Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Somatisch Onverklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) bij kinderen en adolescenten

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van een somatisch-symptoomstoornis bij kinderen en adolescenten, ook bekend als somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK). Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving somatisch-symptoomstoornis (SOLK)

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) is veelvoorkomend en komt in lichte, matige tot ernstige (vaak langer durende vorm) voor. Kinderen met lichte SOLK kunnen in de eerste lijn worden gezien en behandeld. De matige tot ernstige SOLK worden in de psychiatrie en multidisciplinaire centra behandeld. De DSM-5 (American Psychiatric Association, 2013) bevat de categorie 'Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen'. De tekst in deze praktijkstandaard volgt veelal de multidisciplinaire richtlijn SOLK (Landelijke Stuurgroep MDR, 2010), de richtlijn Somatische onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten bij kinderen (NVK, 2019), en GGZ zorgstandaard SOLK. In de huidige praktijkstandaard is echter gekozen voor de term somatisch-symptoomstoornis, aangezien het hier gaat om de diagnostiek en behandeling van matige tot ernstige lichamelijke klachten waarbij sprake is van lijdensdruk.

De somatisch-symptoomstoornis is een DSM-5 classificatie waarbij de betrokkene één of meer lichamelijke klachten heeft die het dagelijks leven in belangrijke mate verstoort en waarbij de ervaren ernst van de klachten of de ervaren gevolgen van de klachten groter zijn dan passend bij een eventuele somatische (medische) diagnose. De somatisch-symptoomstoornis wordt door onder andere artsen, psychologen en fysiotherapeuten ook wel SOLK genoemd: somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. Andere benamingen voor deze klachten zijn: somatoforme stoornis, functionele klachten of psychosomatische klachten (Eminson, 2007; Moens & Braet, 2014). Het gaat hierbij om lichamelijke klachten die langer dan enkel weken of maanden duren en waarbij na adequaat medisch onderzoek geen somatische aandoening is gevonden die de klachten voldoende verklaart of een eventueel aanwezige somatische aandoening kan de klachten onvoldoende verklaren. Er is sprake van “excessieve gedachten, gevoelens of gedragingen samenhangend met de lichamelijke klachten of de hiermee gepaarde gaande zorgen over de gezondheid” (DSM-5).

Terug naar boven

Kinderen en jongeren met onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) hebben reële klachten. Wanneer deze klachten matig tot ernstig van aard zijn, en er dus sprake is van een somatisch-symptoomstoornis, hebben deze klachten een grote impact op het dagelijks leven van zowel het kind zelf, de ouders als het hele gezin. Een somatisch-symptoomstoornis bij kinderen kan leiden tot bedlegerigheid, (volledig) schoolverzuim, niet meer kunnen uitoefenen van hobby's, sociale isolatie, en angst of bezorgdheid als gevolg van de SOLK (Van Beusekom, 2014). Een zeer ernstige vorm van een somatisch-symptoomstoornis is Pervasive Refusal Syndroom (PRS). Dit betreft een zeer zeldzame stoornis, waarbij de jongere onder meer gedeeltelijk of volledig weigert te eten, bewegen, praten en voor zichzelf te zorgen. Onderzoek veronderstelt dat aangeleerde hulpeloosheid en traumatisering hier ten grondslag liggen (Dewitte & Benoot, 2008). PRS is niet opgenomen in de DSM-5 (Cherlet et al., 2018).

Bij SOLK en somatisch-symptoomstoornis gaat het over onderstaande lichamelijke klachten of een combinatie daarvan:

  • Pijnklachten, bijvoorbeeld hoofdpijn, buikpijn, rugpijn, spierpijn, gewrichtspijn.
  • Chronische vermoeidheid
  • Conversiestoornis/Functionele neurologische stoornis (FNS). Dit betreft het uitvallen van een willekeurige motorische of sensorische functies zonder onderliggende somatische of psychische aandoening, bijvoorbeeld: tremoren, verlammingsverschijnselen, visuele uitval, doofheid, geheugenverlies, of verlies van spraak.
  • Overige klachten. Hierbij kan gedacht worden aan misselijkheid, spijsverteringsklachten, slikklachten of duizeligheid.

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten kunnen enkelvoudig voorkomen of met psychische of somatische comorbiditeit.

SOLK is een werkhypothese gebaseerd op de aanname dat een somatische/psychische aandoening is uitgesloten. De werkhypothese kan aangepast worden, wanneer er bijvoorbeeld bij verandering van klachten toch een somatische/psychische aandoening wordt gevonden, die de klachten verklaart (Landelijke Stuurgroep MDR, 2010; NVK, 2019). Onderzoek laat zien dat bij adequate diagnostiek slechts bij 0,5% een diagnose gemist is, zonder adequate diagnostiek is dit bij 8,8% (Eikelboom et al., 2016).  Hierbij is het belangrijk te letten op de differentiaaldiagnose.

Terug naar boven

Het DSM-5 handboek schat de prevalentie van de somatisch-symptoomstoornis in de algemene volwassen bevolking op 5-7% (paragraaf 11.8). Onderzoek bij kinderen met pijnklachten laat een percentage van 8,6% zien dat voldoet aan de criteria van somatisch-symptoomstoornissen (Cozzi & Barbi, 2019; Cozzi et al., 2017).

Patiënten met SOLK vormen een heterogene groep. Klachten kunnen chronisch of recidiverend zijn en de beperking in functioneren kan verschillend zijn (Creed, 2009). Prevalentiecijfers van SOLK variëren afhankelijk van de gestelde criteria voor een diagnose. De meest voorkomende klachten bij kinderen zijn buikpijn, hoofdpijn, misselijkheid en maagklachten, vermoeidheid en spier- en gewrichtspijn (Eminson, 2007; Fiertag et al., 2012; Moens & Braet, 2014). De Nederlandse gegevens komen globaal overeen met internationale cijfers. Tien tot 15% van de jongeren in Nederland heeft klachten zoals hoofdpijn, vermoeidheid, spierpijn, duizeligheid of buikklachten (Janssens, 2011). Binnen de geestelijke gezondheidszorg wordt zelfs een percentage van 18% gevonden van jongeren met SOLK (Visser et al., 2019). Van het aantal jeugdigen (10-16 jaar) bij wie de kinderarts geen lichamelijke verklaring voor hun klachten heeft gevonden, blijkt 66% vaak tot heel vaak last te hebben van hun klachten. Hiervan heeft 30% vaak of heel vaak last van hoofdpijn, 21% van buikpijn, 18% van misselijkheid of maagklachten, 16% van verminderde energie en 16% heeft last van lage rugpijn (Meesters et al., 2003). Uit hetzelfde onderzoek van Meesters en collega's (2003) bleek verder dat ongeveer 12,7% van de jeugdigen met SOLK zeven of meer ernstige lichamelijke klachten rapporteerden.

De prevalentie van SOLK is in de kindertijd ongeveer gelijk bij jongens en meisjes (Eminson, 2007; Shaw et al., 2010). Vanaf de puberteit komen SOLK meer voor bij meisjes (Van Geelen et al., 2015; Meesters et al., 2003) en is er een toename in de prevalentie zichtbaar (Lieb et al., 2000). Uit onderzoek bleek dat ondanks de hogere prevalentie onder meisjes, zij minder beperkingen in het dagelijks functioneren rapporteren dan jongens (Van Geelen et al., 2015).

Terug naar boven

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) kunnen voorkomen op elke leeftijd en in verschillende gradaties, maar de meeste SOLK beginnen in de kindertijd of vroege adolescentie (Fiertag et al., 2012). De oorzaak van SOLK is bijna altijd multifactorieel. Factoren die mogelijk een rol kunnen spelen bij het ontstaan en onderhouden van SOLK zijn genetische factoren, stressvolle/traumatische gebeurtenissen, persoonlijkheidsfactoren en wijze van coping, aangeleerd gedrag binnen gezin of nabije omgeving (learned complaints), gezinsfactoren en het eerder doorgemaakt hebben van een lichamelijke ziekte, zoals een virale aandoening.

Met behulp van diagnostische modellen zoals het biopsychosociaal verklaringsmodel (BPS-model) of het gevolgenmodel kunnen de factoren in kaart worden gebracht die een rol spelen bij het ontstaan en/of in stand houden van SOLK (Landelijke Stuurgroep MDR, 2010; NVK, 2019) en/of een somatisch-symptoomstoornis. Op basis van de uitwerking van het model bepalen de behandelaar en patiënt op welke factoren de behandeling zich gaat richten.

Terug naar boven

In een derde tot de helft van de gevallen van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) is er sprake van psychiatrische comorbiditeit (Visser et al., 2019; Fiertag et al., 2012; Garralda, 2010; Konijnenberg et al., 2006). Soms is er al een psychiatrische stoornis aanwezig voordat de lichamelijke klachten beginnen. Meestal ontwikkelen de psychische klachten zich secundair aan de lichamelijke klachten (Fiertag et al., 2012). Dit kan bijvoorbeeld doordat de lichamelijke klachten een andere stoornis hebben gemaskeerd.

Kinderen met SOLK hebben vaak angst en depressieve klachten (op symptoomniveau en als stoornis; (Kallesøe, 2020; Eminson, 2007; Garralda, 2010; Weersing et al., 2012), maar het is niet duidelijk of deze klachten oorzaak of gevolg zijn. Angst en depressie zijn mogelijk eerder risicofactoren voor het ontwikkelen van SOLK dan gevolgen van SOLK. Een kind met SOLK loopt tevens een groter risico op het ontwikkelen van psychische kwetsbaarheden wanneer het zich veel zorgen maakt en piekert over de aanwezigheid van symptomen (Van Geelen et al., 2015; Rimes et al., 2007; Janssens et al., 2010). Bij kinderen met SOLK wordt ook vaker comorbide problematiek beschreven zoals ODDADHD en autisme (Eminson, 2007; Van de Putte et al., 2008). Er zijn ook lichamelijke klachten die onderdeel zijn van een psychiatrische stoornis zoals vermoeidheid bij een depressie, eetstoornis of autisme.

Terug naar boven

De prognose voor kinderen met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) is over het algemeen goed. De meeste kinderen herstellen op de korte termijn. Echter, één op drie kinderen vertoont langer dan een jaar na presentatie nog klachten (Berger, 2017). Een snelle aanpak van de SOLK geeft de grootste kans op herstel (Nijhof et al., 2013). De huisarts speelt een belangrijke rol in het snel herkennen van SOLK en initiëren van de behandeling door indien nodig tijdig door te verwijzen naar de juiste hulpverlening. De duur van de klachten is voorspellend voor de duur en de mate van herstel.

De prognose is verschillend voor de verschillende syndromen die binnen SOLK onderscheiden worden (Dhossche et al., 2001; Lieb et al., 2002; Pehlivantürk & Unal, 2002). Bij de prognose spelen ook de leeftijd van het kind, het ontstaan en de duur van de klachten, comorbiditeit en de mate van dysfunctioneren binnen het gezinssysteem een rol. Daarnaast bleek dat wanneer een gezinslid ook SOLK heeft, dit een negatieve invloed kan hebben op de prognose van het kind. Ook wanneer kinderen de klachten als bedreigend ervaren, geloven dat ze minder goed in staat zijn om met de klachten om te gaan, en wanneer ze meer beperkingen in het dagelijks leven rapporteren, lopen zij een verhoogd risico op persisterende klachten (Kallesøe, 2020; Berger, 2017).

De presentatie en het patroon van SOLK veranderen met het ontwikkelingsstadium waar het kind zich in bevindt (Van Beusekom, 2014). Spanningen kunnen zich uiten als lichamelijke klachten, wanneer het kind zijn gevoelens en emoties nog niet voldoende kan verbaliseren en mentaliseren. Daarnaast kunnen biologische veranderingen bij het kind, zoals groei en puberteit, ook van invloed zijn op SOLK.

Bij een klein deel van de kinderen met SOLK duren de klachten voort tot in de volwassen leeftijd. Dit kan uiteindelijk leiden tot een lager opleidingsniveau en hogere zorgkosten (Kallesøe, 2020; Eminson, 2007; Fiertag et al., 2012). Tijdige herkenning van SOLK en vroegtijdige behandeling is van belang om chronische klachten en bijbehorende negatieve gevolgen te voorkomen.

Terug naar boven

De ouders/verzorgers spelen een belangrijke rol in de zorg voor hun kind. Het kan voor ouders/verzorgers lastig zijn om lichamelijke klachten bij hun jongere kind te herkennen en erkennen en op de juiste wijze te interpreteren, mede omdat kinderen niet altijd goed kunnen aangeven waar ze last van hebben (Carr, 2015; Eminson, 2007). Bij sommige kinderen komt stress meer als lichamelijke klacht tot uiting. Eenmaal bij een verwijzer zijn het vaak de ouders die de klachten omschrijven, voornamelijk bij jongere kinderen. Dit kan resulteren in een ander beeld van de klachten dan hoe het kind die zelf ervaart (Eminson, 2007). Het is van belang om het jongere kind en de jongere tijdens de intake zoveel mogelijk te stimuleren om ook zelf proberen de klachten te verwoorden. Dit kan bijvoorbeeld door na een gezamenlijke start in de intake ouders/verzorgers en kind ook even apart te spreken.

Als de ouders/verzorgers of een verwijzer niet goed tot een gezamenlijk gedragen visie of plan komen, kan dit een belemmering vormen waardoor het kind niet in behandeling komt voor een somatisch-symptoomstoornis. Vanaf het onderzoek en het advies bij de (kinder-)arts of huisarts, via de verwijzing naar en het vervolg bij de psycholoog/ggz en terugkoppeling/eventueel terugverwijzing, dient het proces logisch en goed vormgegeven te zijn, ten einde het vertrouwen bij het gezin te maximaliseren en risico op uitval te minimaliseren. Een vast samenwerkingsverband biedt hiervoor meer garanties.

Het is noodzakelijk om de ouders/verzorgers te betrekken bij de diagnostiek en behandeling en rekening te houden met hun zorgen en ideeën over de klachten (Malas et al., 2017; Eminson, 2007). Het kind of jongere en ouders/verzorgers kunnen zich niet serieus genomen voelen bij verwijzing naar de psychologische- of ggz hulpverlening omdat ze zelf een somatische oorzaak van de klachten vermoeden en vinden dat dit eerst behandeld of in ieder geval uitgesloten dient te worden. Tevens kunnen de onverklaarde symptomen veel frustratie oproepen bij het gezin (Malas et al., 2017).

Ouders/verzorgers behoeven daardoor soms meer tijd en aandacht om zich bewust te worden en te accepteren dat er bij hun kind sprake is van SOLK. Het is daarom belangrijk om in het contact met ouders/verzorgers en kind een open sfeer te creëren en tot een gezamenlijke visie met ouders/verzorgers en kind te komen. Psycho-educatie voor de ouders/verzorgers over SOLK dan wel een somatisch-symptoomstoornis met een individueel, op het kind aangepaste analyse van de in standhoudende factoren van de lichamelijke klacht kan hierbij helpen. Hierbij is het van belang om ook gezinsfactoren mee te nemen, zoals het omgaan in het gezin met somatische klachten.

Goede communicatie tussen beide ouders/verzorgers en tussen de ouders en de behandelaar bevordert het herstel van het kind. Bij alle facetten van de diagnostiek, het advies en het voorstel voor behandeling en verwijzing dient de behandelaar rekening te houden met de ontwikkelingsfase en -mogelijkheden van het kind en zowel ouders als kind te betrekken. Het afstemmen van de uitleg aan het kind kan bijvoorbeeld veel angstreductie en daarmee direct al klachtvermindering geven.

In de diagnostiekfase kan de behandelaar aansluiten bij de wijze waarop ouders en kind ten opzichte van elkaar een plek innemen en zich primair richten op concretiseren en verduidelijken bij alle partijen. Wanneer bijzonderheden in de interacties worden geobserveerd kan in tweede instantie worden gezocht naar een wijze om deze te bespreken en ze in de analyse en behandeldoelen een plek te geven.

Terug naar boven

American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5th Ed.). Arlington, VA: American Psychiatric Publishing.American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5th Ed.). American Psychiatric Publishing.

Berger M.Y. (2017). SOLK bij kinderen: onverklaarde buikpijn. In: van der Horst H., de Wit N. (Eds.) Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten. Praktische huisartsgeneeskunde. Bohn Stafleu van Loghum.

Beusekom, B. S. van (2014). Somatische symptoomstoornis en verwante stoornissen. In F.C. Verhulst, F. Verheij & M. Dankaerts (Eds.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie (pp.281-302). Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum.

Carr, A. (2015). The handbook of child and adolescent clinical psychology: A contextual approach. Routledge.

Cherlet, S., De Groote, I., & Jespers, I. (2018). Extreme regressie bij een kind na migratie en trauma. Tijdschrift voor Psychiatrie60(6), 411-414.

Cozzi, G., & Barbi, E. (2019). Facing somatic symptom disorder in the emergency department. Journal of paediatrics and child health55(1), 7–9. https://doi.org/10.1111/jpc.14246

Cozzi, G., Minute, M., Skabar, A., Pirrone, A., Jaber, M., Neri, E., Montico, M., Ventura, A., & Barbi, E. (2017). Somatic symptom disorder was common in children and adolescents attending an emergency department complaining of pain. Acta paediatrica (Oslo, Norway : 1992)106(4), 586–593. https://doi.org/10.1111/apa.13741

Creed F. (2009). The outcome of medically unexplained symptoms--will DSM-V improve on DSM-IV somatoform disorders?. Journal of psychosomatic research66(5), 379–381. https://doi.org/10.1016/j.jpsychores.2008.10.022

Dewitte, I., & Benoot, J. (2008). Hoe onderscheiden we eet-en voedingsproblemen van eet-en voedingsstoornissen bij kinderen? Psychopraxis10(1), 16-22.

Dhossche, D., Ferdinand, R., van der Ende, J., & Verhulst, F. (2001). Outcome of self-reported functional-somatic symptoms in a community sample of adolescents. Annals of clinical psychiatry : official journal of the American Academy of Clinical Psychiatrists13(4), 191–199. https://doi.org/10.1023/a:1014686318060

Eikelboom, E. M., Tak, L. M., Roest, A. M., & Rosmalen, J. (2016). A systematic review and meta-analysis of the percentage of revised diagnoses in functional somatic symptoms. Journal of psychosomatic research88, 60–67. https://doi.org/10.1016/j.jpsychores.2016.07.001

Eminson D. M. (2007). Medically unexplained symptoms in children and adolescents. Clinical psychology review27(7), 855–871. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2007.07.007

Fiertag, O., Taylor, S., Tareen, A., & Garralda, E. (2012). Somatoform disorders. In: Rey, J.M. (Ed.). IACAPAP e-Textbook of Child and Adolescent Mental Health. Geneva: International Association for Child and Adolescent Psychiatry and Allied Professions.

Garralda M. E. (2010). Unexplained physical complaints. Child and adolescent psychiatric clinics of North America19(2), 199–vii. https://doi.org/10.1016/j.chc.2010.01.002

Geelen, van S. M., Rydelius, P. A., & Hagquist, C. (2015). Somatic symptoms and psychological concerns in a general adolescent population: Exploring the relevance of DSM-5 somatic symptom disorder. Journal of Psychosomatic Research, 79(4), 251–258. https://doi.org/10.1016/j.jpsychores.2015.07.012

Janssens, K. A., Rosmalen, J. G., Ormel, J., van Oort, F. V., & Oldehinkel, A. J. (2010). Anxiety and depression are risk factors rather than consequences of functional somatic symptoms in a general population of adolescents: the TRAILS study. Journal of child psychology and psychiatry, and allied disciplines51(3), 304–312. https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2009.02174.x

Janssens, K. A. M. (2011). The etiology of functional somatic symptoms in adolescents. A new perspective on lumping and splitting. Academisch proefschrift. Groningen: Rijksuniversiteit.

Kallesøe, K.H., Schröder, A., Wicksell, R.K. et al.(2020). Feasibility of group-based acceptance and commitment therapy for adolescents (AHEAD) with multiple functional somatic syndromes: a pilot study. BMC Psychiatry 20, 457. https://doi.org/10.1186/s12888-020-02862-z

Konijnenberg, A. Y., de Graeff-Meeder, E. R., van der Hoeven, J., Kimpen, J. L., Buitelaar, J. K., Uiterwaal, C. S., & Pain of Unknown Origin in Children Study Group (2006). Psychiatric morbidity in children with medically unexplained chronic pain: diagnosis from the pediatrician's perspective. Pediatrics117(3), 889–897. https://doi.org/10.1542/peds.2005-0109

Landelijke Stuurgroep MDR (2010). Multidisciplinaire richtlijn Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) en somatoforme stoornissen. Trimbos-instituut.

Lieb, R., Pfister, H., Mastaler, M., & Wittchen, H. U. (2000). Somatoform syndromes and disorders in a representative population sample of adolescents and young adults: prevalence, comorbidity and impairments. Acta psychiatrica Scandinavica101(3), 194–208.

Lieb, R., Zimmermann, P., Friis, R. H., Höfler, M., Tholen, S., & Wittchen, H. U. (2002). The natural course of DSM-IV somatoform disorders and syndromes among adolescents and young adults: a prospective-longitudinal community study. European psychiatry : the journal of the Association of European Psychiatrists17(6), 321–331. https://doi.org/10.1016/s0924-9338(02)00686-7

Malas, N., Ortiz-Aguayo, R., Giles, L., & Ibeziako, P. (2017). Pediatric Somatic Symptom Disorders. Current Psychiatry Reports, 19(2). https://doi.org/10.1007/s11920-017-0760-3

Meesters, C., Muris, P., Ghys, A., Reumerman, T., & Rooijmans, M. (2003). The Children's Somatization Inventory: further evidence for its reliability and validity in a pediatric and a community sample of Dutch children and adolescents. Journal of pediatric psychology28(6), 413–422. https://doi.org/10.1093/jpepsy/jsg031

Moens, E., & Braet, C. (2014). Protocollaire behandeling van somatoforme stoornissen. In: C. Braet & S. Bögels (Eds.). Protocollaire behandelingen voor kinderen en adolescenten met psychische klachten 1. Boom.

Nijhof, S. L., Priesterbach, L. P., Uiterwaal, C. S., Bleijenberg, G., Kimpen, J. L., & van de Putte, E. M. (2013). Internet-based therapy for adolescents with chronic fatigue syndrome: long-term follow-up. Pediatrics131(6), e1788–e1795. https://doi.org/10.1542/peds.2012-2007

NVK (2019). Richtlijn Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) bij kinderen.

Pehlivantürk, B., & Unal, F. (2002). Conversion disorder in children and adolescents: a 4-year follow-up study. Journal of psychosomatic research52(4), 187–191. https://doi.org/10.1016/s0022-3999(01)00306-3

Putte, E.M. van de, Böcker, K.B., Buitelaar, J., Kenemans, J.L., Engelbert, R.H.H., Kuis, M., Kimpen, J.L.L., & Uiterwaal, C.S.P.M. (2008). Deficits of interference control in adolescents with chronic fatigue syndrome. Archives of Pediatric Adolescent Medicine162(12), 1196-1197.

Putte, E. M. van de, Teeuw, A. H., & Schoonenberg, N. J. (2013). Pediatric condition falsification (PCF). In: E.M. van de Putte, I.M.A. Lukkassen, I.M.B. Russel, & A.H. Teeuw (Eds.). Medisch handboek kindermishandeling.  Bohn Stafleu van Loghum.

Rimes, K. A., Goodman, R., Hotopf, M., Wessely, S., Meltzer, H., & Chalder, T. (2007). Incidence, prognosis, and risk factors for fatigue and chronic fatigue syndrome in adolescents: a prospective community study. Pediatrics119(3), e603–e609. https://doi.org/10.1542/peds.2006-2231

Shaw, R. J., Spratt, E. G., Bernard, R. S., & DeMaso, D.R. (2010). Somatoform disorders. In: R.J. Shaw & D.R. DeMaso (Eds.). Textbook of pediatric psychosomatic medicine. American Psychiatric Publishing, Inc.

Visser, I. E., Zegers, V. M., van der Linde, H. L., & de Haan, E. (2019). Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten bij jongeren: wat wordt de focus van behandeling? Kind en adolescent, 40(4), 315–329. https://doi.org/10.1007/s12453-019-00217-4

Weersing, V. R., Rozenman, M. S., Maher-Bridge, M., & Campo, J. V. (2012). Anxiety, Depression, and Somatic Distress: Developing a Transdiagnostic Internalizing Toolbox for Pediatric Practice. Cognitive and behavioral practice19(1), 68–82. https://doi.org/10.1016/j.cbpra.2011.06.002

Terug naar boven

Diagnose somatisch-symptoomstoornis (SOLK)

Kinderen of jongeren met een somatisch-symptoomstoornis (matige tot ernstigere vormen van SOLK) hebben vaak een lang medisch traject doorlopen waarbij geen of een gedeeltelijke somatische oorzaak is gevonden voor hun klachten. Het kind of jongere en de ouders/verzorgers kunnen zich niet serieus genomen voelen bij verwijzing naar de jeugd-ggz, omdat zij zelf een somatische oorzaak van de klachten vermoeden (Fiertag et al., 2012; Kreipe, 2006, in Shaw et al., 2010). Het is van belang om bij het uitvragen van de lichamelijke en psychosociale factoren door te vragen op de beleving van en ervaringen rondom het medisch diagnostisch traject. Het komt voor dat het doorlopen van het medisch diagnostische traject als negatief is ervaren, omdat kind of jongere en ouders/verzorgers zich niet gehoord en erkend hebben gevoeld. De therapeut staat stil bij deze ervaringen en vraagt uit of er sprake is van posttraumatische stressklachten en of het kind door deze ervaringen anders naar zichzelf is gaan kijken. Het krijgen van consensus over de factoren die een rol spelen bij de klacht en de aanpak daarvan is noodzakelijk voor een succesvol vervolg. Bij de medische diagnostiek van somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten is het uitsluiten van een somatische oorzaak en consensus hierover met kind en ouders/verzorgers de eerste stap.

Het is goed om in het achterhoofd te houden dat het bij een somatisch-symptoomstoornis gaat om klachten waarvoor op dit moment na adequate medische diagnostiek geen onderliggende oorzaak wordt gevonden, maar waarvoor mogelijk in de toekomst wel een ziekte ontdekt wordt die de klachten kan verklaren. Andersom, wanneer bij het kind een somatische aandoening wordt vastgesteld, sluit dit de aanwezigheid van SOLK niet uit (Shaw et al., 2010). De klachten kunnen namelijk ernstiger of langduriger zijn, ofwel het functioneren sterker beperken dan op basis van de aandoening te verwachten is (Landelijke Stuurgroep MDR, 2010).

Terug naar boven

De kinder- en jeugdpsychiater of -psycholoog neemt bij ouders en kind een gerichte klachtenanamnese af, volgens het biopsychosociaal model of het gevolgenmodel (zie 'Diagnostische modellen'), waaronder:

  • Biologische factoren: aanleg; erfelijkheid; reactieve stress; slaap, voeding en beweging; multimedia gebruik en gebruik van genotsmiddelen
  • Psychologische factoren: persoonlijkheid, coping, welbevinden; stressfactoren, belemmerende factoren en beschermende factoren
  • Sociale factoren: gezin; familie; school; vrienden; en vrijetijdsbesteding
  • Negatieve levenservaringen en traumatische gebeurtenissen
  • Een exploratie van eventuele andere klachten
  • Inventariseren eerdere medische/psychiatrische hulpverlening, inclusief werkzame, onwerkzame en tot verslechtering leidende interventies

Naast een uitgebreide klachtanamnese worden de ontwikkelingsanamnese, gezinsanamnese en familieanamnese uitgevraagd, met expliciete aandacht voor het uitvragen van traumatische gebeurtenissen.

Bij de ontwikkelingsanamnese dient er specifiek aandacht te zijn voor internaliserende problemen tijdens de ontwikkeling en de aanwezigheid van lichamelijke klachten en ziekten (Van Beusekom, 2014). Verder neemt de behandelaar een psychiatrische familieanamnese af, met in het bijzonder de somatoforme en internaliserende stoornissen (Van Beusekom, 2014).

Als een vermoeden bestaat dat gezinsfactoren een rol hebben in het ontstaan of onderhouden van de klachten, kan een gezinsdiagnostisch onderzoek worden uitgevoerd, waarbij de behandelaar met alle gezinsleden spreekt over de invloed van de lichamelijke klachten op de individuele gezinsleden en op het hele gezin. Bepaalde gezinssituaties kunnen ertoe bijdragen dat voorwaarden voor het herstel niet optimaal zijn. Hierbij valt te denken aan stress in het gezin, disfunctioneren van de ouders als partners of opvoeders en de manier van omgaan met ziekte en pijn binnen het gezin. Angst en depressie zijn immers zowel bij volwassenen als jeugdigen geassocieerd met lichamelijke klachten (Henningsen, Zimmermann & Sattel, 2003).

Terug naar boven

Bij de diagnostiek van een somatisch-symptoomstoornis kan worden uitgegaan van verschillende modellen. Naast gebruik van het gekozen model bepaalt de diagnosticus de instrumenten, voortkomend hieruit wordt een behandelplan geformuleerd.

Biopsychosociaal model

Het biopsychosociaal model gaat ervan uit dat bij elke ziekte en verstoring in het functioneren altijd alle drie de grote domeinen – biologisch, psychologisch en sociaal – een significante rol spelen. Dit is een zeer geschikt model om tijdens de diagnostiekfase de factoren in kaart te brengen die in hun onderlinge samenhang een rol kunnen spelen bij het ontstaan en voortduren van SOLK. Naast het onderscheid in de factoren per domein kan ook onderscheid gemaakt worden in:

  • Predisponerende factoren zijn vaak al lang bestaande of genetische kenmerken of vroege ervaringen die iemand kwetsbaar maken voor het ontstaan van de klacht of stoornis.
  • Luxerende factoren lokken de klacht of stoornis uit.
  • Instandhoudende factoren onderhouden de klacht of stoornis of maken hem erger.

Met het in kaart brengen van alle factoren ontstaat een matrix van op elkaar inwerkende factoren (zie Figuur 1 voor een voorbeeld). Het onderscheid tussen de verschillende factoren is van wezenlijk belang voor de keuze van de behandeling voor de individuele patiënt. Het BPS is bedoeld om het ontstaan van de klachten te begrijpen, maar ook om handvatten te bieden voor behandeling. Het verstoorde dag/nachtritme werkt bijvoorbeeld onderhoudend (biologische factor) voor vermoeidheid. Psychologisch onderhoudend zijn bijvoorbeeld catastroferende cognities, zoals 'dit komt nooit meer goed' bij buikpijn. Een voorbeeld van onderhoudende factoren in de omgeving is de school die te hoge of juist te lage eisen stelt aan het kind.

Figuur 1. Het biopsychosociaal model, met voorbeelden van predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren

Het bio-psychosociale model
Biologische factoren Psychologische en psychiatrische factoren Sociale factoren
Predisponerend
(kwetsbaarheid)
  • Genetische kwetsbaarheid voor fysieke aandoeningen of stress
  • Lichamelijke ziekten
  • Vroege fysieke/ seksuele trauma’s
  • Ontwikkelingsachterstand
  • Overmatige aandacht van ouders voor lichamelijke klachten van kind
  • Kindermishandeling en getuige zijn van huiselijk geweld
  • Affectieve verwaarlozing
  • Onveilige gehechtheid
  • Alexithymie
  • Angst, somberheid
  • Catastroferende ouders
  • Gezinsleden met lichamelijke en psychische ziekten
  • Familiaire interactie - patronen in de omgang met ziekten
  • Overmatige aandacht voor fysieke gezondheid
  • Overbescherming door ouders
Direct uitlokkend
  • Fysieke overbelasting (sport)
  • Infecties, operaties, ongevallen
  • Chronische ziekten
  • Psychische stress (toetsen)
  • Psychische trauma’s (bijv. gepest worden)
  • Life events binnen en buiten het gezin
Instandhoudend
  • Gestoord slaap-waakritme
  • Verstoorde voedselinname
  • Conditieverlies
  • Uitputting
  • Over-/onderactiviteit
  • Verhoogde spierspanning
  • Concentratieverlies
  • Heftige emoties
  • Catastroferen
  • Angst, somberheid
  • Selectieve aandacht voor klachten (hypervigilantie)
  • Inadequate cognities
  • Door zichzelf laag ingeschatte gezondheid
  • Gestoord slaap-waakritme
  • Verstoorde voedselinname
  • Conditieverlies
  • Uitputting
  • Over-/onderactiviteit
  • Verhoogde spierspanning

Gevolgenmodel

Het gevolgenmodel is een diagnostisch model voor het inventariseren van chronische lichamelijke klachten en de gevolgen (zie Figuur 2 voor een uitgewerkt voorbeeld). Deze werkwijze sluit goed aan bij de beleving van de patiënt. Tijdens de intake volgens het gevolgenmodel exploreert de behandelaar de gevolgen van de lichamelijke klacht op diverse terreinen. Daarnaast zijn de ideeën over de klacht belangrijk, omdat deze de emotionele en gedragsmatige gevolgen van de klacht aansturen. Hierbij gaat het zowel om ideeën over de oorzaak van de klachten als om de betekenisgeving van de klacht. Hoe jonger het kind is en dus hoe afhankelijker het kind is van ouders, hoe meer gevolgen ook worden bepaald door de ideeën en reacties van de ouders. In het gevolgenmodel wordt daarom ook naar de reactie en betekenisgeving van de ouders gevraagd. In samenspraak met de jeugdige en ouders brengt de behandelaar vervolgens de gevolgen van de klachten voor de jeugdige, ouders en het gezin in kaart. Deze zijn in verschillende categorieën in te delen: cognitief-emotionele, gedragsmatige, lichamelijke en sociale gevolgen. Vervolgens stelt de behandelaar de meest direct in standhoudende factoren voor deze specifieke klacht vast en brengt ze met elkaar in verband in de vicieuze cirkel. Zo ontstaat zicht op datgene wat de lichamelijke klacht versterkt. Veel voorkomende basispatronen hierbij zijn (1) het kind en/of ouders reageren met catastrofale cognities, angst en vermijdingsgedrag, (2) het kind en/of ouders reageren met niet-accepterende gedachten, boosheid en doorgaan ondanks de klachten, (3) het kind en/of ouders reageren met defaitistische gedachten, een sombere stemming en zich terugtrekken. Uiteraard zijn er nog vele andere cirkels en combinaties van cirkels denkbaar.

Op grond van de meest direct in standhoudende factor voor de specifieke lichamelijke klacht van het kind selecteert de behandelaar een evidence based interventie die deze factor aanpakt. Op deze manier worden de omstandigheden voor het herstel geoptimaliseerd en is afname van de klacht mogelijk.

Figuur 2. Een ingevuld voorbeeld van het Gevolgenmodel (klik op de afbeelding om de pdf te downloaden)

Model Ingevuld Kind

Model gebaseerd op Cognitieve gedragstherapie (CGT)

Het biopsychosociaal model levert een holistische theorie over hoe biologische, psychologische en sociale factoren een bijdrage leveren tot het ontstaan en blijven bestaan van een lichamelijke klacht.

De cognitieve gedragstherapie (CGT) sluit heel goed aan bij het biopsychosociaal model. Bij CGT wordt immers eveneens gestart met een diagnostische fase gericht op probleeminventarisatie en het verkrijgen van informatie over de factoren die een rol spelen bij de ontstane problematiek.

Op basis van de vergaarde informatie wordt een holistische theorie gemaakt. Hierin wordt de samenhang weergegeven van de verschillende problemen en het gedrag (Korrelboom & ten Broeke, 2014). Deze holistische theorie bestaat uit 1) ontwikkelingen en ervaringen, 2) persoonlijke eigenschappen en kritische gebeurtenissen, en 3) klachten en problemen. Dit proces is heel vergelijkbaar met biopsychosociaal model.

Vanuit de holistische theorie/biopsychosociaal model vindt bij CGT de verdere casusconceptualisatie plaats gericht op mogelijke predisponerende, luxerende en instandhoudende factoren. De factoren kunnen in kaart worden gebracht door de functie en betekenis van het "probleem"gedrag (Korrelboom & ten Broeke, 2014). De functieanalyse (FA) en betekenisanalyse (BA) zijn pogingen om de problematiek in schematische vorm te verklaren. Bij beide zijn het diagnostische zoekschema's die de behandelaar sturen in zijn diagnostiek en interventiekeuze met betrekking tot de aangrijpingspunten van de behandeling. Bij SOLK gaat het om het disfunctionele gedrag en niet om de lichamelijke klacht. Dit kan bijvoorbeeld zijn doorgaan ondanks de pijn of juist vermijden van activiteiten. De CGT diept hierbij allereerst uit wat de functie van dit gedrag is.

De functieanalyse verloopt in zeven stappen, zie Korrelboom en ten Broeke (2014). Hierbij is het meest belangrijke om de vermeende positieve gedragsconsequenties te identificeren, deze houden het gedrag het meest direct in stand. Een voorbeeld hiervan is doorgaan ondanks de klachten, om falen te voorkomen. Wanneer deze vermeende positieve gedragsconsequentie een geconditioneerde stimulus (CS) is, wordt de betekenisanalyse ingezet om te achterhalen wat de onderliggende meegemaakte situatie(s) (ongeconditioneerde stimulus; UCS) is die deze gedragsconsequentie betekenis heeft gegeven. Deze UCS kan los staan van het probleemgedrag rond de lichamelijke klacht, bijvoorbeeld een leerkracht die in de klas heeft gezegd dat het kind makkelijk opgeeft.

De volgende stap in het diagnostisch proces is het formuleren van de hulpvraag en de doelen. Dit geschiedt samen met het kind en ouders. Door zelf doelen te maken ontstaat er weer een gevoel van eigen regie, ook kan het weer hoop geven op een toekomst met perspectief.

Tenslotte wordt er een behandelplan gemaakt op basis van de klachten, de problemen, instandhoudende factoren, de hulpvraag en de doelen van het kind. Dit behandelplan wordt uiteraard besproken. Hierbij neemt het uitleggen van de rationale van de behandeling een belangrijke plek in.

Terug naar boven

De differentiaaldiagnose voor een somatisch-symptoomstoornis is breed en kan bijvoorbeeld, maar niet alleen omvatten: somatische aandoeningen, autisme, stemmingsstoornissen (zoals dysthymie, depressie), angststoornissen (zoals de paniekstoornis, gegeneraliseerde angststoornis, separatieangststoornis, schoolfobie en sociale angststoornis), PTSS, obsessieve compulsieve stoornis, ziekteangststoornis (hypochondrie). Een bijzondere groep wordt gevormd door simulatie, de nagebootste stoornis en de nagebootste stoornis door een ander (Fiertag et al., 2012; Shaw et al., 2010; Van de Putte et al., 2013).

Verder moet gelet worden op een eventueel behandelconflict elders: Een arts en een gezin/kind die erg verschillen van mening over aspecten (oorzaak, gevolgen, mate van beperkingen) van een somatische ziekte, wat kan leiden tot een SOLK-achtige presentatie.

Terug naar boven

Er is een gebrek aan gevalideerde instrumenten voor het diagnosticeren van een somatisch-symptoomstoornis bij kinderen en adolescenten. Alleen algemene gedragsvragenlijsten zijn onvoldoende om SOLK te detecteren; functioneringslijsten zijn ook belangrijk om een adequaat overzicht van de klachten en impact ervan te krijgen.

De meest gebruikte vragenlijsten zijn rond een aantal thema’s gegroepeerd (afgeleid van de Richtlijn SOLK, 2019).

a. Onderbouwing van de werkhypothese SOLK: diagnostische vragenlijsten die de werkhypothese SOLK of een van de SOLK-clusters ondersteunen.

  • Als meest specifieke, op de lichamelijke klachten gericht instrument, kan bij ouders en bij kinderen vanaf zeven jaar de Children's Somatization Inventory (CSI) worden afgenomen.
  • Multidimensional Fatique scale van de PedsQL
  • Een instrument waarmee vermoeidheid in kaart kan worden gebracht is de subschaal Vermoeidheid van de Checklist Individual Strengths (CIS-8) (bijv. ter Wolbeek et al., 2006).

b. Inschatting van de ernst van SOLK aan de hand van de ernst van de beperkingen.

  • Pediatric Quality of Life inventory (Peds-QL)

De Functional Disability Inventory (FDI) kan worden ingezet om de aanwezigheid en de mate van pijngerelateerde functionele beperkingen in kaart te brengen. Verder is het nuttig om gebruik te maken van dagboeken, pijnkalenders en ABC-schema's. Deze observatieopdrachten helpen kind en ouders om gedragketens te begrijpen en inzicht te krijgen in de klachten: wanneer ze optreden, de ernst en wat eraan vooraf is gegaan.

c. In kaart brengen van eventuele psychiatrische comorbiditeit.

  • Revised Childres’Anxiety and Depression Scale (RCAD)
  • Om een breder beeld te krijgen van het functioneren van het kind kunnen afhankelijk van de setting (1e/2e/3elijns) bredere screenings instrumenten gebruikt worden, zoals de ASEBA lijsten (CBCLYSR en TRF).

Voor de diagnostiek van comorbide psychiatrische stoornissen kunnen stoornisspecifieke instrumenten worden gebruikt. Bekijk voor stoornisspecifieke instrumenten de 'Diagnostiek'-pagina bij het desbetreffende thema.

Terug naar boven

Beusekom, B. S. van (2014). Somatische symptoomstoornis en verwante stoornissen. In F.C. Verhulst, F. Verheij & M. Dankaerts (Eds.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie (pp.281-302). Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum.

Fiertag, O., Taylor, S., Tareen, A., & Garralda, E. (2012). Somatoform disorders. In: Rey, J.M. (Ed.). IACAPAP e-Textbook of Child and Adolescent Mental Health. Geneva: International Association for Child and Adolescent Psychiatry and Allied Professions.

Henningsen, P., Zimmermann, T., & Sattel, H. (2003). Medically unexplained physical symptoms, anxiety, and depression: a meta-analytic review. Psychosomatic medicine65(4), 528–533. https://doi.org/10.1097/01.psy.0000075977.90337.e7

Korrelboom, K., & Broeke, E. ten (2014). Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie. Coutinho.

Landelijke Stuurgroep MDR (2010). Multidisciplinaire richtlijn Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) en somatoforme stoornissen. Trimbos-instituut.

Shaw, R. J., Spratt, E. G., Bernard, R. S., & DeMaso, D.R. (2010). Somatoform disorders. In: R.J. Shaw & D.R. DeMaso (Eds.). Textbook of pediatric psychosomatic medicine. American Psychiatric Publishing, Inc.

Putte, E. M. van de, Teeuw, A. H., & Schoonenberg, N. J. (2013). Pediatric condition falsification (PCF). In: E.M. van de Putte, I.M.A. Lukkassen, I.M.B. Russel, & A.H. Teeuw (Eds.). Medisch handboek kindermishandeling.  Bohn Stafleu van Loghum.

Wolbeek, M. ter, Doornen, L.J.P. van, Kavelaars, A., & Heijnen, C.J. (2006). Severe Fatigue in Adolescents: A Common Phenomenon? Pediatrics117, e1078-e1086.

Terug naar boven

Behandeling somatisch-symptoomstoornis (SOLK)

De meeste onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) gaan vanzelf over en het merendeel van de langer durende SOLK neemt af na behandeling als de omstandigheden voor het herstel van de klachten verbeteren. In vergelijking met volwassenen treedt het herstel bij kinderen en jongeren vaker en sneller op, omdat per definitie de klachten nog niet zo lang bestaan. Bij klachten die deels verklaard worden door een somatische aandoening wordt dit mede bepaald door de ernst en aard van de aandoening en de behandelbaarheid van de aandoening of comorbiditeit (De Jong, et al., 2005). Soms is de klacht nog wel aanwezig na behandeling, maar neemt deze geen belangrijke plek meer in het leven van het kind in.

Wanneer klachten blijven bestaan is het van belang dat de behandeling aansluit bij de hulpvraag van kind en ouders. Zoals genoemd in de richtlijn SOLK bij kinderen dient de behandelaar de keuze voor behandeling samen met het kind en de ouders te maken op basis van een gepersonaliseerde verklaring voor de lichamelijke klachten de mogelijkheden te bespreken en af te wegen om zo gezamenlijk tot de best passende keuze te komen.

Dus afhankelijk van de analyse volgens het gekozen model (zie 'Behandelmethoden') stemt de behandelaar met ouders en kind of jongere af welke behandeling wordt ingezet en op welke factoren deze zich richt. Naast het verminderen van SOLK kan de behandeling zich ook richten op concrete doelen zoals het bevorderen van de autonomie van het kind met hervatting van de activiteiten, bijvoorbeeld deelname aan schoollessen en (sociale) activiteiten. Motivatie is een voortdurend onderdeel van de behandeling. Het is belangrijk om naast familie en andere zorgprofessionals (bijv. fysiotherapeut, thuiszorgverpleegkundige) ook de school van het kind te betrekken bij de behandeling (Fiertag et al., 2012). Het is raadzaam een professional aan te wijzen die een coördinerende rol heeft en zorg draagt voor een heldere samenwerking tussen verschillende betrokken hulpverleners en school.

De M@zl methode staat voor Medische Advisering van de Ziekgemelde Leerling en is een interventie gericht op vroegtijdige signalering van ziekteverzuim door psychische problemen bij scholieren. Schoolmedewerkers, jeugdartsen en leerplichtambtenaren hebben samen aandacht en zorg voor leerlingen met ziekteverzuim, waardoor problematiek vroegtijdig in beeld komt.

Er bestaat een nog beperkt klinisch behandelaanbod voor somatisch-symptoomstoornis. Voor het overgrote deel van de behandelingen is nog weinig wetenschappelijke onderbouwing beschikbaar en is dus meer vervolgonderzoek voor nodig.

Bepaalde situaties die zich voordoen tijdens de behandeling van somatisch-symptoomstoornis kunnen wijzen op ernstiger problemen. In geval van de volgende situaties is het geïndiceerd dat de behandelaar contact opneemt met Veilig Thuis:

  • Wanneer een kind niet (meer) in psychologische zorg komt, of juist in de somatische zorg blijft.
  • Wanneer ouders hun kind afschermen van arts en/of psychologische behandeling

>> Meer over trauma en kindermishandeling

Terug naar boven

Er zijn verschillende evidence based behandelprotocollen voor een somatisch-symptoomstoornis. Afhankelijk van het gekozen model stemt de behandelaar met ouders en kind af welke behandeling wordt ingezet en op welke factoren deze zich richt. Bij alle behandelingen is zorgvuldige psycho-educatie noodzakelijk voor de jeugdige en het gezin om hen te helpen de ontwikkeling van de klachten te begrijpen, ter ontschuldiging en als kadering voor het gesprek met anderen zoals, de familie, school en vriendjes. Ook voor de samenwerkende hulpverleners is dezelfde rationale over de ontwikkeling van de klachten essentieel.

Gezinsinterventies en motiverende gespreksvoering kunnen helpen in het motiveren van ouders en kind en bij het oplossen van communicatieproblemen. Een adequate benadering door medici en medische teams kan een positief effect hebben. Een dergelijke benadering wordt gekenmerkt door: goede uitleg, realistische adviezen, adequaat delen van besluiten en plannen met het gezin. Daarnaast kunnen voor de ouders en het kind momenten ingepland worden bij de kinderarts ter ondersteuning van het vertrouwen dat er geen somatische oorzaak ten grondslag ligt en het serieus nemen van de klachten.

Cognitieve gedragstherapie kan alleen effectief zijn als het kind (en de ouders) accepteren dat er geen eenduidige oorzaak gevonden wordt voor de klachten die het kind heeft. Het medische traject moet afgerond zijn (Richtlijn SOLK bij kinderen). Er zijn diverse op CGT gebaseerde protocollen voor specifieke SOLK. Om het kind weer vertrouwen te laten krijgen in het lichaam en de lichaamsbewustwording te vergroten, kan gebruik worden gemaakt van graded exercise therapie (GET) (onderzoeksgegevens vooral bekend bij CVS). Het maken van een opbouwschema helpt zowel het kind als ouders om geleidelijk activiteiten op te bouwen en te werken aan kracht en conditie. Ontspanningstechnieken zijn vaak onderdeel van de behandeling. Het kind leert activiteiten af te wisselen met vormen van ontspanning. GET is een belangrijk onderdeel van CGT voor kinderen met chronische vermoeidheid, maar heeft geen plek in de behandeling als monotherapie. Daarnaast gaat het bij CGT om psycho-educatie, ademhalings- en ontspanningsoefeningen en cognitieve herstructurering.

Eye Movement Desensitisation and Reprocessing (EMDR) is een evidence based traumabehandeling. De inzet van EMDR is geïndiceerd als lichamelijke klachten mede in stand gehouden worden door onverwerkte traumatische ervaringen zoals een ongeluk, seksueel misbruik, operatie of nare ervaringen met de klacht (machteloos zijn door extreme pijn, etc.). Het kan gaan om gebeurtenissen rondom het ontstaan van de SOLK maar ook om onverwerkte herinneringen voorafgaand of erna. Middels EMDR wordt de emotionele lading van deze herinneringen verminderd of geneutraliseerd, waardoor de omstandigheden voor herstel verbeteren en de lichamelijke klacht kan afnemen (de Roos & van Rood, 2014).

Ook hypnotherapie kan bij verschillende somatisch-symptoomstoornissen worden gebruikt, zoals bij buikpijn (Rutten et al., 2013; Vlieger et al., 2012; Rutten et al., 2017) en conversiestoornis. Voor conversiestoornis gerelateerd aan de motorische functie wordt ook katalepsie-inductie gebruikt. Hierbij worden de spieren in het lichaam zonder inspanning 'verstijfd' (zie voor een casusbeschrijving Hoogduin, 2009).

Revalidatiebehandeling, (psychosomatische) fysiotherapie of psychomotorische therapie kan worden toegepast in combinatie met psychologische interventies, met name als er sprake is van veel deconditionering (als onderhoudende factor) of als er sprake is van pijn/spierspanning of verlies van vertrouwen in motoriek, zoals soms bij conversie.

Acceptance and Commitment Therapy (ACT) is een bruikbare en effectieve behandelmethode gebleken voor SOLK bij volwassenen in het bijzonder wanneer een op klachtenreductie gerichte methode onvoldoende effect heeft, de patiënt is vastgelopen in de strijd met de klachten of de kwaliteit van leven ernstig is aangedaan. Het uitgangspunt van ACT is dat het blijven vechten tegen onvermijdelijke of chronische fysieke klachten deze kan versterken ten koste van de kwaliteit van leven. Het doel van ACT is een toename van psychologische flexibiliteit met behulp van zes onderling verbonden therapeutische kernprocessen: acceptatie, contact met hier-en-nu, cognitieve defusie, zelf als context, activiteiten vanuit persoonlijke waarden, handelen naar persoonlijke waarden.

Behandelprogramma's

Moens en Braet (2014) beschrijven een behandelmethode voor somatoforme stoornissen, wat naast een onderdeel voor kinderen ook een onderdeel voor de ouders bevat.

Wösten en Van Ree (2015) hebben het geprotocolleerde programma Goed in je vel ontwikkeld, een groepsprogramma voor jongeren van 12 tot ongeveer 16 jaar met SOLK. Goed in je vel is gebaseerd op het gevolgenmodel zoals beschreven door Speckens, Spinhoven en Van Rood (2004).

Voor de behandeling van medisch onverklaarde buikpijn is er het protocol Buikpijn de Baas! (de Haan & Thiadens; bewerkt door Plak, van der Veek & Visser, 2010). Dit behandelprotocol is ook te gebruiken bij hoofdpijn en andere pijnklachten en/of tintelingen/misselijkheid.

FitNet is een CGT-behandeling voor jongeren van 12-18 jaar met chronisch vermoeidheidssyndroom. Deze behandeling vindt volledig via internet plaats in een intensief contact tussen behandelaar en patiënt en gebruik makend van dagboeken en opdrachten. De behandeling duurt zes maanden en is intensief. Jongeren loggen dagelijks in op het behandelportaal. De behandeling is bij 70% van de jongeren effectief (Nijhof et al., 2012).

De Jong et al. (2008) beschrijven een protocol cognitieve gedragstherapie voor jongeren met chronisch vermoeidheidssyndroom.

Het boek van Moene en Rümke (2004) beschrijft de behandeling van de conversiestoornis, maar deze is niet specifiek gericht op jeugd.

Terug naar boven

Fiertag, O., Taylor, S., Tareen, A., & Garralda, E. (2012). Somatoform disorders. In: Rey, J.M. (Ed.). IACAPAP e-Textbook of Child and Adolescent Mental Health. Geneva: International Association for Child and Adolescent Psychiatry and Allied Professions.

Hoogduin, K. (2009). Een adolescent met een schokkende arm: conversieve myoclonische dystonie. Dth29(1), 48-61.

Jong, L. de, Bazelmans, E., & Prins, J. (2008). Protocollaire cognitieve gedragstherapie voor jongeren met het chronisch vermoeidheidssyndroom. In: C. Braet & S. Bögels (Eds.). Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten. Boom.

Jong, L. de, Roos, C. de, & Rood, Y. van (2005). Behandeling van medisch onverklaarde lichamelijke klachten bij jongeren: II. Behandeling. Kind en Adolescent Praktijk4, 123-132.

Moens, E., & Braet, C. (2014). Protocollaire behandeling van somatoforme stoornissen. In: C. Braet & S. Bögels (Eds.). Protocollaire behandelingen voor kinderen en adolescenten met psychische klachten 1. Boom.

Moene, F., & Rümke, M. (2004). Behandeling van de conversiestoornis. Bohn Stafleu van Loghum.

Nijhof, S. L., Bleijenberg, G., Uiterwaal, C. S., Kimpen, J. L., & van de Putte, E. M. (2012). Effectiveness of internet-based cognitive behavioural treatment for adolescents with chronic fatigue syndrome (FITNET): a randomised controlled trial. Lancet (London, England)379(9824), 1412–1418. https://doi.org/10.1016/S0140-6736(12)60025-7

Rood, Y. R. van, Ravesteijn, H. van, Roos, C. de, Spinhoven, Ph., & Speckens, A. (2011). Protocol voor de diagnostiek en behandeling van patiënten met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. In G. Keijsers, A. van Minnen, & K. Hoogduin (Eds.), Protocollaire behandelingen voor volwassenen met psychische klachten 2 (pp. 15-48). Boom.

Roos, C. de, & Rood, Y. van (2014). EMDR: optimaliseren van lichamelijk herstel. In C. van Heugten, M. Post, S. Rasquin, & P. Smits (red.). Handboek Revalidatiepsychologie (pp. 407-420). Boom.

Rutten, J. M., Reitsma, J. B., Vlieger, A. M., & Benninga, M. A. (2013). Gut-directed hypnotherapy for functional abdominal pain or irritable bowel syndrome in children: a systematic review. Archives of disease in childhood98(4), 252–257. https://doi.org/10.1136/archdischild-2012-302906

Rutten, J., Vlieger, A. M., Frankenhuis, C., George, E. K., Groeneweg, M., Norbruis, O. F., Tjon A Ten, W., van Wering, H. M., Dijkgraaf, M., Merkus, M. P., & Benninga, M. A. (2017). Home-Based Hypnotherapy Self-exercises vs Individual Hypnotherapy With a Therapist for Treatment of Pediatric Irritable Bowel Syndrome, Functional Abdominal Pain, or Functional Abdominal Pain Syndrome: A Randomized Clinical Trial. JAMA pediatrics171(5), 470–477. https://doi.org/10.1001/jamapediatrics.2017.0091

Speckens, A.E.M., Spinhoven, Ph., & Rood, Y.R. van (2004). Protocollaire behandeling van patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten: Cognitieve gedragstherapie. In: G.P.J. Keijsers, A. van Minnen, & C.A.L. Hoogduin (Eds.), Protocollaire behandeling in de Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg I, pp. 183-218. Bohn Stafleu van Loghum.

Vlieger, A. M., Rutten, J. M., Govers, A. M., Frankenhuis, C., & Benninga, M. A. (2012). Long-term follow-up of gut-directed hypnotherapy vs. standard care in children with functional abdominal pain or irritable bowel syndrome. The American journal of gastroenterology107(4), 627–631. https://doi.org/10.1038/ajg.2011.487

Wösten, I., & Ree, C. van (2015). Goed in je vel: Cursus voor jongeren met onverklaarde lichamelijke klachten. Boom.

Terug naar boven

Medicatie somatisch-symptoomstoornis (SOLK)

Er zijn geen gerandomiseerde placebogecontroleerde trials uitgevoerd naar het effect van psychofarmaca bij onduidelijke lichamelijke klachten (SOLK) bij kinderen en jeugdigen (Geist et al., 2008). Medicatie heeft daarmee geen plaats in de behandeling van SOLK in engere zin.

Comorbiditeit kan maken dat er wel medicatie is te overwegen. Bijvoorbeeld: Uit een open onderzoek naar de behandeling met citalopram bij 25 kinderen en adolescenten tussen de zeven en achttien jaar met chronische buikpijn en comorbide internaliserende stoornissen, werden wel verbeteringen gezien zowel wat betreft de lichamelijke als de internaliserende klachten (Campo et al., 2004). Tricyclische antidepressiva worden regelmatig gebruikt voor chronische pijn, bijvoorbeeld bij hoofd- of buikpijn. Onderzoek toont wisselende resultaten. De studie van Saps en collega's uit 2009 bijvoorbeeld, liet geen significant verschil zien in effect tussen placebo en amitriptyline bij kinderen met chronische buikpijn. Beide groepen toonden een sterke verbetering in buikpijnklachten (Saps et al., 2009). Voor pijn behandeling wordt ook wel Transcutane Elektrische Zenuwstimulatie (TENS) toegepast of een virtual reality bril ingezet.

Als er naast SOLK ook angst-, stemmings- of slaapstoornissen aanwezig zijn, kan in de behandeling van de comorbide stoornissen plaats zijn voor medicatie (zie hiervoor medicamenteuze behandeling stemmingsstoornissenangststoornissen, autisme, ADD en slaapstoornissen).

Terug naar boven

Geist, R., Weinstein, M., Walker, L., & Campo, J. V. (2008). Medically unexplained symptoms in young people: The doctor's dilemma. Paediatrics & child health13(6), 487–491.

Campo, J. V., Perel, J., Lucas, A., Bridge, J., Ehmann, M., Kalas, C., Monk, K., Axelson, D., Birmaher, B., Ryan, N., Di Lorenzo, C., & Brent, D. A. (2004). Citalopram treatment of pediatric recurrent abdominal pain and comorbid internalizing disorders: an exploratory study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry43(10), 1234–1242. https://doi.org/10.1097/01.chi.0000136563.31709.b0

Saps, M., Youssef, N., Miranda, A., Nurko, S., Hyman, P., Cocjin, J., & Di Lorenzo, C. (2009). Multicenter, randomized, placebo-controlled trial of amitriptyline in children with functional gastrointestinal disorders. Gastroenterology137(4), 1261–1269. https://doi.org/10.1053/j.gastro.2009.06.060

Terug naar boven

Expertgroep somatisch-symptoomstoornis (SOLK)

De praktijkstandaard somatisch-symptoomstoornis (SOLK) is in 2021 geactualiseerd met medewerking van:

  • Jessica Alders-Verhoef (gz-psycholoog Groene Hart Ziekenhuis)
  • Miranda Fredriks (kinder- en jeugdpsychiater, AMC)
  • Meta Oldenziel-Sondaar (klinisch psycholoog, Gelre Ziekenhuis)
  • Ingeborg Visser (klinisch psycholoog, psychotherapeut en cognitief gedragstherapeut, GGZ Noord-Holland-Noord/Triversum)
  • Jacobien Kijne (klinisch psycholoog, GGZ Noord-Holland-Noord divisie Triversum)
  • Ronak Raisi (ervaringsdeskundige, NJR)
  • Ouder (ervaringsdeskundige, Ervaringsraad)

De praktijkstandaard over SOLK is tot stand gekomen met dank aan:

  • Jessica Alders-Verhoef (gz-psycholoog, De Hoogstraat Revalidatie)
  • Babette van Beusekom (kinder- en jeugdpsychiater, Erasmus MC)
  • Barbara de Bruine (orthopedagoog-generalist en cognitief gedragstherapeut, Accare)
  • Miranda Fredriks (kinder- en jeugdpsychiater, AMC)
  • Luuk Kalverdijk (kinder- en jeugdpsychiater, UMC Groningen)
  • Elise van de Putte (kinderarts sociale pediatrie, Wilhelmina Kinderziekenhuis, UMC Utrecht)
  • Meta Oldenziel-Sondaar (klinisch psycholoog, Gelre Ziekenhuis)
  • Carlijn de Roos (voorzitter expertgroep; klinisch psycholoog / psychotherapeut, GGZ Kinderen en Jeugd Rivierduinen)
  • Ingeborg Visser (klinisch psycholoog, psychotherapeut en cognitief gedragstherapeut, GGZ Noord-Holland-Noord)

Daarnaast gaat onze dank uit naar de ervaringsdeskundige ouders die hebben bijgedragen.

Terug naar boven

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten