Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Stop hurting start helping: Empathy in children with disruptive behaviour, attention-deficit and autism spectrum disorders

Dit proefschrift onderzoekt de verschillen in empathie en in prosociaal gedrag tussen kinderen met en zonder een psychiatrische diagnose.

Achtergrond en vraagstelling

Empathie is het vermogen om met emoties van anderen mee te voelen en om deze te begrijpen. Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat er bij kinderen in de schoolleeftijd of adolescentie een verband bestaat tussen empathie aan de ene kant en agressief en antisociaal gedrag aan de andere kant. De theorie veronderstelt dat als kinderen agressief gedrag vertonen, zij meevoelen met de pijn of het verdriet van andere kinderen als gevolg van dit agressieve gedrag. Daardoor stoppen zij met dit agressieve gedrag. Daarnaast kan het meevoelen met en het begrijpen van emoties en verdriet van anderen er ook voor zorgen dat kinderen prosociaal gedrag vertonen zoals helpen of troosten.

In dit onderzoek hebben we gekeken of kinderen van 6 en 7 jaar met diverse kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen (disruptieve gedragsstoornissen, ADHD en autisme spectrum stoornissen) verschillen van kinderen zonder deze stoornissen in empathie en in prosociaal gedrag. Ook hebben we onderzocht of het vertonen van veel empathie ertoe leidt dat kinderen een jaar later minder agressief gedrag vertonen.

Methode

Empathie is een ingewikkeld concept dat uit verschillende onderdelen bestaat. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen affectieve empathie (meevoelen met de emoties van anderen) en cognitieve empathie (herkennen en begrijpen van emoties van anderen). Om empathie te onderzoeken moesten we een manier vinden om empathie betrouwbaar te meten. Empathische kenmerken kunnen gemeten worden met vragenlijsten die door kinderen zelf, ouders of leerkrachten worden ingevuld. Daarnaast kunnen aspecten van empathie worden gemeten in een testsituatie waarbij kinderen naar bijvoorbeeld foto’s of filmpjes kijken en geobserveerd worden. Er wordt hen gevraagd hoe ze zich voelen en of ze de emoties van anderen herkennen en begrijpen.

In dit onderzoek hebben we ouders en leerkrachten vragenlijsten laten invullen over het empathisch vermogen van kinderen. Ook hebben we bij de kinderen 3 taken afgenomen. Als eerste hebben we hen verhalen voorgelezen waarin andere kinderen dingen meemaakten. Na de verhalen hebben we gevraagd hoe zij dachten dat de kinderen zich voelden en hoe ze zich zelf voelden tijdens het luisteren naar het verhaal. Ten tweede hebben we onderzocht of ze de emoties van andere kinderen spiegelden door de elektrische spieractiviteit in hun gezicht te meten terwijl ze naar filmpjes met emoties keken. Tot slot hebben we ze een computerspel laten spelen waarbij ze de bal konden toespelen aan 2 andere kinderen. Van een van deze kinderen kregen ze geen munten, waardoor ze de bal vaker naar het andere kind gingen spelen. Daardoor werd het kind zonder munten verdrietig. In dit computerspel konden we meten of ze dit kind alsnog de bal toe gingen spelen.

Resultaten

Hoofdstuk 2 wijst allereerst uit dat 6-7 jarige kinderen zonder psychiatrische stoornis bij het kijken naar gezichten van andere kinderen deze emotionele gezichtsuitdrukkingen spiegelen en dat dit betrouwbaar te meten is met elektromyografie.

De resultaten in hoofdstukken 3 en 4 tonen dat 6-7 jarige kinderen met disruptieve gedragsstoornissen (met en zonder ADHD) in sommige situaties verschillen van kinderen zonder deze stoornissen. Zo gaven leerkrachten aan dat kinderen met gedragsproblemen minder empathisch reageren. Diezelfde kinderen toonden bij het computerspel minder prosociaal gedrag. Maar we vonden geen verschillen in de vragenlijsten van ouders, de verhalentaak en tijdens het spiegelen van gezichten tussen kinderen met en zonder disruptieve gedragsstoornis.

Voor kinderen met alleen ADHD zonder disruptieve gedragsstoornis kwamen we in hoofdstukken 3 en 4 tot bijna dezelfde resultaten. Ook over hen rapporteerden alleen leerkrachten dat ze minder empathisch waren, terwijl geen verschil werd gevonden bij de vragenlijsten van ouders, de verhalentaak of het spiegelen van gezichten. In tegenstelling tot de kinderen met disruptieve gedragsstoornis en ADHD toonden de kinderen met ADHD zonder gedragsstoornis tijdens het spelen van het computerspel evenveel prosociaal gedrag als kinderen zonder stoornis. We denken dat dit komt omdat deze kinderen in een onrustige omgeving, zoals die er op school vaak is, moeilijker empathisch kunnen reageren dan wanneer ze thuis zijn of wanneer wij ze in een rustige kamer allerlei taken laten doen. We weten immers dat deze kinderen vaak moeite hebben met het richten van hun aandacht, dus misschien ook wel met het kijken naar de gezichten van anderen op het goede moment. Daardoor zouden ze wel eens belangrijke informatie kunnen missen over hoe anderen zich voelen.

Vaak nemen kinderen met aandachtsproblemen medicatie om deze aandachtsproblemen te doen verminderen. In dit onderzoek hadden we aan de kinderen gevraagd om geen medicatie te nemen tijdens de metingen. Toch waren er een paar kinderen die per ongeluk wel medicatie hadden genomen. In hoofdstuk 8 beschreven we dat we per toeval aanwijzingen vonden dat deze kinderen op de dag van de meting anders reageerden op angstige gezichten dan kinderen die nooit eerder medicatie namen of op de dag van de meting geen medicatie hadden ingenomen. Om te begrijpen of dit ook echt zo is en hoe dit komt is verder onderzoek nodig dat zich speciaal op deze vraag richt.

Bij de kinderen met autisme spectrum stoornissen die veel problemen hebben in de sociale interactie en communicatie toonden we in hoofdstuk 6 aan dat ze moeite hebben met het spiegelen van angstige gezichten. In hoofdstuk 7 beschreven we dat deze kinderen in een verhaal minder goed de angst van een ander kind konden herkennen. Ook rapporteerden ouders en leerkrachten dat ze minder goed gevoelens van anderen konden begrijpen, maar niet dat ze ook minder goed met anderen konden meevoelen.

Tot slot hebben we in hoofdstuk 5 gekeken in een groep kinderen zonder en met gedragsstoornis of ADHD naar de verbanden tussen de verschillende meetmethoden van empathie en proactieve agressie. We hadden verwacht dat de ene meetmethode van empathie goed met de andere zou overeenkomen, maar dat was lang niet altijd het geval. Wel toonden kinderen die door ouders als meer empathisch werden gezien meer empathisch gedrag tijdens het spelen van het computerspel. We hebben daarna onderzocht of een van de methoden waarmee we empathie hadden gemeten kon voorspellen of kinderen een jaar laten nog veel pro-actief agressief gedrag vertoonden. We vonden dat het vooral de empathie was die door ouders werd gerapporteerd die ons hielp bij het voorspellen van proactief agressief gedrag, maar niet de empathie gemeten met de andere methoden.

Discussie

De resultaten van dit onderzoek dienen met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden, rekening houdend met een aantal beperkingen. Ten eerste bestond de patiëntengroep uit 6-7 jarige kinderen die bekend waren op de polikliniek van het UMC Utrecht waarvan sommigen al enige tijd behandeld werden voor hun disruptieve gedragsstoornis, ADHD of autisme spectrum stoornis. De resultaten gelden dus niet zonder meer voor andere groepen kinderen die (nog) geen behandeling kregen. Ten tweede hebben de verschillende manieren waarop we empathie hebben gemeten ook allemaal hun beperkingen en was er weinig overeenstemming tussen de verschillende meetmethoden. Ook blijft het onduidelijk welke aspecten van het disfunctioneren van kinderen met deze stoornissen hun empathie en prosociaal gedrag beïnvloeden. We weten bijvoorbeeld nog te weinig over wat de invloed van het impulsieve en snelle reageren is op de empathie en het prosociale gedrag van kinderen. Verder zou het kunnen dat kinderen met ADHD of gedragsstoornissen minder gegrepen worden door emotionele gezichtsuitdrukkingen, mogelijk als gevolg van een geringere dopaminerge functie, en daarom hun aandacht ook minder op emoties van anderen richten. Ook kunnen kinderen met gedragsproblemen, ADHD of autisme misschien minder goed hun eigen gevoelens onderscheiden van die van anderen of hun eigen gevoelens minder goed onder controle houden. Dat is in dit onderzoek niet onderzocht en het is niet te zeggen wat de invloed daarvan is geweest op de gemeten empathie.

Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op het verder verkennen van welke invloed aandachtsproblemen, de verwerking van emoties in zijn algemeenheid en de omgeving hebben op de ontwikkeling van empathie bij kinderen met psychiatrische stoornissen. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden meegenomen bij nieuwe pogingen om empathie te beïnvloeden en te behandelen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door kinderen te leren om te kijken naar en te letten op belangrijke signalen op de gezichten van anderen. Of door ze te helpen gevoelens van anderen beter te herkennen en benoemen. Misschien ook door ze te leren bewust gezichten van anderen te imiteren of door hen te helpen zich in hen in te leven. Ook medicatie zou een rol kunnen spelen. Eerst en vooral de medicatie die erop gericht is om de aandacht te verbeteren, maar ook bijvoorbeeld het hormoon oxytocine, aangezien onderzoek bij volwassenen lijkt te tonen dat oxytocine mogelijk invloed heeft op empathie.

Dit onderzoek heeft alvast aangetoond dat 6-7 jarige kinderen met gedragsproblemen op een paar niveaus wel, maar op andere niveaus ook weer niet verschillen van kinderen zonder deze problemen. Het lijkt erop dat een rustige omgeving met niet te veel prikkels kinderen met ADHD en/of disruptieve gedragsstoornissen helpt om zich beter in te leven in anderen. Dat is anders dan bij kinderen met autisme en ernstige sociale communicatieproblemen, die problemen hebben met onder andere het herkennen en spiegelen van angst. Meer onderzoek is nodig om beter te begrijpen hoe dit ingewikkelde en gelaagde concept zich ontwikkelt en wat de mogelijkheden zijn om daarop met behandeling invloed uit te oefenen.

Auteur: Peter Deschamps
Uitgever: Ridderprint BV
Jaar van publicatie: 2014
ISBN: 978-94-91082-06-1

Auteur: Peter Deschamps
Uitgever: Ridderprint BV
Jaar van publicatie: 2014
ISBN: 978-94-91082-06-1

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond je niet precies wat je zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten