandeling van kinderen met McDD. In: R.J. van der Gaag (ed.), Multiple complex Developmental Disorder. Amsterdam: Benecke.

Gaalen, C. van (2012). GGz Breburg en Onderwijs SWVVO samen voor jongere met autisme. Nieuwsbrief Psy, 21 juni 2012.

Howlin, P. (2005). The effectiveness of interventions for children with autism. Journal of Neural Transmission Supplementa, 69, 101-119.

Kan, C.C.(2008). Psycho-educatiemodule autismespectrumstoornis (ASS) bij normaal begaafde voilwassenen. Maasticht: Shaker Publishing BV.

Koegel, R.L. Koegel, L.K. (2006). Pivotal response treatments for autism: Communication, social and academic development. Baltimore: Brookes.

Laugeson, E.A., Frenkel, F., Gantman, A., Dillon, A.R., & Mogil, C. (2012). Evidence-based social skills training for adolescents with autism spectrum disorders: The UCLA PEERS program. Journal of Autism and Developmental Disorders, 42, 1025-1036.

Mesibov, G.B., Shea, V. & Schopler, E. (2005). The TEACCH approach to autism spectrum disorders. New York: Springer.

Neef, M.K., Vet, L.J.J. & Serra, M. (2010). Sociale vaardigheidstraining voor jongeren met een autismespectrumstoornis: een onderzoek naar de effecten. Kind en Adolescent Praktijk, 2, 58-66.

Prins, P.J.M, Bosch, J.D., Braet, C. (2011). Methoden en technieken van gedragstherapie bij kinderen en jeugdigen (pp. 147-182). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Reed, P., Osborne, L.A., & Corness, M. (2007). Brief report: Relative Effectiveness of Different Home-based Behavioral Approaches to Early Teaching Intervention. Journal of Autism and Developmental Disorders, 37, 1815-1821.

Rutter, M. (1985). The treatment of autistic children. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 26, 193-214.

Scharree, C. (2007) Schoolweigering? Ouders aan de slag! Kind en Adolescent Praktijk , 6, 8-13

Schuurman, C. (2010). Cognitieve gedragstherapie bij autisme. Een praktisch behandelprogramma bij volwassenen.' Amsterdam, Hogrefe

Singh, N.N., Lancioni, G.E., Manikam, R., Winton, A.S.W., Singh, A.N.A., Singh, J., et al. (2011a). A mindfulness-based strategy for self-management of aggressive

behavior in adolescents with autism. Research in Autism Spectrum Disorders, 5, 1153–1158.

Singh, N.N., Lancioni, G.E., Singh, A.D.A., Winton, A.S.W., Singh, A.N.A., & Singh, J. (2011b). Adolescents with Asperger syndrome can use a mindfulness-based strategy to control their aggressive behavior. Research in Autism Spectrum Disorders, 5, 1103–1109.

Smith, I.M., Koegel, T.L., Koegel, L.K., Openden, D.A., Fossum, K.L., & Bryson, S.E. (2010). Effectiveness of a Novel Community-Based Early Intervention Model for Children With Autistic Spectrum Disorder. American Journal on Intellectual and Developmental Disabilities,115, 504-523.

Spek, A. (2010). Mindfulness bij volwassenen met Auisme. Een wegwijzer voor hulpverleners en mensen met ASS. Amsterdam: Hogrefe.

Teunisse, J.P. (2012). Levensloopbegeleiding. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme, 11, 101-106.

Tse, J., Strulovitch, J., Tagalakis, V., Meng, L., & Fombonne, E. (2007). Social skills training for adolescents with Asperger Syndrome and High-functioning autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 37, 1960–1968.

Verheij, F., Verhulst, F.C., & Ferdinand, R.F. (2007). Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Behandeling en begeleiding, pp. 31-74. Assen: Van Gorcum.

Virués-Ortega, J. (2010). Applied behavior analytic intervention for autism in early childhood: Meta-analysis, meta-regression and dose–response meta-analysis of multiple outcomes. Clinical Psychology Review, 30, 387-399.

Volkmar, F. (1998). Autism and Pervasive Developmental Disorders. In: D. Cohen & F.R. Volkmar (Eds.). Handbook of autism and pervasive developmental disorders (pp. 489-498). New York: Wihley.

Terug naar boven

Medicatie autisme

Bij de behandeling van 'bijkomende' problemen in het kader van autismespectrumstoornissen (ASS) kan behandeling met psychofarmaca overwogen worden. De werkzaamheid van psychofarmaca is aangetoond voor de volgende vier symptoomclusters: disruptief gedrag (niveau 1), ADHD- symptomen (niveau 2), angst en depressie (niveau 2) en repetitief gedrag en dwangmatigheid (niveau 2). Psychofarmaca zijn slechts in enkele studies rechtstreeks met elkaar vergeleken. Vergelijkende studies naar het effect van niet-medicamenteuze vs. medicamenteuze behandelingen ontbreken al helemaal: er is slechts één RCT naar het effect van de combinatie oudertraining-medicatie vs. medicatie alleen. Het bepalen van de volgorde van keuze is daarom voornamelijk gebaseerd op vergelijking van onderzoeksuitkomsten verkregen uit afzonderlijke studies.

Aanbevelingen

  • De combinatie van psychofarmaca en psychosociale interventies komen in aanmerking wanneer ernstige symptomen blijven bestaan ondanks de inzet van psychosociale interventies. Bij sommige problemen is medicatie direct nodig, vooral als ze de leerbaarheid beïnvloeden en moeilijk met gedragsinterventies te bestrijden zijn.
  • Wanneer disruptief gedrag als agressie en automutilatie sterk domineert is risperidon het middel van eerste keus, en binnen de groep van de antipsychotica daarna aripiprazol of pipamperon. Wanneer dit gecombineerd wordt met oudertraini../../Risperidonng valt een groter effect te verwachten, waarbij mogelijk lager gedoseerd kan worden.
  • Bij ADHD-symptomen is methylfenidaat de eerste keus en dexamfetamine de tweede keus. Hoewel patiënten met ASS sneller reageren met bijwerkingen op psychostimulantia (en dit geldt temeer bij kinderen met een verstandelijke beperking) is dit toch de beste optie gezien de grote ervaring met deze middelen, de snelle werking en de reversibiliteit na staken. Atomoxetine en vervolgens clonidine komen in aanmerking bij onvoldoende effect van de psychostimulantia op symptomen van hyperactiviteit en impulsiviteit (Zie: adrenerge middelen) Er valt dan ook te denken aan risperidon, aripiprazol of pipamperon, zeker wanneer er tevens sprake is van (ernstige) agressie.
  • Bij comorbide angst- en depressie zonder agressie komen fluoxetine, fluvoxamine en citalopram in aanmerking. Een nadeel is het vaak optreden van gedragsactivatie. Tweede stap is in dat geval risperidon of pipamperon.
  • Bij interfererend repetitief gedrag en dwangmatigheid komen fluoxetine en fluvoxamine in aanmerking. Nadeel is het vaak optreden van gedragsactivatie. Bij onvoldoende effect is vervolgens risperidon te overwegen of aripiprazol, en daarna pipamperon. Bij therapieresistente patiënten kunnen valproaat en carbamazepine als laatstekeusmiddelen gegeven worden. Interfererend repetitief gedrag en dwangmatigheid is moeilijk behandelbaar.
  • Gewichtstoename en verstoringen in het lipiden- en glucosemetabolisme (metabool syndroom) zijn de belangrijkste bijwerkingen van de atypische antipsychotica. Binnen het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie zijn consensusbesprekingen gevoerd en is besloten om het protocol van Accare 'Monitoren op metabole en endocriene bijwerkingen van antipsychotica bij kinderen en jongeren' landelijk te volgen, naast het meten van bloeddruk en pols. Hierin wordt geadviseerd altijd het BMI te monitoren en wanneer er sprake is van familiaire hypercholesterolemie of overgewicht regelmatig glucose en lipiden te controleren. Bij verhoogd lichaamsgewicht moet de lipidenspiegel geprikt worden. Klassieke antipsychotica kunnen toegepast worden bij metabole risicofactoren, al dan niet als gevolg van behandeling met atypische middelen. Dit dient echter gereserveerd te worden voor extreme gevallen. Bij klassieke antipsychotica is kans op het optreden van dyskinesieën, ook bij lage doseringen.
  • Na 6-12 maanden evalueren of stoppen met medicatie mogelijk is. In overleg met ouders en verzorgers kan geprobeerd worden in een stabiele periode de medicatie langzaam af te bouwen. In praktijk gebeurt dit te weinig. Er dient geëvalueerd te worden of medicatie nog steeds nodig is.

Flowchart

Flowchart

Terug naar boven

ASS zijn een chronische aandoening waarvoor geen genezing bestaat. In het beloop treden vaak verschuivingen op in het klinisch beeld. Gezien de zeer uiteenlopende uitingsvormen per individu en per ontwikkelingsfase is in alle gevallen grondige diagnostiek aangewezen om te komen tot een zo integraal mogelijke behandeling. De volgende behandelelementen worden vaak toegepast (Lahuis e.a., 2008):

  • Psycho-educatie: informatie geven over de diagnose, de beperkingen en behandelingsmogelijkheden. Verwachtingen ten aanzien van de toekomst bespreken met aandacht voor verwerkingaspecten. Gewezen kan worden op belangrijke hulpinstanties als de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA), MEE en eventuele regionale expertise centra;
  • Ontwikkelingsstimulering: educatieve (TEACCH-)benadering gebaseerd op het aanbieden van een groeizaam gestructureerd opvoedingsklimaat;
  • Ondersteuning en training op het gebied van school, vrijetijdsbesteding, wonen en werken;
  • Gedragstherapie ter vermindering van 'bijkomende', met de ontwikkeling interfererende problemen.
  • Oudertraining/systeembehandeling

De combinatie van gedragsmatige interventies en psychofarmaca dient de voorkeur. De combinatie met oudertraining is effectiever dan medicatie alleen, zoals werd aangetoond in een grote goed opgezette RCT van de RUPP-groep (n = 124; Aman et al., 2009). In deze studie bleek oudertraining in combinatie met risperidon, en bij onwerkzaamheid aripiprazol, na 24 weken behandeling effectiever dan medicatie alleen voor het verminderen van disruptief gedrag. Uit ander onderzoek blijkt dat de samenvoeging van gedragsmatige interventies en antipsychotica de meest effectieve aanpak in het verminderen van agressief gedrag bij jongeren met ASS (Frazier et al., 2010). Bij beide studies bleek er lager gedoseerd te kunnen worden in de combinatiegroep (Frazier et al., 2010; Aman et al., 2009).

De huidige beschikbare geneesmiddelen hebben geen van allen primair effect op de sociale en communicatieve kernsymptomen van ASS. Wel kan medicatie vermindering geven van de vaak met autisme geassocieerde gedragsproblemen, en daarmee de ontvankelijkheid van het kind vergroten voor niet-medicamenteuze interventies (op school en werk, als ondersteuning bij het aanleren van gewenst gedrag). De effectiviteit van psychofarmaca bij ASS is aangetoond voor de volgende vier symptoomclusters: disruptief gedrag (niveau 1), ADHD symptomen (niveau 2), angst- en depressie (niveau 2) en interfererend repetitief/dwangmatig gedrag (niveau 2). Er is daarbij overlap wat betreft het indicatiegebied van de verschillende typen medicatie: antipsychotica hebben bijvoorbeeld zowel effect op agressie en hyperactiviteit als op repetitief en dwangmatig gedrag. Primair wordt gekozen om het hoofdsymptoom te behandelen dat het meeste lijden en/of stagnatie geeft. Bij voorkeur door één of in ieder geval zo min mogelijk middelen, waarbij mogelijk één middel ingezet kan worden voor meerdere aanwezige symptomen. In de hierna volgende tekst wordt een overzicht gegeven van RCT's en open studies, spaarzaam aangevuld met klinische casuïstiek en ervaringen uit de klinische praktijk. Zelden gebruikte psychofarmaca zijn niet opgenomen in de bespreking.

Effectmetingen

Effecten van farmacotherapie op symptomen van ASS-patiënten kunnen gemeten worden met: de Clinical Global Impression of Severity scale (CGI-S), de Conners schalen, de Aberrant Behavior Checklist (Aman e.a., 1985), de MOAS (modified overt agression scale op agressief gedrag) (Kay e.a., 1988, vertaling Buitelaar) en de Children's Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale (Scahill e.a., 1997). Ook is het mogelijk om enkele, door de ouders van een patiënt gedefinieerde doelen, gedetailleerd te omschrijven en vervolgens gedurende de therapie te volgen (Arnold e.a., 2003). De Goal Attainment Scale zou een eenvoudig toe te passen instrument kunnen zijn om meer algemene symptomen te scoren; dit is van belang omdat de indicatie niet altijd scherp omschreven is.

Terug naar boven

Effectiviteit

Van de atypische antipsychotica is alleen risperidon onderzocht in meerdere placebogecontroleerde studies. De resultaten zijn consistent over de verschillende studies met vergelijkbaar design. De effecten van risperidon zijn breed te noemen: vermindering van onrust, affectlabiliteit, boosheid, driftaanvallen, automutilatie, hyperactiviteit en stereotiep gedrag (McDougle e.a., 2008; Parikh e.a., 2008). Korte-termijn-verbetering van agressie, prikkelbaarheid en automutilatie trad op bij omstreeks 70% van de kinderen (McCracken e.a., 2002; Shea e.a., 2004) met tevens vermindering van repetitief gedrag ( McDougle e.a., 2005). Dit effect bleek na 8 maanden nog steeds aanwezig (Aman e.a., 2005; Troost e.a., 2005). Kerndomeinen zoals 'sociale isolatie' en 'interesse in communicatie met anderen' verbeterden niet in twee RCT's (McDougle e.a., 2005; Pandina e.a., 2007). In een andere RCT was dit slechts in enige mate het geval (Shea e.a., 2004).

Risperidon is als enig atypisch antipsychoticum gericht onderzocht op mogelijke effecten op de cognitie. De RUPP-onderzoeksgroep vond geen afname in cognitief functioneren zoals gemeten met een cognitieve testbatterij (Aman e.a., 2008). In een andere RCT was er geen negatief effect op reactietijden bij het doen van enkele computertaakjes, met mogelijk zelfs positieve effecten op het werkgeheugen (Troost e.a., 2006a). Het betrof echter kleine aantallen in beide onderzoeksarmen met veel uitval bij de jongste kinderen.

Deze veelheid aan onderzoek, waarbij resultaten in vergelijkbare studies zijn gerepliceerd, rechtvaardigt risperidon als eerste keus middel te selecteren voor de behandeling van disruptief gedrag, en dit middel ook bij andere targetsymptomen met voorrang toe te passen.Wegens het frequent optreden van de bijwerkingen gewichtstoename en hyperprolactinemie (Troost e.a., 2007, Anderson e.a., 2007), is uitgekeken naar alternatieve middelen uit de groep van de atypische antipsychotica.

Het effect van aripiprazol op disruptief gedrag werd onderzocht bij 25 kinderen met ASS. Na 14 weken was er respons bij 88% van de kinderen, met in 36% van de gevallen milde EPS-symptomen. Ook dit nieuwe atypische antipsychoticum bleek gewichtstoename te geven, af te leiden uit een significante toename van Z BMI-scores (Stigler e.a., 2009). De korte-termijn-effectiviteit van aripiprazol vs placebo werd bevestigd in een RCT bij 218 kinderen met autisme (leeftijd 6-17 jaar). Na 8 weken was er op de ABC irritability subschaal een significante vermindering van 13,2 in de aripiprazol groep vs 8,4 in de placebogroep. Ook in deze studie trad bij doseringen tussen 5 en 15 mg na 8 weken een significante gewichtstoename op van 1,5 kg in de aripiprazol groep vs. 0,3 kg in de placebogroep. Belangrijkste bijwerking was sedatie (Marcus e.a., 2009).

Onderzoek uit de tachtiger jaren liet zien dat klassieke middelen zoals haloperidol en pimozide een gunstig effect kunnen hebben bij patiënten met ASS (Campbell e.a., 1982; Naruse e.a., 1982). De toepassing van deze middelen is echter beperkt gebleven vanwege de hoge incidentie van acute en tardieve dyskinesieën bij doseringen van 1 tot 2 mg per dag (Campbell e.a., 1997). Om deze reden heeft het onderzoek zich vanaf de jaren negentig toegespitst op de atypische antipsychotica. Open studies en soms alleen case reports zijn gepubliceerd bij clozapine (Zuddas e.a., 1996) en ziprasidon (McDougle e.a., 2002; Malone e.al., 2007). Olanzapine is in enkele open label studies onderzocht (Malone e.a., 2001; Kemner e.a., 2002; Potenza e.a., 1999) en in een kleine RCT (Hollander e.a., 2006a). In deze studies naar de effecten van olanzapine werd een grote variatie in het percentage responders gevonden: tussen de 12% en 86% van de proefpersonen vertoonde een positieve respons. Wat betreft pipamperon is er geen gepubliceerd onderzoek aangaande ASS beschikbaar, maar in de praktijk is dit middel wegens de langdurige klinische ervaring bij ernstige gedragsproblemen nog steeds van belang. Quetiapine werd niet effectief bevonden in één kleine open studie (Martin e.a., 1999) en matig effectief (40% responders) in een retrospectieve studie bij ambulante patiënten in de leeftijdsgroep van 5 tot 28 jaar, met in 50% van de gevallen bijwerkingen (Corson e.a., 2004).

Belangrijke informatie

Bijwerkingen: Zie voor uitgebreide informatie over bijwerkingen, bijwerkingen algemeen onder antipsychotica in het formularium. In het grote RUPP-onderzoek naar de effecten van risperidon op disruptief gedrag bij kinderen met autisme (bij aanvang n=102) werden tot 8 maanden behandelingsduur bijwerkingen als slaperigheid, moeheid, tremor en speekselvloed gemeld, maar deze waren in het algemeen mild of matig en tevens reversibel na staken (Aman e.a., 2005).

Gebruiksgemak: risperidon en pipamperon zijn wegens hun verkrijgbaarheid in vloeistof eenvoudig te titreren, waarbij met zeer lage doseringen gestart kan worden. Tevens kan de toediening in druppels voordeel opleveren bij patiënten die problemen hebben met het doorslikken van tabletten en/of capsules.

Toepasbaarheid: de antipsychotica zijn effectief bij disruptief gedrag, hyperactiviteit, interfererend repetitief gedrag en dwangmatigheid, tics en (dreigende) psychose. De leeftijd waarbij risperidon is onderzocht varieert van 3 tot 17 jaar oud (McDougle e.a., 2008) met 18 maanden als laagste ontwikkelingsleeftijd (Stigler e.a., 2004a).

Overige farmacotherapeutische overwegingen: In de praktijk komt het regelmatig voor dat het ene antipsychoticum niet helpt (of teveel bijwerkingen geeft) terwijl vervolgens een ander middel binnen deze groep wel voldoende gunstige effecten sorteert. Risperidon is het eerste-keus-middel bij ASS-patiënten; tweede keus is aripiprazol of pipamperon. Er wordt vaak geswitcht tussen risperidon en aripiprazol. De keuze voor aripiprazol als eerste middel kan afhangen van de mate van overgewicht. Clozapine is laatste keus, omdat regelmatige ECG- en bloedcontroles noodzakelijk zijn, wat ongewenst is in deze populatie. Een typisch antipsychoticum als haloperidol is te overwegen bij fors overgewicht en verstoringen in het lipiden- en glucosemetabolisme (metabool syndroom) al dan niet als gevolg van behandeling met atypische middelen. In de praktijk is het bij de keuze van middelen vaak moeilijk laveren tussen de twee 'kwaden' EPS (vooral typische middelen) versus metabool syndroom (vooral atypische middelen). Helaas zijn de enige twee publicaties bij kinderen met ASS waarin risperidon direct vergeleken werd met haloperidol van mindere kwaliteit: het aantal proefpersonen was klein, inclusiecriteria voor doelsymptomen ontbraken en er werd geen primaire uitkomstmaat gedefinieerd (Miral e.a., 2008; Gencer e.a., 2008). Hierdoor zijn er geen eenduidige conclusies te trekken uit dit onderzoek.

De keuze tussen de atypische middelen kan afhangen van de mate van de gewichtstoename, het kostenaspect en overige diagnosecategorieën. Gewichtstoename treedt op, in afnemende reeks, bij: clozapine, olanzapine, risperidon, quetiapine, ziprasidon en aripiprazol (Stigler e.a., 2004a). De plaats van pipamperon in dit rijtje is onduidelijk. Aripiprazol lijkt wat betreft korte-termijn-effecten op disruptief gedrag even werkzaam als risperidon, met als belangrijk voordeel minder gewichtstoename (Correll e.a., 2009). Daarmee zijn er goede argumenten om aripiprazol op dit moment als tweede-keus-middel naar voren te schuiven. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de hogere kosten van dit middel. Pipamperon kan daarnaast gehandhaafd blijven vanwege de zeer ruime klinische ervaring.

Het advies is om na 6-12 maanden steeds te evalueren of medicatie nog noodzakelijk is. Het wordt aanbevolen om in overleg met ouders/verzorgers de medicatie in een stabiele periode langzaam af te bouwen. Het verdient hierbij de voorkeur ook effectmaten te gebruiken. Bij langzame afbouw kan in geval van terugval zo nodig de medicatie weer worden opgehoogd.

Terug naar boven

Effectiviteit

Terwijl er gunstige effecten beschreven zijn bij volwassenen blijkt dat bij kinderen en jeugdigen met ASS een precaire balans bestaat tussen matige effecten op dwangmatig, dysfoor, agressief en teruggetrokken gedrag enerzijds en lastige bijwerkingen (gedragsactivatie) anderzijds. De indruk bestaat dat hoe jonger het kind is, hoe nadeliger deze balans uitslaat. Een aantal kleine en/of open studies schetst het beeld dat de patiëntjes wel gunstig kunnen reageren op SSRI's of clomipramine (McDougle e.a., 2000) maar zeer regelmatig een forse 'gedragsactivatie' vertonen. Enkele publicaties na de review van McDougle berichtten over een gunstig effect van een lage dosis venlafaxine (Hollander e.a., 2000), citalopram (Namerow e.a., 2003), een zwak positief effect van mirtazepine (Posey e.a., 2001) en een matig effect van fluvoxamine (Martin e.a., 2003). Tot op heden zijn er twee RCT's aangaande SSRI's bij ASS gepuliceerd. Hollander e.a. (2005) vond een gunstig effect bij fluoxetine (gemiddeld 0,4 mg/kg) en daarbij geen significante bijwerkingen vergeleken met de placebogroep. In een recente multi-center RCT werd het effect van citalopram gedurende 12 weken bij kinderen met ASS en een hoge mate van repetitief gedrag onderzocht. Geconcludeerd werd dat er geen effect was t.o.v. de placebo-groep. Verder was het gebruik van citalopram significant vaker geassocieerd met bijwerkingen (King e.a., 2009).

Te concluderen valt dat SSRI's bij kinderen en jeugdigen mogelijk een gunstig effect op bepaalde aspecten van ASS kunnen hebben, maar dat regelmatig onacceptabele bijwerkingen optreden. Afgaande op het afwezige effect van citalopram op repetitief gedrag is de werkzaamheid van SSRI's op dit domein vooralsnog teleurstellend. Bij volwassenen bestaan er voor clomipramine, fluvoxamine en sertraline enige aanwijzingen voor positieve effecten. Het is lastig om de verbetering bij deze patiënten eenduidig te beschrijven; veelal wordt genoemd dat de dwangmatigheid, stemming en de contact-/communicatiemogelijkheden verbeteren (McDougle e.a., 2000). De doseringen bij jongeren zijn niet verschillend ten opzichte van de doorsnee doseringen bij volwassenen met stemmingsstoornissen. In één interessant onderzoek is de effectiviteit van haloperidol met clomipramine vergeleken; het bleek dat de twee middelen een vergelijkbaar effect uitoefenden, maar dat de patiënten op clomipramine veel vaker wegens bijwerkingen en/of gebrek aan effect moesten afhaken (Remington e.a., 2001). Het aantal uitvallers was zo hoog dat er geen eenduidige conclusie te trekken valt uit dit onderzoek. Wat betreft imipramine schetst één kleine studie onvoldoende verbetering, maar wel bijwerkingen zoals 'psychotische spraak' en gedesorganiseerd gedrag (Campbell e.a., 1971).

Belangrijke informatie

Bijwerkingen: De SSRI's zijn bij ASS-patiënten somatisch als veilig te beschouwen. Bijwerkingen in de vorm van gedragsactivatie (hyperactiviteit, agitatie, soms tics/dwangmatige handelingen en, zeldzaam, extrapiramidale symptomen, en dan vooral acathisie) komen echter veel voor. Het is dan ook zaak met zeer lage doseringen te starten en minstens wekelijks te controleren op bijwerkingen.

Een open onderzoek met fluvoxamine vermeldde een frequentie van hyperactiviteit en agitatie van 50%. Deze symptomen waren voor 17% van de deelnemers ernstig genoeg om deelname aan de studie te staken. Ook slapeloosheid (50%), hoofdpijn (33%), eetlustvermindering (22%), gastro-intestinale klachten (17%) en rhinitis (11%) werden gerapporteerd (Martin e.a., 2003). Klassieke antidepressiva zijn wat betreft bijwerkingen bij ASS-patiënten niet direct vergeleken met een SSRI. Wel bleek uit onderzoek dat clomipramine meer bijwerkingen geeft dan bijvoorbeeld een middel als haloperidol (Remington e.a., 2001). SSRI's hebben overigens vrijwel altijd de voorkeur boven klassieke antidepressiva, gezien de zeldzame maar wel beschreven (potentieel ernstige) cardiale bijwerkingen van de tricyclische middelen. Recent werden zorgen geuit omtrent de veiligheid van SSRI's. Het ging hierbij vooral om suïcidaal gedrag. Mogelijk zouden ongepubliceerde gegevens een ander beeld laten zien dan tot op heden werd aangenomen (Whittington e.a., 2004). Het huidig standpunt van de Nederlandse Vereniging van Psychiatrie hierover luidt: "Antidepressiva kunnen wel degelijk met goede resultaten worden voorgeschreven aan kinderen en jeugdigen. Voorwaarden daarvoor zijn wel: strikte indicatie en goede begeleiding door een psychiater, bij voorkeur een kinder- en jeugdpsychiater. Deze zal de diagnose moeten stellen en de patiënt moeten begeleiden. Wel blijft psychotherapie, en niet medicatie, het eerst aangewezen middel bij behandeling van depressies bij kinderen en jeugdigen." (Zie link www.nvvp.net).

Toepasbaarheid: Er zijn enige aanwijzingen dat SSRI's gunstige effecten kunnen uitoefenen op angst-, dwang- en depressiesymptomen in het kader van ASS (McDougle e.a., 2000; Namerow e.a., 2003; Kolevzon e.a., 2006). Afgaande op het afwezige effect van citalopram op repetitief gedrag is werkzaamheid van SSRI's op dit domein vooralsnog teleurstellend (King et al., 2009). SSRI's zijn het meest onderzocht in de leeftijdsgroep van 5 tot 18 jaar oud. Ook zijn zij onderzocht bij kinderen met een verstandelijke beperking en is er een studie gedaan bij kinderen vanaf 2 jaar (DeLong e.a., 2002).

Overige farmacotherapeutische overwegingen: De onderbouwing voor het gebruik van een antidepressivum bij ASS is vooralsnog zwak. Indien gekozen wordt voor deze groep middelen, kan op grond van het open onderzoek gekozen worden voor fluoxetine of fluvoxamine. Door het veelvuldig voorkomen van bijwerkingen moet in het begin zeer laag gedoseerd worden en zorgvuldig worden gecontroleerd bij het titreren van de dosis. Bij de keuze van een SSRI bij ASS zijn te verwachten interacties, gemak van doseren in verband met toedieningsvorm (druppels), werkingsduur van belang.

Terug naar boven

Effectiviteit

Het effect van stimulantia op ADHD-symptomen bij -meestal verstandelijk beperkte- kinderen met ASS is minder vaak gunstig dan bij typische kinderen met ADHD en zij geven vaker bijwerkingen. Terwijl in een placebo gecontroleerde crossover studie van een week een succespercentage van 61% werd gerapporteerd (Handen e.a., 2000), kwam een retrospectieve studie op slechts 25% responders (Stigler e.a., 2004). Daarbij was opvallend dat ASS-patiënten met een bovengemiddelde intelligentie een iets betere respons lieten zien op ADHD-symptomen dan patiënten met een lager IQ. In een RCT van de RUPP-groep met een dubbelblind placebogecontroleerd crossover design van 4 weken werd bij 66 kinderen met ASS in de leeftijd van 5 tot 14 jaar het effect van methylfenidaat op symptomen van ADHD bestudeerd. Methylfenidaat bleek superieur te zijn ten opzichte van placebo. Symptomen van hyperactiviteit en impulsiviteit verbeterden in sterkere mate dan symptomen van aandachtstekort (Posey e.a., 2007). In een secundaire analyse bleek ook het sociale functioneren te verbeteren (Jahromi e.a., 2009). Daarnaast is methylfenidaat in ten minste twee studies effectief gebleken voor de behandeling van agressie bij kinderen met ASS (Handen e.a., 2000; Quintana e.a., 1995).

Belangrijke informatie

Bijwerkingen: Psychostimulantia kunnen somatisch als veilig beschouwd worden. Vooral bij ASS en/of een verstandelijke beperking kunnen echter in sterke mate psychiatrische bijwerkingen optreden: versterkte driftbuien, ontstemming of toename van stereotiep/dwangmatig gedrag. Ook kan een kind reageren met sterke vermindering van contactinitiatieven. Motorische en gedragsmatige bijwerkingen zijn soms moeilijk te onderscheiden van al aanwezige stereotypieën en dwanghandelingen. Overigens zullen de hier vermelde bijwerkingen snel weer verdwijnen na staken van het middel.

Toepasbaarheid: Een belangrijk voordeel is de al meer dan 70 jaar bestaande ervaring met de psychostimulantia waarbij de veiligheid en effectiviteit in minstens 160 RCT's is onderzocht. Methylfenidaat is bovendien één van de weinige psychofarmaca die (voor de indicatie ADHD) geregistreerd is voor kinderen. Een ander voordeel is de snelle werkzaamheid.

Terug naar boven

Effectiviteit

Clonidine is matig effectief bevonden bij de behandeling van prikkelbaarheid en hyperactiviteit bij kinderen met autisme (Fankhauser e.a., 1992; Jaselskis e.a., 1992). Ook bleek clonidine een effectieve sedatie te geven voor het afnemen van een EEG bij patiënten met autisme (Mehta e.a., 2004).
In twee open pilot studies naar de effecten van atomoxetine op ADHD symptomen bij kinderen met ASS werd in ongeveer 2/3 van de gevallen een klinisch relevante response gezien (Troost e.al., 2006b; Posey e.a., 2006). Arnold e.a. (2006) voerden de eerste RCT uit naar de effectiviteit en veiligheid van atomoxetine bij kinderen met ASS en ADHD. In deze placebogecontroleerde cross-over trial met 16 kinderen (5-15 jaar) bleek atomoxetine superieur ten opzichte van placebo wat betreft vermindering van hyperactiviteit en impulsiviteit. Er waren geen significante verschillen waar te nemen op de 'inattentive' symptomen. Een recentere RCT bij 97 jeugdigen met ASS en ADHD toonde aan dat atomoxetine vergeleken met placebo een significant effect heeft op ADHD-symptomen, vooral op het gebied van hyperactiviteit (Harfterkamp, et al., 2012).

Belangrijke informatie

Bijwerkingen: Clonidine kan vooral hypotensie, sedatie, duizeligheid en depressieve klachten veroorzaken. ECG-veranderingen zijn niet waargenomen. Van atomoxetine zijn bij kinderen de volgende bijwerkingen beschreven: verminderde eetlust, in- en doorslaapproblemen, sedatie, depressie, tremoren, pruritus, mydriasis. Recent (Wooltorton, 2005) is naar aanleiding van een meta-analyse een melding gekomen van mogelijk toegenomen suïcidaal gedrag bij kinderen en adolescenten die atomoxetine gebruikten. Advies is dan ook patiënten en ouders voor te lichten over dit risico en op de hoogte te brengen van mogelijke signalen en klachten. Wanneer dit optreedt moet het middel worden gestaakt.

Gebruiksgemak: Atomoxetine is sinds januari 2004 bij kinderen geregistreerd voor de indicatie ADHD maar wordt door de meeste ziektekostenverzekeraars nog niet vergoed.

Toepasbaarheid: Clonidine kan matig effectief zijn bij overprikkeld en hyperactief gedrag bij patiënten met een ernstige ASS. Atomoxetine bij ADHD-symptomen in het kader van ASS lijkt op grond van een eerste RCT veelbelovend voor vermindering van hyperactiviteit en impulsiviteit, zonder echter positieve effecten op de concentratie. Bijwerkingen zijn mild en voornamelijk van gastro-intestinale aard. Grotere placebo gecontroleerde studies met een parallel design zijn aangewezen om te komen tot een definitieve plaatsbepaling van atomoxetine bij kinderen met ASS.

Terug naar boven

Een aantal andere middelen zijn zeer beperkt onderzocht of heeft anderszins een beperkte betekenis. Het effect van lithium is teleurstellend, er is geen overtuigend adequaat onderzoek voorhanden om dit middel voor te schrijven. Een mogelijk succes is alleen te verwachten bij een verdenking op een comorbide bipolaire component.

Enkele open studies rapporteren een gunstig effect van anti-epileptica op gedragsproblemen, ook bij ASS-patiënten zonder epilepsie (Di Martino e.a., 2001). In een kleine RCT had valproaat een significant effect ten opzichte van placebo bij de behandeling van repetitief gedrag (Hollander e.a., 2006b). Levetiracetam bleek niet effectief in een RCT (Wasserman S e.a., 2006). Ook lamotrigine bleek in een dubbelblind onderzoek niet werkzaam (Belsito e.a., 2001). Op grond van deze studies kunnen valproaat of carbamazepine als laatste keus bij therapieresistente patiënten gegeven worden.

Andere studies zijn verricht naar het effect van naltrexon (opiaatantagonist), buspiron (anxiolyticum), amantadine (dopamine agonist en NMDA antagonist) en secretine (dunne darmhormoon met effect op alvleesklier secretie). Hieruit bleek dat naltrexon alleen een bescheiden gunstig effect heeft bij teruggetrokken autistische kinderen, die in vlagen hyperactief zijn (Buitelaar e.a., 2000). Na initiële bemoedigende kleine studies bleek buspiron in een groter dubbel-blind onderzoek niet effectief te zijn als anxiolyticum bij angststoornissen (niet-gepubliceerde studie, het resultaat werd wel opgenomen in de Amerikaanse bijsluitertekst (website FDA). Dit maakt het onwaarschijnlijk dat het middel bij ASS een effectief middel is. Amantadine lijkt een bescheiden effect te kunnen hebben op hyperactiviteit bij autistische kinderen (King e.a., 2001). Melatonine verkort de inslaaptijd en verlengt waarschijnlijk de slaaptijd bij kinderen en jeugdigen met gevarieerde problematiek, waaronder kinderen met ASS (Paavonen e.a., 2003). Mogelijk werkt melatonine via herstel van een verstoord circadiaan ritme, hoewel ook slaapproblemen verbeteren die hier los van lijken te staan (Gordon, 2000).

Naar aanleiding van een kleine open studie met vervolgens veel positieve berichten in de pers en internet, is secretine op een dubbelblind placebogecontroleerde manier onderzocht bij grote groepen kinderen. Er kon nimmer een (klinisch) significant effect gerapporteerd worden, niet van éénmalige injecties, noch van herhaalde injecties (Levy, 2002; Owley e.a., 2001). Over vitamine B6 en magnesium zijn enkele dubbelblinde studies verricht in de tachtiger jaren. De interpretaties van de betekenis van deze studies is beperkt en voor de klinische praktijk is er dan ook tot op heden geen reden tot het voorschrijven van grote hoeveelheden vitamines. Over het multivitaminepreparaat 'Supernu' bestaan geen wetenschappelijke publicaties. DiMethylGlycine (dieetsupplement) was onderwerp van twee dubbelblind placebo gecontroleerde studies (Bolman e.a., 1999; Kern e.a., 2001). Beide studies konden geen (klinisch) significant effect aantonen.

Terug naar boven

Effecten van farmacotherapie op symptomen van ASS-patiënten kunnen gemeten worden met: de Clinical Global Impression of Severity scale (CGI-S), de Conners schalen, de Aberrant Behavior Checklist (Aman e.a., 1985), de MOAS (modified overt agression scale op agressief gedrag) (Kay e.a., 1988, vertaling Buitelaar) en de Children's Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale (Scahill e.a., 1997). Ook is het mogelijk om enkele, door de ouders van een patiënt gedefinieerde doelen, gedetailleerd te omschrijven en vervolgens gedurende de therapie te volgen (Arnold e.a., 2003). De Goal Attainment Scale zou een eenvoudig toe te passen instrument kunnen zijn om meer algemene symptomen te scoren; dit is van belang omdat de indicatie niet altijd scherp omschreven is.

Terug naar boven

Aman, M.G., Arnold, L.E., McDougle, C.J., Vitiello, B., Scahill, L., Davies, M., et al. (2005). Acute and long-term safety and tolerability of risperidon in children with autism. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 15, 869-884.

Aman, M.G., Hollway, J.A., McDougle, C.J., Scahill, L., Tierney, E., McCracken, J.T., et al. (2008). Cognitive effects of risperidon in children with autism and irritable behavior. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 18, 227-236.

Aman, M.G., McDougle, C.J., Scahill, L., Handen, B., Arnold, L.E., Johnson, C., et al. (2009). Medication and parent training in children with pervasive developmental disorders and serious behavior problems: results from a randomized clinical trial. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 48, 1143-1154.

Aman, M.G., Singh, N.N., Stewart, A.W., & Field, C.J. (1985). The aberrant behavior checklist: a behavior rating scale for the assessment of treatment effects. American Journal of Mental Deficits, 89, 485-491.

Anderson, G.M., Scahill, L., McCracken, J.T., McDougle, C., Aman, M.G., Tierney, E., et al. (2007). Effects of short- and long-term risperidon treatment on prolactin levels in children with autism. Biological Psychiatry, 15, 545-550.

Arnold, L.E., Aman, M.G., Cook, A.M., Witwer, A.N., Hall, K.L., Thompson, S., et al. (2006). Atomoxetine for hyperactivity in autism spectrum disorders: placebo-controlled crossover pilot trial. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 45, 1196-1205.

Arnold, L.E., Vitiello, B., McDougle, C., Scahill, L., Shah, B., Gonzalez, N.M., et al. (2003). Parent-defined target symptoms respond to risperidon in RUPP autism study: customer approach to clinical trials. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 1443-1450.

Belsito, K.M., Law, P.A., Kirk, K.S., Landa, R.J., & Zimmerman, A.W. (2001). Lamotrigine therapy for autistic disorder: a randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Journal of Autism and Developmental Disorders, 31, 175-181.

Bolman, W.M., & Richmond, J.A. (1999). A double-blind, placebo-controlled, crossover pilot trial of low dose dimethylglycine in patients with autistic disorder. Journal of Autism and Developmental Disorders, 29, 191-194.

Buitelaar, J.K., & Willemsen-Swinkels, S.H. (2000). Medication treatment in subjects with autistic spectrum disorders. European Child and Adolescent Psychiatry 9, Supplement 1, I85-97.

Campbell, M., Armenteros, J.L., Malone, R.P., Adams, P.B., Eisenberg, Z.W., & Overall, J.E. (1997). Neuroleptic-related dyskinesias in autistic children: a prospective, longitudinal study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 36, 835-843.

Campbell, M., Anderson L.T., Small, A.M., Perry, R., Green, W.H., & Caplan, R. (1982). The effects of haloperidol on learning and behavior in autistic children. Journal of Autism and Developmental Disorders, 12, 167-175.

Campbell, M., Fish, B., Shapiro, T., & Floyd, A. Jr. (1971). Imipramine in preschool autistic and schizophrenic children. Journal of Autism and Child Schizophrenia, 1, 267-282.

Correll, C.U., Manu, P., Olshanskiy, V., Napolitano, B., Kane, J.M., & Malhotra, A.K. (2009). Cardiometabolic risk of second-generation antipsychotic medications during first-time use in children and adolescents. JAMA, 28, 1765-1773.

Corson, A.H., Barkenbus, J.E., Posey, D.J., Stigler, K.A., & McDougle, C.J. (2004). A retrospetive analysis of quetiapine in the treatment of pervasive developmental disorders. Journal of Clinical Psychiatry, 65, 1531-1536.

DeLong, G.R., Ritch, C.R., & Burch, S. (2002). Fluoxetine response in children with autistic spectrum disorders: correlation with familial major affective disorder and intellectual achievement. Developmental Medical Child Neurology, 44, 652-659.

Di Martino, A., & Tuchman, R.F. (2001). Antiepileptic drugs: affective use in autism spectrum disorders. Pediatric Neurology, 25, 199-207.

Fankhauser, M.P., Karumanchi, V.C., German, M.L., Yates, A., & Karumanchi, S.D. (1992). A double-blind, placebo-controlled study of the efficacy of transdermal clonidine in autism. Journal of Clinical Psychiatry, 53, 77-82.

Frazier, W.T., Youngstrom, E.A., Haycook, T., Sinoff, A., Dimitriou, F., Knapp, J., & J. Sinclair. (2010). Effectiveness of medication combined with intensive behavioral intervention of reducting aggression in youth with Autism Spectrum Disorder. Journal of child and adolescent psychopharmacology, 20, 167-177.

Gencer, O., Emiroglu, F.N., Miral, S., Baykara, A., & Dirik, E. (2008). Comparison of long-term efficacy and safety of risperidon and haloperidol on children and adolescents with autistic disorder. An open label maintenance study. European Child and Adolescent Psychiatry, 17, 217-225.

Gordon, N. (2000). The therapeutics of melatonin: a paediatric perspective. Brain Development, 22, 213-217.

Handen, B.L., Johnson, C.R., & Lubetsky, M. (2000). Efficacy of methylphenidate among children with autism and symptoms of attention-deficit hyperactivity disorder. Journal of Autism and Developmental Disorders, 30, 245-255.

Harfterkamp, M., Loo-Neus, G. van de, Minderaa, R.B., Gaag, R.J. van der, Escobar, R., Schacht, A., et al. (2012). A randomized double-blind study of atomoxetine versus placebo for attention-deficit/hyperactivity disorder symptoms in children with autism spectrum disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, 733-741.

Hollander, E., Kaplan, A., Cartwright, C., & Reichman, D. (2000). Venlafaxine in children, adolescents, and young adults with autism spectrum disorders: an open retrospective clinical report. Journal of Child Neurology, 15, 132-135.

Hollander, E., Phillips, A., Chaplin, W., Zagursky, K., Novotny, S., Wasserman, S., et al. (2005). A placebo controlled crossover trial of liquid fluoxetine on repetitive behaviors in childhood and adolescent autism. Neuropsychopharmacology, 30, 582-589.

Hollander, E., Wasserman, S., Swanson, E.N., Chaplin, W., Schapiro, M.L., Zagursky, K., et al. (2006a). A double-blind placebo-controlled pilot study of olanzapine in childhood/adolescent pervasive developmental disorder. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 16, 541-548.

Hollander, E., Soorya, L., Wasserman, S., Esposito, K., Chaplin, W., & Anagnostou, E. (2006b). Divalproex sodium versus placebo in the treatment of repetitive behaviours in autism spectrum disorder. International Journal of Neuropsychopharmacology, 9, 209-13.

Jahromi, L.B., Kasari, C.L., McCracken, J.T., Lee, L.S., Aman, M.G., McDougle, C.J., et al. (2009). Positive effects of rmethylphenidate on social communication and self-regulation in children with pervasive developmental disorders and hyperactivity. Journal of Autism and Developmental Disorders, 39, 395-404.

Jaselskis, C.A., Cook, E.H. Jr., Fletcher, K.E., & Leventhal, B.L. (1992). Clonidine treatment of hyperactive and impulsive children with autistic disorder. Journal of Clinical Psychopharmacology, 12, 322-327.

Kay, S.R., Wolkenfeld, F., & Murrill, L.M. (1988). Profiles of aggression among psychiatric patients. I. Nature and prevalence, Journal of Nervous and Mental Disease, 176, 539-546. Nederlandse vertaling: Buitelaar, J.

Kemner, C., Willemsen-Swinkels, S.H., Jonge, M. de, Tuynman-Qua, H., & Engeland, H. van (2002). Open-label study of olanzapine in children with pervasive developmental disorder. Journal of Clinical Psychopharmacology, 22, 455-460.

Kern, J.K., Miller, V.S., Cauller, P.L., Kendall, P.R., Mehta, P.J., & Dodd, M. (2001). Effectiveness of N,N-dimethylglycine in autism and pervasive developmental disorder. Journal of Child Neurology, 16, 169-173.

King, B.H., Hollander, E., Sikich, L., McCracken, J.T., Scahill, L., Bregman, J.D., et al. (2009). Lack of efficacy of citalopram in children with autism spectrum disorders and high levels of repetitive behavior. Archives of General Psychiatry, 66, 583-590.

King, B.H., Wright, D.M., Handen, B.L., Sikich, L., Zimmerman, A.W., McMahon, W., et al. (2001). Double-blind, placebo-controlled study of amantadine hydrochloride in the treatment of children with autistic disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 658-665.

Kolevzon, A., Mathewson, K.A., Hollander, E. (2006). Selective serotonin reuptake inhibitors in autism: a review of efficacy and tolerability. Journal of Clinical Psychiatry, 67, 407-14.

Lahuis, B.E., Ketelaars, C., Troost, P.W., & Buitelaar, J.K. (2008). Autisme en psychofarmaca. In: R. Didden & B. Huskens (Red.), Begeleiding van kinderen en jongeren met autisme. Van onderzoek naar praktijk (pp. 272-289). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Levy, S.E., (2002). Repeated doses of porcine secretin did not improve symptoms, language, or cognitive functioning in children with autism or autism spectrum disorder. Evidence Based Mental Health, 5, 22.

Malone, R.P., Cater, J., Sheikh, R.M., Choudhury, M.S., & Delaney, M.A. (2001). Olanzapine versus haloperidol in children with autistic disorder: an open pilot study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 887-94.

Malone, R.P., Delaney, M.A., Hyman, S.B., & Cater, J.R. (2007). Ziprasidon in adolescents with autism: an open-label study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 17, 779-90.

Marcus, R.N., Owen, R., Kamen, L., Manos, G., McQuade, R.D., Carson, W.H., et al. (2009). A placebo-controlled, fixed-dose study of aripiprazol in children and adolescents with irritability associated with autistic disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 48, 1110-1119.

Martin, A., Koenig, K., Anderson, G.M., & Scahill, L. (2003). Low-dose fluvoxamine treatment of children and adolescents with pervasive developmental disorders: a prospective, open-label study. Journal of Autism and Developmental Disorders, 33, 77-85.

Martin, A., Koenig, K., Scahill, L., & Bregman, J. (1999). Open-label quetiapine in the treatment of children and adolescents with autistic disorder. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 9, 99-107.

McCracken, J.T., McGough, J., Shah, B., Cronin, P., Hong, D., Aman, M.G., et al. (2002). Risperidon in children with autism and serious behavioral problems. New England Journal of Medicine, 347, 314-321.

McDougle, C.J., Kem, D.L., & Posey, D.J. (2002). Case series: use of ziprasidon for maladaptive symptoms in youths with autism. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 41, 921-927.

McDougle, C.J., Kresch, L.E., & Posey, D.J. (2000). Repetitive thoughts and behavior in pervasive developmental disorders: treatment with serotonin reuptake inhibitors. Journal of Autism and Developmental Disorders, 30, 427-435.

McDougle, C.J., Scahill, L., Aman, M.G., McCracken, J.T., Tierney, E., Davies, M., (2005). Risperidon for the core symptom domains of autism: results from the study by the autism network of the research units on pediatric psychopharmacology. American Journal of Psychiatry, 162, 1142-1148.

McDougle, C.J., Stigler, K.A., Erickson, C.A., & Posey, D.J. (2008). Atypical antipsychotics in children and adolescents with autistic and other pervasive developmental disorders. Journal of Clinical Psychiatry, 69, Supplement 4, 15-20.

Mehta, U.C., Patel, I., & Castello, F.V. (2004). EEG sedation for children with autism. Journal of Developmental Behavioural Pediatrics, 25, 102-104.

Miral, S., Gencer, O., Inal-Emiroglu, F.N., Baykara, B., Dirik, E. (2008). Risperidon versus haloperidol in children and adolescents with AD: a randomized, controlled, double-blind trial. European Child and Adolescent Psychiatry, 17, 1-8.

Namerow, L.B., Thomas, P., Bostic, J.Q., Prince, J., & Monuteaux, M.C. (2003). Use of citalopram in pervasive developmental disorders. Journal of Developmental Behavioural Pediatrics, 24, 104-108.

Naruse, H., Nagahata, M., Nakane, Y., Shirahashi, K., Takesada, M., Yamazaki, K. (1982). A multi-center double-blind trial of pimozide (Orap), haloperidol and placebo in children with behavioral disorders, using crossover design. Acta Paedopsychiatrica, 48, 173-184.

Owley, T., McMahon, W., Cook, E.H., Laulhere, T., South, M., Mays, L.Z., et al. (2001). Multisite, double-blind, placebo-controlled trial of porcine secretin in autism. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 1293-1299.

Paavonen, E.J., Nieminen-von Wendt, T., Vanhala, R., Aronen, E.T., & Wendt, L. von (2003). Effectiveness of melatonin in the treatment of sleep disturbances in children with Asperger disorder. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 13, 83-95.

Pandina, G.J., Bossie, C.A., Youssef, E., Zhu, Y., & Dunbar, F. (2007). Risperidon improves behavioral symptoms in children with autism in a randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Journal of Autism and Developmental Disorders, 37, 367-373.

Parikh, M.S., Kolevzon, A., & Hollander, E. (2008). Psychopharmacology of aggression in children and adolescents with autism: a critical review of efficacy and tolerability. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 18, 157-178.

Posey, D.J., Aman, M.G., McCracken, J.T., Scahill, L., Tierney, E., Arnold, L.E., et al. (2007). Positive effects of methylphenidate on inattention and hyperactivity in pervasive developmental disorders: an analysis of secondary measures. Biological Psychiatry, 61, 538-544.

Posey, D.J., Guenin, K.D., Kohn, A.E., Swiezy, N.B., & McDougle, C.J. (2001). A naturalistic open-label study of mirtazapine in autistic and other pervasive developmental disorders. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 11, 267-277.

Posey, D.J., Wiegand, R.E., Wilkerson, J., Mayanrd, M., Stigler, K.A., & McDougle, C.J. (2006). Open-label atomoxetine for attention-deficit/hyperactivity disorder symptoms associated with high-functioning pervasive developmental disorders. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 16, 599-610.

Potenza, M.N., Holmes, J.P., Kanes, S.J., & McDougle, C.J. (1999). Olanzapine treatment of children, adolescents, and adults with pervasive developmental disorders: an open-label pilot study. Journal of Clinical Psychopharmacology, 19, 37-44.

Quintana, H., Birmaher, B., Stedge, D., Lennon, S., Freed, J., Bridge, J., et al. (1995). Use of methylphenidate in the treatment of children with autistic disorder. Journal of Autism and Developmental Disorders, 25, 283-294.

Remington, G., Sloman, L., Konstantareas, M., Parker, K., & Gow, R. (2001). Clomipramine versus haloperidol in the treatment of autistic disorder: a double-blind, placebo-controlled, crossover study. Journal of Clinical Psychopharmacology, 21, 440-444.

Scahill, L., Riddle, M.A., McSwiggin-Hardin, M., Ort, S., King, R.A., Goodman, W.K., et al. (1997). Children´s Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale: reliability and validity. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 36, 844-852.

Shea, S., Turgay, A., Carroll, A., Schulz, M., Orlik, H., Smith, I. et al. (2004). Risperidon in the treatment of disruptive behavioral symptoms in children with autistic and other pervasive developmental disorders. Pediatrics, 114, e634-e641.

Stigler, K.A., Desmond, L.A., Posey, D.J., Wiegand, R.E., McDougle, C.J. (2004). A naturalistic retrospective analysis of psychostimulants in pervasive developmental disorders. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 14, 49-56.

Stigler, K.A., Diener, J.T., Kohn, A.E., Li, L., Erickson, C.A., Posey, D.J. , McDougle, C.J., et al.(2009). Aripoprazole in pervasive developmental disorder not otherwise specified and Asperger's disorder: a 14-week, prospective, open-label study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 19, 265-74.

Stigler, K.A., Potenza, M.N., Posey, D.J., & McDougle, C.J. (2004a). Weight gain associated with atypical antipsychotic use in children and adolescents: prevalence, clinical relevance, and management. Paediatric Drugs, 6, 33-44.

Troost, P.W., Lahuis, B.E., Hermans, M.H., Buitelaar, J.K., Engeland, H. van, Scahill, L., et al. (2007). Prolactin release in children treated with risperidon: impact and role of CYP2D6 metabolism. Journal of Clinical Psychopharmacology, 27, 52-57.

Troost, P.W., Lahuis, B.E., Hoekstra, P., Steenhuis, M., Ketelaars, C., Buitelaar, J.K. van, et al. (2005). Long term effects of risperidon in children with pervasive developmental disorder: a placebo discontinuation study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 44, 1137-1144.

Troost, P.W., Althaus, M., Lahuis, B.E., Buitelaar, J.K., Minderaa, R.B., Hoekstra, P.J. (2006a). Neuropsychological effects of risperidon in children with pervasive developmental disorders: a blinded discontinuation study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 16, 561-573.

Troost, P.W., Steenhuis, M.P., Tuynman-Qua, H.G., Kalverdijk, L.J., Buitelaar, J.K., Minderaa, R.B., et al. (2006b). Atomoxetine for attention-deficit/hyperactivity disorder symptoms in children with pervasive developmental disorders: a pilot study. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 16, 611-619.

Volkmar, F.R., Lord, C., Bailey, A., Schultz, R.T., & Klin, A. (2004). Autism and pervasive developmental disorders. Journal of Child Psychological Psychiatry, 45, 135-170.

Wasserman, S., Iyengar, R., Chaplin, W.F., Watner, D., Waldoks, S.E., Anagnostou, E., et al. (2006). Levetiracetam versus placebo in childhood and adolescent autism: a double-blind placebo-controlled study. International Clinical Psychopharmacology, 21, 363-367.

Whittington, C.J., Kendall, T., Fonagy, P., Cottrell, D., Cotgrove, A., & Boddington, E. (2004). Selective serotonin reuptake inhibitors in childhood depression: systematic review of published versus unpublished data. Lancet, 24, 1341-1345.

Wooltorton, E. (2005). Suicidalideation among children taking atomoxetine (Strattera). CMAJ, 173, 1447.

Zuddas, A., Ledda, M.G., Fratta, A., Muglia, P., & Cianchetti, C. (1996). Clinical effects of clozapine on autistic disorder. American Journal of Psychiatry, 153, 738.

Beschikbare evidence tabellen van de literatuur

Websites

Terug naar boven

Expertgroep autisme

Het thema Autismespectrumstoornissen is in 2012 tot stand gekomen met dank aan de expertgroep:

  • Cisca Aerts, kinder- en jeugdpsychiater, Leo Kannerhuis
  • Annelies de Bildt, psycholoog, wetenschappelijk onderzoeker, research psychologist, Accare
  • Patricia Bokhorst, teamcoördinator diagnostiek- en observatieteams, de Bascule
  • Yvette van Buuren, Nederlandse Vereniging voor Autisme
  • Cassandra Clauser, gz-psycholoog, researcher, hoofd polikliniek ASS, de Bascule
  • Carolien Gevers, vrijgevestigd klinisch psycholoog
  • Kirstin Greaves-Lord, assistent professor, Erasmus MC
  • Wouter Groen, kinder- en jeugdpsychiater, Karakter
  • Marian Hansen, gz-psycholoog, manager behandelzaken cluster ambulant en wonen, Yulius
  • Natasja van Lang, senior researcher, Curium-LUMC
  • Anneke Louwerse, orthopedagoog Yulius, PhD-student en orthopedagoog Erasmus MC
  • Pieter de Nijs, (kinder- en jeugd)psychiater, bestuurslid afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie bij Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Matt van der Reijden, kinder- en jeugdpychiater, Leo Kannerhuis
  • Sylvia Rozeboom, manager jeugdbehandelzaken, De Jutters
  • Ad van der Sijde, (kinder- en jeugd)psychiater, directeur ASS Yulius
  • Stance Venderbosch, Nederlandse Vereniging voor Autisme
  • Marleen Verplancke, gz-psycholoog poli ASS, Yulius
  • Sjoukje van Warners, gz-psycholoog, gedragstherapeut, Accare

De expertgroep Autisme 2006 en 2010 bestond uit:

  • Cees Ketelaars, (kinder)psychiater en hoofd behandelzaken Autisme, Dimence
  • Bertine Lahuis, kinder- en jeugdpsychiater, voorzitter raad van bestuur Karakter
  • Marike Serra, senior advisor bij Accare Child and Adolescent Psychiatry University Centre, Accare
  • Pieter Troost, kinder- en jeugdpsychiater, de Bascule
Terug naar boven

Op deze pagina

Online scholing DSM-5 Accare: Autisme (ASS)

Website Autisme Jonge Kind

De website Autsime Jonge Kind ondersteunt ouders en professionals bij het vinden van passende zorg bij autisme, of het vermoeden van autisme.

Sterke Kanten (video)

Drie korte filmpjes, waarin de kijker kennis maakt met Jack, Selwa & Aya, Tolga. Allemaal kinderen met autisme, in verschillende fasen van hun leven. De ouders vertellen openhartig over het leven van hun kinderen en hun leven met elkaar. Bekijk de video op Vimeo.

Toolkit allochtone kinderen met autisme

Een toolkit voor hulpverleners met aanbevelingen om diagnostiek en behandeling van allochtone kinderen te verbeteren.
>> Boon toolkit

Meer over autisme voor ouders

Kinderen op een steiger aan de waterkant

Betrouwbare kennis voor ouders en jongeren over autisme (ASS); diagnose, behandeling en meer.

Meer over autisme voor scholen

Schrijven en werken op de tablet in de klas

Betrouwbare kennis voor scholen over praktische ondersteuning in de klas van kinderen en leerlingen met autisme (ASS).

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close