Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Dwang (OCS) bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van dwang (OCS) bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving dwang

Kinderen met een dwangstoornis hebben dwanggedachten en dwanghandelingen. Bovendien is er ook vaak vermijdingsgedrag om de dwanggedachten en dwanghandelingen te voorkomen. De dwanghandelingen en dwanggedachten nemen veroorzaken aanzienlijk leed en interfereren met het dagelijkse leven. Dwanggedachten of obsessies zijn telkens terugkerende ideeën, beelden of impulsen die meestal als zinloos of verwerpelijk worden ervaren. Dwanghandelingen, zoals wassen, schoonmaken, controleren, herhalen en rechtzetten, dienen vrijwel altijd om de angst opgeroepen door de dwanggedachten te verminderen of te neutraliseren. In de meeste gevallen worden dwanggedachten en dwanghandelingen egodystoon (ik-vreemd) beleefd. De kinderen weten dat hun dwanggedachten onzinnig of overdreven zijn en dat zij met hun dwanghandelingen geen gevaren kunnen afwenden. Zij geven dit meestal slechts schoorvoetend toe. Nog minder dan volwassenen laten zij zich leiden door rationele overwegingen. Zij voeren de dwanghandelingen uit 'voor alle zekerheid' en voelen zich daar veiliger bij. Voor de diagnose is bij kinderen egodystoniteit geen voorwaarde.
Op grond van een aantal onderzoeken kan verondersteld worden dat de dwangstoornis een heterogene stoornis is. Er wordt onderscheid naar symptomatologie, naar de aard van de dwangrituelen, namelijk wassen, controleren en verzamelen (Mataix-Cols ea., 2004), naar comorbiditeit met name met tics en met een pervasieve ontwikkelingsstoornis dan wel schizotypische persoonlijkheidsstoornis.

Bij volwassenen wordt een onderscheid gemaakt naar de beginleeftijd bij het begin van de stoornis: een vroeg versus laat begin. Onderzoekers verschillen nogal in definitie van dat vroege begin. Dit wisselt tussen 11 en 18 jaar (Pauls e.a., 1995; Eichstedt & Arnold 2001; Rosario-Campos e.a. 2001; Millet e.a. 2004; Taylor, 2011; Narayanaswamy e.a, 2012).

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de patiënten met een vroeg begin van de stoornis, die tot op de volwassenen leeftijd blijft bestaan, ernstiger problemen hebben, met vaker co-morbide tics. Bovendien zijn er bij hen vaker eerstegraadsfamilieleden die ook een OCD hebben. Zij zijn vaker van het mannelijk geslacht. Dit onderscheid is echter ook bij kinderen en jongeren te maken.

Een ander, minder gebruikelijk onderscheid is het onderscheid naar de aanwezigheid van angst. Niet altijd hebben dwanghandelingen als doel angst voorkomen of verminderen, zoals in de meeste handboeken wordt beschreven. Desgevraagd rapporteren sommige zorgen over akelige gebeurtenissen die zij met hun dwanghandelingen willen voorkomen. Zij voeren hun dwangrituelen uit omdat zij het gevoel hebben dat 'het moet', zoals zij zeggen. Dit is vergelijkbaar met de 'Just Right' fenomenen zoals deze door Coles et al., 2003 zijn beschreven. Zij rapporteren geen angst, en evenmin cognities. De dwangrituelen worden uitgevoerd om een vervelend gevoel weg te krijgen, soms omschreven als een leeg gevoel of een kriebel. Dit komt ook bij volwassenen met een dwangstoornis voor (Ghisi et al, 2010). Dit zou tic-achtige dwangstoornis genoemd kunnen worden, ten onderscheid van ticgerelateerde dwangstoornis, waarmee een dwangstoornis met comorbide ticstoornis wordt bedoeld. Het is de vraag of we deze tic-achtige dwangstoornis bij de dwangstoornis, dan wel bij de ticstoornis moeten onderbrengen.

Terug naar boven

Erfelijkheid

De dwangstoornis kan familiair zijn, vooral bij de vorm die in de jeugd begint en waarbij sprake is van comorbide ticstoornissen, maar er is ook een grote groep patiënten, die de enige in hun familie zijn (Pauls & Alsobrook, 1999). Tweelingonderzoek bij kinderen in de schoolleeftijd wijst op een erfelijke bijdrage van ongeveer 55% wanneer wordt uitgegaan van de aan de Child Behavior Checklist ontleende Obsessive-Compulsive Scale (Hudziak e.a., 2004).

Leertheoretisch en cognitief model

Psychologische verklaringsmodellen zijn bij kinderen nog weinig onderzocht. In het cognitieve verklaringsmodel, zoals dat ontwikkeld is door Salkovskis (1989) staan de obsessies (intrusieve gedachten die angst teweegbrengen) en de manier waarop daarmee wordt omgegaan (dwangrituelen die de angst reduceren) centraal. Het angstreducerende effect werkt als bekrachtiging. Hiermee wordt wel het blijven bestaan van dwangrituelen verklaard, maar niet het ontstaan. Uit onderzoek blijkt dat de meeste mensen intrusieve gedachten kennen, maar ze als onbelangrijk terzijde schuiven, terwijl patiënten met een dwangstoornis ze als betekenisvol interpreteren. Het is echter niet duidelijk of dit een oorzaak of een bijkomend verschijnsel van de dwangstoornis is (De Haan, Huyser & Boer, 2005). Hoewel de cognitieve verklaring voor het ontstaan van de dwangstoornis een belangrijke en invloedrijke behandelstrategie heeft voortgebracht (cognitieve therapie), is in onderzoek, zowel bij volwassenen als bij kinderen, nog nooit aangetoond dat het veranderen van cognities het belangrijkste werkingsmechanisme van de behandeling is (Polman, Anholt, Wolters)

Neurobiologische verklaringsmodellen

Ook neurobiologische verklaringsmodellen zijn nog weinig onderzocht bij kinderen. Beeldvormend onderzoek wijst op hyperactiviteit van het cortico-striatale-thalame circuit (Rosenberg e.a., 1997). Als de filterfunctie van het striatum, in het bijzonder de nucleus caudatus, niet goed functioneert, wordt informatie die in normale omstandigheden impliciet verwerkt wordt, bewuste informatie. Dit zouden de intrusies of obsessies van de dwangstoornis kunnen zijn.
Er is een hypothese dat bij een subcategorie van kinderen met een dwangstoornis de symptomatologie verklaard wordt door een auto-immuunreactie op een infectie van de ß-hemolytische groep-A-streptokokken, waarbij de auto-immuuncomplexen neerslaan in de basale ganglia. Deze kinderen zouden een 'Pediatric Autoimmune Neuropsychiatric Disorder Associated with Streptococcus' (PANDAS) hebben. Bij een groep kinderen die plotseling van de ene op de andere dag dwang en of tics krijgen kan vermoed worden dat er sprake is van PANDAS.

De vijf criteria voor een PANDAS diagnose zijn: Aanwezigheid van tics of OCD, aanvang voor het 12de jaar, episodisch verloop met een plotselinge heftige verergering, neurologische afwijkingen tijdens een episode, tijdsrelatie met een streptococcen infectie.

De laatste jaren zijn er voorstellen om het begrip breder in te zetten voor niet alleen streptococcen geïnduceerde aandoeningen en niet alleen tics en OCD maar ook bijvoorbeeld anorexia. Hiervoor worden afkortingen als PANS (pediatric acute-onset neuropsychiatric disorders), PITANDS (Pediatric infection-triggered autoimmune neuropsychiatric disorders) of CANS (childhood acute neuropsychiatric disorders) gebruikt. Kenmerkend voor al deze beelden is de vermoedde associatie met een autoimmuun reactie op de basale kernen van het brein. Voor de diagnostiek is van belang om bij vermoeden van PANDAS de relatie met de infectieuze bron vast te leggen: Bij streptococcen infectie maakt men een keeluitstrijk en bepaalt de AST en antiDNAse B titers in het bloed. Een enkele verhoogde titer is onvoldoende om de diagnose te stellen en wordt bij voorkeur na 3 tot 8 weken herhaald. Voor de behandeling is het van belang om vast te stellen of er nog sprake is van een acute streptococcen infectie deze dient behandelt te worden met antibiotica (penicilline (Broxil) of amoxicilline met clavuaanzuur (Augmentin)). Bij herhaalde infecties kan gekozen worden voor preventieve behandeling met antibiotica. Immunologische behandelingen met intraveneuze immunoglobuline (IVIG) kunnen ingezet worden bij een chronisch beloop. Dit is nog in een experimenteel stadium, de uitkomsten van een grote studie met IVIG bij PANDAS worden binnenkort verwacht. Corticosteroiden kunnen kortstondig verbetering geven, tonsillectomie geeft geen verbetering. De gebruikelijke psychiatrische behandelingen zoals cognitieve gedragstherapie en zo nodig psychofarmaca blijven belangrijke behandelingrediënten naast de bovenstaande interventies ook bij deze kinderen. (Voor een recent overzicht, zie Murphy et al. 2014).

Op neurochemisch niveau is betrokkenheid aangetoond van het serotonerge, glutaminerge en dopaminerge systeem, die ook onderling verbonden zijn (Ferdinand, 2003, DeNys e.a., 2004).

De Bascule heeft samen met het AMC een Pandas-poli. Ouders kunnen voor meer informatie terecht bij Pandasweb.

Terug naar boven

In epidemiologisch onderzoek naar het voorkomen van de dwangstoornis zijn prevalenties gevonden uiteenlopend van 0,06% tot 2% (Heyman e.a., 2001). In Engels bevolkingsonderzoek bij kinderen van 5-15 jaar was de prevalentie 0,25%. De prevalentie nam met de leeftijd toe. Bij jongste kinderen (5-7 jaar) was de prevalentie 0,026%, bij de 13- tot 15-jarigen 0,63%. De percentages van jongens en meisjes waren gelijk.

Terug naar boven

Comorbiditeit komt bij OCS veel voor: bij bijna 50% van alle cliënten. Het gaat hierbij vooral om angststoornissen, affectieve stoornissen, ticstoornissen en ADHD (Masi e.a. 2005, Tillman e.a 2003, Geller e.a. 1996). Zo vindt Masi (2005) gemiddeld 3.5 comorbide stoornissen bij OCS patiënten. De verdeling hierbij was 46% gegeneraliseerde angststoornis, 26% separatie angststoornissen, 17% paniekstoornissen, 36% sociale fobie, 19% specifieke fobie, 30% depressieve stoornissen, 25% bipolaire stoornissen, 27% ticstoornissen, 25% ADHD, 13% ODD en 11% conduct disorders. Ook kan OCS in combinatie met een lichte verstandelijk beperking (LVB) voorkomen.

Tot bijna 50% van de kinderen en jongeren met een dwangstoornis heeft ook andere psychische problemen. Dit is vergelijkbaar met comorbiditeit bij volwassenen met een dwangstoornis. Een depressieve stoornis of depressiviteit komen het meeste voor, maar ook angststoornissen, gedragsstoornissen en ADHD komen voor. Ticstoornissen gaan vaak vooraf aan de dwangstoornis, maar treden ook comorbide op. 20 tot bijna 60% van de kinderen met een dwangstoornis heeft ook een ticstoornis.

De comorbiditeit met PDD is minder bekend en dit wordt mogelijk onderschat (Bejerot e.a. 2001, Russell e.a 2005). Russell vond bij een groep hoog functionerende autistische of Asperger patiënten 25% met OCS. Bovendien had ruim 50% last van obsessieve en compulsieve symptomen.

OCD patiënten hebben zelden psychose als comorbiditeit (1-2%) (L. de Haan et al, 2009) terwijl patiënten met Schizofrenie vaak OCD symptomen hebben (40%)(L. de Haan et al. 2011).

Terug naar boven

Follow-up onderzoek geeft over het algemeen geen rooskleurig beeld te zien. Uit een meta-analyse van 16 onderzoeken, met in totaal 521 kinderen, blijkt dat bij follow-up tussen 1 en 15,6 jaar 40% nog steeds OCS heeft (Steward e.a. 2004). Dit is vergelijkbaar met een recenter Engels onderzoek bij 152 kinderen (Micali et al., 2010). Een groot aantal patiënten heeft naast of na de dwangstoornis andere psychische klachten. Slechts een klein percentage is geheel klachtenvrij, gebruikt geen medicatie en heeft ook geen andere behandelcontacten (Wewetzer e.a. 2001; Reddy e.a. 2003; Micali et al., 2010). Uit het Engelse onderzoek bleek de duur van de klachten bij aanmelding de belangrijkste voorspeller voor een slecht follow-up resultaat.

Terug naar boven

Uit een Amerikaanse literatuurstudie bij 40 effectiviteitstudies bij volwassenen en kinderen met OCS, was bij 22 van deze informatie bekend over de afkomst van de patiënten (etniciteit). Van cliënten was slechts 8,5% niet van Caucasische afkomst (niet blank). Dit is in de verste verte geen afspiegeling van de Amerikaanse bevolking (Williams, e.a., 2010; Williams, et al. 2012).

Terug naar boven

Aacap (2012). Practice Parameter for the Assessment and Treatment of Children and Adolescents With Obsessive-Compulsive Disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 51, 98 –113.

Bejerot, S.; Nylander, L.; Lindstrom, E. (2001). Autistic traits in obsessive-compulsive disorder. Nordic Journal of Psychiatry (3),169-76.

Coles, M.E., Frost, R.O., Heimberg, R.G. & Rheaume, J. (2003). "Not just right experiences": perfectionism, obsessive-compulsive features and general psychopathology. Behaviour Research and Therapy 41: 681-700

Cook, E.H., Wagner, K.D., March J.S., e.a. (2001). Long-term sertraline treatment of children and adolescents with obsessive compulsive disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 1175-1181.

DeNys, D., Zohar, J., & Westenberg, H.G.M. (2004). The role of dopamine in obsessive-compulsive disorder: Preclinical and clinical evidence. Journal of Clinical Psychiatry, 65 (suppl 14), 11-17.

Eichstedt, J.A., & Arnold, S.L. (2001). Childhood-onset obsessive-compulsive disorder: a tic-related subtype of OCD? Clinical Psychology Review, 21, 137-158.

Ferdinand, R.F. (2003). Obsessieve compulsieve stoornis. In F.C. Verhulst, F. Verheij & R. Ferdinand (red.). Kinder- en jeugdpsychiatrie – psychopathologie (pag. 323 – 334). Assen: van Gorcum.

Geller, D.A., Biederman, J., Griffin, S., et al. (1996). Comorbidity of juvenile obsessive-compulsive disorder with disruptive behavior disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 35, 1637-1646.

Geller, D.A., Biederman, J., Stewart, S.E., et al. (2003). Which SSRI? A meta-analysis of pharmacotherapy trials in pediatric obsessive compulsive disorder. American Journal of Psychiatry, 160, 1919-1928.

Ghisi, M., Chiri , L.R., Marchetti,I., Sanavio, E., Sica, C. (2010). In search of specificity: "Not just right experiences" and obsessive–compulsive symptoms in non-clinical and clinical Italian individuals. Journal of Anxiety Disorders, 24, 879-886.

Haan, E. de, Huyser, C., & Boer, F. (2005). De dwangstoornis bij kinderen en adolescenten. Tijdschrift voor Psychiatrie, 47, 229-238.

Haan, L. de, Dudek-Hodge C, Verhoeven Y, Denys D.(2009). Prevalence of psychotic disorders in patients with obsessive-compulsive disorder. CNS Spectrums, 14, 415-417.

Haan, L. de, Sterk, B., Wouters, L., and Linszen, D.H. (2013). The 5-Year Course of Obsessive-Compulsive Symptoms and Obsessive-Compulsive Disorder in First-Episode Schizophrenia and Related Disorders. Schizophrenia Bulletin, 39, 151-160.

Heyman, I., Fombonne, E., Simmons, H., et al. (2001). Prevalence of obsessive-compulsive disorder in the British nationwide survey of child mental health. British Journal of Psychiatry, 179, 324-329.

Hudziak, J.J., van Beijsterveldt, C.E.M., Althoff, R.R., et al.(2004). Genetic and Environmental Contributions to the Child Behavior Checklist Obsessive-Compulsive Scale: A Cross-cultural Twin Study. Archives of General Psychiatry, 61, 608-616.

March, J.S., Frances, A., Carpenter, D., e.a. (1997). The expert consensus guideline series: treatment of obsessive-compulsive disorder. Journal of Clinical Psychiatry, 58 (suppl. 4), 1-72.

Masi, G., Millepedi, S., Mucci, M., et al. (2005) A Naturalistic Study of Referred Children and Adolescents with obsessive compulsive disorder. Journal of the American Academyof Child and Adolescent Psychiatry, 44, 673-681.

Mataix-Cols, D. Wooderson, S. Lawrence, N. Brammer, M.J., Speckens, A., & Phillips, M.L. (2004). Distinct neural correlates of washing, checking, and hoarding symptom dimensions in obsessive–compulsive disorder. Archives of General Psychiatry, 61, 564–576.

Micali, N., Heyman, I., Perez, M., Hilton,K., Nakatani, E., Turner, T., et al. (2010). Long-term outcomes of obsessive–compulsive disorder: follow-up of 142 children and adolescents. The British Journal of Psychiatry 197, 128–134.

Millet, B., Kochman, F., Gallarda, T., et al. (2004). Phenomenological and comorbid features associated in obsessive-compulsive disorder: influence of age of onset. Journal of Affective Disorders, 79, 241-246.

Murphy et al. (2014). Pediatric Acute-Onset Neuropsychiatric Syndrome. Psychiatr Clin N Am Vol 37, 353-317.

Narayanaswamy, J.C., Viswanath, B., Cherian, A.V., BadaMath, S. Kandavel, T., Janardhan Reddy, Y.C. (in press). Impact of age of onset of illness on clinical phenotype in OCD. Psychiatry Research.

Pauls, D.L., Alsobrook, J.P., Goodman, W., et al. (1995). A family study of obsessive-compulsive disorder. American Journal of Psychiatry, 155, 1592-1598.

Pauls, D.L. & Alsobrook, J.P. (1999). The inheritance of obsessive-compulsive disorder. Child and Adolescent Psychiatric Clinics of North America, 8, 481-496.

Reddy, Y.C.J., Srinath, S., Prakash, H.M., et al. (2003). A follow-up study of juvenile obsessive-compulsive disorder from India. Acta Psychiatrica Scandinavica, 107, 457-464.

Rosario-Campos, C. M., Leckman, J., Mercadante, M.T., et al. (2001). Adults with early onset obsessive-compulsive disorder. American Journal of Psychiatry, 158, 1899-1903.

Rosenberg, D.R., Keshavan, M.S. & O'Hearn, K.M. (1997). Fronto-striatal measurement of treatment-naive paediatric obsessive compulsive disorder. Archives of General Psychiatry, 54, 831-838.

Russell, A.J., Mataix-Cols, D., Anson, M., et al. (2005) Obsessions and compulsions in Asperger syndrome and high functioning autism. British Journal of Psychiatry, 186, 525-528.

Storch, E.A., Murphu, T.K., Bagner, D.M., Johns, N.B., Baumeister, A.L., Goodman, W.K., Geffken, G.R. (2006). Reliability and validity of the Child Behavior Checklist Obsessive-Compulsive Scale. Journal of Anxiety Disorders, 20, 473-485.

Stewart, S.E., Geller, D.A., Jenike, M., et al. (2004). Long-term outcome of pediatric obsessive- compulsive disorder: a meta-analysis and qualitative review of the literature. Acta Psychiatrica Scandinavica, 110, 4-13.

Taylor, S. (2011). Early versus late onset obsessive–compulsive disorder: Evidence for distinct subtypes. Clinical Psychology Review, 31, 1083-1100.

Tillman, R., Geller, B., Bolhofer, K., et al. (2003) Ages of onset and rates of syndromal and subsyndromal comorbid DSM IV diagnoses in a prepubertal and early adolescent bipolar disorder phenotype. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 1486-1493.

Wewetzer, C., Jans, T., Müller, B., et al. (2001). Long-term outcome and prognosis of obsessive-compulsive disorder with onset in childhood and adolescence. European Child & Adolescent Psychiatry, 10, 37-46.

Williams, M, Powers, M., Yun, Y-G, Foa, E. (2010). Minority participation in randomized controlled trials for obsessive–compulsive disorder. Journal of Anxiety Disorders, 24, 171–177.

Williams, M.T., Proetto, D., Casiano, D., Franklin, M.E. (2012). Recruitment of a hidden population: African Americans with obsessive–compulsive disorder. Contemporary Clinical Trials, 33, 67–75.

Terug naar boven

Diagnose dwang

Omdat dwanggedachten en dwanghandelingen vaak niet spontaan worden gerapporteerd, en omdat zij nogal eens samen met andere vormen van psychopathologie voorkomen, is het nodig om hier in het standaard kinderpsychiatrisch onderzoek actief naar te informeren. Dit dient in ieder geval te gebeuren bij kinderen vanaf zes jaar.

Bij het verdere onderzoek van kinderen en adolescenten met OCS moet rekening worden gehouden met differentiële diagnosen en comorbiditeit (vooral tics en autisme, daarnaast eetstoornissen, psychose en in het bijzonder angst en depressie). Voor de gestandaardiseerde meting daarvan verwijzen wij naar de desbetreffende protocollen.

Naast het stellen van de diagnose en het inventariseren van de ernst van de stoornis, is het voor het bieden van een passende behandeling belangrijk om in elk geval de volgende zaken nader te onderzoeken:

  • Vermijdingsgedrag in het kader van de dwang
  • Situaties waarin de dwangstoornis optreedt
  • Betrokkenheid van andere gezinsleden (bijvoorbeeld vragen beantwoorden, helpen bij rituelen)
  • Mate van ziektebesef (ego-syntoon versus ego-dystoon)
  • Bekendheid met dwangstoornis in de familie; bekende copingmechanismen
  • Lijdensdruk en mate van motivatie voor behandeling
  • Gevolgen voor het functioneren in het gezin
  • Gevolgen voor het functioneren op school en onder leeftijdgenoten in de vrije tijd
Terug naar boven
Screening Klinische diagnostiek Wetenschappelijk onderzoek
Interview ADIS-C
ADIS-P
ADIS-C
ADIS-P
Vragenlijst CBCL 1½-5
CBCL 6-18
CY-BOCS OBQ-CV

Tabel 1: Overzicht van aanbevolen instrumenten in deze richtlijn

Screening

Een algemene screener is de CBCL. Hiervan kunnen 6 items (112, 31, 52, 85, 9 en 66) worden gebruikt voor de screening van OCS. Cut-off scores met de optimale balans tussen sensitiviteit en specificiteit zijn resp. 4.5 (voor internaliserende stoornissen), 3.5 (voor externaliserende stoornissen) en 2.5 (voor optimale sensitiviteit: 2.5).

Geschikte screeningsvragen voor de onderzoeksgesprekken met respectievelijk kind en ouder kunnen ook worden gevonden met de ADIS-C (Anxiety Disorders Interview Schedule for DSM-IV, Child Version) module Obsessieve Compulsieve Stoornis (OCS). De ADIS-C is een gestructureerd interview wat kan worden afgenomen door de diagnosticus. Hiervan is ook een ouderversie, de ADIS-P. Er zijn hoofdstukken over alle angststoornissen, inclusief de dwangstoornissen. Aan de hand van de vragen uit de module OCS van de ADIS-C worden vastgesteld of er sprake is van OCS. Deze module bestaat uit vragen over dwanggedachten (aard, persistentie, leed en resistentie) en dwanghandelingen (aard, persistentie, leed en resistentie) en kan worden afgenomen in 15 tot 45 minuten, afhankelijk van de aard van de dwangstoornis.

Klinische diagnostiek

De ADIS-C en ADIS-P zijn naast screening ook geschikt voor de diagnostiek. Indien op één van de vier screeningsvragen bevestigend wordt geantwoord, kan aan de hand van de overige vragen in de ADIS-C (module OCS) worden vastgesteld of er sprake is van een OCS, waarbij ook de mate van interferentie in het dagelijks functioneren wordt betrokken. Indien er verschil van mening bestaat tussen kind en ouders, wordt de 'of-of' regel gehanteerd, dat wil zeggen dat zowel rapportage door de ouder, met ontkenning door het kind, als omgekeerd, leidt tot de classificatie OCS, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat degene die de OCS rapporteert dit op oneigenlijke gronden doet.

Voor het vaststellen van het beloop van de OCS, en ook het vaststellen van de aard en ernst ervan, kan de CY-BOCS (Childrens Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale) worden gebruikt. De CY-BOCS kan later eveneens worden gebruikt voor het evalueren van het effect van de behandeling. Dit instrument is in het Nederlands verkrijgbaar. Het is echter nog niet voor Nederland gevalideerd.

Diagnostiek ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek

De OBQ-CV (Obsessive Compulsive Cognitions Working Group) is een vragenlijst bestaande uit 44 items, die betrekking hebben op gedachten en ideeën waarvan wordt verondersteld dat ze een belangrijke rol spelen bij lijders aan een dwangstoornis. Dit zijn responsibility/threat estimation, perfectionism/certainty en importance/control of thoughts. Het voordeel van deze lijst is dat hij specifiek is gericht op OCS.

Terug naar boven

Scahill, L., Riddle, M.A., McSwiggin-Hardin, M., Ort, S.I., King, R.A., Goodman, W.K., et al. (1997). Children´s Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale: reliability and validity. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 36, 844-852.

Siebelink, B.M. & Treffers, Ph.D.A. (2001). Nederlandse bewerking van het 'Anxiety Disorder Interview Schedule for DSM-IV: Child version' van W.K. Silverman en A.M. Albano. Lisse / Amsterdam: Swets & Zeitlinger.

Silverman, W.K. & Albano, A.M. (1996). Anxiety Disorders Interview Schedule for DSM-IV Child Version, Child Interview Schedule. San Antonio: The Psychological Corporation.

Storch E.A., Murphu, T.K., Bagner, D.M., Johns, N.B., Baumeister, A.L., Goodman, W.K., et al. (2006). Reliability and validity of the Child Behavior Checklist Obsessive-Compulsive Scale. Journal of Anxiety Disorders, 20, 473-485.

Obsessive Compulsive Cognitions Working Group (2005). Psychometric validation of the obsessive belief questionnaire and interpretation of intrusions inventory-part 2: factor analyses and testing of a brief version. Behaviour Research and Therapy, 43, 1527-1542.

Verhulst, F.C. & Verheij, F. (2009). Kinder- en jeugdpsychiatrie: onderzoek en diagnostiek. Assen: Koninklijke van Gorcum.

Terug naar boven

Behandeling dwang

De behandeling bestaat uit een speciale vorm van cognitieve gedragstherapie, soms gecombineerd met medicatie.

Cognitieve gedragstherapie voor de dwangstoornis bestaat uit exposure en responspreventie, en het beïnvloeden van cognities, gedachten of interpretaties. De techniek van exposure en responspreventie is gebaseerd op de theorie dat het uitvoeren van de dwanghandelingen noodzakelijk is om de angst te doen afnemen, waardoor de dwangstoornis in stand wordt gehouden. De angst die optreedt als de dwanghandelingen niet meer worden uitgevoerd, zal na verloop van tijd vanzelf minder worden. De exposure wordt in kleine stapjes uitgevoerd (geleidelijke exposure) om de angst niet te hevig te laten zijn. De dwanghandelingen worden op deze manier langzaam en stuk voor stuk gestaakt.
Dwanggedachten worden beïnvloed met cognitieve therapie. Hierbij worden de dwanggedachten besproken en poogt men de gedachten zelf of de interpretatie ervan te veranderen. Soms gebeurt dit met behulp van rationele argumenten. Dan leert het kind bijvoorbeeld na te gaan hoe groot de kans is dat het besmet raakt met het aids-virus als het iemand een hand geeft. Soms ook leert het kind de dwanggedachten te vervangen door andere, betere gedachten.

De behandeling vindt meestal poliklinisch plaats, met wekelijkse of twee wekelijkse sessies. Ouders worden bij de behandeling betrokken. Afhankelijke van de leeftijd en de wensen van het kind (en ouders) zijn zij of een van hen bij iedere sessie (enige tijd) aanwezig, dan wel bij een aantal sessies. In de sessies worden exposure en responspreventies oefeningen besproken en soms ook daadwerkelijk uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor oefeningen voor het veranderen van cognities. Belangrijk onderdeel van de behandeling is het huiswerk: de oefeningen die dagelijks thuis gedaan moeten worden.
Comorbiditeit is geen reden om af te zien van de gebruikelijke vorm van behandeling. Wanneer een kind met een dwangstoornis ook andere stoornissen heeft, is de klacht die het meest invaliderend is, de klacht die het eerst behandeld wordt. Bij de helft tot driekwart van de kinderen wordt met deze vorm van behandeling een aanzienlijke vermindering van de klachten bereikt.

Selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI's) hebben vergeleken met placebo een significant, maar niet erg groot effect op de dwangstoornis. Medicatie dient altijd in combinatie met gedragstherapie gegeven te worden.

Uit het grootste onderzoek naar de effectiviteit van de behandeling van de dwangstoornis bij kinderen (POTS, 2004) blijkt dat de combinatie van cognitieve gedragstherapie met een SSRI significant maar niet veel effectiever is dan cognitieve gedragstherapie alleen. Het in de klinische praktijk veel gevoerde beleid om met name kinderen met ernstige klachten een combinatiebehandeling te geven, is nog nooit op effectiviteit onderzocht. Opvallend in de POTstudy is dat er ondanks gebruik van behandelprotocollen significante verschillen in effectiviteit weren gevonden tussen de behandelcentra, waar het de cognitieve gedragstherapie betrof. Uit een recentere multicenter studie (Storch e.a., 2013), waaraan alleen in OCD gespecialiseerde gedragstherapeuten meededen, bleek geen significant verschil tussen CGT en de combinatie van CGT en medicatie. De CGT (gecombineerd met een placebo-pil) bleek even effectief als de combinatiebehandeling. Op grond van dit onderzoek kunnen we concluderen dat er geen argumenten zijn voor de combinatiebehandeling als eerste interventie, op voorwaarde van in de behandeling gespecialiseerde therapeuten.
In de tweede POTstudy bleek dat het toevoegen van CGT bij kinderen die niet voldoende hadden gereageerd op medicatie alleen, significant effectiever was dan het alleen geven van instructies over CGT of het voortzetten van de medicatie (POTS, 2011).

Uit alle onderzoek blijkt dat er grote individuele verschillen zijn in effectiviteit van de behandeling. Voorspellers voor het effect zijn vrijwel nog niet gevonden. De ernst van de problematiek is gedeeltelijk een voorspeller: minder ernstige problemen voorspellen succes van de behandeling. Dit geldt echter niet voor ernstige problematiek. Bij sommige patiënten met ernstige klachten is de behandeling effectief, bij anderen niet.

Terug naar boven

Bedwing je dwang

Middels exposure en respons preventie en cognitieve therapie de dwangklachten laten verdwijnen. Het protocol is in eerste instantie ontwikkeld voor jongeren van ongeveer 12 tot ongeveer 18 jaar met een dwangstoornis. Het protocol is echter ook geschikt voor jongere kinderen. Lees meer over 'Bedwing je dwang' >>

Terug naar boven

Franklin, M.E., Jeffrey Sapyta, J., Jennifer, B., Freeman, J.B., Muniya Khanna, M., Scott Compton, S., et al. (2011). Cognitive Behavior Therapy Augmentation of Pharmacotherapy in Pediatric Obsessive-Compulsive Disorder. The Pediatric OCD Treatment Study II (POTS II). Randomized Controlled Trial. JAMA, 306, 1224-1232.

Storch, E.A., Bussing, R. Small, B.J., Geffken, G.R. McNamara, J.P., Rahman, O., Lewin, A.B., Garvan, C.S., Goodman, W.K., Murphy, T.K. (2013). Randomized, placebo-controlled trial of cognitive-behavioral therapy alone or combined with sertraline in the treatment of pediatric obsessive-compulsive disorder. Behaviour research and therapy, 51 (12) 823-829.

Terug naar boven

Medicatie dwang

Beknopte omschrijving problematiek

Een patiënt met obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) heeft dwanggedachten en dwanghandelingen. Bovendien is er ook vaak vermijdingsgedrag om de dwanggedachten en dwanghandelingen te voorkomen. De dwanghandelingen en dwanggedachten nemen tenminste een uur per dag in beslag of veroorzaken aanzienlijk leed en interfereren met het dagelijkse leven.

Dwanggedachten of obsessies zijn telkens terugkerende ideeën, beelden of impulsen die meestal als zinloos of verwerpelijk worden ervaren. Dwanghandelingen, zoals wassen, schoonmaken, controleren, herhalen en rechtzetten, dienen vrijwel altijd om de angst opgeroepen door de dwanggedachten te verminderen of te neutraliseren. In de meeste gevallen worden dwanggedachten en dwanghandelingen egodystoon (ik vreemd) beleefd. De kinderen weten dat hun dwanggedachten onzinnig of overdreven zijn en dat zij met hun dwanghandelingen geen gevaren kunnen afwenden. Zij geven dit meestal slechts schoorvoetend toe. Nog minder dan volwassenen laten zij zich leiden door rationele overwegingen. Zij voeren de dwanghandelingen uit 'voor alle zekerheid' en voelen zich daar veiliger bij. Voor de diagnose is bij kinderen egodystoniteit geen voorwaarde. De dwangstoornis komt voor bij 0,06% tot 2% van de kinderen tot 18 jaar. Familiariteit en erfelijkheid spelen een belangrijke rol bij het ontstaan. De psychologische en biologische verklaringsmodellen zijn bij kinderen nog weinig onderzocht. Net als bij volwassenen is bij kinderen hyperactiviteit in het cortico-striatale-thalame-circuit vastgesteld. Veel voorkomende co-morbiditeiten zijn angststoornissen, affectieve stoornissen, ticstoornissen en ADHD.

Plaatsbepaling farmacotherapie

In de behandeling van OCS heeft medicatie een beperkte rol. Er zijn een aantal artikelen gepubliceerd waaruit blijkt dat een behandeling met cognitieve gedragstherapie voorkeur heeft boven een behandeling met medicatie. Op grond van de gegevens uit deze literatuur wordt aanbevolen medicatie pas toe te passen als cognitieve gedragstherapie onvoldoende effect sorteert en altijd te combineren met cognitieve gedragstherapie (POTS, 2004; Huyser, 2005; Watson e.a., 2008). Aan deze artikelen kleven echter wel limitaties. Van Watson (2008) is bekend dat slechts 13 studies in het onderzoek zijn meegenomen en dat CGT studies zijn gepoold ondanks grote heterogeniteit in therapieën, bovendien verschillen de controlegroepen tussen CGT- en farmacotherapie studies.

Als medicatie (sertraline) vergeleken wordt met cognitieve gedragstherapie (CGT), of een gecombineerde behandeling (POTS, 2004; Huyser, 2005) dan blijkt de gecombineerde behandeling significant beter dan medicatie (sertraline) (p=.006) en placebo (p<.001), en ook significant, maar weinig (een verschil van 0.6 op de CY-BOCS) beter dan CGT(p=.008). CGT en sertraline verschilden niet van elkaar, maar beide zijn wel superieur aan placebo. Opvallend zijn de verschillen tussen de centra in zowel de CGT als de medicatie conditie (maar niet bij de gecombineerde behandeling). Mogelijk dat ervaring in CGT een belangrijke rol speelt ten aanzien van effectiviteit. Bij verdere analyse van de gegevens bleek dat die patiënten met familieleden met OCS zesmaal slechter op CGT alleen reageerden dan zij zonder familieleden met OCS (Garcia et al., 2010). In deze groep is de aanbeveling CGT te combineren met medicatie. In een meta-analyse van RCT’s uit 2008 (Watson e.a., 2008) werd het effect van CGT vergeleken met het effect van farmacotherapie (clomipramide, fluoxetine, fluvoxamine, paroxetine, sertraline). Hieruit blijkt dat het gepoolde effect van CGT hoger is dan het gepoolde effect van farmacotherapie (1.45 vs. 0.48). Dit betekent dat het behandeleffect van CGT hoger is dan dat van farmacotherapie. De volgende opmerkingen zijn echter belangrijk; er werden weinig studies geincludeerd (13) en de CGT studies werden gepoold ondanks de grote heterogeniteit in therapieën. Hiernaast waren er verschillen in controlegroep tussen CGT en farmacotherapie studies. Bij een recente vervolg studie POTS II (Franklin et al., 2011) werd aangetoond dat het toevoegen van CGT bij medicatie verbetering in behandeleffect geeft ten opzichte van medicatie alleen.

Terug naar boven

Medicatie heeft in de behandeling van obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) een beperkte rol. Op grond van de gegevens uit de literatuur wordt aanbevolen medicatie pas toe te passen als cognitieve gedragstherapie onvoldoende effect sorteert en altijd te combineren met cognitieve gedragstherapie.

Indien besloten wordt tot medicamenteuze behandeling, wordt aanbevolen om een SSRI te kiezen als eerste keus.

Flowchart medicatie

Flowchart voor behandeling van een dwangstoornis
Terug naar boven

Effectiviteit

Indien besloten wordt tot medicamenteuze behandeling, dan is de eerste keuze een SSRI. De meeste onderzoeken zijn uitgevoerd met sertraline. Er is echter nog te weinig wetenschappelijk informatie beschikbaar over de effectiviteit tussen de verschillende middelen om een keuze te maken tussen de SSRI's. In een review uit 2006 (Blier et al., 2006) wordt gesteld dat er geen bruikbare predictieve factoren zijn waarop de keus voor een bepaalde SSRI gemaakt kan worden. Dit review is echter niet van hoge kwaliteit. Omdat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om een voorkeursmiddel onder de SSRI's aan te wijzen, moet de keus gemaakt worden op basis mogelijke bijwerkingen en interacties. Hieronder wordt een overzicht gegeven van belangrijk onderzoek over SSRI's in de behandeling van OCS.

Uit een meta analyse (Geller et al., 2003) blijkt de effect size van medicatie (SSRI's en clomipramine) ten opzichte van placebo 0,46 te zijn wat een verbetering van 4 punten geeft op de Children's Yale Brown Obesessive Compulsive Schedule (CY-BOCS). Een gematigd effect. In dit onderzoek zijn 12 studies geincludeerd die betrekking hebben op onderzoek naar de effectiviteit van behandeling met SSRI's van kinderen met OCD. Dit effect is voor alle SSRI's gelijk (Huyser, 2005).

Zoals eerder vermeld is sertraline van alle serotonine heropname remmers (SSRI's) het meest bij kinderen en adolescenten met een dwangstoornis onderzocht (Geller et al., 2003; POTS, 2004). De effectiviteit van deze middelen ten opzichte van placebo is over het algemeen significant maar matig effectief. (Zie het voorschrijfprotocol van sertraline.)

In een RCT uit 2009 blijkt dat er geen significant verschil is in de effectiviteit tussen citalopram en fluoxetine bij kinderen met OCS (kortdurend gebruik). Het grootste nadeel van deze RCT was de kleine onderzoekspopulatie. (Alaghband-Rad et al., 2009) Het onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van positieve resultaten van citalopram uit twee open-label onderzoeken. (Thomsen etal., 2001; Mukaddes et al., 2003)

Reinblatt et al. (2007) rapporteren de bevindingen van de meta-anayse van Geller et al. (2003) uit deze rapportage blijkt dat er geen significante verschillen zijn in de effectiviteit tussen verschillende SSRI's. Fluoxetine, paroxetine, sertraline en fluvoxamine waren hierbij meegenomen. Er zijn er geen studies beschikbaar die SSRI's in de behandeling van OCS bij kinderen en jongeren direct onderling vergelijken.

In een meta-analyse uit 2008 (Watson et al., 2008) blijkt dat farmacotherapie een gepoold effect heeft van 0.48. Voor sertraline werd een effectmaat van 0.47 berekend en voor fluoxetine werd een effectmaat van 0.51 berekend. Het vergelijken van gepoolde maten in een meta-analyse is echter geen valide methode voor het aantonen van significante verschillen in effectiviteit van middelen onderling. (EBRO-beoordelingsformulier systematische review RCT, CBO).

Belangrijke informatie

Suicidaliteit: Uit onderzoek blijkt dat er een licht verhoogd risico is op suicidaliteit bij gebruik van SSRI's in de behandeling van kinderen met OCS, ten opzichte van placebo. De voordelen van behandeling met SSRI's zijn echter groter dan de risico's op suicidaliteit (Bridge et al., 2007; Hammad et al., 2006). Deze conclusie is gebaseerd op de uitkomsten van twee grote meta-analyses naar de relatie tussen het gebruik van SSRI's en het voorkomen van suicidaliteit bij kinderen.
In de twee meta-analyses (Bridge et al., 2007; Hammad et al., 2006) werden grotendeels dezelfde studies maar verschillende berekeningsmodellen gebruikt. Hierin werden zelfmoordgedachten en –pogingen, alsmede voorbereidende acties gezien als suicidaliteit. Hammad et al. (2006) gebruikten fixed-effects models en vonden een matig, doch statistisch significant risico op toename van suicidaliteit. Dit was onafhankelijk van de onderliggende psychiatrische diagnose (MDD, OCD, angst, ADHD, SAD). In het onderzoek werd geen gepoolde risicomaat (RR) specifiek voor OCS berekend. Bridge e.a. (2007) gebruikten random-effects modellen en vonden ook een verhoogde kans op suicidaliteit. Echter minder verhoogd dan in de studie van Hammad e.a.. In de studie van Bridge e.a. werd wel een gepoolde maat voor OCS berekend. Het risicoverschil voor OCS was 0,5% (95% CI:-1,2% tot 2,2%) en was niet significant. Dit gold ook voor andere indicaties (non-OCD, MDD). De auteurs van het artikel concluderen daarom dat de voordelen van de SSRI's (effectiviteit) opwegen tegen het risico op zelfmoordgedachten/pogingen. (Number Needed to Treat =6(4-8); Number Needed to Harm =200). Dit betekent echter wel dat SSRI's terughoudend gebruikt dienen te worden bij de behandeling van OCS en bij gebruik extra te monitoren op suicidaliteit.

Paroxetine geeft bij jongeren meer kans op suicidaliteit dan andere SSRIs. De fabrikant raadt af paroxetine voor te schrijven bij kinderen, zie Formularium. Om deze reden wordt paroxetine niet vermeld onder toepasbaarheid en gebruiksgemak. (Expert overweging)

Overige bijwerkingen: Zie de tekst over bijwerkingen van SSRI's in het formularium. Alleen extra informatie over drop-out cijfers als gevolg van bijwerkingen bij patiënten met OCS is beschikbaar in de wetenschappelijke literatuur.
In de Cochrane systematische review uit 2009 (Ipser et al., 2009) naar de effectiviteit van farmacotherapie van angststoornissen bij kinderen en adolescenten, waren 11 van de 22 studies gericht op kinderen met OCS. Gemiddeld 7,3% van alle patiënten stopten met de medicatie vanwege bijwerkingen. Er zijn geen resultaten specifiek voor OCS beschreven. Er waren over het algemeen geen verschillen in drop-out cijfers tussen de verschillende geneesmiddelen. De tot nu toe gepubliceerde trials zijn voornamelijk gericht op het meten van de effectiviteit van de SSRI's waardoor het methodologisch niet goed mogelijk is om de bijwerkingen te onderzoeken (Baily, 2006).

Toepasbaarheid: Sertraline, fluoxetine, fluvoxamine en citalopram kunnen bij co-morbiditeit zoals PDD, ADHD en tic's ook worden voorgeschreven. Bij kinderen onder de 6 jaar is er geen onderzoek gedaan met deze middelen. Sertraline is geregistreerd bij kinderen met OCS in de leeftijd van 6-17 jaar. Fluoxetine, fluvoxamine en citalopram zijn niet geregistreerd bij kinderen met OCS.

Gebruikersgemak: Voor de verschillen in gebruikersgemak tussen de verschillende SSRI's bij OCS, zie onderstaande tabel.

Tabel 1: Verschil in gebruikersgemak tussen de verschillende SSRI's bij OCS
Naam Gebruikersgemak
Sertraline Tabletten & Dranken, eenmaal daagse dosering
Fluoxetine Tabletten, Eenmaal daagse dosering
Fluvoxamine Tabletten, Eenmaal of tweemaal daagse dosering
Citalopram Tabletten & Druppelvloeistof, Eenmaal of tweemaal daagse dosering

Voorschrijfprotocol voor Sertraline

Bij de start:

Uitleg aan kind en ouders over de medicatie (effecten, bijwerkingen, wanneer resultaat te verwachten) en uitleg over volgende afspraken. Starten medicatie t/m 11 jaar 1/2 tablet (25 mg), vanaf 12 jaar 1 tablet (50 mg).

Tijdens de behandeling:
  • Nagaan bijwerkingen aan de hand van de bijwerkingenlijst. Lijst invullen. Bij lichte tot matige bijwerkingen dosering handhaven. Bij ernstige bijwerkingen, dosis halveren en na een week herevalueren en eventueel verhogen. Over het algemeen verminderen bijwerkingen na twee weken.
  • Indien medicatie goed wordt verdragen dosering verhogen met 1/2 tablet (25 mg) per week eventueel 1 tablet (50mg) per week.
  • Dosering niet verhogen bij ernstige bijwerkingen
  • Dosering niet verhogen in geval van bereiken remissie.
  • Dosering niet verhogen indien gewenste dosering is bereikt (doeldosering 150 mg, max 200 mg per dag)
  • Wanneer de patiënt is ingesteld en er zijn weinig bijwerkingen kan de frequentie van controles naar een keer per maand. Voor een goede beoordeling dient de medicatie 8-12 weken op de goede, maximale dosering te zijn gegeven.
  • Bij effect 1 jaar continueren daarna, in overleg, zeer geleidelijk afbouwen met goede monitoring op ontrekkingsverschijnselen en recidief klachten.
Terug naar boven

Als tweede keuze kan men clomipramine, een tricyclisch antidepressivum, geven. Van de TCA's komt alleen clomipramine uit de wetenschappelijke literatuur naar voren als onderzocht en geschikt bevonden.

Uit een meta analyse (Geller et al., 2003) blijkt de effect size van medicatie (SSRI's en clomipramine) ten opzichte van placebo 0.46 te zijn. Dit geeft een verbetering van 4 punten op de Children's Yale Brown Obesessive Compulsive Schedule (CY-BOCS). Een gematigd effect. Dit effect is voor alle SSRI's gelijk, maar clomipramine heeft een iets beter effect (Huyser, 2005).
In verschillende dubbel blind onderzoeken is de effectiviteit van clomipramine bij de behandeling van de obsessieve-compulsieve stoornis vastgesteld (oa Geller et al., 2003).

Belangrijke informatie

ECG veranderingen: Bij clomipramine zijn een aantal veiligheidsmaatregelen nodig. In het verleden zijn met een ander antidepressivum, desipramine, 4 overlijdensgevallen gemeld ten gevolge van acuut hartfalen. Een oorzakelijk verband kon niet direct worden gelegd maar heeft wel geleid tot terughoudendheid met deze middelen. Tricyclische antidepressiva kunnen hartgeleidingsstoornissen geven. Er dienen dan ook ECG controles worden verricht. Zie voor meer informatie, voorzorgen algemeen onder TCA's.
Overige bijwerkingen: Zie bijwerkingen algemeen onder TCA's in het formularium. Geen extra informatie over bijwerkingen van TCA's bij patiënten met OCS is beschikbaar in de wetenschappelijke literatuur.
Gebruikersgemak: Clomipramine wordt verstrekt in tabletten die in een tweemaal daags doseringschema kan worden gegeven. Met behulp van bloedspiegelbepalingen kan de dosering worden aangepast. Voor de dosering, zie gebruiksaspecten van clomipramine in het formularium.
Toepasbaarheid: Clomipramine kan bij verschillende comorbiditeit worden toegepast. Clomipramine is geregistreerd voor de behandeling van symptomen van OCS bij kinderen (0-17 jaar).

Terug naar boven

Een derde keuze is het toevoegen van een antipsychoticum (Blier e.a., 2006). Bij therapieresistentie of bij comorbiditeit met tic's en/of PDD verdient het aanbeveling om de toevoeging van een antipsychoticum te overwegen. Bij comorbiditeit met tics of PDD-NOS kan hiertoe al als stap 2 worden besloten. Zie voor mogelijke interacties de farmacokinetische aspecten van haloperidolquetiapine of risperidon in het formularium.

Terug naar boven

Beschikbare evidence tabellen van de literatuur.

Alaghband-Rad, J., & Hakimshooshtary, M. (2009). A randomized controlled clinical trial of Citalopram versus Fluoxetine in children and adolescents with obsessive-compulsice disorder (OCD). European Child and Adolescent Psychiatry, 18, 131-135.

Apter, A., Ratzoni, G., King, R.A., Weizman, A., Iancu, I.N., Binder, M., Riddle, M.A. (1994). Fluvoxamine open-label treatment of adolescent inpatients with obsessive-compulsive disorder or depression. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 33, 342-348.

Bailly D. (2006). Tolérance des antidépresseurs inhibiteurs sélectifs de la recapture de la sérotonine chez l'enfant et l'adolescent. Presse Medicale, 35, 1507-1515.

Blier P, Habib, R., & Flament, M.F. (2006). Pharmacotherapies in the management of obsessive-compulsive disorder. Canadian Journal of Psychiatry, 51, 417-30.

Bridge, J.A., Iyengar, S., Salary, C.B., Barbe, R.P., Birmaher, B., Pincus, H.A., et al. (2007). Clinical response and risk for reported suicidal ideation and suicide attempts in pediatric antidepressant treatment: a meta-analysis of randomized controlled trials. JAMA, 297, 1683-1696.

Franklin, M.E, Sapyta, J., Freeman, J.B., Khanna, M., Compton, S., Almirall, D. et al. (2011). Cognitive Behavior Therapy Augmentation of Pharmacotherapy in Pediatric Obsessive-Compulsive Disorder. The Pediatric OCD Treatment Study II (POTS II). Randomized Controlled Trial. JAMA, 306, 1224-1232.

Geller, D.A., Biederman, J., Stewart, S.E., Mullin, B., Martin, A., Spencer, T., et al. (2003). Which SSRI? A Meta-Analysis of Pharmacotherapy Trials in Pediatric Obsessive-Compulsive Disorder. American Journal of Psychiatry, 160, 1919-1928.

Goodman, W.K., Storch, E.A., Geffken, G.R., & Murphy, T.K. (2006). Obsessive-compulsive disorder in Tourette Syndrome. Journal of Child Neurology, 21, 704-714.

Haan, E. de, Huyser, C., & Boer, F. (2005). De dwangstoornis bij kinderen en adolescenten. Tijdschrift voor Psychiatrie, 47, 229-238.

Hammad, T.A., Laughren, T., & Racoosin, J. (2006). Suicidality in pediatric patients treated with antidepressant drugs. Archives of General Psychiatry, 63, 332-339.

Huyser, C. (2005a). Welk antidepressivum bij kinderen en adolescenten met een obsessive compulsieve stoornis? Tijdschrift voor Psychiatrie, 47, 116.

Huyser, C. (2005b). Cognitieve gedragstherapie, eventueel naast sertraline, heeft de voorkeur bij kinderen en adolescenten met een obsessieve-compulsieve stoornis? Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 11, 607.

Ipser, J.C., Stein, D.J., Hawkriedge, S., & Hoppe, L. (2009). Pharmacotherapy for anxiety disorders in children and adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews, Issue 3.

March, J.S., Biederman, J., Wolkow, R., Safferman, A., Mardekian, J., Cook, E.H., et al. (1998). Sertraline in children and adolescents with obsessive-compulsive disorder: a multicenter randomized controlled trial. JAMA, 280, 1752-1756.

Marks, D.M., Park, M.H., Ham, B.J., Han, C., Patkar, A.A., Masand, P.S., et al. (2008). Paroxetine: safety and tolerability issues. Expert Opinion on Drug Safety, 7, 783-794.

Mukaddes, N.M., Abali, O., & Kaynak, N. (2003). Citalopram treatment of children and adolescents with obsessive-compulsive disorder: A preliminary report. Psychiatry and Clinical Neurosciences, 57, 405-408.

Pediatric OCD Treatment Study (POTS) Team. (2004). Cognitive-behavior therapy, sertraline, and their combination for children and adolescents with obsessive-compulsive disorder: the Pediatric OCD Treatment Study (POTS) randomized controlled trial. JAMA, 292, 1969-1976.

Reinblatt, S.P., & Riddle, M.A. (2007). The pharmacological management of childhood anxiety disorders: a review. Psychopharmacology (Berl), 191, 67-86.

Riddle, M.A., Scahill, L., King, R.A., Hardin, M.T., Anderson, G.M., Ort, S.I., et al. (1992). Double-blind, cross-over trial of fluoxetine and placebo on children and adolescents with obsessive-compulsive disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 31, 1062-1069.

Rapoport, J.L., & Inoff-Germain, G. (2000). Practitioner Review: Treatment of obsessive-compulsive disorder in children and adolescents. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 41, 419-431.

Rosenberg, D.R., Stewart, C.M., Fitzgerald, K.D., Tawile, V., & Carrol, E. (1999). Paroxetine open-label treatment of pediatric outpatients with obsessive-compulsive disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 1180-1185.

Thomsen, P.H., Ebbesen, C., & Persson, C. (2001). Long-Term Experience With Citalopram in the Treatment of Adolescent OCD. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 895-902.

Watson, H.J., & Rees, C.S. (2008). Meta-analysis of randomized, controlled treatment trials for pediatric obsessive-compulsive disorder. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 49, 489-498.

Wilens, T.E., Biederman, J., March, J., Wolkow, R., Fine, C.S., Millstein, R.B., et al. (1999). Absence of cardiovascular adverse effects of sertraline in children and adolescents. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 573-577.

Terug naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

In het voorjaar van 2013 verschijnt een nieuwe versie van de DSM: DSM5. Hierin worden ook enkele wijzigingen aangebracht in de criteria van Obsessieve Compulsieve Stoornis (OCS), zo wordt mogelijk een subtype 'tic-gerelateerde OCS' opgenomen (Leckman et al., 2010). Ook wordt misschien onderscheid gemaakt tussen verschillende subdomeinen binnen OCS, zoals besmetting/schoonmaken en symmetrie/ordenen. Zie dsm5.org voor meer informatie over het nieuwe handboek.

Daarnaast zijn er een aantal nieuwe behandelingen in ontwikkeling waarvan de effectiviteit op dit moment wordt getest in wetenschappelijk onderzoek. Een voorbeeld hiervan is Deep brain stimulation. Voor deze behandeling worden bij mensen met een hardnekkige OCS operatief twee elektrodes in de hersenen geplaatst, die met een 'hersenpacemaker' worden gestimuleerd. Op deze manier kan de activiteit in bepaalde delen van de hersenen worden veranderd, zoals in het ventral striatum/ventral capsule, de nucleus accumbens of nucleus subthalamicus. Uit onderzoek blijkt dat dit een veilige, veelbelovende techniek is, maar het bewijs voor de effectiviteit blijkt uit een beperkt aantal kleine studies, dus grotere, prospectieve studies zijn nodig om de bewijskracht te verstevigen en de behandeling te optimaliseren (De Koning, Figee, Van der Munckhoff, Schuurman & Denys, 2011).

Een andere nieuwe behandeling voor OCS is repititive Transcranial Magnetic Stimulation (rTMS). Hierbij worden door middel van magnetische pulsen aan het brein bepaalde hersengebieden gestimuleerd of juist geremd. Ook voor deze behandeling is wel enig bewijs voor de effectiviteit, maar zijn meer gecontroleerde studies nodig (Blom, Figee, Vulik & Denys, 2011; Mantovani, Simpson, Fallon, Rossi & Lisanby, 2010). Bovendien zijn bovenstaande twee behandelingen tot nu toe alleen toegepast en onderzocht bij volwassenen.

Een derde behandeling die steeds meer aandacht krijgt, is Cognitive Bias Modification (CBM). Dit is een (computer)training waarbij je leert onduidelijke situaties positief te interpreteren en die toegepast kan worden bij angstproblemen, OCS en depressie. Bij OCS worden ambigue situaties rond dwanggedachten gebruikt. Uit een studie bij een niet-klinische sample bleek dat een dergelijke training kan leiden tot positievere interpretaties en de neiging kan verminderen om dwanggedachten te neutraliseren (Clerkin & Teachman, 2011). Ook naar deze behandeling is meer onderzoek nodig.

Terug naar boven

Expertgroep dwang

Deze richtlijn over dwangstoornissen bij kinderen en adolescenten is in 2012 geactualiseerd met dank aan de expertgroep:

  • Margareth Beumkes, Angst, Dwang, Fobie Stichting
  • Else de Haan, bijzonder hoogleraar Cognitieve Gedragstherapie bij Kinderen en Adolescenten, UVA, psycholoog en psychotherapeut bij de Bascule.
  • Carolein Huijgen, kinder- en jeugpdyschiater, de Bascule
  • Chaim Huyser, kinder- en jeugdpsychiater, de Bascule
  • Maaike van der Linden-Kamphuis, Angst Dwang Fobie Stichting
  • Carola de Wit, klinisch psycholoog, de Bascule

De expertgroep Dwangstoornissen 2005 bestond uit:

  • Frits Boer, kinder- en jeugpsychiater, Emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, AMC
  • Else de Haan, kinder- en jeugdpsychiater, hoogleraar, de Bascule
  • Chaim Huyser, kinder- en jeugdpsychiater, de Bascule
  • Marike Serra, Senior adviseur Accare, University, Centr for Child and Adolescent Psychiatry
  • Lidewij Wolters, onderzoeker, de Bascule
Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close