Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Gedragsstoornissen (ODD/CD) bij kinderen en jongeren

Betrouwbare kennis over gedragsstoornissen (ODD/CD): ouders en jongeren vinden hier informatie over diagnose, behandeling, medicatie (inclusief bijwerkingen) en meer. Speciaal voor jongeren is er ook nog informatie over gedragsstoornissen (ODD/CD) op Brainwiki.nl.

De teksten zijn opgesteld in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen en zijn zo veel mogelijk up-to-date.

Men spreekt van een oppositionele-opstandige stoornis (Oppositional Defiant Disorder - ODD) of een normoverschrijdend-gedragsstoornis (Conduct Disorder - CD) wanneer jongeren zich gedurende langere tijd herhaaldelijk tegendraads, antisociaal of agressief gedragen. Met andere woorden: wanneer het kind zich blijvend lastig, boos en opstandig gedraagt. Als dit gedrag bovendien een nadelige invloed heeft op het dagelijks leven van het kind – thuis, op school, met vriendjes – is er waarschijnlijk sprake van één van beide gedragsstoornissen.

Terug naar boven

Hoewel lastig, storend en ergerlijk gedrag het algemene kenmerk is, wordt er wel een zorgvuldig onderscheid gemaakt tussen verschillende stoornissen. De verschillende uitingen van gedragsstoornissen leiden tot verschillende zwaartepunten in de behandeling. Ook de vooruitzichten op het toekomstige verloop verschillen, afhankelijk van het type gedragsstoornis.

Oppositionele-opstandige stoornis (ODD)

De kinderen/jongeren verzetten zich tegen de leiding van volwassenen, zoals weigeren te doen wat wordt gevraagd. Daarnaast zijn ze zijn snel geërgerd en vaak boos. Dit gebeurt herhaaldelijk en gedurende langere perioden. Een oppositionele-opstandige stoornis kan al bij kinderen vanaf 4 jaar voorkomen.

Normoverschrijdend-gedragsstoornis (CD)

De symptomen van de normoverschrijdend-gedragsstoornis zijn ernstiger van aard dan die van de oppositionele-opstandige stoornis. Er komen vier groepen symptomen voor:

  1. agressief gedrag
  2. vernielen van eigendommen
  3. bedrog of diefstal
  4. ernstige overtredingen van regels zoals weglopen van huis of spijbelen

Agressief gedrag kan de vorm aannemen van fysieke agressie zoals vechten maar ook verbale agressie zoals pesten. Bij vernielen van eigendommen hoort ook brandstichten. Onder bedrog of diefstal wordt ook inbreken verstaan. Bij ernstige overtredingen van regels hoort ook 's avonds of 's nachts niet op tijd thuiskomen.

Veel symptomen van de normoverschrijdend-gedragsstoornis kunnen niet voorkomen bij jonge kinderen. Wel wordt een onderscheid gemaakt in een vorm met een aanvang in de kindertijd (met minstens 1 symptoom beginnend voor het tiende jaar) en een vorm met een aanvang in de adolescentie (geen enkel symptoom heeft een begin voor het tiende jaar).

De vorm beginnend in de kinderleeftijd is vaak van een agressief karakter en treedt vaak op in combinatie met ADHD en lees- en taalstoornissen. De vooruitzichten op de verdere ontwikkeling zijn minder gunstig dan de vorm beginnend in de adolescentie. Bij deze laatste groep is er vaak ook sprake van stemmingsstoornissen. Bij de vorm met een begin in de adolescentie houden de symptomen later vaker op dan bij de vorm met een vroeg begin.

Tenslotte kan een groep worden onderscheiden met bovendien kenmerken van ongevoeligheid en emotieloosheid, ook wel beperkte prosociale emoties genoemd. Deze kenmerken zijn: een tekort aan schuldgevoel en spijt, een tekort aan empathie (meevoelen met anderen), weinig bezorgd zijn om zwakke prestaties op school, en oppervlakkige en beperkte gevoelens. Bij deze groep zouden de vooruitzichten op de verdere ontwikkeling ook minder gunstig zijn.

Terug naar boven

Het ontstaan en in stand blijven van de bovenbeschreven gedragsstoornissen bij kinderen is meestal te verklaren vanuit een wisselwerking tussen, enerzijds, de kwetsbaarheid van het kind (risicofactoren bij het kind) en, anderzijds, omgevingsfactoren (risicofactoren bij de ouders en de bredere sociale omgeving).

Bij factoren die aan het kind verbonden zijn moet men denken aan een kwetsbaarheid van het kind, veroorzaakt door het functioneren van de hersenen. Het kind is dan overbeweeglijk, minder in staat zijn impulsieve gedrag te remmen, of minder gevoelig voor straf. Ook stemmingswisselingen en het vermogen om voor bepaalde situaties de beste oplossingen te bedenken, spelen een rol. In zekere mate kan de kwetsbaarheid van het kind voor het ontwikkelen van gedragsstoornissen erfelijk bepaald zijn.

Bij kinderen waar al op jonge leeftijd sprake is van dwarsheid en prikkelbaarheid moeten de factoren vanuit de omgeving in de eerste plaats worden gezocht in het gezinsverband (de opvoedingssituatie). Deze kinderen vormen een zware opvoedingsbelasting en lokken opvoedingsgedrag uit zoals een inconsequente opstelling van de ouders: wanneer ouders niet opgewassen zijn tegen het dwingend en zeurend gedrag van het kind en de regels daarom wat verslappen, kan het kind op den duur een machtspositie weten te verwerven als gevolg waarvan ongewenst gedrag in stand wordt gehouden. Opvoedingskenmerken zoals inconsequent hanteren van regels, hard straffen en weinig gevoelsmatige betrokkenheid tonen veroorzaken niet zozeer gedragsstoornissen maar zijn eerder een reactie op zich een zich ontwikkelende gedragsstoornis die ze vervolgens in stand houden.

Bij de jongeren die zich pas in de adolescentieperiode normoverschrijdend gaan gedragen zijn er andere omgevingsfactoren die een rol spelen. Zij sluiten zich bijvoorbeeld aan bij een pre-delinquente of delinquente groep leeftijdgenoten. Maar het kan ook het onvermogen van ouders zijn om een gepaste houding te vinden tegenover "normale adolescentieproblematiek". Een voorbeeld hiervan is het leeftijdgebonden verzet tegen ouders, leraren en hun regels. Soms is er ook verzet tegen maatschappelijke regels.

Terug naar boven

De oppositionele-opstandige stoornis en normoverschrijdend-gedragsstoornis komen relatief vaak voor en kunnen op den duur ernstige gevolgen hebben, zowel voor degenen die de aandoening hebben als voor de maatschappij. Het is dan ook een belangrijk aandachtspunt in de kinder- en jeugdpsychiatrie.

Bij ruim 3% van de kinderen en jongeren is sprake van een oppositionele-opstandige stoornis, terwijl 2% van de jonge generatie een normoverschrijdend-gedragsstoornis heeft.
De oppositionele-opstandige stoornis komt bij jongens en bij meisjes even vaak voor. De normoverschrijdend-gedragsstoornis komt bij jongens wat vaker voor.

Terug naar boven

Combinatie met andere aandoeningen (comorbiditeit) is bij de oppositionele-opstandige stoornis (ODD) en de normoverschrijdend-gedragsstoornis (CD) eerder regel dan uitzondering.

De oppositionele-opstandige stoornis en de normoverschrijdend-gedragsstoornis van het type beginnend in de kinderleeftijd komen vaak voor in combinatie met ADHD, een leerstoornis (lezen, rekenen), taalstoornis, coördinatieontwikkelingsstoornis, zwakbegaafdheid en een lichte verstandelijke beperking. De leerproblemen hangen voor een belangrijk deel samen met aandachtstekort en hyperactiviteit. De oppositionele symptomen kunnen de werkhouding negatief beïnvloeden – de leerling toont dan onvoldoende inzet.

Vooral bij de normoverschrijdend-gedragsstoornis van het type beginnend in de adolescentie (maar ook wel bij het type beginnend in de kinderleeftijd) komt comorbiditeit voor met een dysthyme stoornis (langdurige, lichte depressie), een depressieve stoornis en een angststoornis.

Bij beide typen komt comorbiditeit voor met posttraumatische stressstoornis en dissociatieve stoornis. In de adolescentie komt ook comorbiditeit voor met middelenmisbruik.

Terug naar boven

Bij het vermoeden van een oppositionele-opstandige stoornis of een normoverschrijdend-gedragsstoornis wordt een uitgebreid psychiatrisch onderzoek uitgevoerd. Dit is om verschillende redenen van belang:

  • In de eerste plaats is er vrijwel altijd sprake van combinatie met andere aandoeningen. Door onderzoek moeten ook de mogelijke andere aandoeningen aan het licht komen. Afhankelijk van wat de ouders en eventueel de jeugdige tijdens het eerste gesprek inbrengen, wordt besloten op welke aandoeningen het onderzoek zich zal richten. Bijvoorbeeld: wanneer er ADHD bij de ouders of in de rest van de familie voorkomt, zal dit ook een aandachtspunt in het onderzoek zijn.
  • In de tweede plaats wordt het gedrag van het kind zelf onderzocht. Daarbij moet ook duidelijk worden hoe het kind zich in de loop der jaren op de verschillende gedragskenmerken heeft ontwikkeld.
  • In de derde plaats worden de zogenaamde omgevingsfactoren bij het onderzoek betrokken. Daarbij komen vragen aan de orde als: "Hoe reageert de omgeving op het gedrag van het kind of de jeugdige?", "In hoeverre weet het kind of de jeugdige zijn omgeving te beheersen?" en "Wat voor omgeving creëert de jeugdige voor zichzelf?", met andere woorden: "Wat voor vrienden kiest de jeugdige uit?"

Concreet wordt het onderzoek als volgt uitgevoerd:

Informatie van ouders

Met de ouders worden de verschijnselen en kenmerkende onderdelen van het gedrag van het kind of de jeugdige zorgvuldig in kaart gebracht. Daarbij toont de behandelaar ook begrip voor de problemen en stress die het gedrag van het kind of de jeugdige veroorzaakt en de mogelijk negatieve gevoelens over hun kind door dat gedrag. De algemene voorgeschiedenis van het kind wordt vanaf de zwangerschap doorgenomen. Daarbij komen medische en sociale onderdelen van de ontwikkeling van het kind aan de orde. Vervolgens gaat de behandelaar in op de voorgeschiedenis van het moeilijke gedrag waarvoor het kind is aangemeld. Ook hier weer worden de ouders ondervraagd over het ontstaan en de ervaringen door de jaren heen. Verder besteedt de behandelaar aandacht aan de ontwikkelingsgeschiedenis van het gezin van het kind of de jeugdige: de samenstelling van het gezin, de plaats van het gezin in de maatschappij, het functioneren van de ouders, de opvoedingsstijl, de last die het gezin ervaart en speciale problemen als delinquentie en middelengebruik. In dit onderdeel van het onderzoek staat de behandelaar ook stil bij de aanwezigheid van schaamte- of schuldgevoelens bij de ouders over de gedragsproblematiek.

Informatie van het kind

Uiteraard wordt ook het kind of de jeugdige zelf onderzocht. Voor een deel gebeurt dit in een spelobservatie of een gesprek, voor een deel via het inwinnen van informatie van de ouders en leerkrachten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van veelgebruikte en beproefde vragenlijsten. Bij dit onderzoek wordt onder meer bepaald: in hoeverre de jeugdige besef heeft van het probleem, het eigen aandeel in de problemen, in hoeverre hij er onder lijdt, hoe hij over zijn omgeving denkt, hoe hij staat tegenover vriendschap en in hoeverre hij zich kan inleven in de positie van anderen.

Aanvullend onderzoek

Verder is allerlei aanvullend onderzoek mogelijk, als daar aanleiding voor is. Zo is informatie van school noodzakelijk om het gedrag van het kind of de jeugdige te kunnen begrijpen in de context van de schoolse activiteiten en spanningen. Ook kan er aanleiding zijn voor een intelligentie-onderzoek of neuropsychologisch onderzoek met het oog op het vaststellen van het denkvermogen en het opsporen van eventuele achterstanden in het vermogen impulsen te beheersen. Wanneer er twijfel is over het oordeel van de ouders over hun eigen opvoedingsvaardigheden, kan ook een gezinsonderzoek worden gehouden.

Bij de verschillende onderzoeken kunnen de meetinstrumenten worden gebruikt die in de rubriek Onderzoeksinstrumenten worden genoemd.

Terug naar boven

Bij de screening en het diagnostiekonderzoek kan de kinder- en jeugdpsychiater gebruik maken van de volgende vragenlijsten/onderzoeksinstrumenten:

CBCL Child Behavior Check List) voor 6- tot 18-jarigen/6-18

De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 6-18 jaar (CBCL/6-18, Child Behavior Checklist for Ages 6-18) is een vragenlijst waarop ouders of andere volwassen die een kind goed kennen, vragen kunnen beantwoorden over vaardigheden en gedrag van een kind. De scores op de probleemschalen Normafwijkend Gedrag en Agressief Gedrag kunnen zowel worden gebruikt als eerste screening voor ODD/CD, als voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

CBCL voor 1½- tot 5-jarigen

De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 1½-5 jaar (CBCL/1½-5, Child Behavior Checklist for Ages 1½-5) is een vragenlijst waarop ouders of andere volwassenen die een kind goed kennen, vragen kunnen beantwoorden over gedrag, moeilijkheden en goede dingen van een kind. De score op de probleemschaal Agressief Gedrag kan zowel gebruikt worden als screening voor ODD/CD als voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

YSR voor 11-18 jarigen, de Youth Self-Report for Ages 11-18

De zelf in te vullen vragenlijst voor 11-18 jarigen (YSR) is een vragenlijst waarop jongeren vragen over zichzelf kunnen beantwoorden. Het gaat daarbij voornamelijk om vaardigheden en emotionele en gedragsproblemen. Veel van deze vragen zijn hetzelfde als op de CBCL/6-18, aangevuld met veertien vragen naar sociaal wenselijk gedrag, waarop de meeste jongeren positief antwoorden. De score op de probleemschaal Agressief Gedrag kan worden gebruikt als screening voor ODD/CD, maar ook voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

TRF voor 6-18 jarigen en TRF voor 1½-5 jarigen, Teacher's Report Form for Ages 6-18, ages 1½-5

De Gedragsvragenlijst voor kinderen, Informatie Leerkracht, is een vragenlijst waarop leerkrachten vragen kunnen beantwoorden over schoolwerk, functioneren en emotionele en gedragsproblemen. Ook kunnen leerkrachten scores op schoolvorderingstoetsen en intelligentietests vermelden. De TRF omvat 118 probleemvragen waarvan 93 ook in de CBCL/6-18 voorkomen. De andere vragen gaan over gedrag dat ouders niet goed kunnen waarnemen. Denk daarbij aan: vindt het moeilijk om aanwijzingen op te volgen, stoort andere leerlingen, veroorzaakt onrust in de klas. De scores op de probleemschalen Normafwijkend en Agressief Gedrag kunnen worden gebruikt als screening voor ODD/CD bij de kinderen van 6-18, de score op de schaal Agressief Gedrag kan worden gebruikt bij de screening van kinderen jonger dan 6, maar ook om vast te stellen in hoeverre sprake is van gedragsstoornissen.

SNAP-IV ofwel de De Swanson Nolan and Pelham-IV

De Swanson Nolan and Pelham-IV-lijst is een vragenlijst voor ouders en leerkrachten en meet op een 4-puntsschaal de ernst van ADHD- en ODD/CD-symptomen. De lijst bestaat uit 90 items, maar is ook in verkorte versie van 26 items te gebruiken. Het instrument kan gebruikt worden voor de evaluatie van het effect van behandeling.

MOAS, ofwel de Modified Overt Agression Scale

De Modified Overt Agression Scale is ontworpen als een beschrijvend instrument om nauwkeurig en betrouwbaar verschillende vormen van agressie te meten zoals die voorkomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Er zijn 4 categorieën van agressief gedrag en elke categorie bevat 4 vermeldingen die toenemen in hevigheid. Het instrument kan gebruikt worden voor de evaluatie van het effect van behandeling.

Diagnostiek ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek

De DISC-IV is een gestructureerd interview, af te nemen bij de ouders of de jeugdige. Afhankelijk van het doel binnen het onderzoek kan men zich beperken tot de ODD- en CD-modulen, dan wel modulen van comorbide stoornissen.

Terug naar boven

De behandeling van gedragsstoornissen begint altijd met uitleg over de stoornis aan de ouders en het kind, zogenaamde psycho-educatie. De behandeling bestaat vervolgens uit psychotherapeutische methoden zoals oudertraining in opvoedingsvaardigheden bij kinderen tot 12 jaar, gedragstherapie bij kinderen (vanaf 8 jaar) en jeugdigen, en schoolinterventies. Behandeling met medicijnen wordt voorgesteld wanneer er sprake is van een gedragsstoornis in combinatie met ADHD en/of ernstige en openlijke vormen van agressie. In het geval van comorbiditeit met ADHD, met bovendien een duidelijke belemmering van het functioneren, kunnen medicijnen de ADHD symptomen, maar tot op zekere hoogte ook de symptomen van de gedragsstoornissen, doen afnemen. Vervolgens worden één of meerdere vormen van psychotherapie gestart. De behandeling bestaat dan ook nooit alleen uit medicatie, maar ook altijd uit een psychologische behandeling.

Psychotherapeutische aanpak

Bij de psychotherapeutische aanpak worden meestal de ouders en het kind in kwestie betrokken. Soms wordt een therapie voorgesteld waaraan het hele gezin mee moet doen.

De psycho-educatie houdt in dat ouders inzicht krijgen in de gedragsstoornissen en dat de mogelijkheden om daar wat aan te doen worden doorgenomen. Hierdoor kunnen de ouders het gedrag van hun kind beter begrijpen en zich daarover mogelijk minder schuldig voelen. Tegelijkertijd kan een goede vorm van psycho-educatie motiverend werken om het eigen opvoedingsgedrag ten opzicht van het kind te veranderen of bij te stellen.

In het verlengde van de psycho-educatie ligt de oudertraining. Ouders leren gewenst gedrag van hun kind te bevorderen en ongewenst gedrag te laten afnemen. Hiertoe maken ouders zich opvoedingsvaardigheden eigen waaronder positieve opdrachten geven, prijzen en te belonen, negeren, apart zetten en privileges ontnemen.

Het kind of de jongere leert in cognitieve gedragstherapie sociale vaardigheden en vaardigheden om sociale problemen beter op te lossen. Zo leren ze moeilijke situaties juist in te schatten, na te denken wat een handige aanpak zou zijn en die toe te passen. Ook leren ze hun soms snel oplopende boosheid beter te beheersen.

Bij jongeren wordt bovendien de bredere sociale context zoals de buurt meegenomen, evenals aandacht besteed aan mogelijk dreigende schooluitval; de combinatie van deze methoden wordt gerealiseerd in de functionele gezinstherapie en de multisysteemtherapie.

Medicijnen

Medicijnen bij de behandeling van een kind met een oppositionele-opstandige of normoverschrijdend-gedragsstoornis vraagt om een zeer zorgvuldige afweging. Alleen wanneer er ook sprake is van ADHD of wanneer specifieke gedrags-, gezins- of systeemtherapie onvoldoende effectief is gebleken, met name op het vlak van fysiek agressief gedrag, wordt medicatie overwogen. Voor wat het laatste betreft is het probleem niet zozeer dat we niet beschikken over een middel dat agressief gedrag doet afnemen: van het antipsychoticum risperidon is het effect overtuigend aangetoond. Het probleem is dat risperidon bijwerkingen kan hebben zoals gewichtstoename en dat er onzekerheid bestaat over het lange termijn risico voor hart- en vaatziekten en diabetes. Risperidon kan daarom slechts tijdelijk worden gegeven. Als blijkt dat ernstige openlijke agressieve gedragingen bij het staken van risperidon opnieuw voorkomen, dan is een nieuwe zorgvuldige afweging nodig en eventueel een herbeoordeling (diagnostiek).

Gedragsstoornissen in combinatie met ADHD

Voor de behandeling van kinderen en jeugdigen met gedragsstoornissen in combinatie met ADHD, en leidend tot ernstige belemmeringen, is methylfenidaat een effectief en betrekkelijk veilig middel. Zowel methylfenidaat als atomoxetine zijn bewezen effectief tegen de symptomen van gedragsstoornissen, maar het effect van methylfenidaat is groter dan het effect van atomoxetine.

Lees meer over medicijngebruik bij ADHD

Op het gedeelte voor professionals vindt u uitgebreidere informatie over medicatie bij ODD/CD.

Terug naar boven

Minder Boos en Opstandig

Het behandelprogramma is bedoeld voor kinderen van 8 tot en met 12 jaar met een Disruptieve Gedragsstoornis (eventueel met comorbiditeit ADHD en leerstoornissen) en hun ouders. Het programma is ontwikkeld voor de behandeling van gedragsstoornissen en is gericht op het laten afnemen van negatief probleemgedrag en het laten toenemen van pro-sociaal gedrag. Met beoordeling door de expertgroep.

Zelfcontrole

Doel is dat kinderen in sociale situaties: minder gedragsproblemen vertonen; meer zelfcontrole hebben en minder impulsief zijn; betere sociaal cognitieve vaardigheden laten zien. Met beoordeling door de expertgroep.

Incredible Years / Pittige Jaren

Afname van probleemgedrag van het kind en toename van sociaal wenselijk gedrag, middels het toerusten (of versterken) van de ouders met opvoedingsvaardigheden welke zowel het gedrag als de ontwikkeling van het kind in gunstige zin beïnvloeden.

Parent Management Training Oregon (PMTO)

Parent Management Training Oregon model (PMTO) is een ambulante behandeling die zich richt op ouders van kinderen met ernstige externaliserende gedragsproblemen (ODD/CD, vaak in combinatie met ADHD) in de leeftijd van 4-12 jaar.

'Triple P, niveau 4'

Het Triple P programma richt zich op de preventie van (ernstige) emotionele en gedragsproblemen bij kinderen door de versterking van de pedagogische vaardigheden bij de ouders met kinderen in de leeftijd van 0-16 jaar.

'Triple P, niveau 5'

Het Triple P programma richt zich op de preventie van (ernstige) emotionele en gedragsproblemen bij kinderen door de versterking van de pedagogische vaardigheden bij de ouders met kinderen in de leeftijd van 0-16 jaar. Triple P niveau 5 wordt ingezet als niveau 4 niet tot het gewenste resultaat leidt omdat andere gezinsproblemen dit verhinderen.

Multisysteem Therapie (MST)

MST is bedoeld voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar met ernstig antisociaal gedrag die gesloten uithuis geplaatst zijn of dreigen te worden en voor hun gezin.

Parent-Child Interaction therapy (PCIT)

Het doel van PCIT is gedragsproblemen bij het kind te verminderen en de stress bij ouders te verminderen door de opvoedingsvaardigheden van de ouders te vergroten en de kwaliteit van ouder-kind relatie te verbeteren.

Relationele gezinstherapie (RGT)

RGT is een kortdurende gezinstherapie die zich richt op het positief beïnvloeden van onderlinge gezinsrelaties en het verminderen van gedragsproblemen van de jeugdige.

MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT)

MDFT is een behandelprogramma dat ook bemoeizorg omvat. Het programma richt zich op vier domeinen in het leven van een jongere: de jongere en zijn problemen, de ouders van de adolescent, het gezin en de familie als geheel, en voor de jongere belangrijke externe systemen, zoals peergroep, school, werk en mogelijk politie en justitie.

Terug naar boven

Bij een groot aantal kinderen helpt de behandeling. In vergelijking met zich gunstig ontwikkelende leeftijdgenoten lopen kinderen en jongeren met een van beide gedragsstoornissen in de volwassenheid een verhoogde kans op het niet afmaken van hun opleiding, delinquentie (criminaliteit), misbruik en afhankelijkheid (verslaving) van middelen (alcohol, cannabis, cocaïne), depressies, werkeloosheid, vaak wisselen van baan, afhankelijkheid van sociale voorzieningen en herhaalde echtscheiding. Bij meisjes is er bovendien een verhoogd risico op vroege zwangerschap, het vinden van een normoverschrijdende partner en - hiermee samengaand - het hebben van kinderen met gedragsstoornissen.

Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close