Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Jeugd-ggz voor jongeren met problematisch middelengebruik en/of verslaving

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de behandeling van jongeren met een verslaving. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum herziet regelmatig teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Beschrijving

Doel van dit kennisdossier

Meer kennis over dit belangrijke thema is het doel van dit kennisdossier. Door meer kennis over problematisch middelengebruik bij de jeugd GGZ en meer kennis over psychische stoornissen bij de jeugdverslavingszorg kunnen jongeren met deze complexe meervoudige problematiek in een eerder stadium en op een effectievere manier geholpen worden. Dit themadossier wil daar een bijdrage aan leveren. Belangrijke onderwerpen worden uitgewerkt:

  • veelvoorkomende vormen van comorbiditeit tussen problematisch middelengebruik en psychische stoornissen;
  • middelengebruik, problematisch middelengebruik, middelenmisbruik en middelenafhankelijkheid.

Ernst van verslavingsproblematiek

Comorbiditeit van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen is een belangrijk thema omdat binnen het werkveld van de jeugdzorg en jeugd GGZ wordt geworsteld met jongeren die deze meervoudige problematiek vertonen (Mos & Kaptijn, 2008). Veel jongeren met bijvoorbeeld gedragsproblemen hebben ook andere problemen: ze spijbelen regelmatig, drinken vaak te veel, gebruiken drugs, neigen tot depressie, zijn angstig en/of plegen delicten.
Veel van deze jongeren met meervoudige problematiek komen terecht in de jeugdzorg of de jeugd GGZ waar behandelaars weinig weet hebben van alcohol- en drugsgebruik van jongeren. Of jongeren komen terecht bij de verslavingszorg die weer weinig oog heeft voor andere problematiek. Deze jongeren komen op die manier tussen wal en schip terecht (Mos & Kaptijn, 2008).

Soorten drugs en middelen

Er zijn verschillende soorten middelen waarvan het gebruik problematisch kan worden, met name: tabak, alcohol, cannabis, XTC, speed/amfetamine, cocaïne, GHB, heroïne, LSD. Ook medicijnen/psychofarmaca (bijvoorbeeld Ritalin) kunnen misbruikt worden. In dit thema ligt de focus op problematisch alcohol- en drugsgebruik. Bekijk ook de pagina over drugs- of middelengebruik onder jongeren.

Terug naar boven

Psychische stoornissen kunnen bij jongeren voorkomen zonder dat er sprake is van problematisch middelengebruik, maar het komt ook vaak voor dat psychische stoornissen en problematisch middelengebruik samengaan. Daarnaast blijkt dat bij de meerderheid van de jongeren met problematisch middelengebruik sprake is van comorbiditeit met psychische stoornissen.

Bevolkingsonderzoek

Uit een internationale systematische review naar bevolkingsstudies over psychische stoornissen bij adolescenten en jongvolwassenen die een stoornis in het middelengebruik hebben, blijkt dat bij diegenen die een stoornis in het middelengebruik hebben, 60% een psychische stoornis heeft. Hiervan heeft 19% een stemmingsstoornis (depressie of bipolaire stoornis), 17% een angststoornis, 11% een post traumatische stress stoornis, 12% ADHD en 52% een antisociale gedragsstoornis (CD) (Armstrong & Costello, 2002). Het is niet duidelijk in hoeverre deze comorbiditeitscijfers ook toepasbaar zijn op de Nederlandse situatie.

Uit een onderzoek naar de prevalentie van het samengaan van zwaar middelengebruik met psychische problemen onder adolescenten en jongvolwassenen (12-23 jaar) in een Nederlandse bevolkingssteekproef (n = 4379), blijkt dat 66,3% geen psychische problemen of problemen in het middelengebruik rapporteert. Van de 33,7% die wel dit soort problemen rapporteert, geeft 14,4% zwaar middelengebruik aan, 15,5% psychische problemen en 3,8% van de adolescenten en jongvolwassenen gelijktijdig voorkomende psychische problemen en zwaar middelengebruik. Deze 3,8% is bijna twee keer zo hoog als op basis van kans verwacht kan worden. Dit suggereert dan ook een causale relatie tussen psychische problemen en zwaar middelengebruik (Couwenbergh, 2009).

Zwaar middelengebruik (bij jongeren van 12-23 jaar) wordt in het proefschrift van Couwenbergh (2009) als volgt gedefinieerd:

  • Bij roken: meer dan 10 sigaretten per dag;
  • Bij alcoholgebruik: op minimaal 7-8 gelegenheden gedurende de afgelopen maand en in de afgelopen twee weken op minstens 3-4 gelegenheden binge drinking (5 of meer glazen alcohol per gelegenheid);
  • Bij cannabisgebruik: op minimaal 5-6 gelegenheden gedurende de afgelopen maand;
  • Bij hard drugsgebruik (XTC, speed, cocaine, heroine, LSD): in de afgelopen maand minimaal 1 keer.

Bij jongeren in behandeling voor problematisch middelengebruik

Uit een internationale systematische review blijkt dat bij gemiddeld 74% van de jongeren die in behandeling zijn voor een stoornis in het middelengebruik, sprake is van comorbiditeit met psychische stoornissen. Bij 22% is sprake van ADHD, bij 64% van een antisociale gedragsstoornis, bij 26% van een stemmingsstoornis (depressie of bipolaire stoornis), bij 7% van een angststoornis en bij 11% van een post traumatische stress stoornis (Couwenbergh e.a., 2006). Hoeveel procent van de jongeren die problematisch middelen gebruikt en tegelijkertijd (kenmerken van) ASS of een licht verstandelijke beperking heeft, is niet bekend (Snoek e.a., 2010a). Volgens de experts worden deze groepen in de klinische praktijk wel vaak gezien.

Bij jongeren in de Nederlandse verslavingszorg met psychische stoornissen.

De Stichting Informatievoorziening Verslavingszorg (IVZ) heeft geïnventariseerd of de jongeren die zich aanmelden bij de verslavingszorg ooit een behandeling hebben gehad voor psychische problematiek. Het blijkt dat 29% van de bij de Nederlandse verslavingszorg aangemelde jongeren in de leeftijdscategorie tot en met 18 jaar ooit een behandeling heeft gehad voor psychische problematiek. Bij de 19 tot en met 24 jarigen gaat het om 25% (IVZ, 2010). Er lijkt sprake te zijn van onderdiagnostiek van psychische problematiek bij jongeren met problematisch middelengebruik, hoewel het niet duidelijk is in hoeverre de cijfers uit de internationale review van Couwenbergh (2009) van toepassing zijn op de Nederlandse situatie. Echter, in vergelijking met 74% comorbiditeit van psychische stoornissen bij jongeren die in behandeling zijn voor een stoornis in het middelengebruik uit de internationale review, lijkt 29% psychische comorbiditeit van bij de verslavingszorg aangemelde jongeren zeer weinig.

Bij jongeren in JeugdzorgPlus instellingen

Jongeren die in de gesloten jeugdzorg (JeugdzorgPlus) terecht komen, komen daar vanwege het vertonen van probleemgedrag. Dit kan op meerdere gebieden naar voren komen.

Uit een dossieronderzoek van Coleta van Dam en collega's (2010) blijkt dat bij 335 van de 514 jongeren (65%) één of meerdere DSM-classificaties in het dossier vermeld zijn. Bij 25% van de 335 jongeren was sprake van een formele DSM-classificatie gegeven door een psychiater, bij 50% was de classificatie gesteld op basis van een psychologisch rapport, bij de rest wordt de DSM-classificatie in het dossier genoemd, maar was onbekend door wie en of de classificatie formeel is gegeven. De meest voorkomende enkelvoudige classificaties waren een oppositionele gedragsstoornis (ODD) (36%), antisociale gedragsstoornis (30%) en aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) (25%). Andere voorkomende psychiatrische stoornissen zijn hechtingsstoornis (12%), depressie (8%), aan autisme verwante stoornis (7%), aanpassingsstoornis (5%) en cannabismisbruik (3%). Bij de meeste jongeren was sprake van een dubbele classificatie (64%). De meest voorkomende combinaties waren ODD met ADHD (16%), gedragsstoornis met ouder-kind problematiek (10%) en een combinatie van een gedragsstoornis met een andere stoornis (12%).

Uit de dossiers (n=514) blijkt verder dat 99% van de jongeren externaliserend probleemgedrag als agressiviteit en opstandig gedrag laat zien (dit is dus een bredere groep dan de jongeren die een DSM diagnose hebben gekregen, zie daravoor de voorgaande alinea). Meer specifiek blijkt dat 71% van de jongeren politiecontacten heeft gehad. Naast externaliserend probleemgedrag vertoont 89% ook internaliserende problematiek zoals depressie, onzekerheid en angstig gedrag. Driekwart van de jongeren heeft problemen met middelengebruik (van Dam e.a., 2010).

Bij jongens in Nederlandse justitiële jeugdinrichtingen

Uit een studie van Vreugdenhil e.a. (2004) bij een representatieve steekproef van 204 jongens (12-18 jaar) in justitiële jeugdinrichtingen in Nederland blijkt dat 90% van deze jongens minimaal één psychiatrische stoornis heeft (gehad) in het afgelopen jaar, volgens DSM-III-R criteria: 75% een antisociale gedragsstoornis, 55% een stoornis in het middelengebruik, 34% heeft psychotische symptomen, 8% ADHD, 9% een angststoornis en 6% een stemmingstoornis. Bij 67% van de jongens is sprake van comorbiditeit (niet duidelijk hoeveel % hiervan comorbiditeit van een stoornis in het middelengebruik is met een psychische stoornis). Er is bij deze populatie een significante relatie tussen het hebben van een stoornis in het middelengebruik en het hebben van een externaliserende stoornis, maar niet tussen het hebben van een stoornis in het middelengebruik en het hebben van een internaliserende stoornis. Voor meer informatie over de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie, klik op de voorgaande link.

Jongeren met LVB en middelengebruik in Nederland

Uit een verkennend onderzoek naar middelengebruik onder jongeren van 12-25 jaar met een licht verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid (IQ 50-85) die contact hebben met een hulp- of onderwijssetting gericht op jongeren met een licht verstandelijke beperking (N = 760) blijkt dat 7% aangeeft regelmatig alcohol te gebruiken en 60% af en toe (samen 67%). Als jongeren doordeweeks alcohol drinken, geeft 29% van de jongeren aan op weekdagen vijf consumpties of meer te drinken (binge drinken). Als jongeren in het weekend alcohol drinken, dan geeft 65% aan vijf consumpties of meer te drinken op een gebruiksdag (Bransen e.a., 2008).

Van deze 760 jongeren geeft 8% aan regelmatig drugs te gebruiken, 13% af en toe en 13% 'eens maar nooit meer/heel zelden' (samen 34%). De meest populaire drug is hasj/wiet: 97% van de jongeren die drugs gebruik(t)en, gebruikt(e) hasj of wiet. XTC wordt door 18% gebruikt, 14% gebruikt cocaïne, 12% paddo's en 11% amfetamine/speed. Gemiddeld gebruiken jongeren die hasj/wiet roken, drie joints op een dag. Cocaïne en XTC worden gemiddeld 1,5 keer gebruikt op een gebruiksdag.

Van de jongeren die doordeweeks drugs gebruiken (n = 104), geeft 16% aan op weekdagen 6 joints of meer hasj of wiet te gebruiken op een gebruiksdag. Van de jongeren die in het weekend drugs gebruiken (n = 149), geeft 17% aan 6 joints of meer hasj of wiet te gebruiken op een gebruiksdag. Voor XTC en cocaïne geldt dat 3,4% van de drugsgebruikende jongeren aangeeft in het weekend deze drug zes keer of vaker te gebruiken en 1,9% doordeweeks zes keer of vaker (Bransen e.a., 2008). Het is niet geheel duidelijk of de jongeren met een licht verstandelijke beperking de vragenlijsten betrouwbaar hebben ingevuld.

Dubbele Diagnose jeugdafdelingen

Uit de klinische praktijk in Nederland blijkt dat bij Dubbele Diagnose jeugdafdelingen veel jongeren met problematisch middelengebruik, naast externaliserende en internaliserende problematiek en psychose, (kenmerken van) een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) hebben. Vaak worden deze jongeren pas met ASS gediagnosticeerd als zij behandeling krijgen bij Dubbele Diagnose jeugdafdelingen. Verder blijkt uit de klinische praktijk dat veel jongeren met problematisch middelengebruik in meer of mindere mate hechtingsproblematiek vertonen en dat de persoonlijkheidsontwikkeling onder druk staat. Daarnaast worden ook jongeren met een licht verstandelijke beperking gezien op de Dubbele Diagnose jeugdafdelingen. Helaas is er geen wetenschappelijke literatuur bij ons bekend waaruit bij jongeren de relatie van ASS, hechtingsstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen of licht verstandelijke beperking met stoornissen in het middelengebruik blijkt.

In dit onderdeel vindt u meer informatie over middelengebruik onder middelbare scholieren, klik op voorgaande link.

Terug naar boven

Psychische stoornissen kunnen bij jongeren voorkomen zonder dat er sprake is van problematisch middelengebruik, maar het komt ook regelmatig voor dat psychische stoornissen en problematisch middelengebruik samengaan. Bij de (overgrote) meerderheid van de jongeren met problematisch middelengebruik is er sprake van comorbiditeit met psychische stoornissen, met name: ASSAD(H)DODD/CDhechtingsproblematiekpsychosedepressie, (sociale) angstPTSS, bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Veel jongeren met problematisch middelengebruik vertonen tegelijkertijd kenmerken van bijvoorbeeld depressie, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en sociale angst, zonder dat precies wordt voldaan aan de DSM-criteria van één omschreven stoornis. Er zijn echter vaak zoveel symptomen aanwezig dat het klinisch gerechtvaardigd is te spreken van psychopathologie waarvoor behandeling noodzakelijk is (Van Wijngaarden Cremers e.a., 2011).

Complexe meervoudige problematiek

Jongeren met comorbiditeit van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen hebben vaak een complexe systemische achtergrond: gebroken gezinnen, het zijn kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) of van verslaafde ouders (KVO), problemen met broers/zussen, contacten met justitie (jeugdreclassering, onder toezicht stelling (OTS)), financiële problemen (schulden), vrienden die ook middelen gebruiken, zelf drugs dealen, enzovoorts. Meestal zijn de onderlinge verhoudingen binnen het gezin van de jongere ernstig verstoord en regelmatig hebben deze jongeren weinig tot geen intrinsieke motivatie om in behandeling te gaan. Er kan dan sprake zijn van een ‘stok achter de deur’ (zoals een dreigende uithuisplaatsing of juridische maatregel) om een jongere toch tot behandeling te bewegen. Veel jongeren hebben traumatische ervaringen meegemaakt en vertonen kenmerken van een post-traumatische stress stoornis. De sociaal-emotionele ontwikkeling is dikwijls gestagneerd en vrijwel al deze jongeren hebben een identiteitsprobleem, de persoonlijkheidsontwikkeling staat onder druk. Daarnaast gaat problematisch middelengebruik regelmatig gepaard met moeite met het vertellen van de waarheid, mede in samenhang met verstoorde systeemrelaties (van Wijngaarden Cremers e.a., 2011).

Problematisch middelengebruik

Grenzen tussen experimenteel middelengebruik, recreatief middelengebruik, problematisch middelengebruik, middelenmisbruik en middelenafhankelijkheid zijn lastig te trekken. De verschillende fasen van middelengebruik (kennismaking, experimenteren, integratie, gebruik op de voorgrond, niet meer zonder kunnen) lopen meestal subtiel in elkaar over. Mede daardoor is het moeilijk om een harde maat te geven voor gebruik, problematisch gebruik, misbruik en afhankelijkheid (Snoek e.a., 2010b). Wel zijn er handvatten om de ernst van middelengebruik in te kunnen schatten.

Inschatten ernst middelengebruik d.m.v. de hoeveelheid gebruik

Normen voor middelengebruik staan in de 'Richtlijn vroegsignalering middelenmisbruik of –afhankelijkheid bij jongeren' (Snoek en anderen). De hoeveelheid die iemand gebruikt, wordt gezien als een van de maten om de ernst van middelengebruik mee in te kunnen schatten. De onderstaande criteria voor problematisch drugsgebruik en adviezen voor verantwoord alcoholgebruik zijn gebaseerd op het drinkadvies voor jongeren van het Trimbos-instituut, te vinden op www.alcoholinfo.nl en op het cannabisprotocol van Ivens (2008).

  • Onder de 16 jaar: elk middelengebruik is problematisch.
  • Voor alcoholgebruik vanaf 16 jaar is het advies:
    • Drink minder dan de richtlijn verantwoord gebruik voor volwassenen, dat wil zeggen: jongens drinken gemiddeld minder dan 2 glazen alcohol per dag, meisjes minder dan 1 glas alcohol per dag.
    • Drink niet elke dag, hooguit een of twee avonden per week en vermijd binge drinken (het drinken van grote hoeveelheden op 1 dag).
    • Drink niet als je nog aan het verkeer moet deelnemen of de volgende dag naar school of werk moet.
  • Cannabisgebruik vanaf 16:
    • Als iemand gedurende drie maanden minstens wekelijks cannabis gebruikt, is er sprake van zwaar gebruik.
  • Er zijn geen normen gevonden voor gebruik van XTC, speed/amfetamine, cocaïne, GHB, heroïne en LSD, waarschijnlijk omdat dit in alle gevallen als problematisch wordt gezien (Snoek e.a., 2010b).

Inschatten ernst middelengebruik d.m.v. de gevolgen van het middelengebruik

Er wordt van problematisch middelengebruik gesproken bij iedere vorm van middelengebruik dat leidt tot problemen voor de gebruiker zelf of voor de maatschappij. Er kan daarbij sprake zijn van lichamelijke, psychologische en sociale problemen bij de gebruiker of er wordt maatschappelijke overlast veroorzaakt (Matthys e.a., 2006). In de praktijk wordt 'problematisch middelengebruik' als term geprefereerd, omdat jongeren zich vaak niet herkennen in de term 'verslaving' of 'middelenafhankelijkheid', maar wel instemmen met de beschrijving dat ze in samenhang met het middelengebruik in de problemen zijn gekomen.

Volgens de DSM IV is er sprake van middelenmisbruik als het gebruik van middelen samengaat met significante beperkingen zoals gedurende een periode van 12 maanden blijkt uit ten minste een (of meer) van de volgende situaties:

  • niet meer kunnen voldoen aan verplichtingen op het werk, school of thuis
  • door gebruik van het middel in fysiek gevaarlijke situaties komen
  • herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met justitie
  • voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal terrein veroorzaakt of verergerd door de effecten van het middel.

Volgens de DSM IV is er sprake van middelenafhankelijkheid als er naast het misbruik ook sprake is van minstens drie van de volgende kenmerken:

  • tolerantie
  • ontwenningsverschijnselen
  • langer gebruik van het middel dan men van plan was
  • weinig succesvolle pogingen om het gebruik te reguleren
  • het besteden van veel tijd om aan het middel te komen
  • voortzetten van gebruik ook al weet men dat het leidt tot problemen.

In de DSM V zal het onderscheid tussen misbruik en afhankelijkheid niet meer worden gemaakt. Er komt één classificatie voor verslaving.

Terug naar boven

Problematisch middelengebruik komt meestal niet alleen. Door het gebruik van middelen kan een psychische aandoening ontstaan. Andersom is het ook zo dat jongeren die een psychische aandoening hebben vaak verslavende middelen gebruiken. Zo proberen zij de gevolgen van de psychische aandoening te onderdrukken. Volgens Snoek e.a. (2010a) vormt de volgende psychische problematiek een risico voor het ontwikkelen van problematisch middelengebruik:

Stoornis of beperking

Problematische middelengebruik bij kinderen en adolescenten kan samengaan met deze stoornissen; specifieke aandachtspunten bij elke stoornis worden verder beschreven bij 'comborbiditeit'.

Nog lang niet alle psychische stoornissen zijn onderzocht op hun relatie met middelengebruik. Bovendien is comorbiditeit vaak eerder regel dan uitzondering en is er sprake van het samengaan van meerdere psychische stoornissen (Snoek e.a., 2010a) of van kenmerken van meerdere stoornissen zonder dat er een diagnose gesteld kan worden volgens de criteria van de DSM IV. Dit terwijl er wel zoveel symptomen aanwezig zijn dat het klinisch gerechtvaardigd is te spreken van psychopathologie. In classificerende zin is het dus ingewikkeld om een diagnose te stellen, terwijl er in descriptieve zin zeker sprake is van een diagnose (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011).

Uit de klinische praktijk blijkt dat naast bovengenoemde stoornissen ook (kenmerken van) autisme, sociale angst en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling vaak voorkomen bij jongeren die problematisch middelen gebruiken. Het komt ook vaak voor dat jongeren geparentificeerd zijn. Deze jongeren zijn erg zorgzaam voor anderen en stellen hoge eisen aan zichzelf. Vervolgens kunnen zij met behulp van middelengebruik - meestal alcohol - de rem er af gooien en zich helemaal laten gaan, waar ze later weer spijt van hebben.

Risico- en beschermende factoren

Een gedetailleerd uitgewerkt overzicht van risico- en beschermende factoren voor het ontwikkelen van problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit is te vinden in 'Kwetsbare groepen jeugdigen en problematisch middelengebruik. Visie en interventiematrix' (Snoek e.a., 2010a). In tabel 1 is een kort overzicht weergegeven.

Tabel 1: risico- en beschermende factoren problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit (Snoek, e.a., 2010a)
Risicofactoren Beschermende factoren
Brede sociale omgeving

  • Armoede
  • Ongunstige buurtkenmerken
  • Lage sociaal-economische status
Brede sociale omgeving

  • Sociale cohesie
School

  • Slechte schoolprestaties
School

  • Hoog opleidingsniveau
Gezin en ouders

  • Middelengebruik of psychische
  • Problemen van ouders (KOPP/KVO)
  • Echtscheiding ouders
  • Alleenstaande ouder
  • Conflicten in gezin
  • Mishandeling
  • Verwaarlozing
Gezin en ouders

  • Opvoedingscompetentie
  • Affectieve gezinsrelaties
Peers

  • Delinquente vrienden
Persoonlijk niveau

  • Genetische kwetsbaarheid
  • Persoonlijkheidskenmerken
  • Negatief denken
  • Angstgevoeligheid
  • Sensatiezoekend
  • Novelty seeking en lage score op harm avoidance
  • Impulsiviteit
  • Lage eigenwaarde
Persoonlijk niveau

  • Persoonlijkheidskenmerken
  • Gevoel van eigenwaarde
  • Goede zelfcontrolevaardigheden
Terug naar boven

Verklarende modellen

Er zijn twee modellen: 'dual processing ' en 'stress kwetsbaarheid' modellen.

Het stress kwetsbaarheidsmodel 

Het stress-kwetsbaarheidsmodel (zie figuur 1) is samen met het dual processing model (Wiers en anderen, 2006) op dit moment het meest accurate verklaringsmodel voor de individuele ontwikkeling van problematisch middelengebruik in jongeren (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011). Herhaald gebruik van middelen verandert de hersenen; zorgt voor zogenaamde ‘neuroadaptaties’. Neuroadaptaties vinden eerst in het interne beloningssysteem van de hersenen plaats en vervolgens in de frontale gebieden die betrokken zijn bij het reguleren van gedrag. Dit wordt het dual processing model genoemd (Wiers, 2006). Dit model gaat uit van automatische processen die het gevolg zijn van beloning en gecontroleerd kunnen worden door bewuste keuzes (frontale executieve functies). Recent onderzoek toont aan dat alcohol en veel andere middelen regulerende processen sterk negatief beïnvloeden terwijl ze automatische processen versterken (Snoek e.a., 2010a). Ook is gebleken dat dit sterker het geval is wanneer het middelengebruik in de adolescentie plaatsvindt, waarschijnlijk omdat hersengebieden die met de regulatie van emotie en motivatie te maken hebben, dan nog volop in ontwikkeling zijn (Dahl & Spears, 2004). Dit proces gaat samen met een versterkte selectieve aandacht voor het middel en versterkte positieve geheugenassociaties met betrekking tot het middel. Het lichamelijke en psychologische ongemak bij stoppen of minderen is daardoor zo sterk dat de drang om het middel weer te gebruiken heel heftig is. Ook maanden en jaren na ontgifting (detoxificatie) kan terugval nog optreden door deze opgeslagen patronen in de hersenen. Tegenslagen, stress, een associatie, kunnen de drang en zucht naar het middel weer opwekken als de automatische processen weer in gang worden gezet door de geheugenassociatie met het middel (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011).

Figuur 1: Gen- en Omgevingsfactoren in het kwetsbaarheidmodel voor verslaving als een ontwikkelingsstoornis (Verder ontwikkeld naar Schellekens & Verkes, 2004)

Gen- en Omgevingsfactoren in het kwetsbaarheidmodel voor verslaving als een ontwikkelingsstoornis
Klik voor grotere afbeelding

Figuur 1 illustreert de voortdurende gen-omgeving wisselwerking bij het ontstaan van middelenmisbruik en het laat ook zien hoe middelenmisbruik verwant is aan ‘comorbide’ psychische stoornissen, waar het zowel erfelijke als omgevingsfactoren mee deelt. In het vervolg van deze tekst worden enkele relaties tussen psychische stoornissen en problematisch middelengebruik nader toegelicht. Dit is overgenomen uit het rapport van Snoek e.a. (2010a).

Auteur: Dr. Christel Middeldorp (nov. 2015), schrijft hierover:

In de genoemde studies wordt er vanuit gegaan dat de genetische make-up van een individu en de omgeving waaraan dit individu wordt blootgesteld onafhankelijk van elkaar zijn. Ook wordt aangenomen dat de effecten van genen en omgeving bij elkaar optellen (additief zijn). Het is echter mogelijk dat het samenspel van genetische en omgevingsfactoren ingewikkelder is.

Van gen-omgevingcorrelatie wordt gesproken wanneer genetische factoren ertoe leiden dat het individu vaker in een bepaalde omgeving verkeert (Eaves, 1987; Kendler & Eaves, 1986; Rutter & Plomin, 1997). In dat geval zijn dus de genetische make-up van een individu en zijn omgeving niet onafhankelijk van elkaar, maar hangen zij juist met elkaar samen (correleren). Er worden drie vormen van gen-omgevingscorrelatie onderscheiden. Er is sprake van passieve gen-omgevingscorrelatie als de genen die ouders doorgeven aan hun kind samenhangen met de omgeving waaraan deze ouders hun kind blootstellen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ouders die hun genen doorgeven voor een bovengemiddeld IQ en die, ten gevolge van hun eigen bovengemiddelde IQ, ook een stimulerende omgeving creëren voor hun kind. Reactieve gen-omgevingscorrelatie wil zeggen dat kinderen met een bepaalde genetische make-up een reactie uitlokken waardoor ze vaker in een bepaalde omgeving verkeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kinderen die vanuit hun genetische aanleg tot moeilijk te hanteren, agressief gedrag negatieve reacties uitlokken bij hun ouders en leerkrachten. Tenslotte kan iemand op basis van zijn genetische aanleg een soort omgeving verkiezen, dat is actieve gen-omgevingscorrelatie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan jongeren met aanleg voor opstandig gedrag die vrienden uitkiezen die hetzelfde gedrag vertonen.

Gen-omgevingscorrelatie kan worden onderzocht door in een tweelingstudie te berekenen wat de erfelijkheid is van de blootstelling aan een “omgevingsfactor”. De bevindingen van deze onderzoeken zijn samengevat in een overzichtsartikel van Kendler & Baker (2006). Hieruit blijkt dat omgevingsfactoren zoals life events, opvoeding, de gezinsomgeving, sociale steun, omgang met leeftijdgenoten en de kwaliteit van een huwelijk zo’n 7 tot 39% erfelijk zijn. Een gewogen erfelijkheidsschatting van alle omgevingsfactoren kwam uit op 27%. Hieruit blijkt dus duidelijk dat omgevingsfactoren voor een groot deel door de omgeving worden bepaald, maar daarnaast ook voor een substantieel deel samenhangen met iemands erfelijk materiaal.

Van gen-omgevinginteractie wordt gesproken wanneer de expressie van genetische factoren afhangt van omgevingsfactoren of omgekeerd (Eaves, 1987; Kendler & Eaves, 1986; Rutter & Plomin, 1997). De mate van erfelijkheid van een aandoening is dan niet constant, maar is afhankelijk van de omgeving waarin de onderzochte kinderen verkeren. De rol van gen-omgevingsinteractie bij probleemgedrag op de kinderleeftijd is eveneens onderzocht. Verschillende studies laten zien dat de erfelijkheid van internaliserende en externaliserende problemen inderdaad afhankelijk is van de omgeving waarin je verkeert (Vendlinski et al., 2011). Het effect is hier bij niet altijd hetzelfde. Blootstelling aan sommige omgevingsfactoren verhoogt de erfelijkheid, terwijl blootstelling aan andere omgevingsfactoren de erfelijkheid juist verlaagt. In het eerste geval betekent het dat de genen die leiden tot probleemgedrag vaker tot expressie komen in een risicovolle omgeving en minder in een beschermende omgeving. In het andere geval betekent het dat bij blootstelling aan een risicovolle omgeving de genetische make-up van een individu juist minder van belang is.

Terug naar boven
Terug naar boven

Uit beloopstudies blijkt dat jongeren die vroeg beginnen met geregeld gebruik van alcohol en drugs de slechtste prognose hebben. Zij lopen de meeste kans op het aanhouden en erger worden van deze problemen. Hoe jonger de leeftijd van eerste alcohol- of drugsconsumptie (aanvangsleeftijd), des te hardnekkiger de problematiek en des te groter de behoefte aan behandeling is (Rigter, 2006).

Terug naar boven

Problematisch middelengebruik komt meestal niet alleen. Door het gebruik van middelen kan een psychische aandoening ontstaan. Andersom is het ook zo dat jongeren die een psychische aandoening hebben vaak verslavende middelen gebruiken. Specifieke aandachtspunten rondom verslaving, oftewel problematisch middelengebruik, worden beschreven voor respectievelijk de volgende stoornissen:

ADHD is een risicofactor voor middelenafhankelijkheid. Volwassenen die al vanaf hun kindertijd ADHD hebben, ontwikkelen twee keer zo vaak een verslaving als vergelijkbare personen uit de algemene bevolking. De symptomen van ADHD kunnen versterkt of juist onderdrukt worden door middelengebruik (Hulshoff e.a., 2009).

De relatie tussen ADHD en middelenproblematiek kan rechtstreeks zijn of te maken hebben met de bij ADHD behorende gedragsproblemen. Bij mensen met ADHD in combinatie met problematisch middelengebruik is namelijk vaak sprake van comorbiditeit met conduct disorder en antisociale gedragsstoornissen, die eveneens een sterke voorspeller zijn voor problematisch middelengebruik (Schubiner e.a, 2000). Pardini e.a. (2007) vonden na controle voor overige psychopathologie geen relatie meer tussen ADHD en problematisch middelengebruik. Ook Lynskey en Hall (2001) stellen dat de relatie tussen ADHD en problematisch middelengebruik statistisch verklaard kan worden door de relatie tussen ADHD en conduct disorder.

Terug naar boven

Depressieve stoornissen zijn gecorreleerd met alcoholmisbruik en –afhankelijkheid en cannabisafhankelijkheid. Er is een positieve statistische relatie tussen depressie, suïcidepogingen en middelengebruik (EMCDDA, 2010). Jongeren die onder invloed van middelen zijn, hebben een verhoogd risico op een (gelukte) suïcidepoging (Griswold e.a., 2008). Castellanos en Conrod (2006) noemen in hun onderzoek persoonlijkheidsrisicofactoren voor alcoholmisbruik, waaronder het gevoel van hopeloosheid en negatief denken (hopelessness; negative thinking).

Depressie komt ook vaak voor in combinatie met angststoornissen, wat een risicofactor voor middelenproblematiek vormt (Snoek e.a., 2010a).

Terug naar boven

Post traumatische stress stoornis
Een posttraumatische stress stoornis is een angststoornis die meer voorkomt bij vrouwen die middelenafhankelijk zijn dan bij mannen die middelenafhankelijk zijn (Snoek e.a., 2010a). De vraag is of het bij jongens/mannen voldoende is onderzocht. In de praktijk wordt namelijk ook bij jongens veel en ernstige traumatisatie gesignaleerd.

Traumatische ervaringen en een posttraumatische stress stoornis (PTSS) vormen een risicofactor voor problematisch middelengebruik. Jongeren die als kind ernstige traumatische ervaringen hebben gehad, hebben twee- tot viermaal meer kans om in hun adolescentie een verslaving te ontwikkelen (Nauta-Jansen & Hendriks, 2006). Vaughn e.a. (2007) deden onderzoek onder jongeren in pleegzorg en vonden ook hier een hoge correlatie tussen middelenmisbruik en –afhankelijkheid en PTSS. PTSS bij jongeren kan ontstaan door (vroeg)seksueel misbruik, mishandeling en verwaarlozing (Bergen e.a., 2004; Evren e.a., 2006). Zowel jongens als meisjes die op jonge leeftijd seksueel zijn misbruikt, hebben vier keer zoveel kans op problematisch middelengebruik in vergelijking met niet-misbruikte leeftijdsgenoten (Bergen e.a., 2004). Morojele en Brook (2006) vonden ook een relatie de andere kant op: adolescenten die diverse middelen gebruiken, hebben een verhoogde kans om slachtoffer te worden van geweld. In de klinische praktijk blijkt bij meiden vaak misbruik voor te komen.

Terug naar boven

Een middel als speed (amfetamine) wordt soms gebruikt om af te vallen. Hierdoor kan het voorkomen dat jongeren met eetstoornissen (anorexia, boulimia, eetbuien) ook een middelenafhankelijkheid hebben (Hulshoff e.a., 2009).

Terug naar boven

Er is een correlatie tussen middelengebruik, vooral cannabisgebruik, en vroege vormen van schizofrenie (EMCDDA, 2007). Ook uit Nederlands onderzoek blijkt dit verband: jongeren die voor hun zestiende jaar begonnen met cannabis, hadden een veel groter risico op psychose dan mensen die op latere leeftijd voor het eerst gebruikten (Henquet, 2006; Ferdinand e.a., 2005).

Terug naar boven

Hoewel het middelengebruik bij jongeren met een licht verstandelijke beperking ongeveer gelijk is aan het middelengebruik onder jongeren in de algemene bevolking, zijn jongeren met een licht verstandelijke beperking wel extra kwetsbaar (Bransen, 2008). Jongeren met een licht verstandelijke beperking hebben vaak een gebrekkige kennis van middelen als alcohol en drugs en missen bovendien over het algemeen de cognitieve vaardigheden om de basisrisico's van het gebruik van deze middelen in te zien. Hierdoor zijn de negatieve gevolgen van alcohol- en drugsgebruik onder deze groep groot. Het is bovendien een groep die over het algemeen moeite heeft met het opbouwen van relaties met leeftijdsgenoten (Bransen, 2008). Alcohol en drugs kunnen dan al snel aangewend worden uit een verlangen naar sociale acceptatie, om sociale remmingen te doorbreken of om te compenseren voor gevoelens van isolatie en eenzaamheid (McGillicuddy, 2006; Barrett & Paschos, 2006).

Terug naar boven
Terug naar boven

Roken in het basisonderwijs en onder middelbare scholieren

Van alle scholieren in het voortgezet onderwijs rookt zeven procent dagelijks een sigaret: meisjes (7%) ongeveer even vaak als jongens (8%) (figuur 3.3). In het basisonderwijs heeft geen enkele leerling aangegeven dagelijks te roken. Onder de 12- en 13-jarigen in het voortgezet onderwijs zijn nauwelijks dagelijks rokers (<2%). Op de leeftijd van 14 jaar zien we echter een toename; op deze leeftijd is zeven procent dagelijks roker. Het percentage scholieren dat gemiddeld meer dan 10 sigaretten per dag rookt is 4%; jongens en meisjes verschillen wat dit betreft nauwelijks (Monshouwer e.a., 2008).

Alcoholgebruik in het basisonderwijs en onder middelbare scholieren

Van alle middelbare scholieren heeft bijna één op de drie (30%) in de afgelopen 4 weken 3 keer of vaker alcohol gedronken; jongens en meisjes verschillen hierin niet van elkaar. Zes procent van de jongeren heeft in deze periode zelfs 11 keer of vaker alcohol gedronken. Dit zeer frequente alcoholgebruik komt onder jongens (8%) meer voor dan onder meisjes (4%) (Monshouwer e.a., 2008).

Ruim één derde (36%) van de leerlingen van het voortgezet onderwijs heeft in de maand voorafgaand aan het onderzoek wel eens 5 glazen of meer bij één gelegenheid gedronken (het zogenaamde binge drinken), ongeveer evenveel meisjes als jongens. Het binge drinken in de afgelopen vier weken stijgt bij zowel meisjes als jongens sterk tussen de 13 en 15 jaar. Na het 15e jaar blijft het binge drinken onder jongens sterk stijgen, maar neemt de stijging bij meisjes iets af. Tot 15 jaar is er geen verschil in binge drinken tussen jongens en meisjes, vanaf 16 jaar komt binge drinken vaker voor bij jongens dan bij meisjes (Monshouwer e.a., 2008).

In het basisonderwijs geeft 3% van de leerlingen aan ooit dronken of aangeschoten te zijn geweest, meer jongens (4%) dan meisjes (2%). Op de basisschool blijft dronkenschap bijna altijd beperkt tot 1 of 2 keer. Van de leerlingen van het voortgezet onderwijs is bijna de helft (43%) tenminste één maal in het leven dronken of aangeschoten geweest, evenveel jongens als meisjes. Het percentage neemt toe met de leeftijd tot op 17-18 jarige leeftijd 84% van de leerlingen wel eens dronken of aangeschoten is geweest. Van alle middelbare scholieren zegt 11% in het hele leven meer dan 10 keer dronken of aangeschoten te zijn geweest: meer jongens (13%) dan meisjes (8%) (Monshouwer e.a., 2008).

Cannabisgebruik onder middelbare scholieren

Van alle scholieren in het voortgezet onderwijs heeft één op de 25 (4%) de afgelopen maand 1 of 2 keer cannabis gebruikt, ongeveer evenveel jongens (5%) als meisjes (4%). Drie procent van alle scholieren heeft de afgelopen maand 3-10 keer geblowd, meer jongens (5%) dan meisjes (2%). Zeer frequent blowen, dat wil zeggen meer dan 10 keer in de afgelopen maand komt zowel onder jongens (2%) als onder meisjes (1%) weinig voor (Monshouwer e.a., 2008).

Hard druggebruik onder middelbare scholieren

Met 2,4% is XTC de hard drug met de hoogste lifetime prevalentie onder scholieren. Daarna volgen amfetamine/speed (1,9%), cocaïne (1,7%) en heroïne (0,8%). Bijna 1 op de 25 scholieren (3,8%) heeft één van deze middelen ooit gebruikt. Hallucinogene paddestoeltjes (paddo’s) zijn door 2,3% van de middelbare scholieren ten minste eenmaal gebruikt. Er is ook gevraagd naar het gebruik van GHB, maar hiermee heeft slechts 0,6% van de scholieren ervaring (Monshouwer e.a., 2008).

De maandprevalentie ligt voor XTC, speed/amfetamine en cocaïne op 0,8%, voor heroïne op 0,4% en voor paddo’s op 0,6%. Van alle scholieren heeft 1,6% in de afgelopen vier weken één van de vier hiergenoemde hard drugs gebruikt. Voor elk van deze middelen geldt dat meer jongens dan meisjes ze de afgelopen vier weken hebben gebruikt (alleen verschil voor heroïne en paddo’s is niet significant). Het gebruik van een van de genoemde hard drugs is hoger onder de jongens (2,2%) dan onder de meisjes (0,9%) (Monshouwer e.a., 2008).

Algemeen

Het aantal keren gebruik zegt niet direct iets over of er sprake is van afhankelijkheid. Iemand die afhankelijk is, kan bijvoorbeeld alleen in het weekend cannabis gebruiken, ofwel omdat alleen dan de triggers er zijn, ofwel omdat die persoon er gedurende de hele week naartoe leeft dat hij of zij dan weer zal gebruiken.

Terug naar boven

Armstrong, T.D. & Costello, E.J. (2002). Community studies on adolescent substance use, abus, or dependence and psychiatric comorbidity. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 70(6), 1224-1239.

Bergen, H.A., Martin, G., Richardson, A.S., Allison, S., & Roeger, L. (2004). Sexual abuse, antisocial behaviour and substance use: gender differences in young community adolescents. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 38(1-2), 34-41.

Bransen, E., Schipper, H., Mutsaers, K., Haverman, M., & Blekman, J. (2008). Aard en omvang van middelengebruik bij licht verstandelijk gehandicapte jongeren. Een eerste verkenning bij jongeren zelf en hun begeleiders. Utrecht: Trimbos-instituut.

Castellanos, N., & Conrod, P. (2006). Brief interventions targeting personality risk factors for adolescent substance misuse reduce depression, panic and risk-taking behaviours. Journal of Mental Health, 15(6), 645-658.

Couwenbergh, C., van den Brink, W., Zwart, K., Vreugdenhil, C., van Wijngaarden-Cremers, P., van der Gaag, R.J. (2006). Comorbid psychopathology in adolescents and young adults treated for substance use disorders: a review. European Child and Adolescent Psychiatry, 15(6), 319-328.

Couwenbergh, C. (2009). Substance abuse and its co-occurrence with other mental health problems in adolescents. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen

Dam, C. van, Nijhof, K., Scholte, R., & Veerman, J.W. (2010). Evaluatie Nieuw Zorgaanbod. Gesloten jeugdozrg voor jongeren met ernstige gedragsproblemen.Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen

EMCDDA (European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction). (2007). Drugs use and related problems among very young people (under 15 years old). Lissabon: European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction.

Evren, C., Kural, S., & Cakmak, D. (2006). Clinical correlates of childhood abuse and neglect in substance dependents. Addictive Behaviors, 31(3), 475-485.

Ferdinand, R. F., Sondeijker, F., Ende, J. van der, Selten, J. P., Huizink, A., & Verhulst, F. C. (2005). Cannabis use predicts future psychotic symptoms, and vice versa. Addiction, 100(5), 612-618.

Griswold, K. S., Aronoff, H., Kernan, J. B., Kahn. L. S. (2008). Adolescent substance use and abuse: recognition and management. American Academy of Family Physicians, 77(3), 331-336.

Henquet, C. (2006). Ecogenetic Studies of Cannabis as a Cause of Psychosis.Maastricht: Universiteit Maastricht.

Hulshoff, A., Wegen, S., & Ouden, R. den (2009). Kinderen, jongeren en adolescenten met verslavingsproblemen. In: R. Rutten, C. Loth, & A. Hulshoff (Red.)(2009), Verslaving. Handboek voor zorg, begeleiding en preventie. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.

Ivens, Y. (2008). Behandeling van middelengebonden stoornissen. In: Braet C., Bögels S. (red.), Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten (hoofdstuk 22, pp. 503-525). Amsterdam: Boom Uitgeverij.

IVZ/Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem. (2010). Jongeren in de ambulante verslavingszorg in Nederland (2004-2008). Houten: Stichting Informatievoorziening Zorg (IVZ).

Lynskey, M. T., & Hall, W. (2001). Attention deficit hyperactivity disorder and substance use disorders: Is there a causal link?. Addiction, 96(6), 815-822.

Matthys, W., Schuren, L. J. M. J. van der, Nordquist, R. E., & Zonnevylle-Bender, M. J. S. (2006). Factoren die bij kinderen en adolescenten een risico vormen voor gebruik, misbruik en afhankelijkheid van middelen. Den Haag: ZonMW.

Morojele, N. K. & Brook, J. S. (2006). Substance use and multiple victimisation among adolescents in South Africa. Addictive Behaviors, 31(7), 1163-1176.

Mos, K. & Kaptijn, E. (2008). Multidimensionale familietherapie. Een evidence based intensieve gezinsmethodiek voor gezinnen van jongeren met complexe meervoudige problematiek, p.129-141. In: Hermanns, J. (2008). Gezinsinterventies, aan de slag met problematische opvoedingskwesties. Amsterdam: SWP Uitgeverij

Nauta-Jansen, L., & Hendriks, V. (2006). Middelengebruik, middelenmisbruik en middelenafhankelijkheid. In: Doreleijers, F. B. T., Huisman, J., Vermeiren, R., de Haan, E.(Ed.), Leerboek psychiatrie. Kinderen en adolescenten. Utrecht: Tijdstroom.

Pardini, D., White, H. R., & Stouthamer-Loeber, M. (2007). Early adolescent psychopathology as a predictor of alcohol use disorders by young adulthood. Drug and Alcohol Dependence, 88(1), 38-49.

Rigter, H. (2006). Cannabis. Preventie en behandeling bij jongeren. Utrecht: Trimbos-instituut.

Schubiner, H., Tzelepis, A., Milberger, S., Lockhart, N., Kruger, M., Kelley, B. J., et al. (2000). Prevalence of attention-deficit/hyperactivity disorder and conduct disorder among substance abusers. Journal of Clinical Psychiatry, 61(4), 244-251.

Smit, E., Verdurmen, J., Monshouwer, K. & Bolier, L. (2007). Jongeren en verslaving. De effectiviteit van behandelinterventies voor jongeren. Utrecht: Trimbos-instituut.

Snoek, A., Wits, E., Stel, J. van der, & Mheen, D. van de (2010a). Kwetsbare groepen jeugdigen en (problematisch) middelengebruik: visie en interventiematrix. Rotterdam: IVO.

Snoek, A., Wits, E., Mheen, D. van de, Wilbers, G. (2010b). Vroegsignalering. Richtlijn vroegsignalering middelenmisbruik of –afhankelijkheid bij jongeren.Rotterdam: IVO.

Vaughn, M. G., Ollie, M. T., McMillen, J. C., Scott, L., Jr., & Munson, M. (2007). Substance use and abuse among older youth in foster care. Addictive Behaviors, 32(9), 1929-1935.

Wijngaarden, P. J. M. van, & Gaag, R. J. van der (2010). Verslaving als ontwikkelingsstoornis. Kind en Adolescent, 31(4), 174-187.

Wijngaarden-Cremers, P. J. M. van, Hansman-Wijnands, M., & Gaag, R. van der (2011). Middelenmisbruik en comorbiditeit. In: M. Clerkx, R. de Groot, & F. Prins (2011). Grensoverschrijdend gedrag van pubers. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.

Terug naar boven

Diagnose

In de praktijk blijkt dat comorbiditeit regelmatig niet wordt gesignaleerd waardoor er sprake is van onderdiagnostiek. Bij beginnende problematiek is de kans op herstel het meest succesrijk (Snoek e.a., 2010a). Vroegsignalering is daarom erg belangrijk. Het maatschappelijke beeld is dat middelengebruik wel vanzelf over gaat. In de jeugdhulpverlening en jeugd-GGZ vindt weinig vroegsignalering van (problematisch) middelengebruik plaats terwijl binnen de verslavingszorg weer weinig aandacht is voor psychische stoornissen.

De volwassenen GGZ en -verslavingszorg gaan steeds beter samenwerken, maar op het gebied van jeugd gebeurt dit nog veel te weinig. Er zijn wel een aantal initiatieven om te zorgen voor betere samenwerking tussen jeugd-GGZ en jeugdverslavingszorg.

Screeningsinstrumenten bevorderen vroegtijdige herkenning van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen. Om te zorgen dat binnen de keten zoveel mogelijk dezelfde taal wordt gesproken, is het aan te bevelen om binnen de keten dezelfde instrumenten voor screening en diagnostiek te gebruiken. Deze instrumenten moeten afgestemd zijn op de setting waarin zij gebruikt gaan worden. Het instrument kan los geïmplementeerd worden, of in bestaande systemen voor screening en diagnostiek opgenomen worden (Snoek e.a., 2010b). Voor screenings- en diagnostische instrumenten voor ADHD, ODD/CD, ASS, psychose, angst, stemmingsstoornissen (depressie, bipolaire stoornis), eetstoornissen (anorexia nervosa, boulimia, eetbuien)  en licht verstandelijke beperking, klik op de voorgaande links.

Terug naar boven

De wetenschappelijke literatuur biedt geen eenduidigheid over welk screeningsinstrument het beste zou zijn om te screenen op problematisch middelengebruik en psychische stoornissen of om te gebruiken bij diagnostiek. In tabel 1 is een overzicht van instrumenten gegeven. Onderstaande instrumenten lijken het meest geschikt (Snoek e.a., 2010b):

Screening Diagnostiek
Vragenlijst CAGE-AID
CRAFFT
AUDIT-4
SDQ
POSIT
CBCL
TRF
YSR
Interview EuroADAD
Europ-ASI

 

De CAGE-AID (middelen). Deze vragenlijst bestaat uit vier vragen en lijkt ook geschikt voor gebruik bij jongeren. Nadelen zijn dat het een mindere validiteit heeft bij vrouwen en GGZ populatie. De vier vragen zijn:

  1. Ik denk dat het goed zou zijn als ik wat minder alcohol of drugs zou gebruiken.
  2. Ik erger me aan opmerkingen die mensen maken over mijn alcohol- of druggebruik.
  3. Ik voel me wel eens vervelend of schuldig gevoeld over mijn alcohol- of druggebruik.
  4. Ik heb wel eens direct na het opstaan alcohol gedronken of drugs gebruikt om de zenuwen de baas te worden of om van een kater af te komen.

Ook de CRAFFT (Knight e.a., 2002) die uit 6 vragen bestaat, is een goede korte vragenlijst voor screening op problematisch middelengebruik.

De AUDIT bestaat uit 10 vragen en is geschikt voor screening op alcoholproblemen, zie de Nederlandstalige versie van de AUDIT.

De SDQ (screening van psychische problematiek, zie: www.sdqinfo.org.):

  • Versie voor ouders van kinderen en jongeren (4-16 jaar)
  • Versie voor leerkrachten (4-16 jaar)
  • Versie voor zelfrapportage door kinderen en jongeren (11-17 jaar)

De POSIT, Problem Oriented Screening Instrument for Teenagers (Knight e.a., 2001) bestaat uit 139 items waarop ja of nee geantwoord kan worden. De POSIT meet 10 probleemgebieden waaronder middelengebruik/misbruik, psychische en fysieke gezondheid, relaties met familie en leeftijdsgenoten, bezigheden en onderwijs. De Engelstalige vragenlijst staat online.

Diagnostiek

Geschikte instrumenten voor diagnostiek van middelengebruik zijn (Snoek e.a., 2010b):

  • De EuroADAD. Dit is de Europese versie van de ADolescent Assessment Dialogue. Het is een gestructureerd interview ten behoeve van de screening van adolescenten tussen 12 en 24 jaar.
  • De Europ-ASI. Dit is is de Europese versie van de Addiction Severity Index (middelendiagnostiek). Een handleiding en vragenlijst staan online in de site van de Tijdschrift voor Psychiatrie.
  • Verwacht wordt dat als de MATE-jeugd (middelen) ontwikkeld is, dit ook een goed instrument kan zijn (Snoek e.a., 2010b).

Geschikte instrumenten voor diagnostiek van psychische problematiek zijn:

  • Gedragsvragenlijst voor ouders van kinderen van 6-18 jaar (CBCL-6-18-jaar)
  • Gedragsvragenlijst voor leerkrachten van kinderen van 6-18 jaar (TRF)
  • Gedragsvragenlijst voor kinderen van 11-18 jaar (YSR)

Kijk op www.aseba.nl voor meer informatie.

Terug naar boven

Knight, J. R., Goodman, E., Pulerwitz, T., DuRant, R. H. (2001). Reliability of the Problem Oriented Screening Instrument for Teenagers (POSIT) in adolescent medical practice. Journal of Adolescent Health, 29(2),125-130.

Knight, J.R., Sherritt, L., Shrier, L. A., Harris, S. M., & Chang, G. (2002). Validity of the CRAFFT Substance Abuse Screening Test Among Adolescent Clinic Patients. Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine, 156, 607-614.

Snoek, A., Wits, E., Stel, J. van der, & Mheen, D. van de (2010a). Kwetsbare groepen jeugdigen en (problematisch) middelengebruik: visie en interventiematrix. Rotterdam: IVO.

Snoek, A., Wits, E., Mheen, D. van de, Wilbers, G. (2010b). Vroegsignalering. Richtlijn vroegsignalering middelenmisbruik of –afhankelijkheid bij jongeren. Rotterdam: IVO.

Terug naar boven

Behandeling

Er is weinig bekend over de behandeling van adolescenten met problematisch middelengebruik en comorbide psychische stoornissen zoals ADHD, PTSS, stemmingsstoornissen (depressie/bipolaire stoornis), psychose en ASS. Wat we weten is dat kortdurende behandeling alleen onvoldoende is ter behandeling van adolescenten met problematisch middelengebruik en psychische stoornissen (Smit e.a., 2007). De diagnostiek en behandeling van het problematisch middelengebruik en de psychische stoornissen dient in ieder geval altijd geïntegreerd plaats te vinden (van Wijngaarden e.a., 2011).

Gespecialiseerde hulp moet meer binnen het systeem van de jongere (in de wijk, school, thuis) worden aangeboden en minder in instituties (Hermanns, 2009). Voor de hulpverleningspraktijk zal vanuit de visie van Hermanns (2009) ondersteuning van het 'gewone leven' en de zelfregulatie daarin belangrijker worden dan diagnosegestuurde behandeling. Steeds meer wetenschappers pleiten voor een community based aanpak, waarbij een integrale aanpak van niet alleen de preventie maar ook de curatie van opvoed- en opgroeiproblemen op lokaal niveau en door investeringen in de opvoeding zelf wordt gehanteerd (Hermanns, 2009).

Een goede scholing en dagbesteding lijkt essentieel voor jongeren met problematisch middelengebruik en psychische stoornissen, zeker als zij weer in hun oude vrienden-woonomgeving terug zijn. Trauma vraagt om gerichte behandeling en begeleiding. Tot slot kunnen ook stressverhogende factoren zoals een sociaal isolement, leer- en werkproblemen en financiële problemen sterk terugvalbevorderend werken en deze factoren moeten daarom ook aangepakt worden (van Wijngaarden & van der Gaag, 2010).

Terug naar boven

De onderstaande behandelmethoden kunnen problematisch middelengebruik, oftewel verslaving bij kinderen en jongeren, doen verminderen. Zoals bij Algemeen genoemd, is een geïntegreerde behandeling daarbij een belangrijk aandachtspunt. Informatie over preventie en behandeling van ADHDODD/CDASSpsychoseangstdepressie/bipolaire stoorniseetstoornissen  (Anorexia nervosa, Boulimia, Eetbuien),  licht verstandelijke beperking (LVB),  staat onder de voorgaande links.

Behandelmethoden bij verslaving

Bij hoogrisicogroepen zoals jongeren met meervoudige problematiek en jongeren die zijn verwezen vanuit het justitiële systeem, lijkt motivationeel interviewen aan te bevelen ter verhoging van de 'engagement' (jongeren bewegen om in behandeling te komen) en therapietrouw (Smit e.a., 2007). Motivationele gespreksvoering an sich is echter onvoldoende om jongeren met problematisch middelengebruik en een psychische stoornis effectief te kunnen behandelen.

Terug naar boven

Multidisciplinaire behandeling bij adolescenten met problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit is noodzakelijk. Omdat de psychische problematiek en het problematisch middelengebruik op een ingewikkelde wijze met elkaar samenhangen, zijn ze niet los van elkaar te behandelen. Beide aspecten worden dus tegelijkertijd aangepakt, waarbij wel wisselend het een of het ander meer op de voorgrond kan staan. Meestal is er sprake van kenmerken van diverse comorbide stoornissen, waarbij wel zo nauw mogelijk aangesloten dient te worden bij de bestaande richtlijnen. Het behandelaanbod is gericht op stabiliseren, resocialiseren en de behandeling dient aan te sluiten bij het motivatiestadium en de mogelijkheden van de jongere en zijn systeem. Klinische opname wordt zo kort mogelijk gehouden en er wordt zo snel mogelijk gestart met het oefenen van vaardigheden in de eigen leefsituatie. Ook begeleiding om tot maatschappelijke reïntegratie te komen en terugval te voorkomen, worden zo snel mogelijk ingezet (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011).

Een voorbeeld van zo'n multidisciplinaire aanpak is te vinden op de Dubbeldiagnose Jeugdafdeling van Dimence. Op deze afdeling maken de volgende disciplines deel uit van het behandelteam: kinder- en jeugdpsychiater, psychiater, psychiater in opleiding, arts verslavingszorg, GZ psychologen, systeemtherapeuten, sociaal-psychiatrisch verpleegkundigen, MDFT-therapeuten, trajectbegeleider, vaktherapeuten (muziektherapie, creatieve therapie, beeldende therapie, psychomotorische therapie), psychiatrisch verpleegkundigen, SPH-ers en SPW-ers. Het behandelaanbod bestaat uit: een polikliniek, twee klinische afdelingen (Detox-Diagnostiek en Vervolgbehandeling), een Dagbehandeling en een MDFT-Team (Multidimensionele FamilieTherapie, zie StichtingJeugdinterventies.nl). Actieve deelname van de relevante systeemleden wordt als essentieel ervaren en is voorwaarde voor behandeling (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011).

Een tweede voorbeeld van multidisciplinaire behandeling is het intersectorale team in Den Haag, waarbij jeugd GGZ en jeugdverslavingszorg samenwerken. Het intersectorale team bestaat uit therapeuten van zowel de forensisch psychiatrische polikliniek Het Palmhuis van De Jutters als MDFT-therapeuten van de jeugdverslavingszorg Brijder-Parnassia. Zij behandelen jongeren met meervoudige problematiek, waarbij middelengebruik een onderdeel is van de problematiek. Het intersectorale team is multidisciplinair samengesteld en heeft therapeuten, SPV-ers en een klinisch psycholoog ter beschikking. Daarnaast wordt consulterend een kinder- en jeugdpsychiater betrokken. Binnen dit team zijn ook meerdere therapeuten in EMDR en Equip geschoold.

Terug naar boven

Multidimensionele Familietherapie (MDFT) is een systeemtherapie aangevuld met bemoeizorg. MDFT is bedoeld voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar die overmatig drugs en/of alcohol gebruiken en daarnaast vaak gedrags- of psychische stoornissen vertonen. Zij zijn op meerdere leefgebieden vastgelopen of dreigen daarop vast te lopen. MDFT richt zich niet alleen op de jongere zelf, maar ook op het gezin en op de bredere sociale omgeving van de jongere. Het doel van MDFT is het realiseren van een verslavingsvrije leefstijl zonder delict- en ander probleemgedrag, en het verminderen van het risico op (strafrechtelijke) recidive. Een MDFT-traject neemt zes maanden in beslag, met 2 tot 3 sessies per week. MDFT is in een grote West-Europese trial (n=450) vergeleken met individuele psychotherapie (IP; in Nederland cognitieve-gedragstherapie). MDFT hield jongeren en hun ouders veel beter in behandeling vast dan IP. MDFT verlaagde het aantal diagnoses van cannabisafhankelijk bij 12 maanden follow-up sterker dan IP deed (groot effect). MDFT verminderde het aantal dagen van cannabisgebruik sterker dan IP bij de zwaarst blowende jongeren en bij jongeren met psychische comorbiditeit of stammend uit disfunctionerende gezinnen. Het aantal symptomen van externaliserende of internaliserende stoornissen nam bij MDFT het sterkst af. MDFT en deels ook IP verminderden het optreden van recidive (delinquentie) en schoolproblemen. Zie StichtingJeugdinterventies.nl en de website van het NJi voor meer informatie over MDFT.

Terug naar boven

MultiSysteem Therapie (MST) is een intensieve, ambulante behandelingsmethode gericht op jongeren met ernstig antisociaal en delinquent gedrag, al dan niet in combinatie met alcohol- of drugsmisbruik, die op het punt staan om uit huis geplaatst te worden. MST is een intensieve ambulante systeem- en gedragsgerichte behandelingsmethode die steunt op 'evidence-based' therapeutische technieken vanuit de (cognitieve) gedragstherapie, pragmatische gezinstherapieën (structureel, strategisch), Community Reinforcement Approach (bij middelenmisbruik van jongere of ouders) en farmacotherapie (bijvoorbeeld voor ADHD). De interventies richten zich vooral op de ouders en op sleutelfiguren uit de omgeving van de jongere. Beïnvloeden, begeleiden, onderwijzen, maar niet uitvoeren is de stelregel. Het is van belang dat de gezinsleden leren om zelf hun problemen op te lossen en om te gaan met anderen en instanties. De behandelingen vinden plaats in de thuissituatie en in alle systemen waarin de jongere participeert (familie, school, buurt, vrienden). Gezinsinterventies, interventies gericht op leeftijdgenoten, school interventies, individueel georiënteerde interventies, psychiatrische interventies en interventies om de sociale steun voor het gezin te verhogen kunnen tot de behandeling behoren. MST wordt uitgevoerd door een team van 3 a 4 hooggekwalificeerde behandelaars met hoogfrequente training, supervisie en ondersteuning ook op de langere termijn. De behandelduur is gemiddeld 3 tot 5 maanden.

MST is uitvoerig beschreven in verschillende handboeken, waaronder: een handboek voor therapeuten, een organisatiehandboek, een handboek voor supervisoren, een reader met training handouts, informatie over de interventie-integriteit (in de Manual Supervisor Orientation Training). Daarnaast beschikt MST over behandelingsondersteunend materiaal, een voorbeeld hiervan is 'Making the paperwork work for you. MST services 2003'. Tot slot is materiaal beschikbaar voor de driemaandelijkse bijscholing die aangepast is aan de actuele scholingsbehoefte van de MST teams. Zie www.mst-nederland en de website van het NJi voor meer informatie over MST.

Terug naar boven

Cannabisgebruik is een voorspeller van een slechte behandeluitkomst bij een eerste psychotische episode en leidt vaak tot een vijandige en afkeurende houding bij de ouders naar de patiënt toe. De Familietraining Motiverende Interactievaardigheden is ontwikkeld om cannabisgebruik bij jongeren met een psychose, te doorbreken. Een tweede doel is de spanningen in het gezin, die vaak zijn ontstaan door het cannabisgebruik van de jongere, te laten afnemen.

Terug naar boven

Er zijn sterke aanwijzingen dat cognitieve gedragstherapie (CGT) in groepsverband effectief is in het verminderen van problematisch middelengebruik onder adolescenten. CGT lijkt effectiever dan andere vormen van behandeling. Een uitzondering hierop vormt gezinstherapie, waarvan de effecten ongeveer even sterk lijken te zijn (zie bijvoorbeeld MDFT). De effectiviteit van CGT op individuele basis is minder overtuigend aangetoond. Enkele studies vinden geen effect, terwijl andere studies vaststellen dat individuele CGT net zo effectief is als CGT in groepsverband of een gezinsinterventie. Er zijn geen aanwijzingen dat het combineren van CGT met vormen van gezinstherapie effectiever is dan alleen CGT (Smit e.a., 2007).

Terug naar boven

De Leefstijltraining is ontwikkeld voor volwassenen, maar wordt ook regelmatig gebruikt bij jongeren die op een problematische manier middelen gebruiken. De training is voornamelijk gebaseerd op de cognitieve gedragstherapie en bestaat uit vier modules. Voor deze vier modules zijn handleidingen voor trainers beschikbaar, voor het derde en vierde deel is ook een werkboek beschikbaar voor cliënten.

Leefstijltraining 1

Doel van de eerste module, Leefstijltraining 1 genaamd, is het doorbreken van problematisch middelengebruik of gokgedrag. De module richt zich op abstinentie of regulering van het gebruik en het voorkomen van terugval. De module omvat vier sessies van 45 minuten. De medewerker heeft per gesprek 15 minuten de tijd voor voorbereiding en administratieve afhandeling. De sessies vinden plaats in een periode van 8 weken. De sessies vinden plaats met de individuele cliënt. In het derde gesprek kan ter ondersteuning een partner, vriend(in) of familielid worden uitgenodigd. De module is het minst intensieve aanbod gericht op verandering van het verslavingsgedrag. In het stepped-care model is de module het eerste aanbod waarbij met de minste inspanning en tegen de geringste kosten nog een positief effect mag worden verwacht. Alleen bij zeer duidelijke contra-indicaties wordt een zwaarder aanbod gedaan, bijvoorbeeld Leefstijltraining 2.

Leefstijltraining 2

Leefstijltraining 2 heeft als primair doel verandering van verslavingsgedrag. In de aanpak van verslavingsgedrag kan een onderscheid gemaakt worden in motivering, het doorbreken van verslavingsgedrag (zelf-controle-training) en terugvalpreventie. In de module komen deze elementen allen aan bod. Motivering van de cliënt tot verandering van het verslavingsgedrag vindt plaats middels het hanteren van de methodiek motiverende gespreksvoering (Miller & Rollnick, 1991). Er wordt vanuit gegaan dat cliënten verschillende stadia van verandering doorlopen (Prochaska, DiClemente & Norcross, 1992).

  1. Voorstadium
  2. Overwegen
  3. Beslissen en voorbereiden
  4. Uitvoeren
  5. Volhouden
  6. Terugval

In de eerste sessies van de module wordt de cliënt geholpen een weloverwogen beslissing te nemen over het wel of niet veranderen van het middelengebruik of gokgedrag. Vervolgens wordt middels zelfcontroletraining en vaardigheidstraining geprobeerd het verslavingsgedrag te doorbreken en terugval te voorkomen. De module is grotendeels gebaseerd op interventies uit de cognitieve gedragstherapie zoals beschreven in de Cognitive Behavioral Coping Skills Therapy Manual uit Project MATCH (Kadden et al., 1992) en het handboek van Monti et al. (1989).

Leefstijltraining 3

Leefstijltraining 3 is het groepsgerichte behandelingsequivalent van Leefstijltraining 1 (de Wildt, 2000). Deze module is het minst intensieve behandelingsaanbod in geval van middelen- of gokproblematiek. De module wordt middelenoverstijgend aangeboden en kan voorafgegaan worden door of tegelijkertijd aangeboden worden met een ambulante detox. Medicamenteuze ondersteuning bij de verandering van verslavingsgedrag kan in combinatie met deze module aangeboden worden. Er wordt in de module geen aandacht besteed aan de behandeling van comorbide problematiek (zoals bijvoorbeeld relatieproblematiek of angststoornissen). De cliënt wordt verondersteld zodanig zelfredzaam te zijn dat hij zelf in staat is overige veranderingen in zijn of haar leven aan te brengen. Een andere mogelijkheid is dat de cliënt bij andere afdelingen of instanties hulp ontvangt voor eventueel aanwezige comorbide problematiek. Doel van de module is het doorbreken van problematisch middelengebruik of gokgedrag. Deze module kan zich zowel richten op het bereiken van abstinentie van gebruik als op gecontroleerd gebruik. Deze doelen kunnen in één groep naast elkaar bestaan. Het doel abstinentie of gecontroleerd gebruik is geen indicatiecriterium. Doelen worden pas tijdens de training gesteld.

Leefstijltraining 4

Leefstijltraining 4 is de groepsgerichte behandelingsequivalent van Leefstijltraining 2. De module is een intensieve training voor het doorbreken van het middelengebruik of gokgedrag en kan eventueel voorafgegaan worden door een ambulante of klinische detox. Daarnaast kan de module gecombineerd worden met farmacotherapie en modules die gericht zijn op het veranderen van comorbide problematiek. Doel van de module is het doorbreken van middelenafhankelijkheid of problematisch gokgedrag. Deze module kan zich zowel richten op het bereiken van abstinentie van gebruik als gecontroleerd gebruik als doel hebben. Deze doelen kunnen in één groep naast elkaar bestaan. Het doel abstinentie of gecontroleerd gebruik is geen indicatiecriterium. Doelen worden pas tijdens de training gesteld. De module wordt middelenoverstijgend aangeboden.

Terug naar boven
Terug naar boven

Hermanns, J. (2009). Het opvoeden verleerd. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Smit, E., Verdurmen, J., Monshouwer, K. & Bolier, L. (2007). Jongeren en verslaving. De effectiviteit van behandelinterventies voor jongeren. Utrecht: Trimbos-instituut.

Wijngaarden, P. J. M. van, & Gaag, R. J. van der (2010). Verslaving als ontwikkelingsstoornis. Kind en Adolescent, 31 (4), 174-187.

Wijngaarden-Cremers, P. J. M. van, Hansman-Wijnands, M., & Gaag, R. van der (2011). Middelenmisbruik en comorbiditeit. In: M. Clerkx, R. de Groot, & F. Prins (2011). Grensoverschrijdend gedrag van pubers. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.

Terug naar boven

Medicatie

Er zijn verschillende soorten middelen waarvan het gebruik problematisch kan worden, zoals tabak, alcohol, cannabis, en cocaïne. Ook medicijnen/psychofarmaca (bijvoorbeeld methylfenidaat) kunnen misbruikt worden. De definitie van middelenmisbruik verschilt tussen de onderzoeken, daarom wordt bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten de definitie van middelenmisbruik uit de betreffende studies weergegeven. Psychische problemen en stoornissen kunnen een risicofactor vormen voor het ontwikkelen van problematisch middelengebruik, zoals ADHD en depressieve stoornissen.

Het effect van psychofarmaca op het ontwikkelen en verminderen van middelenmisbruik bij kinderen en adolescenten met ADHD of een depressie is onderzocht in verschillende onderzoeken. Uit deze onderzoeken blijkt dat kinderen met ADHD die op vroege leeftijd behandeld worden met psychostimulantia, een verminderd risico hebben op het ontwikkelen van middelenmisbruik op adolescenten leeftijd. Behandeling van adolescenten met ADHD of depressie die al middelen misbruiken hebben geen baat bij psychofarmaca om het middelenmisbruik te verminderen.

Terug naar boven

Plaatsbepaling psychofarmaca bij adolescenten met ADHD of depressie en middelenmisbruik

Het gebruik van psychofarmaca op kinderleeftijd bij kinderen met ADHD lijkt een beschermend effect te hebben op het ontwikkelen van middelenmisbruik op adolescentenleeftijd. Psychofarmaca bij adolescenten met ADHD of depressie die al middelen misbruiken lijken geen effect te hebben.

Meer informatie over deze, specifieke groepen:

Effectiviteit psychostimulantia

Het effect van psychostimulantia op het ontwikkelen van middelenmisbruik bij kinderen en adolescenten met ADHD is onderzocht in verschillende prospectieve en retrospectieve studies. Deze studies laten veelal zien dat psychostimulantia bij ADHD'ers op kinderleeftijd een beschermend effect hebben op het ontwikkelen van middelenmisbruik op adolescentenleeftijd, maar dat dit effect in mindere mate of niet meer aanwezig is op volwassen leeftijd. In een meta-analyse door Wilens e.a. 2003 (aangevuld door Faraone e.a. 2003) van zeven studies werd gekeken naar het effect van vroege behandeling met psychostimulantia op alcohol- en drugsgebruik. In deze studie werd berekend dat behandeling met psychostimulantia op kinderleeftijd een significant beschermend effect heeft op het ontwikkelen van drugsmisbruik (odds ratio=2,4) en alcoholmisbruik (odds ratio=4,0) op adolescentenleeftijd. Ook wanneer alcohol- en drugsmisbruik samen werden gevoegd tot één categorie 'middelenmisbruik' was dit effect sterk aanwezig op adolescentenleeftijd (odds ratio=5,8). Het beschermend effect van vroege behandeling met psychostimulantia op middelenmisbruik was in verminderde mate nog steeds aanwezig op volwassen leeftijd (odds ratio=1,7).

In de prospectief vergelijkende studie van Mannuza e.a. 2008 werd bij 176 jongens met ADHD onderzocht of behandeling met methylfenidaat een beschermend effect heeft op het ontwikkelen van middelenmisbruik op latere leeftijd. In deze studie is middelenmisbruik opgesplitst in vier verschillende categorieën: middelenmisbruik (elke vorm van middelenmisbruik), alcoholmisbruik, niet-alcoholisch middelenmisbruik (cannabis, opiaten, cocaïne, etc.) en stimulant misbruik (cocaïne, amfetamine, etc.). Deze categorieën overlappen deels. Adolescenten met ADHD die niet-alcoholische middelen misbruikten waren op een significant latere leeftijd gestart met psychostimulantia (9,1 jaar) dan adolescenten die geen niet-alcoholisch middelenmisbruik hadden (8,5 jaar). De leeftijd waarop medicatie werd gestart, had geen significante invloed op het ontwikkelen van alcohol of stimulantia misbruik.

In de prospectieve studie van Biederman e.a. 2008 werden gedurende een follow-up periode van 10 jaar data verzameld van 112 jongens met ADHD. Bij deze jongens is gekeken of ze behandeld werden met psychostimulantia. Deze studie laat zien dat er na vier jaar minder middelen (alcohol, drugs en nicotine) werden misbruikt door jongens die psychostimulantia toegediend kregen op kinderleeftijd, maar dat dit effect na tien jaar, wanneer de jongens op volwassen leeftijd waren, niet meer aanwezig was.

In de prospectieve studie van Wilens e.a. 2008 is bij 114 meisjes tussen de 6 en 18 jaar met ADHD het effect van psychostimulantia op middelenmisbruik (alcohol, marihuana en andere drugs) en rookgedrag onderzocht. De meisjes met ADHD die ooit psychostimulantia hebben gebruikt, hadden 73% minder kans op het ontwikkelen van middelenmisbruik dan meisjes met ADHD die nooit psychostimulantia hebben gebruikt. Ook hadden meisjes die met psychostimulantia zijn behandeld een 72% lager risico op sigarettengebruik en begonnen zij later met roken.

In de retrospectieve vergelijkende studie van Huss e.a. 2008 werd bij 215 adolescenten met ADHD onderzocht of ze tijdens de kinderjaren waren behandeld met methylfenidaat en wat het effect hiervan was op nicotinegebruik. De adolescenten die niet eerder met methylfenidaat werden behandeld, behoorden eerder tot de groep rokers (minstens 10 sigaretten per dag gedurende 4 weken) in vergelijking met de adolescenten die wel op kinderleeftijd met methylfenidaat behandeld waren. Het aantal rokers op volwassen leeftijd was echter niet verschillend tussen beide groepen.

In de retrospectieve studie van Katusic e.a. 2005 werd een geboortecohort onderzocht in de streek Rochester (USA) waaruit alle ADHD patiënten werden geselecteerd (n=379). Van de ADHD populatie was 85% behandeld met psychostimulantia. In dit cohort bleek dat jongens die behandeld waren met psychostimulantia minder vaak middelen (alcohol en drugs) misbruiken voor hun 18de levensjaar dan jongens die niet behandeld waren met psychostimulantia. Bij meisjes werd dit effect niet gevonden.

In de gerandomiseerde studie van Monuteaux e.a. 2007 naar het effect van bupropion op roken, is ook retrospectief onderzocht of het gebruik van psychostimulantia op kinderleeftijd effect had rookgedrag bij adolescenten met ADHD (n=99). De adolescenten die op kinderleeftijd behandeld waren met psychostimulantia hadden een significant lager risico om op dat moment te roken.

Effectiviteit Bupropion

In de gerandomiseerde studie van Monuteaux e.a. 2007 is het rookgedrag van 49 kinderen en adolescenten met ADHD die bupropion toegediend kregen vergeleken met 50 adolescenten die een placebo toegediend kregen. De kinderen en adolescenten werden gevolgd tot een maximale follow-up van 6,5 jaar. De ADHD'ers die behandeld werden met bupropion begonnen 2,3 keer eerder met roken in vergelijking met de kinderen en adolescenten die behandeld waren met een placebo. Dit verschil was echter niet significant.

>> Bekijk ook het medicatie-overzicht

Terug naar boven

Naast de effectiviteit van vroegtijdige medicatie op het ontwikkelen van middelenmisbruik op adolescentenleeftijd, zijn er drie gerandomiseerde onderzoeken verricht naar de effectiviteit van medicatie in de periode dat adolescenten met ADHD middelen misbruikten. Uit deze onderzoeken kwam naar voren dat methylfenidaat en atomoxetine geen effect hebben op het verminderen van middelenmisbruik in adolescenten met ADHD.

Effectiviteit psychostimulantia

In de gerandomiseerde studie van Gray e.a. 2011 is bij 174 adolescenten met ADHD en minstens één vorm van niet-nicotine middelenmisbruik gedurende 16 weken het effect van methylfenidaat onderzocht op het rookgedrag (nicotine en marihuana). De adolescenten werden ingedeeld in twee gelijke groepen waarbij een groep behandeld werd met methylfenidaat en een groep een placebo toegediend kreeg. Beide groepen ondergingen ook wekelijks één uur individuele cognitieve gedragstherapie. Na 16 weken was in beide groepen een afname te zien van het sigaretten- en cannabisgebruik. Deze afname was echter niet significant verschillend tussen beide groepen.

Een andere gerandomiseerde studie van Szobot e.a. 2008 bij 16 jongens met ADHD en middelenmisbruik onderzocht het effect van methylfenidaat op middelenmisbruik (marihuana en/of cocaïne). Acht jongens met een gemiddelde leeftijd van 17,5 jaar werden behandeld met methylfenidaat, terwijl acht andere jongens met een gemiddelde leeftijd van 17,4 jaar een placebo kregen. Methylfenidaat zorgde in deze studie niet voor een vermindering van marihuana of cocaïne gebruik in vergelijking met placebo.

Effectiviteit Adrenerge middelen

In de gerandomiseerde studie van Thurstone e.a. 2010 werden 70 adolescenten met ADHD tussen de 13 en 19 jaar gedurende 12 weken gevolgd. De adolescenten werden willekeurig verdeeld in een groep die behandeld werd met atomoxetine of met een placebo en kregen cognitieve gedragstherapie tegen middelenmisbruik. In beide groepen ging het middelenmisbruik (drugs als alcohol, cannabis, cocaïne, amfetamine en hallucinogenen) omlaag. Deze daling was echter niet verschillend tussen adolescenten die atomoxetine en die een placebo kregen.

Bekijk ook het overzicht met medicijnnamen

Terug naar boven

Effectiviteit Serotonine heropname remmers

De effectiviteit van serotonine heropname remmers (fluoxetine en sertraline) op middelenmisbruik bij adolescenten met depressie is beschreven in vier gerandomiseerde studies. Deze studies laten allen zien dat serotonine heropname remmers geen effect hebben op een vermindering in middelen- en alcoholmisbruik.

De gerandomiseerde studie van Riggs e.a. onderzocht het effect van fluoxetine op middelenmisbruik (alle drugs behalve nicotine) bij 126 adolescenten met een depressie. De deelnemers kregen gedurende 16 weken fluoxetine of een placebo toegediend en beide groepen kregen cognitieve gedragstherapie. Na 16 weken was er in beide groepen een vermindering in het middelenmisbruik. Deze daling was echter niet verschillend tussen de groep die fluoxetine gebruikte en de groep die een placebo gebruikte.

In de gerandomiseerde studie van Findling e.a. zijn 34 adolescenten met een diagnose van MDD (major depressive disorder) of een andere depressieve stoornis en middelenmisbruik geïncludeerd. De adolescenten kregen willekeurig fluoxetine of een placebo toegediend. In beide groepen was een daling te zien in middelenmisbruik Deze daling was niet verschillend tussen de fluoxetine en placebo groep.

In de gerandomiseerde studie van Cornelius e.a. is bij 50 adolescenten met depressie en alcoholmisbruik het effect onderzocht van fluoxetine op de alcoholconsumptie. Gedurende twaalf weken werd de helft van deze adolescenten met fluoxetine behandeld en de andere helft met een placebo. Beiden groepen ondergingen ook cognitieve gedragstherapie, gericht op vermindering van klachten van depressie en alcohol. Na twaalf weken was de alcoholconsumptie in beide groepen gedaald. Deze afname was echter niet verschillend tussen de fluoxetine en de placebo groep.

In de gerandomiseerde studie van Deas e.a. is het effect van sertraline op alcoholmisbruik bij depressieve adolescenten met een diagnose van alcoholmisbruik onderzocht. Vijf deelnemers kregen twaalf weken lang sertraline toegediend, terwijl vijf andere een placebo kregen. Uit de studie bleek dat er in beide groepen een vermindering in alcoholconsumptie had plaats gevonden, maar dat deze afname niet verschillend was tussen de sertraline en de placebo groep.

Bekijk ook het overzicht met medicijnnamen

Terug naar boven
Terug naar boven

De volgende aandachtspunten gelden rondom verslaafde jongeren en medicatie:

Het is niet gebleken dat vroege behandeling met bupropion bij kinderen met ADHD een effect heeft op rookgedrag op latere leeftijd.

Terug naar boven

Het is niet gebleken dat behandeling met atomoxetine bij jongeren met ADHD alcohol en drugsmisbruik vermindert.

Terug naar boven

Het is niet gebleken dat behandeling met fluoxetine bij jongeren met een depressie middelen- en alcoholmisbruik vermindert.Het is niet gebleken dat behandeling met sertraline bij jongeren met een depressie alcoholmisbruik vermindert.

Terug naar boven
Terug naar boven

Adviescommissie Kwetsbare Jeugd & Verslaving (2011). Van kwetsbaar naar weerbaar. Verslaving bij kwetsbare jongeren voorkomen en adequaat begeleiden. Utrecht: Kenniscentrum Verslaving Resultaten Scoren.

Armstrong & Costello (2002). Community studies on adolescent substance use, abus, or dependence and psychiatric comorbidity. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 70(6), 1224-1239.

Barrett, N., & Paschos, D. (2006). Alcohol-related problems in adolescents and adults with intellectual disabilities. Current Opinion in Psychiatry, 19, 481-485.

Bergen, H. A., Martin, G., Richardson, A. S., Allison, S., & Roeger, L. (2004). Sexual abuse, antisocial behaviour and substance use: gender differences in young community adolescents. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 38(1-2), 34-41.

Bransen, E., Schipper, H., Mutsaers, K., Haverman, M., & Blekman, J. (2008). Aard en omvang van middelengebruik bij licht verstandelijk gehandicapte jongeren. Een eerste verkenning bij jongeren zelf en hun begeleiders. Utrecht: Trimbos-instituut.

Castellanos, N., & Conrod, P. (2006). Brief interventions targeting personality risk factors for adolescent substance misuse reduce depression, panic and risk-taking behaviours. Journal of Mental Health, 15(6), 645 - 658.

Couwenbergh, C., van den Brink, W., Zwart, K., Vreugdenhil, C., van Wijngaarden-Cremers, P., van der Gaag, R.J. (2006). Comorbid psychopathology in adolescents and young adults treated for substance use disorders: a review. European Child and Adolescent Psychiatry, 15(6), 319-328.

Couwenbergh, C. (2009). Substance abuse and its co-occurrence with other mental health problems in adolescents. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen

Dahl, R., & Spears, L. (2004). Adolescent Brain Development: Vulnerabilities and Opportunities. Annals of the New York Academic of Science, 1021, pp. 1-22.

Dam, C. van, Nijhof, K., Scholte, R., & Veerman, J.W. (2010). Evaluatie Nieuw Zorgaanbod. Gesloten jeugdozrg voor jongeren met ernstige gedragsproblemen. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen

EMCDDA (European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction). (2007). Drugs use and related problems among very young people (under 15 years old). Lissabon: European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction.

Evren, C., Kural, S., & Cakmak, D. (2006). Clinical correlates of childhood abuse and neglect in substance dependents. Addictive Behaviors, 31(3), 475-485.

Ferdinand, R. F., Sondeijker, F., Ende, J. van der, Selten, J. P., Huizink, A., & Verhulst, F. C. (2005). Cannabis use predicts future psychotic symptoms, and vice versa. Addiction, 100(5), 612-618.

Griswold, K. S., Aronoff, H., Kernan, J. B., Kahn. L. S. (2008). Adolescent substance use and abuse: recognition and management. American Academy of Family Physicians, 77(3), 331-336.

Henquet, C. (2006). Ecogenetic Studies of Cannabis as a Cause of Psychosis. Maastricht: Universiteit Maastricht.

Hermanns (2009). Het opvoeden verleerd. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Hulshoff, A., Wegen, S., & Ouden, R. den (2009). Kinderen, jongeren en adolescenten met verslavingsproblemen. In: R. Rutten, C. Loth, & A. Hulshoff (Red.), Verslaving. Handboek voor zorg, begeleiding en preventie. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.

Ivens Y. (2008). Behandeling van middelengebonden stoornissen. In: Braet C., Bögels S. (red.), Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten (hoofdstuk 22, pp. 503-525). Amsterdam: Boom Uitgeverij.

IVZ/Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem. (2010). Jongeren in de ambulante verslavingszorg in Nederland (2004-2008). Houten: Stichting Informatievoorziening Zorg (IVZ).

Knight, J. R., Goodman, E., Pulerwitz, T., DuRant, R. H. (2001). Reliability of the Problem Oriented Screening Instrument for Teenagers (POSIT) in adolescent medical practice. Journal of Adolescent Health, 29(2),125-130.

Knight, J.R., Sherritt, L., Shrier, L. A., Harris, S. M., & Chang, G. (2002). Validity of the CRAFFT Substance Abuse Screening Test Among Adolescent Clinic Patients. Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine, 156, 607-614.

Lynskey, M. T., & Hall, W. (2001). Attention deficit hyperactivity disorder and substance use disorders: Is there a causal link? Addiction, 96(6), 815-822.

Matthys, W., Schuren, L. J. M. J. van der, Nordquist, R. E., & Zonnevylle-Bender, M. J. S. (2006). Factoren die bij kinderen en adolescenten een risico vormen voor gebruik, misbruik en afhankelijkheid van middelen. Den Haag: ZonMW.

McGillicuddy, N. B. (2006). A review of substance use research among those with mental retardation. Mental Retardation and Developmental Disabilities Research Reviews, 12(1), 41-47.

Monshouwer, K., Verdurmen, J., Dorsselaer, S. van, Smit, E., Gorter, A., & Vollebergh, W. (2008). Jeugd en Riskant Gedrag 2007. Kerngegevens uit het Peilstationsonderzoek Scholieren. Utrecht: Trimbos-instituut.

Morojele, N. K. & Brook, J. S. (2006). Substance use and multiple victimisation among adolescents in South Africa. Addictive Behaviors, 31(7), 1163-1176.

Mos, K. & Kaptijn, E. (2008). Multidimensionale familietherapie. Een evidence based intensieve gezinsmethodiek voor gezinnen van jongeren met complexe meervoudige problematiek, p.129-141. In: Gezinsinterventies, aan de slag met problematische opvoedingskwesties.

Nauta-Jansen, L., & Hendriks, V. (2006). Middelengebruik, middelenmisbruik en middelenafhankelijkheid. In: F. B. T. Doreleijers, J. Huisman, R. Vermeiren, E. de Haan (Ed.), Leerboek psychiatrie. Kinderen en adolescenten. Utrecht: Tijdstroom.

Pardini, D., White, H. R., & Stouthamer-Loeber, M. (2007). Early adolescent psychopathology as a predictor of alcohol use disorders by young adulthood. Drug and Alcohol Dependence, 88(1), 38-49.

Rigter, H. (2006). Cannabis. Preventie en behandeling bij jongeren. Utrecht: Trimbos-instituut.

Schubiner, H., Tzelepis, A., Milberger, S., Lockhart, N., Kruger, M., Kelley, B. J., et al. (2000). Prevalence of attention-deficit/hyperactivity disorder and conduct disorder among substance abusers. Journal of Clinical Psychiatry, 61(4), 244-251.

Smit, E., Verdurmen, J., Monshouwer, K. & Bolier, L. (2007). Jongeren en verslaving. De effectiviteit van behandelinterventies voor jongeren. Utrecht: Trimbos-instituut.

Snoek, A., Wits, E., Stel, J. van der, & Mheen, D. van de (2010a). Kwetsbare groepen jeugdigen en (problematisch) middelengebruik: visie en interventiematrix. Rotterdam: IVO.

Snoek, A., Wits, E., Mheen, D. van de, Wilbers, G. (2010b). Vroegsignalering. Richtlijn vroegsignalering middelenmisbruik of –afhankelijkheid bij jongeren. Rotterdam: IVO.

Vaughn, M. G., Ollie, M. T., McMillen, J. C., Scott, L., Jr., & Munson, M. (2007). Substance use and abuse among older youth in foster care. Addictive Behaviors, 32(9), 1929-1935.

Vreugdenhil, C., Doreleijers, T.A.H., Vermeiren, R., Wouters, L.F.J.M., Brink, W. van den (2004). Psychiatric disorders in a representative sample of incarcerated boys in The Netherlands. Journal of the American Child and Adolescent Psychiatry, 43(1), 97-104.

Wiers, R. W. (2006). Het ontstaan van verslavingsgedrag bij jongeren. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen.

Wijngaarden, P. J. M. van, & Gaag, R. J. van der (2010). Verslaving als ontwikkelingsstoornis. Kind en Adolescent, 31 (4), 174-187.

Wijngaarden-Cremers, P. J. M. van, Hansman-Wijnands, M., & Gaag, R. van der (2011). Middelenmisbruik en comorbiditeit. In: M. Clerkx, R. de Groot, & F. Prins (2011). Grensoverschrijdend gedrag van pubers. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.

Terug naar boven

Expertgroep

Het thema Problematisch middelmisbruik en psychische comorbiditeit is in 2011 tot stand gekomen met dank aan de expertgroep:

  • Ivo Aben, psychiater, Mondriaan
  • Elmar Fletterman, psychiater/manager Zorg, Brijder Jeugd
  • Rutger Jan van der Gaag, hoogleraar klinische kinder- en jeugdpsychiatrie, Radboud Universiteit Nijmegen, Karakter
  • Marjan Hansman, kinder- en jeugdpsychiater/behandelcoördinator Dubbeldiagnose Jeugd, Dimence
  • Marjolein Hazebroek, Landelijke Stichting Ouders en Verwanten van Drugsgebruikers
  • Erik Jongman, psycholoog Forensische Jeugdpsychiatrie, De Bascule
  • Karin Monshouwer, wetenschappelijk medewerker, Trimbos-instituut
  • Kees Mos, klinisch psycholoog en cognitief gedragstherapeut, De Jutters
  • Tini Oudendijk, ervaringsdeskundige, Landelijke Stichting Ouders en Verwanten van Drugsverslaafden
  • Gerard Schippers, bijzonder hoogleraar Verslavingsgedrag en zorgevaluatie, Universiteit van Amsterdam
  • Jitske Teeuwisse, kinder- en jeugdpsychiater, Verslavingszorg Noord Nederland
  • Kitty Visseren, ervaringsdeskundige Landelijke Stichting Ouders en Verwanten van Drugsverslaafden

Naast de bovengenoemde experts en ervaringsdeskundige, gaat onze dank uit naar allen die hebben bijgedragen door het maken van waardevolle opmerkingen, het geven van interviews, etc:

  • Wim van den Brink, hoogleraar Verslavingszorg UvA, directeur AIAR
  • Chrisje Couwenberg, onderzoekscoördinator jeugd en verslaving, Instituut voor Verslavingsonderzoek
  • Cath McGivern, coördinator preventie Jeugd en middelengebruik, Bouman GGZ
  • Laura Schermer, clustermanager bedrijfsvoering, Brijder Jeugd
  • Patricia van Wijngaarden-Cremers, psychiater Zwolse Poort, Dimence
Terug naar boven

Verder lezen

Alcohol Infolijn
De Alcohol Infolijn geeft betrouwbare informatie en adviezen over alcohol en alcoholgebruik.

Drugs Infolijn
De Drugs Infolijn geeft betrouwbare informatie en adviezen over drugs en drugsgebruik.

Landelijke Stichting Ouders en Verwanten van Drugsverslaafden
De Landelijke Stichting Ouders en Verwanten van Drugsverslaafden zet zich actief in voor ouders en andere familie-leden van druggebruikers.

Watwiljijmetwiet.nl
Site over blowen/cannabisgebruik die jongeren zal aanspreken en voor hulpverleners veel informatie bevat.

Terug naar boven

Op deze pagina

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close