Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Gedragsstoornissen bij kinderen

Jongens handjedrukken

Wat is een gedragsstoornis?

Sommige leerlingen worden wel eens brutaal of opstandig wanneer ze een opdracht krijgen. Of ze zijn snel boos en kwaad. Het kan zijn dat een leerling hier erg vaak last van heeft en dat hij zich agressief gedraagt. Hij kan bijvoorbeeld ineens heel erg boos worden omdat hij van jou iets moet doen waar hij geen zin in heeft, of omdat iemand iets tegen hem heeft gezegd. Hij wil dan het liefst schelden of slaan. Maar vaak weet de leerling ook helemaal niet waardoor het komt dat hij zo boos is, en vindt hij het heel erg dat anderen hem door zijn boosheid anders gaan bekijken. Hij heeft last van zijn gedrag. Het kan zijn dat de leerling een gedragsstoornis heeft. Stelen en liegen zijn ook kenmerken van een gedragsstoornis.

Jongens handjedrukken

Er zijn twee verschillende soorten gedragsstoornissen. In de geestelijke gezondheidszorg (ggz) worden deze gedragsstoornissen aangeduid met Engelse, wetenschappelijke namen:

  • Oppositional Defiant Disorder (ODD): oppositionele-opstandige stoornis
  • Conduct Disorder (CD): normoverschrijdend-gedragsstoornis

Orthopedagogen en schoolpsychologen kunnen terecht bij de praktijkstandaard Gedragsstoornissen ODD/CD bij kinderen en adolescenten.

Jongeren lezen meer over gedragsstoornissen op Brainwiki.nl

Een leerling met een gedragsstoornis in de klas

Als onderwijsprofessional ben je niet bevoegd om een gedragsstoornis vast te stellen. Dat kan en mag alleen een gespecialiseerde hulpverlener doen. Je hebt wel een belangrijke signalerende taak. Bespreek opvallendheden of zorgen die je over de leerling hebt met de leerling, ouders en collega’s uit het ondersteuningsteam. Samen kun je beslissen of hulpverlening wenselijk is. Vanuit de klas ben jij het die de collega’s uit het ondersteuningsteam kan voorzien van informatie.

Een gedragsstoornis kan zich op vele manieren uiten. Dit kan per leerling sterk verschillen. De lijst hieronder zet enkele kenmerken die bij een gedragsstoornis kunnen horen op een rij.

Een leerling met ODD kan opstandig zijn als je iets van hem vraagt en is vaak in verzet. Hij maakt regelmatig ruzie met jou als onderwijsprofessional, of met andere volwassenen. Hij lijkt met opzet ergernis uit te lokken. Hij kan snel geërgerd zijn, boos en driftig. Hij kan anderen de schuld geven van eigen fouten of gedrag. En hatelijk en wraakzuchtig zijn. Een leerling met CD kan liegen, stelen en lichamelijk of verbaal agressief gedrag vertonen. ODD en CD kunnen ook samen voorkomen.

Let op: Veel van de bovenstaande symptomen zijn gedragingen die in bepaalde mate bij de ontwikkeling van iedere leerling kunnen horen.</

Sociale uitsluiting

Voor sommige leerlingen met gedragsproblemen verloopt het contact met klasgenoten moeizaam. Dit kan leiden tot een grotere afstand onderling of zelfs tot uitsluiting.

Sociale uitsluiting kan een onveilig gevoel dat de leerling al heeft versterken, waardoor het antisociale of agressieve gedrag juist toeneemt. Blijf deze leerling daarom betrekken bij de groep en stimuleer verbondenheid met klasgenoten.

Ook jij als onderwijsprofessional kan verleid worden om de leerling te veroordelen om zijn gedrag, of om het ‘op te nemen voor de rest van de klas’. Toch heb je juist zo’n belangrijke rol om de plaats van deze leerling in de groep te beschermen, zodat zijn ontwikkelingskansen zo veel mogelijk intact blijven.

Terug naar boven

De arts heeft medicatie geadviseerd of voorgeschreven. Soms krijg je als onderwijsprofessional de opdracht om het gedrag van een leerling te observeren wanneer deze met medicatie start of stopt, of wanneer de dosering wijzigt. Begrijp je medicijn beantwoordt vragen die veel leerlingen en hun omgeving hebben over medicijnen bij psychische problemen. Denk aan een vraag als ‘Hoe kan ik mijn medicijn het beste innemen? ’

>> Naar Begrijp je medicijn

Het komt ook voor dat je als onderwijsprofessional de vraag krijgt om medicatie toe te dienen, te helpen met deze inname, of de leerling te herinneren aan de inname. Het uitvoeren van medische handelingen op school kan bijvoorbeeld tot schade aan de gezondheid van het kind leiden bij onjuist gebruik van een medicijn. Daarom moet je in deze situaties handelen volgens een vooraf afgesproken en ondertekend protocol. De directie van jouw school bepaalt het beleid voor medisch handelen op school. De PO-Raad ontwikkelde het Model-protocol medische handelingen op scholen.

Terug naar boven

De rol van de leerkracht of mentor

Als leerkracht of mentor ben je opgeleid om les te geven. En lesgeven is meer dan alleen kennis overdragen. Je maakt een groot deel uit van het leven van de leerlingen, en kan van grote betekenis zijn in de begeleiding. Blijf daarover steeds in gesprek met de leerling, de ouders en de collega’s uit het ondersteuningsteam. Onderzoek met elkaar wat de leerling kan helpen en wat jouw rol als onderwijsprofessional daarin is.

>> Lees meer over de rol van de leerkracht of mentor

Samenwerken met hulpverlening buiten school

Wanneer de leerling hulpverlening buiten school krijgt is het van belang om ook met deze partij, in samenspraak met leerling en ouders, contact te houden. Zodat iedereen samen doet wat nodig is. Informeer elkaar ook wanneer het goed gaat. Op die manier kom je erachter ‘wat werkt’. Daarbij verlaagt het de drempel om contact te leggen wanneer het even minder gaat.

Maak het bespreekbaar

Over het algemeen kan het helpend zijn wanneer klasgenoten op de hoogte zijn van psychische kwetsbaarheden, of andere moeilijkheden waar de leerling mee zit. Door open te zijn, ontstaat er begrip. Het kan per leerling verschillen of hij dit wil delen, met wie, en op welke manier. Besteed aandacht aan dit onderwerp door in een één-op-één-gesprek te vragen naar de wensen van de leerling op dit gebied. Soms vindt de leerling het fijn om, met hulp van jou, met enkele goede vrienden of vriendinnen iets over zichzelf te delen.

Tips voor in de klas

Iedere leerling met een gedragsstoornis is anders en heeft iets anders nodig om zich veilig te voelen en tot leren te komen. Het verschilt dus per leerling welke aanpassingen in de onderwijsleersituatie nodig zijn.

Aandacht voor de kwaliteiten
  • Onderzoek hoe je juist ook de kwaliteiten van de leerling kan inzetten.
  • Benoem zijn sterkte kanten en kijk op wat voor manieren hij deze in kan zetten.
  • Onderschat de capaciteiten van de leerling niet. Doubleren of naar een lager onderwijsniveau verplaatsen helpt meestal niet.
  • Door vertrouwen uit te spreken steun en stimuleer je de leerling
Tips voor de organisatie in de klas
  • Bij het handhaven van klassenregels speelt de emotie van de leerling een rol. Wat betekent het voor hem om gecorrigeerd te worden? Voelt hij zich afgewezen? Het kan helpen om deze emoties bespreekbaar te maken.
  • Spreek steeds vooraf duidelijk af wat je verwacht. Doe dit elke keer, ook als de regel bekend zou moeten zijn. Kies je woorden zorgvuldig. De leerling zal regelmatig na overtreding van de regels in discussie willen. Omdat hij vindt dat hij de regel niet overtreden heeft, of dat het niet door hem kwam.
  • Wanneer je voor een straf kiest, bijvoorbeeld nadat de leerling één van de regels heeft overtreden, doe dat dan met een milde straf, gevolgd door een korte en zakelijke uitleg. Een ‘preek’ voegt niets toe aan het effect van de straf. De neiging om zwaar te straffen is begrijpelijk, maar ook dat voegt niets toe aan het effect ervan.
  • Waak ervoor dat deze leerling niet altijd de schuld krijgt, vanwege zijn reputatie.
  • En leerling met een gedragsstoornis is vaak gevoelig voor macht en gezag en wil veel zelf bepalen. Bied de ruimte om keuzes te maken (binnen jouw kaders) en geef in positieve situaties de mogelijkheid tot het nemen van de leiding. Bijvoorbeeld bij het kiezen van een spelletje of bij het geven van beurten.
Tips voor de instructie
  • Geef eerst een compliment en dan pas een opdracht: ‘Goed dat je zo goed oplet/rustig afwacht/luistert; nu gaan we…’
  • Geef niet meer opdrachten dan strikt noodzakelijk is. Houd de opdrachten kort, enkelvoudig en stellig (niet vragend): ‘Ik wil dat je nu…’
  • Herhaal de opdrachten niet te snel. De leerling moet alle kans krijgen om de opdracht rustig uit te voeren; op die manier worden verzet en escalatie van verzet voorkomen.
  • Help de leerling zo nodig op gang met de opdracht. Dit geldt zowel voor schoolwerk als voor sociaal gedrag.
  • Het kan helpen om de leerling de keuze te geven uit twee mogelijkheden. Hierdoor voelt het kind zich nog ‘de baas’ over wat er met hem gebeurt (beperkte autonomie).
Tips voor de sociale omgang
  • Maak onderscheid tussen het kind en zijn gedrag (Jij bent oké, maar dit gedrag niet).
  • Zoek naar aanleidingen om de leerling te complimenteren. Dat kan lastig zijn, maar de leerling komt daarin tekort (doordat hij over het algemeen vaker regels overtreedt dan naleeft).
  • Maak complimenten expliciet; ‘goed gedaan’ is niet genoeg, zeg wat de leerling precies goed doet. Zorg dat complimenten geloofwaardig zijn (gemeend, enthousiast, serieus).
  • Complimenteer niet alleen het gedrag, maar ook het karakter van de leerling: ‘Je bent een goed/fijn/aardig/lief kind, omdat…’
  • Als het de leerling niet lukt om het gewenste gedrag te vertonen, geef hem dan een herkansing en help hem op weg. Succeservaringen zijn enorm belangrijk!
  • Herbenoem ongewenst gedrag in gewenst gedrag, bijvoorbeeld: ‘zachtjes praten’ in plaats van ‘hou op met schreeuwen’, en: ‘rustig lopen!’ in plaats van ‘niet rennen!’.
  • Probeer milde vormen van ongewenst gedrag zoals zeuren consequent te negeren. Dit is lastig, omdat het tegen je natuur ingaat, maar werkt effectief.
  • Stel zodra het ongewenste gedrag ophoudt een activiteit voor die snel aanleiding kan geven voor een compliment.
  • Bij oplopende boosheid van de leerling kun je vragen om zijn gevoel te benoemen en erkennen dat dit voor hem een moeilijke situatie is. Werkt dit niet, dan kun je waarschuwen voor een negatieve consequentie (time-out of milde straf) die desnoods wordt uitgevoerd.
  • De-escaleer nadat iets toch uit de hand is gelopen: bespreek met de leerling na wat er gebeurd is en overleg hoe dat de volgende keer beter zou kunnen.
  • Als een leerling regelmatig heel boos wordt, kan het moeilijk zijn om ook het positieve gedrag te blijven zien. Het zien van positief gedrag helpt je doorgaans bij het willen aangaan van een relatie. Dat kan met deze leerling dus minder vanzelfsprekend gaan. Toch heeft hij baat bij een oprechte relatie met jou. Investeer in de relatie. Humor kan daarbij helpen. Dit voorkomt dat de spanning tijdens een boze bui te hoog oploopt, zowel voor leerling als voor jou.
Time-out
  • Een ‘time-out’ bij ongewenst gedrag is ingewikkelder dan het lijkt. Bij time-out wordt de leerling verwijderd uit de omgeving waarin het ongewenste gedrag plaatsvond. Het doel is om na de time-out met een schone lei te kunnen beginnen.
  • Het is belangrijk dat de leerling inzicht heeft in de time-out procedure. Speel daarom bij jongere leerlingen de time-out van te voren uit in een rollenspel. Oudere leerlingen kun je van te voren vertellen over de stappen die horen bij een time-out.
  • Bij jonge leerlingen kan als time-out ruimte een aparte plek in de klas gebruikt worden. Bij oudere leerlingen een prikkelarme ruimte buiten de klas (niet op de gang!).
  • Geef eerst een waarschuwing voor een time-out. Als dat niet leidt tot uitvoeren van de opdracht, volgt de time-out.
  • De time out duurt 3 tot 6 minuten. Bij de start van de time-out spreek je af dat de leerling op een afgesproken tijd weer rustig is.
  • Na de time-out is het de bedoeling dat de leerling de opdracht alsnog uitvoert. Anders wordt de time-out gebruikt om opdrachten te ontlopen.
  • Help de leerling na de time–out om adequaat gedrag te vertonen. Kom niet meer terug op het ongewenste gedrag, anders bekrachtig je dit alleen maar.
Beloningskaart

Wanneer bovenstaande tips niet werken, kun je een beloningskaart/gedragskaart inzetten. Altijd in samenspraak met leerling en ouders. Hierop vermeld je in positieve bewoordingen de gedragsverwachting. Je kan per les of per dag aangegeven of de leerling dit heeft laten zien of niet. Een variant hierop kan zijn dat de leerling vervolgens nog noteert of hij een compliment voor het gewenste gedrag heeft gehad. Gebruik de kaart voor een afgebakende periode en evalueer tussentijds en na afloop.

Voorbeelden: Beloningskaart primair onderwijsBeloningskaart voortgezet onderwijs

Terug naar boven

Creëer openheid met een spreekbeurt

Wil je leerling een spreekbeurt geven over gedragsstoornissen? Wijs hem dan op de tips die te vinden zijn op Brainwiki.nl.

>> Spiekbrief voor je spreekbeurt

De overgang naar een volgend schooljaar brengt voor veel leerlingen, en ouders, spanning en onzekerheid met zich mee. Dat geldt ook voor leerlingen met een psychische kwetsbaarheid. Als leerkracht of mentor van een leerling draag je een verantwoordelijkheid in de overdracht naar dit volgende jaar. Je weet wat wel en niet werkte het afgelopen jaar en kan dat weer doorgeven aan je collega. In het voortgezet onderwijs is het van belang om de informatie met de verschillende lesgevende collega’s te delen.

Voor de nieuwe leerkracht of mentor kan het helpend zijn om vroeg in het jaar contact te leggen met de ouders. Tijdens deze kennismaking kun je afspraken maken over de samenwerking dit schooljaar.

Terug naar boven

De overgang van de basisschool naar de middelbare school brengt voor veel leerlingen, en ouders, spanning en onzekerheid met zich mee. Het kan veel opleveren om extra tijd en aandacht aan deze overstap te besteden. Check bij de leerling of die het prettig vindt als je hier wat in betekent. Bijvoorbeeld door in groep 8 individuele gesprekken te voeren hierover. Soms kan een keer fietsen met een klasgenoot die naar dezelfde school toe gaat al verschil maken.

Als eerstejaarsmentor is het van groot belang dat je met een open blik de leerlingen en hun ouders leert kennen. Individuele start- of kennismakingsgesprekken kunnen daaraan bijdragen.

>> Plezier op school
Plezier op school is een zomercursus voor aanstaande brugklassers die op de basisschool gepest werden of andere problemen hadden in de omgang met leeftijdgenoten. Het heeft als doel om de sociale competentie van de leerlingen te vergroten, zodat zij een goede start kunnen maken op het voortgezet onderwijs en het risico op herhaling van deze omgangsproblemen verkleind wordt.

>> JOIN us
JOIN us is een programma dat zich richt op het creëren van een saamhorige klas waarin elke leerling zich gezien en geaccepteerd voelt. Het zijn tien lessen bedoeld voor eerstejaars leerlingen van het regulier VO. Het programma gaat uit van een groepsdynamisch perspectief en de lessen spelen in op de groepsfases waarin de leerlingen zich bevinden.

Terug naar boven

Kanjertraining

De Kanjertraining heeft tot doel sociale problemen zoals pesten, conflicten, uitsluiting en sociaal teruggetrokken gedrag te voorkomen of te verminderen, en het welbevinden te vergroten bij kinderen en jongeren in het basis- en voortgezet onderwijs.

>> Lees meer over Kanjertraining

Taakspel

Taakspel is een groepsgericht preventieprogramma voor leerlingen van groep 3 tot en met 8 van het basisonderwijs. Het heeft als doel om beginnend probleemgedrag in een vroeg stadium te verminderen en om te buigen in positief gedrag.

>> Lees meer over Taakspel

School Wide Positive Behavior Support (SWPBS)

SWPBS is een programma gericht op het bevorderen van gewenst gedrag bij leerlingen met milde, matige of ernstige gedragsproblemen. Het doel is om elke leerling optimaal te laten profiteren van het geboden onderwijs. De aanpak omvat interventies voor alle leerlingen en specifieke interventies voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

>> Lees meer over SWPBS

Alles Kidzzz

Alles Kidzzz is een individuele op maat aangeboden sociaal cognitieve gedragsinterventie van acht wekelijkse sessies gericht op leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs die een verhoogde mate van externaliserend probleemgedrag laten zien.

>> Lees meer over Alles Kidzz

Ik kies voor zelfcontrole

Ik kies voor zelfcontrole is een groepstraining voor leerlingen van 8 tot en met 12 jaar met externaliserende gedragsproblemen en heeft als doel de gedragsproblemen te verminderen. De training wordt gegeven op basisscholen in achterstandswijken. Naast de kind-training zijn er vijf gesprekken met de leerkracht en een bijeenkomst met ouders.

>> Lees meer over Ik kies voor zelfcontrole

Terug naar boven

Meer lezen en kijken over gedragsstoornissen

Het Kenniscentrum heeft deze informatie geschreven met experts vanuit onder meer het PO en VO, het NCOJ en het Nederlands Jeugdinstituut. Samen houden we deze tekst steeds actueel. Bijvoorbeeld op basis van het laatste onderzoek naar gedragsstoornissen bij kinderen en jongeren.

Heb je vragen of suggesties? Geef die dan door met het formulier onderaan deze pagina.

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond je niet precies wat je zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten