Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Trauma en kindermishandeling bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van trauma en kindermishandeling bij kinderen en adolescenten. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving

In 2008 is na twee jaar lobby de expertgroep Trauma en Kindermishandeling van start gegaan met als doel systematische bestudering van het onderwerp binnen de Kinder- en Jeugdpsychiatrie en het verspreiden van kennis voor ouders en professionals via de website van het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Vooral de aanpak van kindermishandeling was tot dan toe een taak die Jeugdzorg werd toebedacht en niet de kinder- en jeugdpsychiatrie.

Wat is er tot nu toe gedaan?

  1. Eerste concrete doel van de expertgroep was al het aanwezige hulpaanbod m.b.t. trauma en kindermishandeling in kaart te brengen, te beoordelen op evidence en toegankelijk te maken middels deze website. Een resultaat hiervan is dat de website is bijgewerkt met het thema 'Trauma en Kindermishandeling', waarbij de informatie aanvankelijk alleen in het Nederlands beschikbaar was, maar sinds 2012 ook in het Engels, hetgeen de toegankelijkheid mondiaal heeft vergroot (30.000 bezoekers per maand uit Nederland, België en andere landen).
  2. Gaandeweg zijn daar andere doelen bijgekomen, zoals bijvoorbeeld a. het mobiliseren van de brede beroepsgroep met betrekking tot het gebruik maken van de meldcode kindermishandeling bij overwegen van de differentiaal diagnose trauma/kindermishandeling en –verwaarlozing, b. het overdragen van kennis aan Veilig Thuis, GGZ en gemeenten sinds de transitie en transformatie Jeugdzorg. Expertgroepleden hebben een leidende1 dan wel adviserende2 rol gehad in bijvoorbeeld de handreiking meldcode kindermishandeling in de psychiatrie1, implementatie van Voorzorg1, optreden als getuige-deskundige in Amsterdamse zedenzaak1, opzet van lokale Centra Seksueel Geweld binnen het landelijk netwerk van CSG's1, Zorgstandaard PTSS2, implementatie van de Kindcheck in de GGZ2, NVvP commissie m.b.t. meldcode kindermishandeling2, ontwikkelen van het triageinstrument voor Veilig Thuis1, het opstellen van een visiedocument trauma en gehechtheid geïnformeerde zorg1 evenals het visiestuk ketensamenwerking bij geweld en onveiligheid1, de Taskforce Vluchtelingen2, de Onderzoeksagenda Kindermishandeling (ZonMw)2
  3. bijdragen aan onderwijs voor collega's in opleiding (in samenwerking met het Onderwijsbureau van de NVvP) dan wel werkzaam in de GGZ of de somatiek middels het geven van lezingen en workshops, het schrijven van artikelen, het bijdragen aan congressen (o.a. Voorjaarscongres NVvP, EUCCAN, Boerhaave Commissie)
  4. het bijdragen aan beleid middels participatie in commissies (o.a. NVvP) en taskforces, het samenwerken met o.a.NJI, TNO, Verweij-Jonker Instituut, en het schrijven van artikelen (bijv.in Medisch Contact)
  5. de dialoog aangaan met het ministerie van VWS en de Tweede Kamer of zo nodig actie richting het politieke beleid voeren, in welk kader ook een aantal artikelen werden geschreven, waar soms kamervragen over werden gesteld die vervolgens in dialoog verder vorm gegeven werden (bijv. Dbc kindermishandeling moet er snel komen)

In 2012 werd de expertgroep Trauma en Kindermishandeling genomineerd voor de Innovatie Prijs Aanpak Kindermishandeling van de Stichting Voorkoming Kindermishandeling.

Er is veel veranderd in de samenleving sinds 2008 met betrekking tot de houding ten aanzien van trauma en kindermishandeling. Was er voor die tijd nog slechts beperkte aandacht en budget voor dit maatschappelijke probleem, sindsdien hebben zowel overheid als een scala aan maatschappelijke organisaties zich in toenemende mate verbonden aan het verbeteren van het lot van hen die kindermishandeling of –verwaarlozing meemaken. Ook preventie en effectieve behandeling zijn hoog op de agenda gezet. Veilig Thuis is de instantie geworden die kindermishandeling en –verwaarlozing en geweld in afhankelijkheidsrelaties in brede zin bij vermoedens onderzoekt namens de overheid. De daadwerkelijke therapie en zorg ligt echter bij de GGZ en het veld van de jeugdzorg.

Trauma's hebben inmiddels een bespreekbare plek in de samenleving gevonden, echter kindermishandeling ligt nog gedeeltelijk in de taboesfeer. Het bespreekbaar maken van dit onderwerp op een constructieve manier is dan ook een eerste vereiste voor samenleving en diverse beroepsgroepen die met kinderen en hun ouders cq. volwassenen werken. Het diagnosticeren van de verschillende vormen van kindermishandeling vergt een gedegen studie en vooropleiding. De veiligheid en impact van een psychiatrische stoornis van een ouder in relatie tot kinderen die aan zijn of haar zorg zijn toevertrouwd en de uitoefening van het ouderschap vergen specifieke beoordeling. De kindcheck, waarbij nagegaan wordt of ouders met psychiatrische of verslavingsproblemen kinderen hebben en hoe het met deze kinderen gaat gezien de uitoefening van het ouderschap van deze ouders, is een goed begin van het in kaart brengen van de veiligheid van de ouder-kind relatie, zeker bij aanwezigheid van risicofactoren. Daarvoor is ook gedegen kennis van diagnostiek van gehechtheid nodig bij zowel ouders als kinderen en ervaring met behandeling van gehechtheidsproblematiek.

Deze drie zaken: de kindcheck binnen de volwassenpsychiatrie, het overwegen van kindermishandeling- of verwaarlozing als differentiaal diagnose en beoordeling van het ouderschap in de (kinder- en jeugd)psychiatrie vergen een omslag in denken waarbij niet reactief maar proactief denken en handelen centraal staan. Het vergt dat de diagnosticus trauma en kindermishandeling wil includeren binnen het werkveld van de psychiatrie, in plaats van het uit te besteden aan andere instanties en professionals zoals Veilig Thuis, school, jeugd- of huisarts. Het vergt tevens inclusie van het thema trauma en kindermishandeling binnen het Raamwerk van de opleiding tot arts, psycholoog, pedagoog, verpleegkundige, dan wel binnen de specialisatie tot GZ of klinisch psycholoog, psychotherapeut en psychiater in het veld van jeugdzorg, onderwijs en (kinder- en jeugd)psychiatrie. Daarnaast is kindermishandeling- en verwaarlozing een differentiaal diagnose waarbij gendersensitieve gezondheidszorg een inherente prominente rol speelt. Zowel beleid, onderwijs als onderzoek zouden hier van meet af aan rekening mee moeten houden. Er ligt vanuit ZonMw nu een onderzoeksagenda Kindermishandeling en een onderzoeksagenda Gender en gezondheidszorg. Integratie van beide agenda's zou aangewezen zijn.

Binnen de psychiatrie leidt de bewustwording van het belang van adequate preventie, goede risicosignalering en diagnostiek en effectieve behandeling van trauma en kindermishandeling, tot implementatie van de kindcheck en steeds meer traumaspecifieke zorg voor zowel kinderen als volwassenen. Voorbeelden zijn samenwerking tussen de vier psychotraumacentra voor kinder- en jeugdpsychiatrie en de oprichting van Top GGZ-psychotraumacentra (Stichting Topklinische GGZ). Het wetenschappelijk onderzoek naar trauma en kindermishandeling staat nog in de kinderschoenen, maar de huidige mogelijkheden van geavanceerde neuroimaging en DNA onderzoek, naast grote multicenter onderzoeken bieden een hoopvol toekomstperspectief op verbeterde diagnostiek en behandeling. Het is de uitdaging aan wetenschappers en clinici om ook de klinische programma's die nu slechts theoretisch onderbouwd en veelbelovend zijn verder te ontwikkelen en te onderzoeken zodanig dat ze in de loop van de toekomst stijgen in hun mate van evidentie.

Daarbij is het van belang zich te realiseren dat de definitie van trauma en kindermishandeling, laat staan een professionele visie daar op, niet eenduidig zijn gedefinieerd (o.a. Baartman, 2009; Baeten & Willems (2009); zie box 1). Het vergt systematisch verzamelde en vroegtijdige informatie over de gezinssituatie en afweging van risico- en beschermende factoren volgens bijv. het model van NIZW (zie figuur 1), de ARIJ of CARE-NL om bijvoorbeeld te kunnen bepalen of er sprake is van kindermishandeling. En uiteindelijk is het niet de definitie die het zwaarst weegt. De zorgen om het kind zijn reden voor actie. Ook als er geen sprake is van kindermishandeling, maar bijvoorbeeld wel van gedesorganiseerde gehechtheid bij het kind of ernstige opvoedingsproblemen, verdienen het kind en zijn ouders steun en hulp (zie VN-Verdrag inzake de rechten van het kind). Inmiddels staan een aantal meldcodes tot onze beschikking om onze afwegingen zo zorgvuldig mogelijk te kunnen maken: GGZ meldcode kindermishandeling, CBO richtlijn Familiaal Huiselijk Geweld (2009), De KNMG meldcode kindermishandeling (2008) en specifiek voor de psychiatrie de Handreiking gebruik meldcode kindermishandeling in de psychiatrie van de NVvP (2011).

Wij kwamen als expertgroep tot de conclusie dat trauma en kindermishandeling in brede zin gedefinieerd het meest de nare werkelijkheid benadert. Daarbij komt in het groeiende hulpaanbod steeds meer naar voren dat zowel individuele als groepshulpverlening soelaas kan bieden en dat een multidisciplinaire, instellingen overstijgende aanpak, die vanuit de overheid bestuurlijk, logistiek en financieel ondersteund wordt en zowel slachtoffers, daders als overige betrokkenen includeert ("trauma /abuse focused"), de voorkeur verdient en de meeste kans van slagen heeft. Daarnaast zijn preventieve programma's, deels vanuit de overheid en deels vanuit particuliere initiatieven gestart (RAAKVoorzorg) onontbeerlijk om op termijn het vóorkomen van met name kindermishandeling te kunnen terugbrengen.

Zijn wij daartoe bereid?

Terug naar boven

De NPM-2005 schat de omvang van kindermishandeling op 107.200 gevallen. De prevalentie voor 2005 is daarmee ongeveer 30 gevallen van kindermishandeling op iedere 1.000 kinderen. De meerderheid van de gevallen betreft vormen van verwaarlozing, te weten fysieke en emotionele verwaarlozing en verwaarlozing van het onderwijs. De schatting van het aantal slachtoffers van seksuele mishandeling is ruim 4.700 gevallen. Fysieke mishandeling komt in ruim 19.000 gevallen voor.

De SOM schat de omvang van kindermishandeling op 160.700 gevallen in deze leeftijdsgroep. In de afgelopen twaalf maanden bleek bijna twintig procent van de jongeren ervaring te hebben gehad met een vorm van kindermishandeling. Ruim eenderde van de jongeren geeft aan ooit kindermishandeling te hebben meegemaakt in de vorm van ernstige psychologische agressie van ouders, fysiek geweld binnenshuis, waargenomen fysieke conflicten tussen ouders, seksueel misbruik en/of ernstige verwaarlozing. Eén op de vijftien jongeren is in het afgelopen jaar slachtoffer geweest van een combinatie van verschillende vormen van kindermishandeling. Uit de SOM blijkt verder dat psychologische agressie van ouders en fysiek geweld binnenshuis de meest gemelde categorieën van kindermishandeling zijn.

"Familiaal Huiselijk Geweld wordt sinds 2003 door het AMK geregistreerd. Hoewel exacte cijfers ontbreken, wordt geschat dat per jaar ongeveer 360.000 kinderen één of meer malen thuis het slachtoffer zijn van ernstig fysiek geweld. Per jaar wordt ongeveer 34.000 maal contact opgenomen met een AMK omdat er (ernstige) vermoedens van kindermishandeling zijn (Baartman, 2005).

Volgens het Ministerie van Justitie (2005) worden per jaar 56.000 incidenten van Huiselijk Geweld in de politie dossiers opgenomen, hetgeen 12% is van de werkelijke gevallen. Het Ministerie meldt verder dat per jaar ongeveer 100.000 kinderen getuige zijn van het Huiselijk Geweld, en dat van die kind-getuigen er 40.000 het risico lopen gedrags- en/of emotionele problemen te ontwikkelen. Jaarlijks overlijden ongeveer 40 tot 50 kinderen aan de gevolgen van mishandeling (Kuyvenhoven, Hekkink, & Voorn, 1998). Deze schattingen zijn naar alle waarschijnlijkheid aan de lage kant, er worden meer kinderen mishandeld dan er worden gemeld, en ook maar een deel van de gevallen van Huiselijk Geweld wordt gemeld. En naar alle waarschijnlijkheid overlijden er per jaar meer kinderen aan kindermishandeling, en zijn er gevallen die ten onrechte als natuurlijke dood zijn geduid" (citaat uit oratie Francien Lamers-Winkelman, 2006, pagina 2).

Terug naar boven

Volgens de definitie in de Wet op de jeugdzorg die sinds 1 januari 2005 van kracht is, omvat kindermishandeling:

'elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel'.

Het gaat daarbij om seksuele, fysieke, emotionele/psychische mishandeling, fysieke, emotionele/psychische verwaarlozing dan wel getuige zijn van partnergeweld.

Terug naar boven

Baartman, H.E.M. (2005). Kindermishandeling: de politiek een zorg. Amsterdam: SWP Uitgeverij.

Baartman, H.E.M. (2009). Het begrip kindermishandeling: een pleidooi voor een herbezinning en voor bezonnen beleid. Amsterdam: SWP Uitgeverij.

Baeten, P. & Willems, J. (2009). De maat van kindermishandeling. Meldcode en criteria van kindermishandeling. 3e druk. Amsterdam: SWP Uitgeverij.

Hermanns, J. (2009). Het bestrijden van kindermishandeling. Een aanpak die werkt. Utrecht: NJI.

Van Hoof, M.J. & Vogtländer, L. (2011). Voor kind is meldrecht beter dan meldplicht. Medisch Contact, 66, 394-396.

Lamers-Winkelman, F., Slot, N.W., Bijl, B., & Vijlbrief, A.C.. (2007). Scholieren Over Mishandeling. Resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam/Duivendrecht: Vrije Universiteit/PI Research.

IJzendoorn, M.H., Prinzie, P., Euser. E.M., Groeneveld, M.G., Brilleslijper-Kater, S.N., Van Noort-van der Linden, A.M.T., et al. (2007). De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden.

Terug naar boven

Preventie

VoorZorg is gebaseerd op het Amerikaanse programma Nurse Family Partnership dat ontwikkeld werd door prof. David Olds. In Nederland is een gerandomiseerd onderzoek naar de effecten van VoorZorg uitgevoerd. Lees meer over de behandelmethode Voorzorg

Signs of Safety - Behandelmethode voor het ontwikkelen van duurzaam, veilig en beschermend oudergedrag met behoud van de relatie tussen ouders en kind. Lees meer over de behandelmethode Signs of Safety (Veilig opgroeien)

VIPP-SD - Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting - Sensitive Discipline. In het VIPP programma worden video-opnames gemaakt van ouder en kind tijdens dagelijkse situaties thuis. Een getrainde ondersteuner bestudeert de videobeelden aan de hand van een protocol om commentaar en adviezen voor te bereiden voor het volgende huisbezoek. Lees meer over de behandelmethode VIPP-SD

Terug naar boven

Diagnose

Het onderdeel diagnostiek betreft een samenvatting van het diagnostiekprotocol van Beer e.a., 2007. Het diagnostiekprotocol is geschreven en wordt jaarlijks bijgewerkt door R. Beer, R. Lindauer en F. Boer.

Bekend is dat de meeste kinderen - naar schatting ongeveer 80% - geen volledige posttrauma­tische stressstoornis (PTSS) ontwikkelen na het meemaken van schokkende gebeurtenissen. Ook bekend is dat meerdere factoren van invloed zijn op het al dan niet ontwikkelen hiervan (zie Beer en De Roos, in voorbereiding). Een aantal kinderen ontwikkelt wel traumagerelateerde klachten of stoornissen, maar welk type stoornis bij hoeveel kinderen voorkomt, en hoeveel kinderen helemaal geen klachten krijgen, is onbekend (Perrin e.a., 2000; Yule e.a., 2005; Stal­lard, 2006). Ook hangt dit af van de ernst en type ingrijpende gebeurtenissen die kinderen meemaken, waarbij te onderscheiden zijn de kortdurende gebeurtenissen (type I) versus herhaalde blootstelling aan gebeurtenissen (type II), natuurrampen versus interpersoonlijke gebeurtenissen, en intrafamiliaal versus extrafamiliaal geweld.

Multipele, vroege en voortdurende ervaringen van mishandeling, misbruik en verwaarlozing door ouders en andere verzorgers vormen pathogene stressoren voor de ontwikkeling van een scala aan psychiatrische stoornissen, een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling op basis van een onveilige gehechtheidsrelatie, en lichamelijke gezondheidsproblemen op de korte en lange termijn. Bovendien verhogen ze het risico op revictimisatie (NCTSN, 2003). De term 'Complex Trauma' verwijst naar de range van klinische symptomatologie in de lifespan die hiermee samenhangt. De diagnostiek van psychische problematiek in haar context bij kinderen en jeugdigen met complex trauma valt buiten het protocol ontwikkeld door Beer e.a. (2007). Hiervoor is een diagnostisch traject ontwikkeld door de expertgroep Complex Trauma. Hierin wordt de meest wenselijke wijze beschreven waarop de instroom en diagnostiek, indicatiestelling en evaluatiediagnostiek (effectmeting) plaats moeten vinden bij kinderen en jongeren met complexe psychiatrische problematiek ten gevolge van Chronische Traumatisering.

Een stramien voor het interview met het kind dat slachtoffer is van gezinsgeweld is nog niet opgenomen. De expertgroep Trauma en Kindermishandeling rekent het tot haar taak om hiervoor een richtlijn te gaan opstellen.

In deze tekst van de expertgroep Trauma en Kindermishandeling worden verschillende aspecten besproken rond classificatie, screening en diagnostisch onderzoek. Begonnen wordt met een bespreking van de klini­sche manifestatie. Hierna volgt een bespreking van aanbevolen instrumenten voor scree­ning van traumaklachten. Vervolgens wordt de klinische diagnostiek besproken. Voor het tot stand komen van dit protocol is gebruik gemaakt van literatuurstudie, overleg met collega's binnen de Bascule, bin­nen Nederland (1) en in het buitenland (2).

[1] Medewerkers van de overige specialistische traumacentra in ons land voor kind en jeugd: Haarlem, Leiden en Utrecht
[2] Judith Cohen, Benjamin Saunders

Terug naar boven

Binnen de DSM-5 worden verschillende stoornissen onderscheiden, waarbij een relatie gelegd wordt tussen het meemaken van een gebeurtenis en optredende psychopathologie, waaronder PTSS, acute stressstoornis (ASS) en aanpassingsstoornis. Deze zijn samen te vatten onder de noemer traumagerelateerde stoornissen. Daarnaast worden ook verschillende dissociatieve stoornissen onderscheiden.

Ten aanzien van de criteria van de DSM-IV-TR voor classificatie van PTSS bij kinderen zijn wijzigingen voorgesteld, omdat kinderen in verschillende ontwikkelingsfasen verschillende reac­ties laten zien. De voorgestelde wijzigingen en de meest kenmerkende afwijkingen in klinische manifestatie per leeftijdsgroep zijn hieronder in kaart gebracht (Beer & de Roos, in voorbereiding). Voor zeer jonge kinderen zijn alternatieve criteria voorgesteld (Scheeringa e.a., 1995, 2003) die momenteel onderwerp van onderzoek zijn en nog niet als zodanig zijn geaccepteerd.

Kleuters hebben nog niet het cognitieve vermogen om zich te verplaatsen in het perspectief van een ander, waardoor zij ten onrechte kunnen denken dat zij zelf schuldig zijn aan zaken die hen zijn overkomen. Het magisch denken kan leiden tot zelfverwijten en verwarring, wat op ge­dragsniveau vertaald kan worden in toegenomen driftbuien, piekeren of klampgedrag. Dit laat­ste komt voort uit angst om de verzorger los te laten, omdat hem/haar of het kind zelf iets ergs kan overkomen (Cohen e.a., 1998; Perrin e.a., 2000; Joshi & O'Donnell, 2003).

Vanaf een jaar of zes is verplaatsing in een ander mogelijk, waardoor kinderen wel meer per­spectieven tegelijkertijd kunnen overwegen. Het denken blijft nog steeds heel concreet, hetgeen een belemmering kan vormen voor volledig begrip van wat hen is overkomen. Voor deze leef­tijdsgroep worden de volgende symptomen genoemd, die kunnen wijzen op een PTSS (Terr, 1991; Adler-Nevo & Manassis, 2005; Cohen & Mannarino, 2004; Perrin e.a., 2000): lichamelijke klachten; slaapproblemen; intrusieve gedachten of nachtmerries; traumagerelateerde angsten; verstoorde tijdswaarneming tijdens de gebeurtenis; posttraumatisch spel; reenactment in spel, tekeningen of gedrag; veranderde attitude tegenover mensen, het leven en de toekomst; omen-formatie (menen dat er voortekenen waren waaruit ze hadden kunnen afleiden wat er stond te gebeuren).

Bij pubers en adolescenten komt de klinische manifestatie in toenemende mate overeen met die van volwassenen. In deze leeftijdscategorie kunnen de volgende gedragingen voorkomen naast de genoemde criteria in de DSM-5: risicovol ('thrill-seeking') gedrag en drank- of drugsmisbruik, als symptomen van vermijding, radicale gedragsveranderingen. In deze ontwik­kelingsfase is de neiging het sterkst om niet te willen communiceren over gevoelens naar aan­leiding van het trauma. Dit vergroot de kans op ontwikkeling van depressieve gevoelens. Ook 'mooi weer spelen' kan optreden als reactietendens, het doen voorkomen alsof er niets aan de hand is.

Terug naar boven

Criteria om te bepalen of verwijzing geïndiceerd is naar instellingen c.q behandelaars voor traumagerichte behandeling kunnen worden onderscheiden naar:

  • gebeurtenissen (type en ernst) die het kind heeft meegemaakt
  • symptomen van het kind
  • reacties van ouders/verzorgers op de gebeurtenis en op de reacties van het kind
  • hardnekkigheid van reacties: beloop van het natuurlijk verwerkingsproces

De mate waarin sprake is van lijden of van ontwikkelingsstagnatie, is bepalend of verwijzing al dan niet overwogen dient te worden.

Snelle en relatief gemakkelijke screening kan als volgt plaatsvinden:

Een interview met kind en ouders

Aanbevolen wordt om kinderen vooral te vragen naar hun belevingen; en zowel kind als ouders naar de (veranderde) gedragingen van het kind. In dit interview kan worden gecheckt of leef­tijdsspecifieke reacties op de schokkende gebeurtenissen aanwezig zijn. In de bij­lagen wordt een stramien aangegeven voor een dergelijk interview.

Afname van een korte vragenlijst, PTSS-symptomen

  • CRIES-13 (Children and War Foundation, 1998). Deze vragenlijst kan worden afgenomen bij kinderen ouder dan 8 jaar om PTSS symptomen te screenen.
  • Trauma Symptom Checklist for Children (TSCC) (Lamers-Winkelman, 1998) voor kinderen van 8-16 jaar brengt symptomen in beeld en meet tevens de beleving van de gebeurtenissen.
  • De TSCYC vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen (Tierolf & Lamers-Winkelman, 2014), de Nederlandse bewerking van de Trauma Symptom Check­list for Young Children (Brière, 2005), brengt symptomen van posttraumatische stress en gerelateerde emotionele en gedragsproblemen in kaart bij kinderen van 3-12 jaar. Er zijn representatieve normen beschikbaar voor de Nederlandse populatie, uitgesplitst naar leeftijd en geslacht.
  • UCLA (University of California at Los Angeles Post-traumatic Stress Disorder Reaction Index; Pynoos e.a., 1998) heeft een dimensio­nale schaal. De vragenlijst is niet genormeerd.
  • Child Sexual Behavior Inventory (CSBI) (Friedrich, 1997, vertaald door Schoentjes en Lamers-Winkelman, 1998) voor ouders van kinderen van 2-13 jaar brengt symptomen van afwijkend seksueel gedrag van het kind in kaart. Deze lijst kan bij de ouders afgenomen worden indien er sprake is van traumatisering ten gevolge van (vermoed) seksueel ge­weld.
  • Schokverwerkingslijst voor Kinderen - Herziene versie ofwel SVLK (Alisic, Eland & Kleber, 2006) voor kinderen kent twee varianten: voor kinderen van 8-18 jaar en een ou­derversie voor ouders van kinderen van 4-18 jaar. Met 34 items worden symptomen geïnventariseerd van herbeleving, vermijding, verhoogde prikkelbaarheid en niet-spe­cifieke reac­ties (zie Yule, Perrin & Smith, 1999). Validatie- en normeringsonderzoek voor de Nederlandse populatie loopt op dit moment (De Roos en Eland, 2005; Alisic e.a. 2006) en een cut-off score is nog niet be­kend.
Terug naar boven

Omdat ouders de neiging hebben om de impact van gebeurtenissen te onderschatten en kinderen de neiging hebben om hun ouders te willen sparen, is het van belang om ouders en kind in de intakefase zowel gezamenlijk als apart te spreken. Ouders geven betrouwbaarder informatie over het ge­drag van het kind dan het kind zelf, echter niet over de belevingen van het kind. En omgekeerd kan het kind betrouwbaarder rapporteren over interne belevingen, maar minder over het eigen gedrag (Strand e.a., 2005). Om deze reden gaat de voorkeur uit naar een gestructureerd kli­nisch interview.

De volgende instrumenten worden in de literatuur beschreven: de Anxiety Disorders Interview Schedule for DSM-IV/Child version, ofwel ADIS-C (vertaling en bewerking Siebelink & Treffers, 2000), de Clinician-administered PTSD Scale for Children and Adolescents for DSM-IV, ofwel CAPS-CA (Nader e.a., 2002) en de Schedule for Affective Disorders and Schizophrenia for School Aged Children, ofwel K-SADS (Nederlandse vertaling van Bal, 1999). Volgens de richtlijnen van de N.I.C.E. (National Institute of Clinical Excellence) voldoet de CAPS-CA aan de gouden stan­daard. Dit interview kost veel tijd en brengt co-morbiditeit niet in beeld, maar geeft wel een gedetailleerd beeld van de aanwezige PTSS-klachten. Het interview is recent vertaald in het Nederlands en wordt momenteel gevalideerd binnen de Bascule.

Terug naar boven

Adler-Nevo, G. & Manassis, K. (2005). Psychosocial treatment of pediatric posttraumatic stress disorder: the neglected field of single-incident trauma. Depression and Anxiety, 22, 177-189.

APA (2000). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th edition, text revision (DSM-IV-TR). Washington DC, American Psychiatric Association.

Beer, R. & Roos, C. de (in voorbereiding). Psychotherapeutische behandeling van kinderen en adolescenten: Algemene beschouwingen (I) en specifieke behandelingen (II). Van onvoltooid naar voltooid verleden tijd. In: E. Vermetten, R. Kleber & O. van der Hart (red), Leerboek Psychotrauma. Utrecht: De Tijdstroom.

Boon, S. & Draijer, N. (1991). Vertaling van de SCID-D. Amsterdam: Vakgroep Psychiatrie, Vrije Universiteit Amsterdam.

Brière, J. (1996). Trauma Symptom Checklist for Children (TSCC). Professional Manual. Odessa, FL: Psychological Assessment Resources.

Cohen, J.A. & Mannarino, A.P. (1998). Factors that mediate treatment outcome of sexually abused preschool children: six- and 12-month follow-up. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 37, 44-51.

Cohen, J.A. & Mannarino, A.P. (2004). Posttraumatic Stress Disorder. In: Th.H. Ollendick & J.S. March (Eds.), Phobic and Anxiety Disorders in Children and Adolescents (pp. 405-431). Oxford: Oxford University Press.

Eland, J., Roos, C. de, & Kleber, R. (2005). Kind en Trauma een opvangprogramma. Lisse: Zwets & Zeitlinger.

Joshi, P.T. & O'Donnell, D.A. (2003). Consequences of child exposure to war and terrorism. Clinical Child and Family Psychology Review, 6, 275-292.

Nader, K.O. (1997). Assessing trauma experiences in children. In: J.P. Wilson & T.M. Keane (Eds.), Assessing psychological trauma and PTSD (pp. 291-348). New York: Guilford.

NCTSN (2003). Complex Trauma in Children and Adolescents. White Paper from the National Child Traumatic Stress Network Complex Trauma Taskforce. www.NCTSNet.org (inloggen vereist)

Perrin, S., Smith, P., & Yule, W. (2000). The assessment and treatment of Post-traumatic Stress Disorder in children and adolescents. Journal of Child Psychology and Psychiatry and allied disciplines, 41, 277-289.

Pynoos, R.A., Rodriguez, N., Steinberg, A.S., et al. (1998). The UCLA PTSD Reaction Index for DSM IV (Revision 1). Los Angeles: UCLA Trauma Psychiatry Program.

Schäfer, I., Barkmann, C., Riedesser, P. & Schulte-Markwort, M. (2004). Peritraumatic dissociation predicts posttraumatic stress in children and adolescents following road traffic accidents. Journal of Trauma & Dissociation, 5, 79-91.

Scheeringa, M.S., Zeanah, C.H., Drell, M.J., et al (1995). Two approaches to the diagnosis of posttraumatic stress disorder in infancy and early childhood. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 34, 191-200.

Scheeringa, M.S., Zeanah, C.H., Myers, L., & Putnam, F.W. (2003). New findings on alternative criteria for PTSD in preschool children. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 561-570.

Scheeringa, M.S. (2004). Presentatie op EMDR congres.

Schoentjes, E. & Lamers-Winkelman, F. (1998). Experimentele vertaling van de Child Sexual Behavior Inventory. Amsterdam, Vrije Universiteit.

Silverman, W.K. & Albano, A.M. (1996). The Anxiety Disorders Interview Schedule for DSM-IV Child Version, Child Interview Schedule. San Antonio: The Psychological Corporation.

Siebelink, B.M. & Treffers, Ph.D.A. (2000). Nederlandse bewerking van Anxiety Disorders Schedule for DSM-IV: Child Version (Child Interview Schedule; Parent Interview Schedule; Manual). Lisse: Swets & Zeitlinger.

Stallard, P. (2006). Psychological interventions for post-traumatic reactions in children and young people: A review of randomised controlled trials. Clinical Psychology Review, 26, 895-911.

Strand, V.C., Sarmiento, T.L., & Pasquale, L.E. (2005). Assessment and screening tools for trauma in children and adolescents: a review. Trauma Violence Abuse, 6, 55-78.

Terr, L.C. (1991). Childhood Traumas - An Outline and Overview. American Journal of Psychiatry, 148, 10-20.

Yule, W., Perrin, S., & Smith, P. (1999). Posttraumatic stress reactions in children and adolescents. In: W. Yule (Ed.), Posttraumatic Stress Disorders: Concepts and therapy (pp. 25-50). Chichester: John Wiley & Sons.

Yule, W., Smith, P., & Perrin, S. (2005). Post-traumatic stress disorders. In P.J. Graham (Ed.), Cognitive Behaviour Therapy for Children and Families (pp. 342-358). Cambridge, UK: Cambridge University Press.

Terug naar boven

Behandeling

In dit hoofdstuk worden verschillende in Nederland beschikbare preventie- en behandelprotocollen beschreven die gericht zijn op kinderen en jongeren die bloot gestaan hebben aan ingrijpende gebeurtenissen en als gevolg daarvan psychische klachten hebben ontwikkeld.

De expertgroep heeft in eerste instantie geprobeerd om alle beschikbare preventie- en behandelprotocollen in Nederland te verzamelen. Alle protocollen worden kort besproken volgens een vast stramien.

In het handboek 'Zicht op Effectiviteit' van Van Yperen en Veerman (2008) worden verschillende niveaus van bewijskracht (evidentie) beschreven van praktijkgestuurd effectonderzoek. Kwalificatieniveaus:

  1. Potentieel (descriptief)
  2. Veelbelovend (theoretische onderbouwing)
  3. Doeltreffend (indicatief)
  4. Werkzaam (experimenteel onderzoek, RCT's)

De expertgroep heeft een onderscheid gemaakt tussen preventie- en behandelprotocollen die werkzaam zijn (niveau 4) en waarvan de werkzaamheid nog bewezen moet worden (niveau's 1 t./m. 3).

Preventie Behandeling
Werkzaam (niveau 4) VoorZorg TG-CGT
Werkzaamheid moet nog worden bewezen
(niveau 1 t/m 3)
Signs of Safety EMDR
Horizon
STEPS
VSV
Don't hit my mommy
Opvangprotocol

 

De expertgroep realiseert zich dat er ook behandelprotocollen zijn die indirect effect hebben op het verminderen van kindermishandeling, zoals PCIT (Parent Child Interaction Therapy), PMTO (Parent Management Training Oregon), FFT (Functional Family Therapy), MST (Multi Systemic Therapy) etc.

Terug naar boven

TG-CGT: Traumagerichte Cognitieve Gedragstherapie

Traumagerichte Cognitieve Gedragsherapie (TG-CGT) is een bewezen werkzame behandeling voor kinderen en jongeren in de leeftijd van 3 tot 18 jaar, waarbij er sprake is van ernstige traumagerelateerde symptomen ((complexe) PTSS, angst, depressie en gedragsproblemen) als gevolg van seksueel misbruik of familiaal geweld. Met beoordeling door de expertgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over TG-CGT >>

EMDR: Eye Movement Desensitization and Reprocessing

Het doel van EMDR is het verwerken van herinneringen aan identificeerbare ingrijpende ervaringen, die de cliënt hebben getraumatiseerd. Hierdoor kunnen klachten worden verminderd, die zijn ontstaan als gevolg van die herinneringen en het lijden dat daarmee gepaard gaat. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over EMDR >>

Handboek EMDR

Het Handboek EMDR is voor de clinicus die zich wil bekwamen in de toepassing van EMDR. Het boek beoogt een helder en uitgebreid kader te verschaffen omtrent de wijze waarop EMDR in de dagelijkse praktijk kan worden uitgevoerd. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over Handboek EMDR >>

Praktijkboek EMDR

Het Praktijkboek EMDR is voor de clinicus die zich wil bekwamen in de toepassing van EMDR. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over Praktijkboek EMDR >>

Casusboek EMDR
In Casusboek EMDR beschrijven 25 Nederlandse therapeuten voorbeelden uit hun praktijk waarbij zij EMDR succesvol gebruikten. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over Casusboek EMDR >>

Horizon

Traumaverwerking: de negatieve gevolgen van het misbruik voor het vertrouwen en het (sociale)functioneren van het kind te herstellen. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling. Lees meer over Horizon >>

STEPS

Deze therapie bestaat uit psycho-educatie, praten en schrijven over de traumatische gebeurtenis, exposure in vivo, cognitieve herstructurering en terugvalpreventie. Naast de behandeling voor adolescenten is er een parallelle ouderondersteuning. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling. Lees meer over STEPS >>

Veilig, Sterk en Verder (VSV)

Vanaf de aanmelding zijn alle interventies erop gericht de veiligheid thuis aantoonbaar te herstellen en de kinderen zich weer veilig te laten voelen in de relatie met hun ouders. Psychopathologie bij de gezinsleden die het geweld onderhoudt of het gevolg is van het geweld moet afnemen. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over Veilig, Sterk en Verder >>

Don't hit my mommy

Kind-ouder psychotherapie bestaat uit een integratie van psychoanalyse en gehechtheidstheorie en maakt ook gebruik van technieken uit de cognitieve gedragstherapie en de sociale leertheorie. Met beoordeling door de werkgroep Trauma en Kindermishandeling.
Lees meer over 'Don't hit my mommy' >>

Terug naar boven

Medicatie

Deskundigen zijn het erover eens dat kinderen (ook adolescenten) met PTSS in de eerste plaats met psychologische middelen moeten worden behandeld en dat medicatie niet standaard mag worden gebruikt (AACAP, 1998; NICE, 2005). Daarbij speelt een rol dat nog weinig onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van medicatie en vrijwel alleen in open onderzoek, terwijl van psychologische behandelingen de effectiviteit inmiddels wel is aangetoond. Kennelijk komen bij kinderen met PTSS problemen voor die onvoldoende lijken te reageren op psychologische behandeling, waardoor toch een beroep wordt gedaan op medicatie. Bij gebrek aan onderzoeksgegevens over kinderen worden noodgedwongen aanbevelingen voor volwassenen geëxtrapoleerd naar kinderen. Dit gebeurt vaker in de kinder- en jeugdpsychiatrie, maar is aanvechtbaar, omdat farmacodynamiek, farmacokinetiek en bijwerkingenprofiel belangrijk kunnen verschillen tussen volwassenen en kinderen.

Voor de psychofarmacologie zijn vooral die in de neurotransmittersystemen belangrijk, omdat medicatie daar aangrijpt. Waarschijnlijk hangen de verschillende symptoomclusters van PTSS samen met verschillende neurotransmittersystemen (Donnelly, 2003).

Theoretisch zou op grond van deze samenhang het beste middel voor elke symptoomgroep kunnen worden gekozen. In de praktijk blijkt de samenhang tussen medicatie en symptomen minder eenduidig. Dit komt doordat de verschillende neurotransmitter systemen (serotonerg, dopaminerg, adrenerg, etcetera) onderling verband houden, waardoor psychofarmaca die geacht worden specifiek op een bepaald systeem aan te grijpen vaak ook veranderingen op afstand teweegbrengen. Daardoor moet de keus voor een bepaald middel vaak nog via trial and error gebeuren.

Terug naar boven

De behandeling van PTSS bij kinderen en adolescenten zal in eerste instantie altijd een psychologische moeten zijn. Pas wanneer daarmee onvoldoende resultaat wordt bereikt, valt het toevoegen van een medicamenteuze behandeling te overwegen. De voor de hand liggende vraag is hoe te beoordelen valt of met een psychologische behandeling onvoldoende resultaat wordt geboekt, en de daarop volgende vraag is welk geneesmiddel dan moet worden gekozen. Helaas ontbreken voor de beantwoording van beide vragen empirische gegevens. Ofschoon de meest effectieve vormen van psychologische behandeling, TG-CGT en EMDR, in principe een behandelduur hebben van enkele maanden is niet bekend wanneer zij in elk geval effect moeten vertonen voordat gesproken kan worden van een non-respons. Klinische ervaring leert dat een goed resultaat soms pas na een lange duur wordt bereikt.

Totdat empirisch gefundeerde informatie beschikbaar is, kunnen we de volgende op klinische ervaring berustende vuistregels aanreiken op grond waarvan wordt besloten medicatie toe te voegen aan een psychologische behandeling:

Indien angst het een kind onmogelijk maakt een begin te maken met een psychologische behandeling (bijvoorbeeld doordat het kind niet naar de hulpverlener durft te gaan en een psychologische behandeling van de separatieangst onvoldoende resultaat boekt).

Indien na onvoldoende vooruitgang bij een eerste vorm van psychologische behandeling met een tweede methode is gestart en na een periode van circa vier tot zes weken ook hiermee nog geen enkele vooruitgang zichtbaar is, waardoor het kind en zijn ouders hun motivatie dreigen te verliezen.
Indien na onvoldoende vooruitgang bij een eerste vorm van psychologische behandeling met een tweede methode is gestart en na twee tot drie maanden nog slechts een matige vooruitgang is bereikt.
Indien comorbide stoornissen bestaan, die niet reageren op de psychologische behandeling van de PTSS en onvoldoende op de specifieke psychologische behandeling van die stoornissen.

De keus voor het best passende medicijn is in situatie 4 soms eenvoudig, indien voor die stoornis een aparte richtlijn bestaat, zoals bijvoorbeeld bij ADHD of depressie. Wanneer het gaat om PTSS zelf geven ervaren clinici (zie bijvoorbeeld Donnelly, March & Amaya-Jackson, 2006) het advies om bij (1) symptomen van herbelevingen, angst en depressieve symptomen als eerste een SSRI te kiezen; bij (2) verhoogde prikkelbaarheid, motorische rusteloosheid of inslaapproblemen een adrenerg middel als clonidine; bij (3) sterke emotionele labiliteit een anti-convulsief middel als carbamazepine; en bij (4) psychotische symptomen, ernstige agressie of zelfbeschadigend gedrag een atypisch neurolepticum als risperidon.

Hierbij moeten kanttekeningen worden gemaakt. Zoals hierboven duidelijk werd, laat het schaarse tot nu verrichte onderzoek nog maar weinig verband zien tussen PTSS symptomen en de werkzaamheid van verschillende soorten medicijnen. De clinicus, het kind en diens ouders, zijn helaas vaak genoodzaakt de weg van trial and error te volgen bij het vinden van het meest werkzame middel. Daarbij moet ook het bijwerkingenprofiel nadrukkelijk worden betrokken bij het maken van een keus.

Terug naar boven

De middelen voor de behandeling van PTSS bij kinderen waarnaar onderzoek is gedaan, behoren tot de adrenerge, serotonerge, adrenerge/serotonerge, respectievelijk anticonvulsieve middelen.

Adrenerge middelen

De catecholamines noradrenaline, adrenaline en dopamine zijn onder andere betrokken bij de activering van het sympathisch zenuwstelsel. Van adrenerge stoffen zoals de a-2 agonisten clonidine en guanfacine en de b antagonist propanolol kan daarom verwacht worden dat zij sympathische activiteit verlagen, en daarmee PTSS symptomen als verhoogde prikkelbaarheid en opwinding doen afnemen (Donnelly, 2003). Open onderzoeken geven hiervoor aanwijzingen (Famularo e.a., 1988; Harmon & Riggs, 1996; Horrigan, 1996; Perry, 1994). Bij één gevalsbeschrijving werd ook een afname van nachtmerries gezien (Horrigan, 1996). De a-2 agonist clonidine geeft als bijwerking sedatie en een verlaging van de bloeddruk (Harmon & Riggs, 1996), terwijl bij toediening via de huid in pleistervorm ('transdermaal') soms huiduitslag optreedt (Harmon & Riggs, 1996).

Serotonerge middelen

Serotonine is betrokken bij uiteenlopende functies, waaronder de regulering van stemming, angst, agressie en geassocieerd met het optreden van dwanggedachten en dwanghandelingen. Om die reden zouden serotonine heropname remmers (SSRI) een rol kunnen spelen bij de behandeling van PTSS-symptomen als agressie, obsessieve/intrusieve gedachten en suïcidaliteit (Donnelly, 2003). Bij volwassenen nemen SSRI een belangrijke plaats in bij de behandeling van PTSS. Bij kinderen is hun werking nog opvallend weinig onderzocht. Nefazadone bleek in een open onderzoek verbetering te geven van de verhoogde prikkelbaarheid, agressie en inslaapproblemen (Domon & Andersen, 2000), terwijl in een eveneens open onderzoek citalopram op alle PTSS symptoomclusters effect had (Seedat e.a., 2002). Beide middelen gaven bij sommige kinderen de van SSRI bekende gastrointestinale bijwerkingen (misselijkheid, overgeven) en daarnaast slaperigheid. Nefazodone wordt niet meer voorgeschreven in verband met het risico op ernstige leverintoxicatie (Schwetz, 2002). Sertraline werd onderzocht in een klein dubbelblind gerandomiseerd onderzoek in combinatie met een psychologische behandeling (trauma gerichte cognitieve gedragstherapie; TG-CGT), waarbij de andere conditie bestond uit TG-CGT met placebo (Cohen, Mannarino, Perel & Staron, 2007). Aan elke conditie werd deelgenomen door 12 meisjes (leeftijd 10-17 jaar) met posttraumatische symptomen na meegemaakt seksueel misbruik. De geboden combinatiebehandeling duurde twaalf weken. De jongeren in beide condities verbeterden aanzienlijk. De toevoeging van sertraline aan de TF-CGT had nauwelijks meerwaarde, waarbij de kanttekening moet worden gemaakt dat door de relatief kleine onderzoeksgroep eventuele subtiele verschillen niet zouden kunnen worden aangetoond (Cohen e.a., 2007). Bij de 12 meisjes die sertraline gebruikten, werden geen bijwerkingen vastgesteld.

Serotonerge/adrenerge middelen

Het tot op heden enige andere dubbelblind gerandomiseerde onderzoek naar de werking van psychofarmaca bij getraumatiseerde kinderen betrof het tricyclische antidepressieve middel (TCA) imipramine (Robert e.a., 1999). Overigens werd hierbij niet het effect op PTSS, maar op de Acute Stress-stoornis (ASS) onderzocht, en wel bij 25 kinderen, in leeftijd variërend van 2 tot 19 jaar, die een weeklang imipramine, of het klassieke slaapmiddel chloralhydraat ontvingen. Hierbij bleek imipramine effectiever voor de behandeling van PTSS-klachten dan chloralhydraat met responspercentages van respectievelijk 83% en 38%. De verbetering betrof vooral symptomen van herbeleving en van verhoogde prikkelbaarheid.

Anti-convulsieve middelen

Van deze middelen, die worden gebruikt bij de behandeling van epilepsie, wordt verwacht dat zij de veronderstelde prikkeling van het limbisch systeem ('kindling') door de blootstelling aan trauma kunnen tegengaan (Donnelly, 2003). Bij 28 seksueel misbruikte kinderen werd in open onderzoek het effect van carbamazepine getoetst. Bij 22 verbeterden alle PTSS-symptomen, maar bij zes bleven misbruikgerelateerde nachtmerries bestaan (Looff e.a., 1995). Een beperking van dit onderzoek is dat de helft van de kinderen in verband met co-morbide stoornissen (bijvoorbeeld ADHD en depressie) ook andere medicijnen gebruikte, zoals methylfenidaat, clonidineSSRI of TCA.

Terug naar boven

AACAP Official Action (1998). Practice Parameters for the Assessment and Treatment of Children and Adolescents With Posttraumatic Stress Disorder. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 37, 4S-26S.

Boer, F. (2007). Nadat de onderzoekers het veld hebben verlaten. Tijdschrift voor Psychiatrie, 8, 525-527.

Brent, D.A., Perper, J.A., Moritz, G., Liotus, L., Richardson, D., Canobbio, R., et al. (1995). Posttraumatic stress disorder in peers of adolescent suicide victims: predisposing factors and phenomenology. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 34, 209-215.

Cohen, J.A., Mannarino, A.P. & Rogal, S. (2001). Treatment practices for childhood posttraumatic stress disorder. Child Abuse & Neglect, 25, 123-135.

Cohen, J.A., Mannarino, A.O., Perel, J.M. & Staron, V. (2007). A Pilot Randomized Controlled Trial of Combined Trauma-Focused CBT and Sertraline for Childhood PTSD Symptoms. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 46, 811-819.

Domon, S.E. & Andersen, M.S. (2000). Nefazadone for PTSD [letter]. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 39, 942-­943.

Donnelly, C.L. (2003). Post­traumatic stress disorder. In: A. Martin, L. Scahill, D.S. Charney & J.F. Leckman (Eds.), Pediatric Psychopharmacology. Principles and Practice (pp. 580-­591). New York: Oxford University Press.

Donnelly, C.L, March, J..S & Amaya-Jackson, L. (2006). Post­traumatic stress disorder. In M.K. Dulcan & J.M. Wiener (Eds.), Essentials of Child and Adolescent Psychiatry (pp. 479-502). Washington: American Psychiatric Publishing Inc.

Famularo, R., Kinscherff, R. & Fenton, T. (1988). Propranolol treatment for childhood post-traumatic stress disorder, acute type: a pilot study. American Journal of Diseases of Children, 142, 1244-1247.

Harmon, R.J. & Riggs, P.D. (1996). Clinical perspectives: clonidine for posttraumatic stress disorder in preschool children. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 35, 1247-1249.

Horrigan, J.P. (1996). Guanfacine for posttraumatic stress disorder nightmares [letter]. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 35, 975-976.

Looff, D., Grimley, P., Kuller, F., Martin, A. & Shonfield, L. (1995). Carbamazepine for PTSD [letter]. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 34, 703-704.

NICE (2005). Post-traumatic stress disorder (PTSD): the management of PTSD in adults and children in primary and secondary care. London: National Institute for Clinical Excellence (ook verkrijgbaar via NICE website: http://www.nice.org.uk/CG026NICEguideline).

Perry, B.D. (1994). Neurobiological sequelae of childhood trauma: PTSD in children. In Murburg, M.M. (red.), Catecholamine function in post-traumatic stress disorder: emerging concepts (pp. 233-255). Washington, DC: American Psychiatric Press.

Reinblatt, S.P. & Riddle, M.A. (2007). The pharmacological management of childhood anxiety disorders: a review. Psychopharmacology, 191, 67-86.

Robert, R., Blakeney, P.E., Villarreal, C., Rosenberg, L. & Meyer, W.J. (1999). Imipramine treatment in pediatric burn patients with symptoms of acute stress disorder: a pilot study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 873-­882.

Schwetz, B.A. (2002). From the food and drug administration. Journal of the American Medical Association, 287, 1103.

Seedat, S., Stein, D.J., Ziervogel, C., Middleton, T., Kaminer, D., Emsley, R.A., & Rossouw, W. (2002). Comparison of Response to a Selective Serotonin Reuptake Inhibitor in Children, Adolescents, and Adults with Posttraumatic Stress Disorder. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology 12, 37-46.

Terug naar boven

Expertgroep

Het thema Trauma en kindermishandeling is tot stand gekomen en wordt actueel gehouden met dank aan de expertgroep:

  • Alfons Crijnen, kinder- en jeugdpsychiater, De Bascule
  • Marie-José van Hoof, kinder- en jeugdpsychiater en orthopedagoog, TOPGGz Psychotraumacentrum en GGZ Kinderen en Jeugd, Rivierduinen
  • Ramón Lindauer, kinder- en jeugdpsychiater, De Bascule
  • Marcel Schmeets, kinder- en jeugdpsychiater
  • Linda Vogtländer, kinder- en jeugpsychiater, De Waag

Het hoofdstuk Medicatie is in 2010 tot stand gekomen ook met dank aan Frits Boer, kinder- en jeugdpsychiater, emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, AMC.

Terug naar boven

Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling

Eind april 2018 verscheen de ‘Geweld hoort nergens thuis’, een actieprogramma van Rijksoverheid en gemeenten, met daarin een groot aantal maatregelen om huiselijk geweld en kindermishandeling terug te dringen en duurzaam op te lossen. Kenniscentrum-expert Linda Vogtländer en Sander van Arum schreven eerder een visiedocument, dat in de aanpak is geïntegreerd. Lees het nieuwsbericht.

Documenten

>> bekijk het visiedocument (pdf)

Online scholing DSM-5 Accare: Trauma

Jongeren vloggen over kindermishandeling

Zeven jongeren die als kind zijn mishandeld, hebben minister Hugo de Jonge van VWS een vlog gestuurd. In deze video zijn meerdere video's samengebracht. Voor meer vlogs, bekijk het nieuws over de Week tegen kindermishandeling 2018.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close