Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Jeugd-ggz voor kinderen en adolescenten met een licht verstandelijke beperking (LVB)

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over de diagnose en behandeling van kinderen en adolescenten met een licht verstandelijke beperking, afgekort als LVB. Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, etiologie, prevalentie, comorbiditeit, diagnostiek, behandeling, en beloop en prognose. U vindt hier ook informatie over de behandeling van LVB in combinatie met een psychiatrische stoornis, zwakbegaafdheid of trauma.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Beschrijving

Beknopte omschrijving van de problematiek

Een verstandelijke beperking is een stoornis in de ontwikkeling die al in kindertijd ontstaat, resulterend in een belangrijke beperking op het gebied van intelligentie en denkvermogen en beperkt aanpassingsvermogen aan alledaagse problemen. Een verstandelijke beperking is geen ziekte-entiteit op zich maar kan het resultaat zijn van een pathogeen proces.

In de DSM classificatie worden verstandelijke beperking gecodeerd op As II, niet als psychiatrische stoornis -met eigen kenmerken en symptomen; de codering dient meer ter identificatie van groepen die sociale steun en speciaal onderwijs nodig hebben om in het dagelijks leven te kunnen functioneren.

Kinderen en adolescenten met een verstandelijke beperking zijn gevoelig voor alle psychiatrische stoornissen; hun kwetsbaarheid voor specifieke stoornissen (aanpassingstoornissen en impulscontrole stoornissen) is groter dan in de reguliere populatie. Psychiaters die niet gewend zijn patiënten met een verstandelijke beperking te behandelen kunnen overweldigd zijn door de klinische manifestatie van psychiatrische problemen binnen deze doelgroep. Beperkingen in denkvermogen en expressiemogelijkheden kunnen daarnaast het (kinder)psychiatrisch onderzoek lastig maken.

Terug naar boven

Bij de meeste jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) is geen oorzaak bekend voor de verstandelijke beperking. Mogelijk is er sprake van een multigenetische multiple oorzaak.
Zoals eerder al opgemerkt, zijn ook andere kenmerken dan verminderd presteren op IQ-testen van belang. Deze zijn tot op zekere hoogte, meer dan het IQ, beïnvloedbaar door opvoeding en behandeling. Gebruik makend van de literatuurstudie van De Wit, Moonen & Douma (2011) kunnen deze als volgt gerubriceerd worden.

Informatieverwerking

Vergeleken met mensen met een gemiddelde intelligentie zien we bij personen met een verstandelijke beperking meer problemen bij de verwerking van informatie (Kleinert, Browder & Towles-Reeves, 2009)

  • Uit onderzoek blijkt dat het verbale werkgeheugen van jeugdigen met een LVB minder goed functioneert dan dat van jeugdigen van dezelfde leeftijd zonder een LVB.
  • Onderzoek naar de executieve functies van mensen met een verstandelijke beperking liet zien dat de gevonden problemen in de verbale vlotheid (fluency) veroorzaakt worden door problemen met het ophalen van kennis uit het lange termijn geheugen (Danielsson, Henry, Rönnberg & Nilsson, 2010)
  • Van der Molen (2009) concludeert dat het verbaal korte termijngeheugen relatief zwak is vergeleken met het visueel-ruimtelijk korte-termijnsgeheugen. Dat wil zeggen dat de verwerking van de verbale informatie minder goed gaat bij jeugdigen met een LVB dan de verwerking van visueel-ruimtelijke informatie (performaal).

Regulerende functies

Mensen met een verstandelijke beperking hebben moeite met het prioriteren van informatie en met het afwegen op belang (Willner, Bailey, Parry & Dymond, 2010).
Jeugdigen met een LVB hebben een beperktere aandachtsspanne en hebben moeite met ordenen, rangschikken en differentiëren van informatie (Collot d'Éscury, Ebbekink & Schijven, 2009; Van Nieuwenhuijzen, 2005).

Probleemoplossend vermogen en negatieve houding

Mensen met een verstandelijke beperking blijken problemen te hebben met het systematisch herkennen en oplossen van probleemsituaties (Kleinert et al., 2009). De beperkingen in de vaardigheden voor het oplossen van problemen komen duidelijk naar voren bij het verwerken van sociale informatie (Van Nieuwenhuijzen et al., 2007).
Jeugdigen met een LVB lijken een voorkeur te hebben voor zowel meer agressieve als passieve, submissieve oplossingen, in plaats van voor assertieve oplossingen. Een verklaring voor de meer negatieve interpretatie van sociale informatie door jeugdigen met een LVB ligt in hun beperkte sociaal inzicht, beperkt probleemoplossend vermogen en in beperkingen in emotieherkenningen. We zien ook vaak een negatief zelfbeeld en negatieve verwachting ten aanzien van reacties uit de omgeving en een beperktvermogen om zich te kunnen verplaatsen in het perspectief van de ander.

Generalisatie van kennis

Jeugdigen met een LVB hebben moeite met de generalisatie van een geleerde vaardigheid in relatie tot andere personen, plaatsen en situaties (Kleinert et al., 2009).
Deze moeite met generaliseren kan op verschillende manieren worden verklaard:

  • Het kan te maken hebben met het onvermogen om de kern uit een probleem te halen via het scheiden van hoofd- en bijzaken (Kleinert et al., 2009).
  • Bij jeugdigen met een LVB zijn interne reactiepatronen of probleemgedragingen ontstaan na jaren van ervaring die niet zo maar te veranderen zijn.
  • Jeugdigen met een LVB reageren vanwege hun problemen met zelfregulatie, eerder vanuit een automatische reactie, in plaats vanuit een weloverwogen beslissing (Dermitzaki et al., 2008).

Daarnaast zijn er nog twee kenmerken die van belang zijn.

Uitwerking op schoolsysteem

Door de genoemde kenmerken – afzonderlijk of in combinatie – zullen jeugdigen met een LVB nogal eens problemen in de schoolsituatie veroorzaken. Vooral wanneer leraren of de school als geheel de bijzondere behoeften van de kinderen niet weten te herkennen en evenmin weten hoe daaraan te voldoen, ontstaan er problemen. Het onderwijsproces wordt verstoord. De betreffende kinderen vragen extra veel aandacht en energie van de medewerkers van de school en ze zijn vaak betrokken bij conflicten tussen leerlingen. Wanneer de school vervolgens niet adequaat reageert – met andere woorden: wanneer geen rekening wordt gehouden met de genoemde kenmerken van de LVB-leerlingen – heeft dit weer een ongunstige uitwerking op het gedrag van de betrokken jeugdigen.

Invloed op de gezinscontext

Het is duidelijk dat een kind met een LVB eisen stelt aan de opvoedkundige capaciteiten van de ouders en aan de sociale vaardigheden van de andere gezinsleden. Het kan niet genoeg worden belicht dat het opvoeden van een kind met een LVB – en andere beperkingen en/of psychiatrische ziekten – veel voor de ouders en de andere gezinsleden betekent. Het doet een extra beroep op de ouder als persoon, als opvoeder, heeft impact op de partnerrelatie, het sociale leven, functioneren van gezinssysteem.

Des te moeilijker wordt dat wanneer het gezin bijvoorbeeld vanwege de achtergrond of beperkingen van de ouders zelf al kwetsbaar is. Het is bekend dat in een aanzienlijk aantal gevallen ouders van LVB kinderen vaak zelf ook belast zijn met cognitieve beperkingen en psychiatrische problematiek. In dat soort situaties blijkt de kans op verwaarlozing en traumatisering van kinderen met een LVB drie keer groter dan in gezinnen met normaal begaafde kinderen (Sullivan & Knutson, 2000). Voor meer informatie zie Etiologie.

Terug naar boven

Het kan niet genoeg worden benadrukt dat het vaak moeilijk is om een lichte verstandelijke beperking (LVB) bij iemand te herkennen. Mensen met een LVB zijn vaak goed in het verbergen van hun beperkingen, terwijl tijdige herkenning wel van belang is.

Wanneer niet herkend wordt dat iemand een LVB heeft terwijl dat wel het geval is, wordt deze vaak door de omgeving overvraagd, wat kan leiden tot gedragsproblemen. Om te signaleren of iemand daadwerkelijk een LVB heeft, doet men er goed aan onder meer te kijken naar het IQ, het taalbegrip en naar het functioneren op school, in de werkwereld en in sociale contacten.

Jeugdigen met een LVB komen in veel gevallen al vroeg met de LVB-voorzieningen in aanraking vanwege gebleken problemen op school. De school verwijst hen veelal met een advies door. Een deel van de jeugdigen met een LVB komt met de hulpverlening in aanraking wanneer er sprake is van serieuze psychologische of psychiatrische problemen of wanneer er een vermoeden daarvan bestaat. Zij komen dan in contact met de GZ-psycholoog of de kinder- en jeugdpsychiater. Bij de beoordeling of naast de psychologische of psychiatrische problemen tevens sprake is van een lichte verstandelijke beperking zal de kinder- en jeugdpsychiater, liefst samen met de GZ-psycholoog en orthopedagoog letten op mogelijke problemen op verschillende functiegebieden.

Koot (2009) onderscheidt elf relevante functiegebieden waarop problemen tot uiting kunnen komen:

  1. Communicatie
  2. Zelfverzorging
  3. Zelfstandig wonen
  4. Sociale en relationele vaardigheden
  5. Gebruik gemeenschapsvoorzieningen
  6. Zelfstandig beslissingen nemen
  7. Functionele intellectuele vaardigheden
  8. Werk
  9. Ontspanning
  10. Gezondheid
  11. Veiligheid

Wanneer een jeugdige problemen heeft met minstens twee van deze functiegebieden, is de kans groot dat de jeugdige een LVB heeft.

We kunnen dit in verband zien met het model dat de American Association on Mental Retardation (AAMR) hanteert om de relatie tussen verschillende 'functiegebieden' en het individueel functioneren van mensen met een verstandelijke beperking inzichtelijk te maken. Daarbij is de factor ondersteuning vanuit het gezin, de school en de wijdere maatschappelijke omgeving tegelijkertijd van groot belang.

lvb-model-verstandelijke-handicap-AMR

Vanzelfsprekend zijn de verschillende functiegebieden met elkaar verbonden. Wanneer we de door Koot genoemde functiegebieden in verband brengen met het AAMR model, kunnen we het volgende opmerken.

Beperkte verstandelijke mogelijkheden hebben consequenties voor de functiegebieden communicatie, zelfstandig beslissingen nemen, en functionele intellectuele vaardigheden. De mate van adaptief gedrag is te herkennen aan de functiegebieden communicatie, zelfverzorging, sociale en relationele vaardigheden, werk en ontspanning. Participatie, interactie en het vervullen van sociale rollen is verbonden met de functiegebieden communicatie, zelfstandig wonen, sociale en relationele vaardigheden, gebruik van gemeenschapsvoorzieningen, werk en ontspanning. Gezondheid, waaronder ook de geestelijke gezondheid heeft vanzelfsprekend een relatie met het functiegebied gezondheid, maar ook met veiligheid. Het geheel speelt zich af in een sociale omgeving waarbinnen iemand functioneert, zowel de directe omgeving zoals het gezin, de klas, de woongroep, als de omgeving in ruimere zin: de maatschappij. (Zie hiervoor ook Etiologie).

Een voorbeeld ter verduidelijking: Jeugdigen die van huis uit en vanuit de omgeving veel ondersteuning krijgen, zijn vaak in hun individueel functioneren het meest redzaam en hebben vaak problemen die op het eerste gezicht niet opvallen. Bij jeugdigen met een verstandelijke beperking die het meest vaardig en redzaam zijn, of die hun LVB het best kunnen verbergen, wordt de beperking vaak niet herkend, zowel in de maatschappij als door hulpverleners. Het is vaak moeilijk hen te onderscheiden van de doorsnee jeugdigen.
Echter, het taalbegrip is vaak minder goed ontwikkeld dan hun taalgebruik. Het gevolg is dat er op grond van het taalgebruik gemakkelijk te hoge verwachtingen worden gesteld. Zij worden met andere woorden in het contact "overvraagd". Het is duidelijk dat dit kan leiden tot falen, zowel in de ogen van de omgeving als in de ogen van de betrokkenen zelf. Alleen al deze faalervaringen kunnen leiden tot een beschadigd zelfbeeld, faalangst en andere angsten, depressief gedrag of juist agressie.

Omgekeerd zullen jeugdigen met weinig adequate ondersteuning op een laag niveau functioneren. Hun LVB valt sneller op. Mede daardoor zullen hun ontwikkelingsmogelijkheden door hun omgeving vaak worden onderschat. Hun kansen op een enigszins autonoom bestaan worden daardoor ernstig beperkt.

Een bijkomend, maar daardoor zeker niet gering probleem bij dit alles is dat bij veel psychiatrische stoornissen ook problemen ontstaan op soms meer dan één van de genoemde functiegebieden. In die gevallen is er lang niet altijd sprake van een LVB. LVB is constitutioneel, dat wil zeggen dat al voor het ontstaan van psychiatrische stoornis problemen op deze gebieden bekend moeten zijn. Een en ander maakt het stellen van een juiste diagnose ingewikkeld. (Zie hiervoor Diagnose).

Terug naar boven

Mensen met een LVB lijden drie tot vijf maal vaker aan een psychische aandoening dan de doorsnee populatie. Bij jeugdigen met een LVB wordt in 30 tot 50% van de gevallen een psychiatrische stoornis geconstateerd (zie o.a. Došen, 2008). (Zie ook Prevalentie).

Herkenning van een jeugdige met LVB is complex omdat LVB in veel gevallen niet alleen voorkomt. Vaak wordt LVB pas herkend door herkenning van een leerachterstand, wanneer de jongere naar school gaat. LVB-jeugdigen leren langzamer en moeizamer, schatten situaties anders in en weten onvoldoende oplossingen te bedenken en uit te voeren. Ze worden voortdurend overvraagd. Hierdoor kunnen zij gefrustreerd raken. Deze frustratie uit zich soms door onaangepast gedrag. Overvraging leidt tot verzet en opstandigheid.

Een licht verstandelijke beperking kan samengaan met één of meer andere, psychiatrische stoornis:

Publicaties over ADHD bij kinderen met een verstandelijke beperking zijn betrekkelijk zeldzaam. Dat is opvallend omdat in de praktijk bij jeugdigen met een verstandelijke beperking de diagnose ADHD betrekkelijk vaak wordt gesteld. Verschillende Amerikaanse onderzoeken laten zien dat ADHD bij 9 tot 20% van de jeugdigen met een verstandelijke handicap voorkomt.(Došen, 2008). De variatie in de prevalentie is onder meer afhankelijk van het feit of men een klinische of niet-klinische populatie bij het onderzoek betrekt.

In de literatuur worden verschillen opgemerkt tussen doorsnee kinderen met ADHD en jeugdigen met ADHD bij een verstandelijke beperking. Kinderen met een verstandelijke beperking zouden bij hun ADHD vaak last hebben van stereotypen en angsten, waaronder vooral separatieangst. Bovendien zou er bij hen vaak sprake zijn van co-morbide oppositionele opstandige stoornis, een gedragsstoornis of een depressieve stoornis.

Tegelijkertijd worden diagnostici ervoor gewaarschuwd al te snel de diagnose ADHD te stellen. Zo stelt Došen de vraag of zowel hyperactiviteit als aandachtstekort bij kinderen met een verstandelijke beperking vanzelfsprekend kunnen worden toegeschreven aan het syndroom ADHD (Došen, 2008). "Deze verschijnselen zouden in bepaalde gevallen tot een bijbehorend fenomeen van verstandelijke handicap gerekend kunnen worden" (Došen, 2008. p. 321). Men kan mogelijk ook spreken van a-specifieke hyperactiviteit en a-specifiek aandachtstekort die op andere gronden dan ADHD bij deze kinderen kan ontstaan. Een zorgvuldige diagnose is van belang met het oog op de te kiezen therapie, waaronder medicatie.

Bij kinderen met een LVB verschilt het beloop enigszins van dat bij doorsnee kinderen met ADHD.

  • Kinderen met LVB en ADHD vertonen meer gedragsproblemen in die zin dat zij niet luisteren, meer ruzie maken en angstig en somber zijn;
  • De gedrags- en psychische problemen duren voort tot in de adolescentie, ondanks het gebruik van specifieke medicatie;
  • Er is vaker sprake van comorbide stoornissen als angst, oppositioneel opstandig gedrag en depressie.
Terug naar boven

Over het algemeen wordt aangenomen dat angststoornissen bij mensen met een verstandelijke handicap vaker voorkomen dan in de gewone populatie (Došen, 2008). Didden (2006) meldt dat dit bij ruim 10% van de mensen met een verstandelijke beperking het geval is. Bij mensen met een matige of lichte verstandelijke beperking treft men betrekkelijk vaak faalangst aan die het initiatief en de activiteit ernstig kan onderdrukken. Bij lang aanhouden van dergelijke angsten kunnen deze zich ontwikkelen tot een dysthyme stoornis of tot depressief gedrag.

Er is niet alleen vaak sprake van faalangst. Ook andere vormen van angst treft men vaak aan bij mensen met een LVB, zoals gegeneraliseerde angststoornissen, paniekstoornissen en verschillende typen fobieën.

Terug naar boven

Autismespectrumstoornissen (ASS) komen volgens de Prevalentiecijfers Autisme van de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) bij ruim 1% van de bevolking voor (Nederlands Verenging voor Autisme).

Uit de internationale literatuur blijkt dat 40-60% van de mensen met autisme ook een verstandelijke beperking heeft (Kraijer en Plas, 2004; Gezondheidsraad, 2009).

Het is moeilijk de autisme- en de LVB-problematiek te ontwarren. Voor een aanzienlijk deel lopen de problemen van kinderen met autisme en met een LVB parallel. Net als kinderen met een LVB kunnen kinderen met autisme leerproblemen krijgen als gevolg van hun moeite met het begrijpen van instructies.

Daarnaast is het voor hen lastiger om kennis uit de ene situatie toe te passen in de andere (generalisatie van kennis en vaardigheden). Veel kinderen met autisme hebben aandachtsproblemen of zijn hyperactief wat hun schoolse leren belemmert. Tot slot spelen ook, evenals bij kinderen met een LVB, faalangst en weinig zelfvertrouwen vaak een rol bij slechte prestaties.

Terug naar boven

Mensen zonder een LVB met dwangmatig gedrag of een "dwangneurose" verzetten zich tegen de dwang om zinloze activiteiten te verrichten en worden tegelijkertijd angstig of panisch wanneer zij deze dwanghandelingen niet uitvoeren. Wanneer dit hen in hun dagelijks functioneren belemmert, spreken we van een obsessief-compulsieve stoornis.

Bij mensen met een LVB ziet men vaak een dwang om bepaalde activiteiten voortdurend te herhalen. Bij hen lijkt het verzet tegen de dwanghandelingen en de angsten minder ernstig te zijn dan bij de doorsnee populatie. Men spreekt bij jeugdigen en volwassenen met een LVB dan ook niet zo gauw van een obsessief-compulsieve stoornis, maar veel meer van "dwangmatig gedrag".

Daarbij is het met het oog op behandeling van groot belang zoveel mogelijk de achtergrond van dit dwangmatig te achterhalen. Daarbij doen zich verschillende mogelijkheden voor. Het dwangmatig gedrag kan voortkomen uit:

  • rigiditeit vanwege verminderde flexibiliteit op grond van de verstandelijke beperking.
  • een obsessief-compulsieve stoornis.
  • repetitief gedrag in kader onderstimulatie.
  • repetitief gedrag in kader pervasieve ontwikkelingsproblematiek etc.

Prevalentiecijfers hebben wij niet gevonden. Dŏsen (2008) stelt vast dat angststoornissen en obsessief-compulsieve stoornissen bij mensen met een LVB "betrekkelijk vaak" voorkomen.

Terug naar boven

Jeugdigen met een LVB vertonen vaak hechtingsproblemen. Zij slagen er vaak niet in zich emotioneel te hechten aan hun ouders of verzorgers. De jeugdigen wijzen vaak hun verzorgers af en zijn bij verdriet of ongerief moeilijk te troosten. Zij zullen zich veelal terugtrekken en lopen grote kans sociaal geïsoleerd te raken. Op wat latere leeftijd zullen veel van de jeugdigen met hechtingsproblemen zich vaak afhankelijk maken van vriendelijk ogende onbekende personen, waardoor zij extra kwetsbaar zijn. De jeugdigen zijn niet zo gevoelig voor straf of voor pogingen vanuit hun omgeving om het ongewenste gedrag te corrigeren.

In het algemeen kan ook een verstoorde hechtingsrelatie invloed hebben op het ontstaan van psychische problematiek. De ontwikkeling van de hechtingsrelaties in de opvoeding speelt een belangrijke rol in het omgaan met moeilijke of ongunstige omstandigheden. Problemen met de ontwikkeling van veilige hechtingen worden vaak gezien als kenmerken die kunnen leiden tot ernstige en langdurige problematiek. De mate waarin een ouder het kind ondersteunt, beschermt en troost bij stress situaties hangt samen met de ontwikkeling van een veilige hechting. Bij ouders die vaak zelf een bron van angst en stress zijn, is geen sprake van een veilige basis of veilige haven (Došen et al., 2008).

Vanuit het kind kunnen informatieverwerkingsproblemen, visuele, auditieve en motorische belemmeringen van invloed zijn op de gehechtheidsontwikkeling. Kinderen die anders reageren vanuit hun beperkingen die soms nog niet geheel duidelijk of onderkend zijn, kunnen verwarring geven bij ouders. Dit gebeurt ook wanneer het kind niet of anders dan verwacht reageert op de sensitieve responsiviteit van de ouder. Doordat ondersteuning en bescherming van het kind vervolgens uitblijft, zal de hechting problematisch gaan verlopen.

Los daarvan is het natuurlijk ook mogelijk dat kinderen door verschillende risicofactoren in het gezin gedesorganiseerde gehechtheid gaan vertonen. Dit is de ernstigste vorm van onveilige hechting en maakt kinderen het meest kwetsbaar. Het vormt het grootste risico op het ontwikkelen van psychopathologische gedragspatronen. Onderzoek laat zien dat er bij kinderen met een verstandelijke beperking vaker sprake is van een minder veilige hechting. Deze kinderen lopen een groter risico tot het ontwikkelen van een gedesorganiseerde gehechtheid. Dit vergroot de kans op externaliserend gedrag en psychiatrische problematiek in latere levensfasen. Er is tot op heden echter geen specifiek onderzoek gedaan naar de gehechtheid bij LVB-ers (Schuengel & Janssen, 2006).

Er zijn bij ons geen prevalentiecijfers bekend over hechtingsproblemen of hechtingsstoornissen bij jeugdigen met een LVB.

Terug naar boven

Door het moeilijke verloop van het hechtingsproces en de individuatie, alsook door de vaak voorkomende negatieve ervaringen bij kinderen met een verstandelijke beperking, kan verwacht worden dat depressieve klachten bij deze kinderen vaker voorkomen dan bij gewone kinderen.

Ons staan op dit moment geen prevalentiecijfers met betrekking tot LVB met depressie ter beschikking.

Terug naar boven

De meest bekende psychotische stoornis is schizofrenie. Er is de laatste tijd wel enig onderzoek gedaan bij kinderen en adolescenten met schizofrenie. Onderzoek bij kinderen met een verstandelijke handicap en schizofrenie is er vrijwel niet. We moeten het voornamelijk doen met kennis over kinderen met schizofrenie zonder verstandelijke handicap en met klinische ervaringen (Došen, 2008).

Vooraf moet worden gesteld dat schizofrenie een zeldzame stoornis bij kinderen onder de dertien jaar is.

Voor de diagnose schizofrenie moet er in ieder geval sprake zijn van twee of meer van de volgende symptomen: wanen, hallucinaties, denkstoornissen, onsamenhangende spraak of ernstig chaotisch, bizar of katatoon gedrag. Daarnaast treden vaak negatieve symptomen op als spraakarmoede, afgevlakt affect, cognitief verval, verlies van initiatief, teruggetrokkenheid en apathie. In de premorbide fase, voorafgaand aan de stoornis, vertonen kinderen vaak symptomen die aanleiding geven tot foutieve diagnoses als ADHD, depressie, bipolaire stoornis en andere psychiatrische stoornissen. Dit kan zeer nadelige gevolgen hebben. Een nadelig gevolg kan zijn wanneer kinderen bijvoorbeeld ten onrechte met ADHD worden gediagnosticeerd. Deze kinderen krijgen vervolgens psychostimulantia voorgeschreven, waarop ze ongunstig, soms met psychotische symptomen konden reageren (Došen, 2008).

Het stellen van een diagnose is een uitdaging, waarbij aandachtig gekeken moet worden naar de ontwikkelingskenmerken van het kind en naar eventuele prodromale verschijnselen.

Vanwege het eerder genoemde gebrek aan onderzoek naar LVB en psychose, zijn er nog geen prevalentiecijfers.

Terug naar boven

Het is niet altijd gemakkelijk om bij jeugdigen een PTSS (Post Traumatische Stressstoornis) te herkennen. Des te moeilijker is dat bij jeugdigen met een LVB, juist vanwege communicatieproblemen en andere cognitieve tekorten. Indicaties voor PTSS kunnen zijn: onaangepast gedrag, verstoring van de vegetatieve functies, dissociatieve symptomen en uiting van angst en paniek in bepaalde situaties (Došen, 2008).

Vanwege de grote kwetsbaarheid en verleidbaarheid van jeugdigen met een LVB wordt verondersteld dat de PTSS bij deze jeugdigen vaker voorkomt dan bij de doorsnee populatie. Dit onder meer doordat zij buitengesloten worden bij het regulier onderwijs, aangewezen zijn op speciale voorzieningen, niet mee kunnen komen met andere kinderen in gezin en buurt, of zij worden vaak gepest of vaak in verschillende opzichten misbruikt door leeftijdgenoten en volwassenen. In situaties waarin jeugdigen worden gepest, mishandeld of misbruikt en in buitengewoon angstwekkende situaties kunnen zij heel goed psycho-trauma oplopen wat kan leiden tot PTSS. Zie verder risico- en beschermende factoren.

Wij beschikken niet over prevalentiecijfers over LVB en PTSS.

Terug naar boven

Epilepsie komt bij ongeveer 8% van de mensen met een LVB voor – bij de doorsnee populatie is de prevalentie 1% - en bij mensen met epilepsie komen psychische stoornissen vaker voor dan bij mensen zonder epilepsie.

Mensen met een LVB hebben dus een acht maal grotere kans op epileptische aanvallen. Epileptische aanvallen gaan heel vaak samen met psychische stoornissen als angststoornissen, depressie en psychose (Došen, 2008). Het is van het grootste belang dat in de gevallen van samengaan van epilepsie en psychiatrische aandoeningen niet alleen aandacht wordt besteed aan de stoornissen en cognitieve tekorten, maar dat er evenzeer oog is voor de emotionele behoeften van de betrokkenen en de vastgelopen ongunstige interactiepatronen. Daarin ligt vaak de aanleiding tot de volgende epileptische aanval en het optreden van de volgende psychose.

Ook met betrekking tot de jeugdigen die hier aan de orde zijn is multidisciplinaire samenwerking en een holistische kijk op het kind nodig. Niet in de laatste plaats ook om zicht te krijgen op het effect van de combinatie van anti-epileptica en psychofarmaca die inwerken op de psychische klachten (Došen, 2008).

Terug naar boven

Daarnaast kunnen jeugdigen met LVB allerlei kinder- en jeugdpsychiatrische aandoeningen hebben. De combinatie van LVB met zo’n aandoening maakt een juiste beoordeling moeilijk. Het is niet steeds duidelijk welke klacht aan het één en wat aan het ander toegeschreven moet worden. Met het oog op behandeling, prognoses en het schetsen van perspectieven is een goede diagnose zeer belangrijk (zie hiervoor Diagnose).

LVB met verschillende soorten problematiek:

Hieronder volgt een beschrijving van de combinatie LVB met verschillende soorten problematiek:

De meerderheid van de kinderen en jeugdigen met een LVB die doorverwezen zijn naar de geestelijke gezondheidszorg vertonen gedragsproblemen. In een redelijk groot aantal gevallen leidt dat tot de kinder- en jeugdpsychiatrische diagnose "gedragsstoornissen". Concreet gaat het dan om agressief gedrag, oppositioneel gedrag en antisociaal gedrag (Van Nieuwenhuijzen, Orobio de Castro, & Matthys, 2006).

Het hanteren van een strikt onderscheid tussen psychiatrische problematiek en gedragsproblemen is in de praktijk niet goed te doen. Men is het er over eens dat er sprake is van een gedragsprobleem als de gevolgen van het gedrag (potentieel) een bedreiging vormen voor het welzijn van de persoon in kwestie en/of anderen. Een gedragsprobleem is er ook als het gedrag in de sociale context als zeer onaangepast of storend wordt ervaren (Didden, 2006).

Er is sprake van een gedragsstoornis in psychiatrische zin als de intensiteit en frequentie van bepaalde, met elkaar optredende gedrags- en emotionele problemen afwijkend zijn. Het dagelijks functioneren van de persoon wordt hierdoor aanzienlijk belemmerd (Didden, 2006).

Vergeleken met niet-LVB jeugdigen en LVB jeugdigen zonder gedragsproblemen vertonen kinderen en jongeren met een LVB en gedragsproblemen een atypische sociale informatie verwerking (Van Nieuwenhuijzen, Orobio de Castro, Wijnroks,Vermeer, & Matthys, 2004; Van Nieuwenhuijzen, Bijman, Lamberix, Wijnroks, Orobio de Castro, & Vermeer, 2005). De sociale informatieverwerking bij een jeugdige met een LVB verloopt anders dan bij het gemiddelde kind. De sociale omgeving is voor hem/haar moeilijker te begrijpen, lijkt complexer. Deze onduidelijkheid kan onzekerheid en angst oproepen. Deze onzekerheid en angst kunnen negatieve interpretaties van de omgeving en daarmee negatieve reacties oproepen. Kinderen met een LVB vertonen minder prosociaal gedrag, meer agressief gedrag en zijn minder sociaal vaardig dan kinderen met een gemiddeld intelligentieniveau (Kasari & Bauminger, 1998). Bovendien genereren LVB kinderen met externaliserende gedragsproblemen meer spontane agressieve reacties dan kinderen zonder verstandelijke beperking en zonder gedragsproblemen (Van Nieuwenhuijzen et al., 2005).

Terug naar boven

Gedragsproblemen, gebrek aan sociale vaardigheden, beperkt begrip in communicatie en gebrek aan zelfwaardering maken jongeren kwetsbaar voor risicovolle contacten.

In instellingen voor jeugdhulpverlening en jeugdbescherming treft men veel jongeren met een LVB die slachtoffer zijn geworden van incest, gedwongen prostitutie en ernstige mishandeling.

Een ander raakvlak met het jeugdbeschermingscircuit betreft het jeugdstrafrecht. Een relatief groot aantal jongeren met een LVB raakt door de beperkte sociale redzaamheid in contacten met leeftijdgenoten zodanig ontspoord dat zij in aanraking komt met de strafrechter. Soms worden zij gemakkelijk voor het karretje gespannen van in maatschappelijk opzicht marginale leeftijdsgenoten. De delinquente jongeren met een LVB worden voor het overgrote deel in justitiële jeugdinrichtingen geplaatst. Uit een onderzoek onder jongeren in justitiële jeugdinrichtingen blijkt 62% in onvoldoende mate sociaal vaardig te zijn. Van hen blijkt 16 procent zelfs in het geheel niet te beschikken over enige sociale vaardigheden of sociaal inzicht (Brand & Van den Hurk, 2008). Bij een aanzienlijk deel van deze jongeren is sprake van een LVB. Onderzoek van Douma en anderen (2007) naar specifieke antisociale en delinquente gedragingen bij jongeren laat zien dat de gedragingen 'gemeen doen tegen anderen', 'fysieke agressie', 'diefstal', 'brandstichting' en 'autoriteitsvermijding' vaker voorkomen bij jongens met een verstandelijke beperking. Meisjes met een LVB vertonen dit gedrag niet vaker dan meisjes zonder een LVB.

Terug naar boven

Het percentage jongeren met een LVB dat alcohol en drugs gebruikt is niet groter dan het percentage normaal begaafde jongeren. Degenen die drinken en drugs gebruiken doen dat ook niet vaker dan de doorsnee jongeren. Ook de leeftijd waarop LVB jongeren met middelengebruik beginnen, is vergelijkbaar met die van jongeren in het algemeen (Bransen et al. 2008; Hilderink en Bransen, 2010). In vergelijking met normaal begaafde jongeren is de kans op grootgebruik of misbruik bij deze jongeren echter vele malen hoger en ook zijn de risico's daaraan verbonden aanzienlijk groter (Hilderink en Bransen, 2010).

Door de verstandelijke beperking en het beperkte kennisniveau zijn zij minder goed in staat om nee te zeggen tegen het gebruik van alcohol en drugs, en vooral ook om daarbij maat te houden (Hilderink en Bransen, 2010; Didden 2010). Er zijn ook nauwelijks preventieprogramma's voor deze categorie. Onder meer door een verhoogde kwetsbaarheid van jongeren met een LVB in peergroup-contacten is de kans op risicovol drank- en drugsgebruik aanzienlijk groter dan bij doorsnee jongeren. Vanwege de beperkte redzaamheid zal de verleiding van het drank- en drugsgebruik gemakkelijk tot grotere problemen leiden dan bij andere jongeren.
Mede ten gevolge van het relatief veel voorkomend externaliserend gedrag, vaak ook in combinatie met alcohol- en druggebruik, komen jongeren met een LVB vaker in aanraking met politie en Justitie. Jongeren met een LVB lopen dus een groter risico op probleemgebruik dan normaalbegaafde jongeren.

Al eerder is opgemerkt dat er bij jongeren met een LVB vaak ook sprake is van andere psychische problemen, gecombineerd met problemen in het sociale functioneren. Wanneer daarvoor medicijnen worden gebruikt, kan ook beperkt alcohol- en middelengebruik al vaak schadelijke effecten hebben en/of leiden tot risicovol gedrag. Dit alles betekent dat men bij jongeren met een LVB meer gespitst moet zijn op alcohol- en middelengebruik dan bij een doorsnee jongere (Bransen, e.a., 2008).

Terug naar boven
Terug naar boven

De verstandelijke beperking kan onderdeel uitmaken van specifieke syndromen. Deze kunnen van genetische aard zijn (bijvoorbeeld syndroom van Down) of verworven zijn (bijvoorbeeld foetaal alcoholsyndroom).
Daarnaast zijn op groepsniveau tal van somatische risicofactoren bekend die een verhoogde kans geven voor het hebben van een verstandelijke beperking, bijvoorbeeld perinatale problematiek. Bij het individu zal het vaak niet mogelijk zijn een causaal verband te leggen tussen deze risicofactoren en de verstandelijke beperking. Soms is het causaal verband zelfs andersom: het is aangetoond dat aanlegstoornissen als gevolg van chromosomale defecten aanleiding kunnen geven tot complicaties rondom de bevalling. Verder is het natuurlijk ook mogelijk dat er sprake is van een bijkomende lichamelijke aandoening waarvan het verband met de verstandelijke beperking (nog) niet is aangetoond. Voor informatie over verschillende syndromen met al dan niet bekend gendefect zij verwezen naar de hierna genoemde websites.

De meest voorkomende syndromen bij jongeren met een lichte verstandelijke beperking (LVB) zijn:

De oorzaken van de LVB bij mensen zonder (bekende) organische aandoeningen

De oorzaken van de LVB bij mensen zonder (bekende) organische aandoeningen kunnen van verschillende aard zijn. Men moet er rekening mee houden dat de oorzaak in veel gevallen moeilijk of soms in het geheel niet is te achterhalen. Er kan sprake zijn van erfelijke aanleg, aangeboren eigenschappen, een niet-aangeboren hersenletsel hetzij met een traumatische hetzij een metabole achtergrond, zuurstoftekort tijdens de geboorte, meningitis, omgevingsinvloeden, waaronder ondervoeding in de perinatale periode. Om hier achter te komen is onder meer een ontwikkelingsanamnese nodig. Bovendien zal men het kind goed moeten observeren.

In het zoeken naar de oorzaken, is het van belang aandacht te schenken aan de omgevingsfactoren die op de betreffende jeugdigen inwerken. Hoe de betrokken jeugdige en later volwassene zijn/haar beperking weet te hanteren en hoe de betrokkenen zich in hun leven met hun beperking zullen ontwikkelen is van tal van factoren afhankelijk. Met spreekt in dit verband van risicofactoren en beschermende factoren, waarbij deze typen factoren vaak elkaars tegengestelde zijn: een zorgzame opvoeding bijvoorbeeld geldt als een beschermende factor terwijl pedagogische verwaarlozing als risicofactor geldt. Positieve aandacht en ondersteuning creëert kansen, verwaarlozing en een niet invoelende benadering ontneemt hen ontwikkelingsmogelijkheden (zie ook Klinisch beeld).

Het belang van het zoeken naar oorzaken

Het zoeken naar de oorzaak van een verstandelijke beperking is om meer redenen van belang. Allereerst kan duidelijkheid verstrekt worden aan de ouders en verzorgers en ook aan de persoon zelf. Voor ouders valt na het stellen van een diagnose meestal een belastende onzekerheid weg. Ook kan op basis daarvan vaak de vraag naar mogelijke erfelijkheid worden beantwoord en dus kan er onderbouwde voorlichting worden gegeven aan familieleden met een kinderwens.
Ook kan de duidelijkheid omtrent de diagnose van betekenis zijn voor preventieve maatregelen. Het geeft allerlei aanwijzingen voor gericht onderzoek, eventuele behandelingen en aanbevelingen voor preventie van de bijkomende stoornissen. Dit preventieve management geeft niet alleen medische aandachtspunten, maar ook aanbevelingen voor het stimuleren van ontwikkelingen en aandachtspunten in gedrag. Bij een snelle diagnose van de aandoeningen kan snel therapeutisch worden ingegrepen.

Niet in de laatste plaats kunnen ouders op het spoor worden gezet van specifieke organisaties van lotgenoten. Dit kan door ouders in contact te brengen met koepelorganisaties, zoals: Ieder(in), de landelijke koepel die staat voor de collectieve belangenbehartiging van mensen met een verstandelijke beperking en hun ouders en verwanten www.iederin.nl of de VSOP, Vereniging van Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij erfelijkheidsvraagstukken, www.vsop.nl.

Risicofactoren en beschermende factoren

Jeugdigen leven altijd in een sociale context. Voor jeugdigen met een LVB is het waarschijnlijk nog belangrijker dan voor doorsnee jeugdigen dat vanuit de sociale omgeving inlevend en positief op hen wordt gereageerd. Tot die sociale context behoren de ouders en de overige gezinsleden, de school, de buurt en de leeftijdgenoten.

Het AAMR model is eerder aan de orde gesteld (zie: Klinisch beeld). Het maakt visueel dat ondersteuning (vanuit de maatschappelijke omgeving) een belangrijke factor is voor het effectieve gedrag van de jeugdigen.

Hier presenteren wij een model waarmee duidelijk gemaakt wordt dat biologische, psychologische en sociale factoren van invloed zijn op een bepaalde persoonlijkheid. Ook de wijze waarop hechtingsrelaties zich hebben kunnen ontwikkelen is daarbij van belang. Het gedrag is de uitkomst van het samenspel van al deze factoren.

Zo zal, om een voorbeeld te noemen, het gedrag van de betrokkene sterk beïnvloed zijn door zijn biologisch gegeven mogelijkheden, zijn psychische ontwikkeling en de invloeden vanuit de sociale omgeving, waaronder de opvoeding. Dit gedrag zal op zijn beurt de reacties uit de omgeving beïnvloeden. De feedback vanuit het sociaal systeem, beïnvloedt zowel het gedrag als de ontwikkelingen in de hersenen van de betrokkene. Op dit alles zijn de hechtingsrelaties op hun beurt weer van invloed. Wij spreken in dit verband van het bio-psycho-sociale model (van den Berg, 2011)

psychosociale-risicofactoren-lvb

Bij biologische risicofactoren moet men denken aan specifieke genetische risico's, problematisch of abnormaal functioneren van het lichaam en aan fysieke beperkingen. Uit de literatuur blijkt dat psychiatrische problematiek vaker voorkomt bij jeugdigen met een verstandelijk beperking in samenhang met biologische risicofactoren.

Kijkend naar psychologische risicofactoren blijken copingproblemen, hechtingsstoornissen, een onrealistisch zelfbeeld en verstoorde of inadequate sociale informatieverwerking veelvoorkomende verschijnselen te zijn die het individueel functioneren beïnvloeden; soms gaan zij samen met of leiden zij tot psychiatrische stoornissen (Došen et al., 2008).

De sociale risicofactoren hebben betrekking op de omgevingscondities die een belangrijke rol spelen in het aanleren van adequaat of minder adequaat gedrag en het ontstaan van psychische problematiek. De factoren betreffen de over- en onderstimulering van de jeugdigen vanuit de omgeving, conflicten met anderen, gebrek aan sociale ondersteuning, moeilijkheden bij het opbouwen van relaties, fysieke en psychische mishandeling, ernstige levensgebeurtenissen en een gebrek aan integratie in de samenleving. Het is bekend dat jongeren met LVB in veel gevallen slechte ervaringen hebben in het contact met de omgeving. Deze ervaringen zijn mogelijk van invloed op een verstoring van de sociale interactie en resulteren in maladaptief gedrag. Daarbij veroorzaken onvervulbare verwachtingen en eisen van de omgeving vaak sociaal ongewenst gedrag bij deze jeugdigen (Došen et al., 2008). Jeugdige LVB'ers kiezen namelijk vaker voor negatief gedrag en negatieve reacties in plaats van prosociaal gedrag (Dekker et al., 2006). Dit heeft tot gevolg dat zij anderen van zich vervreemden en een relatief klein sociaal netwerk overhouden (Van der Wielen, 2006).

Terug naar boven

Voor sociaal aangepast gedrag zijn complexe sociaal-cognitieve vaardigheden vereist. Studies hebben aangetoond dat de mate waarin jongeren adaptief of problematisch sociaal gedrag vertonen afhangt van de Sociale Informatieverwerking (SIV) (Crick & Dodge, 1994; Dodge & Petit, 2003).

Uit eerder onderzoek is naar voren gekomen dat kinderen met een LVB op het gebied van SIV verschillen van hun leeftijdsgenoten met een gemiddeld intelligentieniveau. Sociale vaardigheden zijn een van de belangrijkste domeinen waarin kinderen met een LVB problemen ervaren. In vergelijking met kinderen zonder een LVB encoderen kinderen met een LVB minder relevante signalen. Tevens worden goedaardige intentiesignalen nauwkeuriger geëncodeerd dan geïnterpreteerd. Daarnaast wordt er vaker een vijandige intentie aan gedrag toegeschreven, worden er minder competente, assertieve en submissieve probleemoplossingvaardigheden en meer agressieve oplossingvaardigheden gegenereerd (Van Nieuwenhuijzen et al., 2004). Zowel vijandige als goedaardige intentiesignalen worden geassocieerd met negatieve uitkomsten.

Verstoringen in het proces van sociale informatieverwerking leiden tot een problematisch functioneren. Dodge en Petit (2003) hebben een model ontwikkeld om deze verstoringen te verklaren.

Bij jeugdigen met een LVB spelen veel meer risicofactoren een rol dan bij normaal begaafde leeftijdsgenoten. Doorgaans staan daar ook minder beschermende factoren tegenover.

Kindfactoren

In de eerste plaats zijn er factoren bij het kind zelf die het moeilijker of gemakkelijker maken om tot adequate aanpassing te komen en de problemen waarmee het te maken krijgt te verwerken. Risicofactoren in dit verband zijn bijvoorbeeld een disharmonisch intelligentieprofiel en zwaktes in sociale informatieverwerking. Tot de protectieve factoren kunnen bijvoorbeeld worden gerekend een gemakkelijk temperament, sociale handigheid en een vrolijk karakter.

Ouderlijk milieu en hechting

Positieve hechtingsrelaties zijn belangrijk. Het begint al in het begin van het leven, wanneer het kind al dan niet de gelegenheid krijgt zich te hechten aan zijn ouders of verzorgers.
De ontwikkeling van de hechtingsrelaties in de opvoeding spelen een belangrijke rol in het omgaan met moeilijke of ongunstige omstandigheden. Problemen met de ontwikkeling van veilige hechtingen worden vaak gezien als kenmerken die kunnen leiden tot ernstige en langdurige problematiek. De mate waarin een ouder het kind ondersteunt, beschermt en troost bij stress situaties hangt samen met de ontwikkeling van een veilige hechting.

Bij ouders die vaak zelf een bron van angst en stress zijn, is geen sprake van een veilige basis of veilige haven (Došen et al., 2008). De oorzaak hiervoor zou kunnen zijn dat ouders moeite hebben om sensitief te zijn. Dit kan te maken hebben met een moeilijke opvoeding, alsook verwerkings- of acceptatieproblemen van ouders ten opzichte van hun LVB-kind(eren) (Schuengel & Janssen, 2006). Ook kan het zijn dat ouders zelf een LVB hebben of psychische problemen.

Het gevolg is dat het kind geen enkele coherente strategie vindt om op de ouders terug te vallen. Deze vorm van inconsistent oudergedrag kan bij het kind een maximaliseren van gehechtheidsignalen in stresssituaties tot gevolg hebben en het hanteren van afwerend gedrag als strategie om met stress om te gaan. Het is mogelijk dat dit tot uiting komt in gedesorganiseerde gehechtheid. Dit is de ernstigste vorm van onveilige hechting en maakt kinderen het meest kwetsbaar. Het vormt het grootste risico op het ontwikkelen van psychopathologische gedragspatronen.

Onderzoek laat zien dat er bij kinderen met een verstandelijke beperking vaker sprake is van een minder veilige hechting. Deze kinderen lopen een groter risico op het ontwikkelen van een gedesorganiseerde gehechtheid. Dit vergroot de kans op psychiatrische problematiek in latere levensfasen. Er is tot op heden echter geen specifiek onderzoek gedaan naar de gehechtheid bij LVB-ers (Schuengel & Janssen, 2006).

Verwaarlozing en traumatisering vanuit de sociale omgeving

Nauw hiermee verbonden is de kans op verwaarlozing en traumatisering. De kans op verwaarlozing en traumatisering is drie keer groter bij de LVB dan bij de normaal begaafde kinderen (Sullivan & Knutson, 2000). Vaak vindt deze verwaarlozing en traumatisering ook in de nabije sociale context plaats.
Niet alleen verwaarlozing en mishandeling binnen het gezin is een ernstige risicofactor, ook psychische problemen van de ouders, relatieproblemen tussen de ouders, sociaal isolement al dan niet gepaard gaand met financiële problemen hebben een zorgelijke uitwerking. Daarnaast moeten gezondheidsproblemen van de ouders, middelengebruik en arme één-oudergezinnen met meerdere kinderen met problemen als risicosituaties worden beschouwd.
Uiteraard zijn er ook risicofactoren in de wijdere sociale omgeving zoals de school, de vriendenkring en de werkwereld. Het zal zeer negatief op jeugdigen met LVB uitwerken wanneer zij worden gepest, worden uitgelachen en worden buitengesloten.

Tenslotte is de culturele definiëring van de verstandelijke beperking en de eventuele co-morbide stoornissen een factor van belang.

Het zal duidelijk zijn dat het tegendeel van de risicofactoren als beschermende factoren zijn aan te merken. Daarbij moet men denken aan warme opvoedingsstijl met het nodige geduld, respectvolle communicatie waarbij de betrokken jeugdige in zijn waarde wordt gelaten, een benadering die rekening houdt met de mogelijkheden en onmogelijkheden van de jeugdigen, adequate verwachtingen, een beschermende houding in geval van pesten en uitlachen.

Vaardigheden en handigheden van jeugdigen met LVB hebben soms echter ook een keerzijde. Redzame en vaardige jeugdigen met een verstandelijke beperking worden vaak niet herkend, zowel in de maatschappij als door hulpverleners. Toch hebben zij beperkingen. Zo is bijvoorbeeld het taalbegrip vaak minder goed ontwikkeld dan hun taalgebruik. Het gevolg is dat er gemakkelijk te hoge verwachtingen worden gesteld. Zij worden met andere woorden in het contact "overvraagd".
Het is duidelijk dat dit kan leiden tot falen, zowel in de ogen van de omgeving als in de ogen van de betrokkenen zelf. Alleen al deze faalervaringen kunnen leiden tot een beschadigd zelfbeeld, faalangst en andere angsten, depressief gedrag of juist agressie.

Samenvattend

Bij jeugdigen met LVB spelen veel meer risicofactoren een rol dan bij normaal begaafde leeftijdsgenoten. Doorgaans staan daar ook minder beschermende factoren tegenover. De risicofactoren zijn van biologische en psychische aard, en zijn deels ook te vinden in de sociale omgeving van de jongeren. Voor de verklaring van de problematiek en het gedrag van jeugdigen met LVB, alsook voor beslissingen over behandeling, is een bio-psycho-sociale benadering dan ook wezenlijk. Het individuele gedrag van jeugdigen en volwassenen met LVB wordt grotendeels bepaald door verstandelijke beperkingen en mogelijkheden, de mogelijkheden met betrekking tot adaptief gedrag, de mogelijkheden om interactie aan te gaan, sociale rollen te spelen en te participeren in sociale verbanden, de gezondheidstoestand en de mogelijkheden die de maatschappelijke context biedt. In hoeverre de mogelijkheden worden ontwikkeld en beperkingen worden aangepakt en gecompenseerd, is sterk afhankelijk van de omgevingsfactoren en van de ondersteuning en training die de betrokkenen van jongs af aan krijgen vanuit de sociale context waaronder het gezin en de school.

Terug naar boven
Terug naar boven

Curve van Gauss

Afgaande op het critrium van het IQ kan op grond van de curve van Gauss worden geconcludeerd dat ongeveer 13½ % van de kinderen een IQ heeft tussen 70 en 85. Volgens dezelfde curve zal ongeveer 2½ % van de jeugdigen een IQ lager dan 70 hebben. Een deel van deze 2½ % zal tot de categorie van de jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) behoren.

lvb-curve-Gauss

Prevalentie van zwakbegaafdheid en licht verstandelijke beperkingenIn het algemeen bestaat er grote onduidelijkheid over de aard en omvang van de groep LVB-jeugdigen. In de publicatie Nieuwe cliënten voor Bureau Jeugdzorg (2004) wordt een schatting gemaakt van het totaal aantal zwakbegaafde en jeugdigen met een LVB. Op basis van een normaalverdeling wordt geschat dat circa 15% van de mensen een IQ-score tussen 50 en 85 heeft. Dit gegeven in combinatie met andere onderzoeken leidt tot een berekend aantal van ± 440.000 LVB-jeugdigen van 5 tot 18 jaar. Bij ruim 250.000 jeugdigen is sprake van bijkomende problematiek.

In verhouding tot dit grote getal komt slechts een klein aantal in beeld bij de zorg en het onderwijs. Volgens gegevens uit 2007 is er voor 11.000 jeugdigen een beroep gedaan op AWBZ-zorg. Onderzoek in 2008 toont aan dat ruim 2600 geïndiceerde cliënten wachten op zorg bij een LVB-behandelcentrum of instelling voor gehandicaptenzorg.

Gegevens over exacte aantallen zwakbegaafde jeugdigen zijn er niet. Wel zijn er schattingen over personen van alle leeftijden met een IQ tussen 70 en 85 (zwakbegaafden) met bijkomende problematiek; ze hebben een drietrap gemaakt, eerst alleen cijfers op basis van IQ, dan inclusief sociale redzaamheid, dan met ook nog bijkomende problemen, zoals gedragsproblemen, emotionele problemen, psychi(atri)sche problemen.

Naar schatting zijn er in de hele bevolking 300.000 tot ruim 600.000 personen met een zwakke begaafdheid en met bijkomende problemen (CBZ, 2004) Ruim 70% van de zwakbegaafde jongeren heeft een beperkte sociale redzaamheid en daarvan nog eens ruim 60% bijkomende problemen (Stoll et al. 2004).

De prevalentie van mensen met een lichte verstandelijke beperking, met een IQ tussen 55 en 70, ligt lager. In Nederland zijn er naar schatting minimaal 55.000 personen met een LVB. Mogelijk zijn dit er zelfs tienduizenden meer (Ras et al., 2010).

De werkelijke omvang van de groep mensen met een LVB is lastig vast te stellen omdat niet alleen het intellectueel functioneren een criterium is voor het vaststellen van een LVB, maar ook de beperkingen op praktisch en sociaal gebied. In de praktijk leidt dit tot methodologische problemen (Ponsioen, 2001; DJI, 2005).

Het schatten van het aantal mensen met een LVB is dus moeilijk. Behalve door de hierboven genoemde redenen wordt dit ook veroorzaakt door de omstandigheid dat mensen met een LVB moeilijk zijn op te sporen wanneer ze geen gebruik maken van het zorgsysteem. Zij staan dan nergens als persoon met een LVB geregistreerd. Voor hen is aangepast werk soms al genoeg om mee te kunnen komen. Ook is de kans groter dat familieleden voldoende hulp kunnen bieden. Daarnaast lijkt het erop dat ook verschillen in sociaal-economische omstandigheden een rol spelen: betere omstandigheden verlagen "de prevalentie". Hoe deze mechanismen precies werken, is echter niet duidelijk.

Prevalentie en comorbiditeit
Naast de beperking van het intellectuele vaardigheden en problemen met sociale aanpassing en redzaamheid hebben jeugdigen met een LVB meer dan gemiddeld psychiatrische stoornissen, medische problematiek en problemen in de sociale context (Mutsaers et al., 2007).
Vergeleken met het doorsnee percentage van het vóórkomen van psychiatrische stoornissen bij de doorsnee populatie, ongeveer 10%, lijden mensen met een LVB drie tot vijf maal vaker aan een psychiatrische aandoening. Met andere woorden: bij kinderen met een LVB wordt in 30 tot 50% van de gevallen een psychiatrische stoornis geconstateerd (zie o.a. Došen, 2008).

Een andere bron (Didden, 2006) meldt dat in prevalentiestudies onder mensen met een LVB, is gebleken dat ongeveer 57% van hen een of andere vorm van psychopathologie of gedragsproblemen vertoont. De meest voorkomende stoornissen zijn gedragsstoornissen (45%) en depressie (22%).

Prevalentiecijfers over comorbide psychische problemen en aandoeningen zijn, voor zover bekend, opgenomen in de paragrafen over de betreffende aandoening bij Comorbiditeit.

Terug naar boven

Bij jeugdigen met een LVB is het beloop van het gedrag en de prognose van het maatschappelijk functioneren sterk afhankelijk van de opvoeding in het ouderlijk milieu, van de mogelijkheden die de betrokkenen worden geboden – opleiding, gedragstrainingen en sociale vaardigheidstrainingen – en van de wijze waarop de wijdere maatschappelijke omgeving de betrokkenen ondersteunt en bejegent, waarbij "acceptatie van de beperking" en "bevordering van zelfvertrouwen" als beschermende factoren gelden.

Kortom, hoe de jeugdige zich zal ontwikkelen is in sterke mate afhankelijk van de verschillende risico- en beschermende factoren die op de jeugdige inwerken. Zo is het bijvoorbeeld bekend dat jongeren met een LVB door een repressieve opvoeding en bejegening gemakkelijk gedragsproblemen ontwikkelen en ongevoelig worden voor straf en een repressieve benadering. Bij een meer respectvolle bejegening en een training van de sociale vaardigheden zullen gedragsproblemen al voor een deel kunnen verdwijnen en bovendien zal een eventuele psychotherapeutische benadering in vruchtbaarder bodem vallen.

In een adequate orthopedagogische benadering worden jeugdigen op een respectvolle manier bejegend. Dat wil zeggen dat de beperking van de jeugdige wordt geaccepteerd en dat rekening wordt gehouden met vertraagde ontwikkeling en een wat tragere manier van leren. De opvoeding en de training van vaardigheden worden aangepast aan het ontwikkelingsniveau en aan de manier van leren. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan de mogelijk specifieke wijze van interpreteren en verwerken van de sociale informatie en het trainen van de executieve functies. Hierdoor neemt het gevoel van eigenwaarde toe en zijn de jeugdigen met verstandelijke beperking meer ontvankelijk voor opvoeding, training van sociale vaardigheden en behandeling van eventuele psychiatrische stoornissen. (Zie: Protocollaire Psychologische Behandelvormen).

Wanneer aan bovengenoemde voorwaarden van een respectvolle bejegening wordt voldaan, is in de meeste gevallen het beloop van de psychische stoornissen en de effectiviteit van de behandeling daarvan gelijk aan het beloop en effect bij de doorsnee jongeren.

Terug naar boven

APA (American Psychiatric Association) (2000). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th edition, Text Revision (DSM-IV-TR). Washington, DC: American Psychiatric Association.

Berg, M. van den (2010). Bio-Psycho-Sociaal Model.

Bildt, A.A. de, & Kraijer, D.W. (2007). Pervasieve Ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en jeugdigen met lichte verstandelijke beperkingen. Kind en adolescent, 28, 111-117.

Brand, E., & Hurk, A. (2008). Tien jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen. Den Haag: Dienst Justitiële Jeugdinrichtingen/Ministerie van Justitie.

Bransen, E., Schipper, H., Mutsaers, K., Haverman, M. & Blekman, J. (2008). Aard en omvang van middelengebruik bij lichtverstandelijk gehandicapte jongeren. Een eerste verkenning bij jongeren zelf en hun begeleiders. Utrecht: Trimbos-instituut.

Buntinx, W.H.E. (2003). Wat is een verstandelijke handicap? Definitie, assessment en ondersteuning volgens het AAMR-model, AAMR-model van verstandelijke handicapIn: Nederlands Tijdschrift voor de Zorg aan mensen met een verstandelijke beperking. Assen: Koninklijke Van Gorcum.

College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen (2004). Licht Verstandelijk Gehandicapte jongeren met probleemgedrag – signaleringsrapport. Utrecht: CBZ.

Collot d'Escury, A., Ebbekink, K. & Schijven, E. (2009). Kwaliteit van de behandeling met psychofarmaca van mensen met een verstandelijke beperking. In Didden, R. & Moonen, X. (Red.), Met het oog op behandeling 2: effectieve behandeling van gedragsstoornissen van mensen met een licht verstandelijke beperking (pp. 101-112). Utrecht/Den Dolder: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertise Centrum De Borg.

Crick, N.R., & Dodge, K.A. (1994). A review and reformulation of social information-processing mechanisms in children's social adjustment. Psychological Bulletin, 115, 74-101.

Danielsson, H. Henry, L. Rönnberg, J. & Nilsson, L.G. (2010). Executive functions in individuals with intellectual disability. Journal of Research in Developmental Disabilities, 6, 1299-1304.

Dekker, M.C., Douma, J.C.H., Ruiter, K. de, & Koot H. (2006). Aard, ernst en beloop van gedragsproblemen en psychische stoornissen bij kinderen en jeugdigen met een verstandelijke beperking, In R. Didden (Red.), In perspectief, Gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en licht verstandelijke beperking (pp. 21-40). Houten: Bohn, Stafleu, van Lochum.

Dekker, M.C., & Koot, H.M. (2003). DSM-IV disorders in children with borderline to moderate intellectual disability. II: Child and family predictors. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 923–931.

Dermitzaki, I., Stavroussi, P., Bandi, M, & Nisiotou, I. (2008). Inverstigating ongoing strategic behavior of students with mild mental retardation: Implementation and reataions to performance in a problem-solving situation. Evaluation & Research in Education, 21, 96-110.

Didden, R. (2006). In Perspectief. Gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en lichte verstandelijke beperkingen. Houten, Bohn, Stafleu van Lochum.

Didden, R. & Moonen, X. (2009). Met het oog op behandeling: effectieve behandeling van gedragsstoornissen van mensen met een licht verstandelijke beperking. Utrecht/Den Dolder: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertisecentrum De Borg.

DJI (2005). Prevalentie-onderzoek licht verstandelijk gehandicapten in het Nederlandse gevangeniswezen: meten is niet altijd weten ... Den Haag: Ministerie van Justitie, DJI.

Dodge, K.A., & Petit, G.S. (2003). A biopsychosocial model of the development of chronic conduct problems in adolescence. Developmental Psychology, 39, 349-371.

Došen, A. (2005). Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Een integratieve benadering bij kinderen en volwassenen. Assen: Koninklijke Van Gorcum.

Došen, A., Gardner, W.I., Griffiths, D.M., King, R., & Lapointe, A. (2008). Richtlijnen en principes voor de praktijk: Beoordeling, diagnose, behandeling en bijbehorende ondersteuning voor mensen met verstandelijke beperkingen en probleemgedrag. Nederlandse bewerking: Ad van Gennep. Utrecht: Vilans/LKNG.

Douma, J.C.H. & Dekker M.C. (2007). Antisociale gedragingen van jongeren met licht verstandelijke beperkingen. Kind en Adolescent: Tijdschrift voor Pedagogiek, Psychiatrie en Psychologie, 28, 182-196.

Emerson, E. (2003). Prevalence of psychiatric disorders in children and adolescents with and without intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 47, 51-58.

Hilderink, I., & Bransen, E. (2010). Voorkomen van problematisch middelengebruik door jongeren met een licht verstandelijke beperking. Een interventieprogramma. Utrecht: Trimbos-instituut.

Kasari, C., & Bauminger, N. (1998). Social and emotional development in children with mental retardation. In J. Burack., R.M., Hodapp., & E. Zigler (Eds.), Handbook of Mental Retardation and Development (pp. 411-433). New York: Cambridge University Press.

Kleinert, H.L. Brouwder, M.D., & Towles-Reeves, E.A. (2009). Models of cognition for students with significant cognitive disabilities: Implications for assessment. Review of educational research, 79, 301-326.

Koot, J.M. (2009). Verstandelijk gehandicapten. In F.C. Verhulst, F. Verheij (red), Kinder- en jeugdpsychiatrie, onderzoek en diagnostiek. (pp. 408-422), Assen: Koninklijke Van Gorcum.

Kraijer, D.W. & Plas, J.J. (2006). Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid. Amsterdam: Pearson Assessment and Information.

Molen, M. van der (2009). Het werkgeheugen van kinderen en geheugen met een licht verstandelijke beperking: Inzicht en handelen. In R. Didden & X. Moonen (red.), Met het oog op behandeling 2: Effectieve behandeling en gedragsstoornissen bij mensen met een lichte verstandelijke beperking (pp. 15-21). Utrecht: LKC LVG/Expertisecentrum De Borg.

Mutsaers K, Blekman J.W., & Schipper H.C. (2007). Licht verstandelijk gehandicapten & middelengebruik, wat is er tot op heden bekend? Utrecht: Trimbos-instituut.

Nieuwenhuijzen, M. van, Bijman, E.R., Lamberix, I.C.W., Wijnroks, L., Orobio de Castro, B., Vermeer, A., & Matthys, W. (2005). Do children do what they say? Responses to hypothetical and real-life social problems in children with mild intellectual disabilities and behaviour problems. Journal of Intellectual Disability Research, 49, 419-433.

Nieuwenhuijzen, M.van, Orobio de Castro, B., Wijnroks, L., Vermeer, A., & Matthys, W. (2004). The relations between intellectual disabilities, social information processing, and behavior problems. European Journal of Developmental Psychology, 1, 215-229.

Nieuwenhuijzen, M. van, Orobio de Castro, B., Valk, I. van der, Wijnroks, L., Vermeer, A. and Matthys, W. (2006). Do social information-processing models explain aggressive behaviour by children with mild intellectual disabilities in residential care? Journal of Intellectual Disability Research, 50, 801-812.

Ponsioen, A.J.G.B. (2001). Cognitieve vaardigheden van licht verstandelijk gehandicapte kinderen en jongeren. Amsterdam: Academisch Proefschrift.

Porton, E. (2010). Sociale informatieverwerking bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) en gedragsproblemen. Utrecht: Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen.

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (2011). Zorg voor ingesloten licht verstandelijk beperkte jongeren. Den Haag: Raad voor strafrechttoepassing en jeugdbescherming, Advies 6 juni 2011.

Schuengel, C. & Janssen, C.G.C. (2006). People with mental retardation and psychopathology: Stress, affect regulation and attachment. A review. International Review Research Developmental Disabilities, 32, 231-262.

Stoll., J., Bruinsma, W., & Konijn, C. (2004). Nieuwe cliënten voor Bureau Jeugdzorg? Jeugdigen met meervoudige problemen waaronder een lichte verstandelijke beperking en instrumenten voor herkenning en signalering. Utrecht: NIZW.

Sullivan, P. & Knutson, J. (2000). Maltreatment and disabilities: A population-based epidemiological study. Child Abuse & Neglect, 24 (10), 1257-1273.

Tenneij N.H., & Koot H.M. (2008). Incidence, types and characteristics of aggressive behavior in treatment facilities for adults with mild intellectual disability and severe challenging behavior. Journal of Intellectual Disability Research, 52 (2), 114–124.

Wielen, H. van der (2006). Een paar apart. Spreekbeurt bij de werkconferentie 'Samenhang en Kwaliteit ondersteuning', georganiseerd door MEE Noordwest-Holland, 24 januari 2006, Hoorn.

Willner, P., Bailey, R., Parry, R., & Dymond, S. (2010). Evaluation of executive functioning in people with intellectual disabilities. Journal of Intellectual Disability Research, 54, 366-379.

Wit, M. de, Moonen, X. & Douma, J. (2011). Richtlijn Effectieve Interventies LVB: Aanbevelingen voor het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking. Utrecht: Landelijk Kenniscentrum LVG.

Woittiez, I.B. & Ras, M. (23 juni 2010). Hoe vaak komt een verstandelijke handicap voor? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM.

Xenitidis, K.I., Henry, J., Russell, A.J., et al. (1999). An inpatient treatment model for adults with mild intellectual disability and challenging behaviour. Journal of Intellectual Disability Research, 43, 128–134.

Terug naar boven

Diagnose

Het thema Jeugdigen met een Lichte Verstandelijke Beperking (LVB) én een psychiatrische stoornis is zeer breed: het omvat in feite de hele kinder- en jeugdpsychiatrie. Jeugdigen met een LVB kunnen immers net als doorsnee jeugdigen alle mogelijke psychische problemen hebben of krijgen (Emerson, 2003; Tenneij & Koot, 2008).

De wetenschappelijke kennisvergaring over jeugdigen met een LVB en een psychische stoornis is nog niet zo lang geleden op gang gekomen. Het is een jong gebied, er is nog veel te doen. Dit impliceert dat diagnose en behandeling veelal nog gebaseerd zijn op praktijken die een gunstig effect lijken te hebben. Evidence-based kennis is vooralsnog schaars. Om tot een geïntegreerd beeld te komen is multidisciplinaire kennis nodig op het gebied van ontwikkelingspsychologie, orthopedagogiek, algemene geneeskunde, psychiatrie en neurologie (Došen, 2008; Geus, 2005: NVAVG-richtlijn, 2007)

Een goede diagnose en behandeling verlangt gezamenlijke actie van de verschillende genoemde disciplines (e.g., Xenitidis et al., 1999). Dit omdat het uiteindelijke gedrag van de betrokken jeugdige de resultante is van de interactie van zijn/haar LVB, kwetsbaarheid voor psychische stoornissen en de invloeden uit de omgeving.

Definities

Volgens de definitie van zowel het meest recente handboek van de American Association on Intellectual and Development Disabilities (AAIDD, 2010) als van de DSM- IV-TR (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; APA, 2000) heeft iemand een verstandelijke beperking wanneer sprake is van de volgende drie criteria:

  • Niveau van verstandelijk functioneren: een IQ van ongeveer 70 of lager
  • Er zijn gelijktijdig tekorten aanwezig in of beperkingen van het aanpassingsgedrag
  • De beperkingen zijn bekend vanaf de geboorte, of in ieder geval bekend voor het achttiende levensjaar

In de Nederlandse praktijk worden met de term LVB vaak mensen aangeduid met een IQ van tussen de 50-55 en 85 met bijkomende problemen op het gebied van sociale aanpassing en sociale redzaamheid. In feite is dat om verschillende redenen onzorgvuldig. Voor zover men het IQ als belangrijkste bepalende factor neemt, wordt in de literatuur (o.a. Koot, 2009) het volgende onderscheid gemaakt:

  • Zwakbegaafd: IQ 70 tot 85
  • Licht Verstandelijk Beperkt: IQ 50-55 tot 70

IQ, sociale aanpassing en redzaamheid

Zoals uit de eerder aangehaalde definitie blijkt, is het IQ echter niet het enige criterium dat telt. Het IQ alleen blijkt een beperkte voorspeller van problemen die jeugdigen met een LVB kunnen hebben. Er zal altijd ook sprake zijn van tekorten op het gebied van sociale aanpassing en (sociale) redzaamheid (De Bildt et al., 2005). Het beperkte IQ en de beperkte sociale aanpassing en (sociale) redzaamheid blijken voornamelijk uit tekorten in de zelfverzorging, leerstoornissen, stoornissen in de motorische vaardigheden, communicatiestoornissen, gebrek aan sociale vaardigheden en pervasieve ontwikkelingsstoornissen.

In de praktijk blijkt dat zwakbegaafde jeugdigen met een IQ van ongeveer 70 tot 85 vaak vergelijkbare problemen en vergelijkbare zorgbehoeften hebben als jeugdigen met een LVB met een IQ van 55 tot 70. Wanneer op deze website wordt gesproken over jeugdigen met een licht verstandelijke beperking, worden daarmee tevens jeugdigen met een zwakbegaafd niveau bedoeld.

LVB verbonden aan syndromen

Verstandelijke beperkingen zijn nogal eens verbonden met lichamelijke aandoeningen, specifieke syndromen. De verstandelijke beperking kan dan variëren van licht tot zwaar. Wij gaan daarop hier niet in. Voor informatie over verschillende syndromen en het verband met verstandelijke beperkingen, zie Etiologie. Voor informatie over aan LVB verbonden syndromen wordt verwezen naar verschillende websites.

Terug naar boven

Hier gaat het om het diagnosticeren van jeugdigen zonder opvallende organische aandoeningen, die bij hulpverleners en behandelaars in de jeugd-GGZ worden aangemeld, hetzij door consultatiebureaus, scholen of artsen hetzij door de ouders, vanwege een afwijkende ontwikkeling of het vermoeden van psychische aandoeningen.

Om tot een geïntegreerd beeld te komen is multidisciplinaire kennis nodig op het gebied van ontwikkelingspsychologie, orthopedagogiek, algemene geneeskunde, psychiatrie en neurologie (Došen, 2008; NVAVG-richtlijn, 2007).

Alle deskundigen pleiten voor integratieve of multimodale diagnostiek. Dat houdt in dat alle biologische, psychische, sociale en ontwikkelingsfactoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de LVB en de psychische problematiek en die van blijvende invloed zijn op het functioneren van de betrokken jeugdigen, zorgvuldig in kaart worden gebracht, voor zover mogelijk, en dat wordt gezocht naar de positief te beïnvloeden dynamische – veranderbare – factoren. Deze bieden immers aanknopingspunten voor therapie.

LVB herkennen is ingewikkeld

Bij jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) zonder opvallende organische aandoeningen is het herkennen van de beperking en het stellen van een diagnose ingewikkeld. Er zijn vaak geen uiterlijke kenmerken die licht verstandelijk beperkte jongeren onderscheiden van hun normaal begaafde leeftijdgenoten. Evenmin zijn er vaste (gedrags)kenmerken die samenhangen met een LVB. Veel jongeren zijn vaardig in het maskeren van de beperking en ogen c.q. handelen vaak 'streetwise'.

De William Schrikker Groep omschrijft het als volgt:
"Wanneer er sprake is van een lichte verstandelijke beperking is de handicap in veel gevallen niet herkenbaar. (…) Het taalgebruik en het contact lijken in eerste instantie normaal. Wat echter wordt aangezien voor asociaal of onaangepast gedrag, onwil of impulsiviteit kan het directe gevolg zijn van een lichte verstandelijke beperking. Wanneer een verstandelijke beperking niet wordt onderkend, is overvraging een reëel gevaar en ernstige gedragsproblemen kunnen hiervan het gevolg zijn. Daar komt bij dat zowel jongeren als ouders vaak het probleem niet erkennen of de problematiek bewust verbergen." (Lever en Boertjes, 2006).

In een aantal gevallen zal het afwijkend gedrag van het kind vrij snel aanleiding geven tot een diagnose uit het psychologisch/psychiatrisch repertoire. Men denkt hierbij aan angstproblemen, gedragsproblemen, gebrek aan sociale vaardigheden e.d. Ook in dat soort situaties is het van belang zich ervan bewust te zijn dat er mogelijk ook sprake is van een LVB. Wanneer dat het geval is, kan dit gevolgen hebben voor de behandeling.

Hoewel (vroege) signalering niet altijd gemakkelijk is, is het wel van groot belang om ervoor te zorgen dat bij een jongere zo snel mogelijk met de juiste aanpak en behandeling wordt gestart. Hiervoor is een goede en zo volledig mogelijke diagnose nodig.

Terug naar boven

Onderstaande instrumenten betreffen instrumenten die gebruikt worden bij het diagnosticeren van LVB. Voor het diagnosticeren van probleemgedrag verwijzen wij naar de betreffende problematiek op deze website.

Screening Diagnostiek
Interview VINE-Z
Vragenlijst YSR
BSA-K
BSA-J
KID-N
SRZ
TVZ
SGZ
VISK
VOG
CBCL 1 tot 5 jaar
CBCL 6 tot 18 jaar
DBC
Observatieschalen BSID-II-NL
Ontwikkelingsschalen DOS
BOS 2-30
GOS 2½-4½
KAIT
SON 2½-7
SON 5½-17
WNV-NL
WPPSI-R 3-7
RAKIT
WISC-III
WAIS
Terug naar boven

De jeugdigen komen met de zorg in aanraking omdat ouders psychiatrische of sociale problemen menen te zien of omdat op de ouder- en kindcentra/ consultatiebureaus, ontwikkelingsachterstanden worden geconstateerd. "Moeilijk gedrag" is soms al voldoende reden om naar de huisarts te gaan of om andere hulpverleners in te schakelen.

Een belangrijk maatschappelijk instituut waar alle kinderen mee in aanraking komen is de school. Veel kinderen met een LVB vallen daar voor het eerst op vanwege de leerachterstanden die daar al gauw aan het licht komen.

Wanneer besloten wordt tot nader onderzoek is het van het grootste belang zorgvuldig te werk te gaan. Het gaat om kinderen die volop in ontwikkeling zijn en bij wie geconstateerd is dat hun ontwikkeling en gedrag afwijken van het gemiddelde. Het kan gaan om een vertraagde ontwikkeling zonder meer, om een psychiatrisch probleem dat is ontstaan of verergerd wordt door een LVB, of om een LVB zonder meer.

Het gevaar van overschatting van jeugdigen met een LVB is beschreven in het Klinisch Beeld. Overschatting is vaak het gevolg van het feit dat de betreffende jeugdigen met een LVB vaak verbaal sterk overkomen. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat een jeugdige een LVB lijkt te hebben doordat er lange tijd sprake was van 'onderstimulering' of een onevenwichtige ontwikkeling.

Er zijn twee zaken van belang om te komen tot een goede diagnose bij jeugdigen met een LVB al dan niet in combinatie met psychische of psychiatrische problematiek.

  1. Er zal een aantal opeenvolgende stappen moeten worden gezet, waarbij informatie uit verschillende bronnen wordt verzameld en waarbij soms dezelfde metingen op verschillende momenten worden uitgevoerd en onderling worden vergeleken (Koot, Presentatie, 2010).
  2. Het inschakelen van meerdere disciplines.

Wanneer ouders of school of consultatiebureau zich zorgen maken over onaangepast of afwijkend gedrag van het kind zal na de intake bij een behandelende instelling eerst een screening plaats moeten vinden.

Screeningsinstrumenten voor het Nederlands taalgebied zijn in ontwikkeling. Voorlopig moet men zich nog enigszins behelpen. Het doel van een screeningsinstrument is in het algemeen om vast te stellen of het zinvol is om iemand aan een nader diepgaand onderzoek te onderwerpen. Daarbij gaat het om onderzoek dat voor de betrokkenen belastend en tijdrovend is en ook duur voor de organisatie. In de internationale prevalentiestudies komen verschillende "veelbelovende screeningsinstrumenten" aan de orde die simpel te hanteren zijn: de HASI (Hayes Ability Screening Index), de LIPS (Learning disabilities in the Probation Service), de LDSQ (Learning Disability Screening Questionnaire). Voor een korte beschrijving van deze instrumenten wordt verwezen naar Kaal (Kaal, 2010). Het gaat om eenvoudige instrumenten, die in 10- 15 minuten (ook) kunnen worden afgenomen door niet-psychologen.

In Nederland zijn vergelijkbare instrumenten niet beschikbaar (Kaal, 2010). Wel wordt door het samenwerkingsverband SGLVG instelling De Borg enkele praktische tips voor het herkennen van een licht verstandelijke beperking gegeven, welke in de buurt van de eerdergenoemde instrumenten komen. Deze 'tips' bieden echter niet de mogelijkheid tot een geobjectiveerde beoordeling (Kaal, 2010).

Het is belangrijk dat meteen bij de screening al overleg plaats vindt tussen orthopedagogen, psychologen en kinder- en jeugdpsychiaters over de vraag wat aan een LVB kan worden toegeschreven en in hoeverre sprake is van een psychiatrische aandoening. Dit is belangrijk met het oog op het formuleren van verschillende mogelijke hypothesen en het uitzetten van een nader diagnosetraject. Daarbij is het voor de hand liggend om de bio-, psycho-, sociale benadering te hanteren. De interactie van bio-, psychomechanismen met de sociale invloeden kunnen immers bijdragen aan het ontwikkelen van een psychiatrische stoornis en beïnvloeden ook de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen met een LVB. Zie hiervoor Etiologie.

Essentiële onderdelen van het diagnosetraject zijn:

  • afnemen van een ontwikkelingsschaal of een intelligentietest.
  • ontwikkelingsanamnese, waarbij niet alleen naar het kind en zijn ontwikkeling wordt gekeken, maar ook naar achtergronden van de ouders, de gezinshistorie en de opvoedstijl in het gezin.
  • klachtenanamnese, waardoor duidelijk wordt wanneer de problemen optreden en waarmee de problemen mogelijk gepaard gaan. In dit verband moet worden onderzocht op welke van de 11 functiegebieden van Koot er sprake is van problemen (zie hiervoor Klinisch Beeld).
  • verzamelen en analyseren van materiaal van consultatiebureaus, huisartsen, school en eventueel behandelende psychologen/psychiaters.
  • gedragsanalyse met de ouders, leerkrachten, vroegere behandelaars en de jeugdige zelf waarbij ook aandacht besteed moet worden aan mogelijk verborgen thema's.
  • uitwisselen van inzichten en deskundigheid van verschillende specialisten.

Het diagnostisch team onderzoekt:

  • of er sprake is van primair een LVB, in hoeverre deze beperking de eventuele psychische problematiek kleurt en in hoeverre de invloeden uit de omgeving als risicofactoren of juist als beschermende factoren kunnen worden aangemerkt.
  • of er sprake is van primair een psychiatrische aandoening die gepaard gaat met of zich specifiek manifesteert ten gevolge van eventuele bijkomende verstandelijke beperking.

Het vraagt dus extra aandacht van de betrokken diagnostici om te bepalen of de kenmerkende problematische gedragingen van een individu terug te voeren zijn op de lichte verstandelijke beperking of op een psychiatrische stoornis. In de praktijk van de diagnostiek gaat het erom de samenhang en de verwevenheid van de (chronische) beperking en bijkomende pathologie te begrijpen, met het oog op het kiezen van een adequate behandeling of bejegening. Dat daarbij ook de risicofactoren en de beschermende factoren uit de sociale omgeving moeten worden meegewogen, is al eerder onderstreept.

Op basis van een op deze manier tot stand gekomen diagnose kan dan een onderbouwd behandelingsadvies worden gegeven. Over het algemeen zal de behandeling niet alleen op het betreffende kind, maar ook op de sociale omgeving – het gezin en de wijdere omgeving, waaronder vooral de school – zijn gericht.

Overigens is het in de meeste gevallen niet noodzakelijk de hele diagnostiek volledig af te ronden voordat men met de behandeling kan beginnen. Op basis van de eerste aanwijzingen die door screening en anamnese zijn verkregen, kan vaak al worden gestart met behandeling van de jeugdige met een LVB en zijn gezin.

Terug naar boven

Alleen al uit efficiencyoverwegingen zal men de tijdsduur van de diagnostisch onderzoek en de meting zoveel mogelijk beperkt moeten houden.

Daarnaast is het vooral bij de doelgroep die hier aan de orde is ook belangrijk efficiënt met de tijd om te gaan. Dit geldt niet alleen voor het invullen van vragenlijsten die vooral met de ouders en soms ook met de kinderen, worden ingevuld. Vooral wanneer de ouders zelf ook een LVB hebben mogen de vragenlijsten niet te lang of te moeilijk zijn. Er moet goed op worden gelet of zij de vragen begrijpen of net doen alsof. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat zij, ondanks de uitleg, vaak het nut er niet van inzien.

Overigens dient men ook met ouders zonder verstandelijke beperking efficiënt met de tijd om te gaan. Met name wanneer hun kind wordt opgenomen, of in therapie wordt genomen kunnen zij dit beleven als een ingrijpende gebeurtenis. Vaak is er aan een dergelijke stap al heel wat papierwerk en diagnostiek voorafgegaan. Eén maatregel om hier rekening mee te houden, is het gebruiken van ingekorte versies van vragenlijsten.

Terug naar boven

Došen, A. (2005). Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Een integratieve benadering bij kinderen en volwassenen. Assen: Koninklijke Van Gorcum.

Kaal, H.L. (2010). Beperkt en gevangen? De haalbaarheid van prevalentieonderzoek naar verstandelijke beperking in detentie. Den Haag: WODC.

Koot, J.M. (2009). Verstandelijk gehandicapten. In: Verhulst, F.C. & Verheij, F. (Red.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie, onderzoek en diagnostiek. Assen: Van Gorcum.

Koot, J.M. (2010). Geestelijke gezondheid en psychopathologie: Verstandelijke handicap en Psychopathologie bij kinderen en jongeren. Presentatie Professor Koot.

Kraijer, D.W. & Plas, J.J. (2006). Handboek Psychodiagnostiek en Beperkte Begaafdheid, Classificatie, test-, schaal-, en vragenlijstgebruik. Amsterdam: Pearson.

Lever, M.S. & Boertjes, M.J. (2006). Andere jeugdzorg: ouders en kinderen met een handicap met het Nederlandse stelsel voor jeugdzorg: visie van de William Schrikker Groep op specialistische jeugdzorg. Diemen: William Schrikker Groep.

NVAVG-richtlijn (2007). Voorschrijven van psychofarmaca bij mensen met een verstandelijke beperking. Enschede: NVAVG.

Terug naar boven

Behandeling

In het rapport "Richtlijn Effectieve Interventies LVB: Aanbevelingen voor het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking" (De Wit e.a., 2011) bleek dat tijdens het bestuderen van de interventies in de diverse databanken er zeer weinig gedragsveranderende interventies specifiek zijn ontwikkeld of geschikt zijn voor jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking (LVB). Een reden voor het gebrekkige aanbod is dat er nog maar weinig onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van interventies bij jeugdigen met een LVB (De Koning & Collin, 2007; Orobio de Castro, Embregts, Van Nieuwenhuijzen & Stolker, 2008). Dit staat in schril contrast met de grote vraag naar geschikte interventies voor jeugdigen met een LVB.

Veel zorgverleners proberen de jeugdigen met een LVB zo goed mogelijk te helpen door effectief gebleken interventies voor jeugdigen met een gemiddelde intelligentie in te zetten. Maar om een zelfde effect bij jeugdigen met een LVB te bereiken zijn aanpassingen nodig aan de interventie zelf en aan de randvoorwaarden.

Volgens Došen et al. (2008) zijn succesvolle en effectieve interventies gericht op een drietal aspecten.

Allereerst zal een effectieve interventie leiden tot een reductie of eliminatie van de condities die psychisch leed veroorzaken. Ten tweede zal een interventie gericht zijn op het aanleren van nieuwe of versterken van bestaande alternatieve vaardigheden voor het omgaan met psychische leed. Het derde aspect gaat om het tegemoet komen aan iemands basale behoeften door veranderingen in de fysieke en sociale omgeving. Daarbij dient een integratieve benadering te worden gekozen. Integratieve of multimodale diagnostiek houdt in dat alle biologische, psychische, sociale en ontwikkelingsfactoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de psychiatrische problematiek, zorgvuldig in kaart worden gebracht en dat in het positief beïnvloeden van de dynamische – veranderbare – factoren de aanknopingspunten voor de therapie worden gezocht.

Bij de behandeling van jeugdigen met een verstandelijke beperking èn een psychiatrische stoornis zal men enige algemene aandachtspunten in het vizier moeten houden. Op basis van De Koning en Collin (2007) noemen we de volgende aspecten:

  • De ernst van de verstandelijke beperking, waarbij niet alleen naar het IQ maar ook naar beperkingen in het zogenaamde aanpassingsgedrag moet worden gekeken: sociale vaardigheden, communicatie, zelfredzaamheid vrije tijdsbesteding.
  • Beperkingen in het werkgeheugen – een van de executieve functies – hetgeen impliceert dat men moeite heeft met het tegelijkertijd opslaan en bewerken van vooral verbale informatie.
  • Beperkingen in het sociaal functioneren, hetgeen zich vooral uit in het inadequate verwerken van sociale informatie en het gebrek aan vaardigheden om problemen op te lossen.
  • Problemen met het generaliseren van het geleerde, waardoor de betrokkenen moeite hebben kennis in de ene situatie opgedaan in andere situaties kunnen toepassen.
Terug naar boven

Belangrijk voor de ondersteuning van iemand met een LVB is een ketenbenadering, vaak een levenslange begeleiding en multi systeem benadering van gespecialiseerde zorg.

Voor een betere kwaliteit van zorg worden evidence-based interventies ingezet teneinde de problemen proberen op te lossen. Bij jeugdigen met een LVB is aangetoond dat zij een 3 tot 4 keer grotere kans hebben op emotionele problemen, gedragsproblemen en/of psychiatrische stoornissen (Dekker & Koot, 2003). Naar de effectiviteit van behandelmethoden voor mensen met een LVB met psychiatrische en/of gedragsproblematiek is nog betrekkelijk weinig onderzoek gedaan.

Door het ontbreken van wetenschappelijk bewijsmateriaal over de effectiviteit van interventies bij mensen met een LVB, zijn er op dit moment nog weinig erkende evidence-based practices in de zorg voor deze doelgroep. Er zijn onderzoeken, zoals casusstudies, evaluatiestudies en meta-analyses, uitgevoerd die laten zien dat met bepaalde interventies en behandelmethoden positieve resultaten worden behaald bij mensen met een LVB. Het merendeel van de studies richt zich op behandelingen die hun basis hebben in de cognitieve gedragstherapie (Neijmeijer,e.a., 2010). Er moet gezegd worden dat wanneer een interventie niet aangetoond effectief is, dat nog niet wil zeggen dat de kwaliteit van de interventie geen waarde heeft. Wanneer zoals aangegeven in het rapport “Richtlijn effectieve interventies LVB” aanpassingen worden gedaan aan de bestaande interventies die aansluiten bij de kenmerken van een jeugdige met een LVB, is de kans groter dat de effectiviteit wordt verhoogd.

Dat er nog veel werk te doen is voor de doelgroep staat vast. Er loopt op dit moment een scala aan projecten waar diverse interventies worden aangepast aan de problematiek bij deze jeugdigen.

Veel van de behandelmogelijkheden met een goede theoretische basis zijn varianten van de gedragstherapie of de cognitieve gedragstherapie.

Bij de gedragstherapie gaat men ervan uit dat probleemgedrag tot stand komt door twee vormen van leren:

  • Het klassieke leren, waarbij gedrag tot stand komt door gebeurtenissen die eraan vooraf zijn gegaan. Het betreft een soort van conditioneren.
  • Het operante leren, waarbij het gedrag wordt beheerst door de gevolgen of de consequenties van het gedrag.

Kort gezegd gaat het bij dit soort therapieën over het versterken van externe controle van het probleemgedrag.

Cognitieve gedragstherapie is gebaseerd op de relatie tussen gedachten/opvattingen, gevoelens en gedrag: inadequate gedachten/opvattingen leiden tot inadequate gevoelens en inadequaat gedrag. Omgekeerd is de kans groot dat adequate gedachten tot meer adequaat gedrag leiden. Het gaat bij dit soort therapieën om het aankweken van interne controle van het gedrag en om het leren van zelfsturing. Cognitieve gedragstherapie veronderstelt bij de mensen die het aangaat de mogelijkheid tot reflectie over eigen gedachten, gevoelens en gedragingen. Per therapie moet worden bepaald of deze geschikt is voor jeugdigen met een LVB.

Een aantal van de bestaande therapieën voor doorsnee jongeren wordt, al dan niet met een lichte aanpassing geschikt geacht voor jeugdigen met een IQ van minimaal 70. In feite is de behandeling dan geschikt voor zwak begaafde jeugdigen. Daarnaast is er een aantal behandelingen dat geschikt is voor jeugdigen met een IQ van minimaal 55. Het betreft hier behandelingen voor jeugdigen met een LVB.

Bij welke therapie dan ook is het van het grootste belang om de directe omgeving – de ouders en andere familieleden – erbij te betrekken (Jahoda en Embregts, 2009). In de thuissituatie zal immers moeten worden voortgeborduurd op hetgeen in de therapie of in de training aan de orde is geweest of is aangeleerd. Wanneer (één van) de ouders een verstandelijke beperking heeft (hebben), kan het moeilijk zijn hen op een adequate manier bij de behandeling van het kind in te schakelen. Men moet er rekening mee houden dat, indien de verstandelijke beperking van (één van de) ouders leidt tot problemen in het functioneren van het gezin, dit de effectiviteit van de behandeling van het kind negatief kan beïnvloeden (De Koning en Collin, 2007).

Terug naar boven

Sociale vaardigheidstrainingen worden binnen de GGZ en de VG-sector breed toegepast. Sociale vaardigheidstrainingen hebben als doel om mensen met een LVB beter te kunnen laten functioneren in de samenleving en beter om te gaan met anderen. Sociale vaardigheidstrainingen worden meestal in groepsverband gegeven. Onderwerpen die vaak terugkomen zijn: educatie, rollenspellen, modeling, videofeedback en sociale bekrachtiging.

Sociale vaardigheden van mensen met een LVB verbeteren daadwerkelijk en ze zijn sociaal competenter. Ook in de praktijk worden sociale vaardigheidstrainingen, in het bijzonder de Goldsteintraining, vaak toegepast bij mensen met een LVB. Sociale vaardigheidstrainingen zijn met name geïndiceerd om te voorkomen dat hun beperkingen op sociaal gebied leiden tot isolatie en afwijzing (Matson, e.a., 2000). Voor mensen met een LVB is het belangrijk dat in de training zowel aandacht is voor verbale als non-verbale vaardigheden. Daarnaast moet begeleiding worden geboden bij het toepassen van de geleerde vaardigheden naar alledaagse situaties (Didden, 2006).

Het doel van assertiviteitstrainingen is om mensen te leren om op een constructieve manier te reageren in stressvolle sociale situaties. Assertiviteitstrainingen kunnen deel uitmaken van sociale vaardigheidstrainingen en maken gebruik van dezelfde methoden.

Assertiviteitstrainingen worden vaak toegepast bij de LVB-doelgroep. Hier leert de patiënt voor zichzelf opkomen op een sociaal aanvaardbare manier, zonder daarbij anderen te schaden (Didden, 2006) en een agressieve manier van reageren om te zetten in een assertieve manier van reageren. Omdat voor mensen emt een LVB het onderscheid tussen assertief en niet-assertief gedrag vaak moeilijk is, kan een assertiviteitstraining hierbij helpen (Didden, 2006). Uit onderzoek blijkt dat een assertiviteitstraining leidt tot een verbetering van assertieve vaardigheden van mensen met een LVB en een vermindering van sociaal onaangepast gedrag (Didden, 2006; Neijmeijer, e.a., 2010).

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat sociale vaardigheidstrainingen effectief zijn voor mensen met een LVB (Didden, 2006; Matson en Senatore, 1981; O'Reilly, e.a., 2000; Matson, e.a., 2000).

Terug naar boven

'Op eigen benen' is ontwikkeld voor mensen met een LVB, maar is toepasbaar voor iedereen met wie communicatie mogelijk is en die zich wil voorbereiden op een zelfstandiger bestaan, bijvoorbeeld ouderen, mensen met psychische problemen, kinderen en mensen met lichamelijke beperkingen.

Doel van de methode

Op eigen benen is het versterken van de eigenwaarde en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen, zodat ze hun leven op hun eigen manier vorm kunnen geven en het beste uit zichzelf kunnen halen (eigenheid). Meer concreet gaat het om het realiseren van de wens om meer sturing te geven aan het eigen leven, vooral op de terreinen wonen en werken.

Terug naar boven

De medicatie die regelmatig wordt voorgeschreven aan jongeren met LVB worden per middel besproken. Zie verder.

Project Wat slik ik? "

Wat slik ik? is een project waarin onderzocht wordt hoe mensen met een LVB geneesmiddelen gebruiken.

Ook wordt er gekeken hoe geneesmiddelengebruik verbeterd kan worden door les te geven aan behandelaars en cliënten over het gebruik van geneesmiddelen. Cliënten hebben zelf vaak geen idee wat ze slikken en wat de gevolgen hiervan kunnen zijn.

In het project Wat slik ik? wordt gemeten hoeveel geneesmiddelen worden gebruikt en welke effecten en bijwerkingen deze middelen hebben. Daarnaast wordt de kennis en daardoor de zelfredzaamheid van cliënten vergroot bijvoorbeeld door samen met behulp van onderwijsdeskundigen en cliënten een lespakket te ontwikkelen over het gebruik van geneesmiddelen. Het effect van dit lespakket wordt gemeten door te kijken of de cliënten meer weten over hun geneesmiddelen gebruik na het volgen van deze lessen.

Dit onderzoeksproject maakt deel uit van het consortium Coping LVB en is momenteel in uitvoering. Dit project wordt uitgevoerd door Drs.Scheifes.

Terug naar boven
Terug naar boven

Jongeren met een LVB alsook jeugdigen met een zwakke begaafdheid lopen meer risico om crimineel gedrag te vertonen en in aanraking met justitie te komen (Collot d'Escury, 2007). Ook volgens de Raad voor de strafrechttoepassing is de aard van de problematiek van LVB en zwakbegaafde jongeren ernstig.

Zij hebben minder cognitieve mogelijkheden op bijvoorbeeld het gebied van het strategisch denken, snelle informatieverwerking en impulscontrole. Daarbij hebben zij in vergelijking met normaal begaafde jongeren vaker psychische stoornissen, emotionele en gedragsproblemen, risico's van middelengebruik en gebrek aan steun vanuit hun thuis. Omdat zij zich op het eerste gezicht "streetwise" weten te gedragen, worden hun beperkingen verhuld en niet gemakkelijk herkend, vaak zelfs ook niet door gedragsdeskundigen.

Zowel binnen de gesloten jeugdzorg als binnen de justitiële jeugdinrichtingen worden allerlei (erkende) interventies ingezet om gewenste gedragsveranderingen bij jongeren te bewerkstelligen. Hierbij valt te denken aan interventies om middelengebruik terug te dringen (bijvoorbeeld Brains4Use), interventies voor gedrags- of psychiatrische problematiek, gezinstherapie FFT en MST) en het buitenprogramma Workwise. (Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Zorg voor ingesloten licht verstandelijk beperkte jongeren, 2011)

Daarbij wordt inmiddels onderkend dat deze gedragsinterventies niet zonder meer geschikt zijn voor zwakbegaafde jongeren en jongeren met een LVB. Behandeling van deze groep jongeren vraagt om een specifieke aanpak, mede gelet op hun cognitieve beperkingen en omgevingsafhankelijkheid. Reguliere behandelprogramma's zijn voor hen meestal te hoog gegrepen.

Een enkele interventie is geschikt gemaakt voor jeugdigen met een LVB.

EMDR is een kortdurende behandeling waarmee een jongere akelige ervaringen kan verwerken die (nog altijd) in de weg zitten. Via het volgen van de handbewegingen van de therapeut worden gedachten, beelden en gevoelens over die akelige ervaringen minder zwaar te maken. Zo wordt de negatieve invloed van die akelige ervaringen op het dagelijks functioneren verminderd.

EMDR is geschikt voor jongeren en jong-volwassenen van 4 tot 23 jaar met LVB-problematiek. Deze mensen hebben aanhoudende klachten als gevolg van nare ervaringen.

Als gevolg van deze akelige gebeurtenissen houdt de jeugdige klachten die zijn dagelijkse functioneren in de weg staan. Dit kan leiden tot (sterk) probleemgedrag thuis, op school en/of elders. EMDR wordt vaak ingezet in afstemming met andere vormen van therapie of begeleiding.

Onderzoek met betrekking tot de effectiviteit van EMDR behandeling wordt op zowel nationaal als internationaal niveau breed uitgevoerd. De effectiviteit en toepassing EMDR is een zeer actueel onderzoeksonderwerp (e.g., Rodenburg et al., 2009).

Terug naar boven

FFT is bedoeld voor jongens en meisjes (IQ > 55) die in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar één of meerdere delicten gepleegd hebben.

Momenteel wordt binnen Nederland onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van FFT. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door PI Research, in opdracht van ZonMw. Naast dit recente onderzoek zijn reeds diverse nationale en internationale onderzoeken verschenen die betrekking hebben op FFT (e.g., Loef et al., 2008).

Terug naar boven

Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling voor licht verstandelijke gehandicapten (IOG-LVG) is een vorm van Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT). Het doel van IOG is tweeledig:

  • Het zodanig verbeteren van het gezinsklimaat dat het kind er veilig kan opgroeien en zich kan ontwikkelen.
  • De gezinsleden ontwikkelen meer vaardigheden om gebruik te maken van hun sociale netwerk.

De doelgroep van IOG zijn gezinnen met kinderen van iedere leeftijd die meervoudige en ernstige problemen hebben en/of een langdurige hulpverleningsgeschiedenis. Bij deze gezinnen speelt gezins- en opvoedingsproblematiek en er is sprake van ernstige problemen op andere gezinstaken zoals het huishouden of het maatschappelijk functioneren.

Een specifieke variant is IOG-LVG, deze richt zich op gezinnen waar de draaglast bovendien verzwaard is door een LVB bij één van de gezinsleden.
IOG en IOG-LVG laten over het algemeen een middelgroot tot groot effect zien op de vermindering van het probleemgedrag van de aangemelde jeugdige en een vermindering van de opvoedingsbelasting zoals die wordt ervaren door de ouders. Met name IOG zoals dat uitgevoerd wordt binnen de Hulp aan Huis programma's in Drenthe, Overijssel en Groningen en bij Dunamis in Nijmegen laten deze resultaten zien. In vergelijking met onderzoek naar andere vormen van IPT kunnen IOG en IOG-LVG aangemerkt worden als een van de meer effectieve IPT-modules.

Erkenning door Erkenningcommissie Databank Effectieve Interventies: Theoretisch goed onderbouwd (Veerman, Janssens, & Delicat, 2005).

Terug naar boven

Parent-Child Interaction Therapy (PCIT) is een behandeling voor jonge kinderen met externaliserend probleemgedrag en hun ouders.

Terug naar boven
Terug naar boven

Het gaat hier om interventies die in eerste instantie ontwikkeld zijn voor doorsnee-jeugdigen met problemen. Bij de doelgroep-omschrijving wordt soms expliciet aangegeven dat jeugdigen met een LVB ook tot de doelgroep kunnen worden gerekend. In de meeste gevallen wordt vervolgens als nadere specificatie vermeld dat een IQ > 70 noodzakelijk is, dan wel dat voor jongeren met een LVB een aangepaste versie voor handen is.

Een aantal van de hierna genoemde interventies zijn ontleend aan de website van de Erkenningscommissie van het Ministerie van Justitie.

Trainingen en therapieën

AHT bestaat uit drie fasen: Eerst wordt geleerd over de verschillende componenten van boosheid en de functie ervan. Daarna leert men vaardigheden of krijgt men assertiviteitstraining. In de laatste fase wordt het geleerde toegepast in rollenspellen en echte situaties en wordt geëvalueerd of het goed toegepast wordt. Vooral omdat LVB-ers moeite hebben met het hanteren van stress, en de neiging hebben daarop negatief en agressief te reageren (Ponsioen, 2001) lijkt AHT bij deze doelgroep aan te slaan. Uit onderzoek blijkt dat het agressieniveau afneemt, zowel op korte termijn (Willner, e.a., 2002), maar ook op de langere duur (Rose, e.a., 2000). Ook het niveau van depressie daalde na deze training (Rose e.a., 2000). Van belang bij toepassing van AHT bij mensen met een LVB is dat de training niet alleen gericht is op het aanpassen van het gedrag van het individu, maar ook op het aanpassen van de omgeving (Didden, 2006).

AHT is bewezen effectief voor verschillende groepen, waaronder mensen met een LVB (Didden, 2006).

Terug naar boven

Voor mensen met een LVB is het vaak moeilijk om werk te vinden en te behouden. Het hebben van werk is echter een belangrijke voorwaarde om te participeren in de samenleving. Veel instellingen bieden arbeidstraining of arbeidshulpverlening aan voor mensen met een LVB. De trainingen zijn gericht op het aanleren of verbeteren van praktische en sociale vaardigheden, zoals op tijd komen, omgaan met collega's, werkgever en regels, hulp vragen enzovoort.

NB: Uit onderzoek blijkt dat zulke trainingen effectief zijn voor mensen met een LVB. Mensen met een LVB die zo'n training hebben gehad hebben vaker een competitieve baan dan mensen met een LVB die niet zo'n training hebben gehad (Moore e.a., 2002, Neijmeijer e.a.,2010)

Terug naar boven

ACT is geen therapie, maar een zorgorganisatiemodel voor mensen met ernstige en langdurende psychiatrische problematiek. Het doel van ACT is de cliënt zo zelfstandig en tevreden mogelijk te laten leven, met een zo hoog mogelijke kwaliteit. Hiervoor wordt een combinatie van psychiatrische behandeling, praktische zorg en rehabilitatie aangeboden. Dit gebeurt zoveel mogelijk in de thuis- of verblijfssituatie van de cliënt, om opname tegen te gaan. De behandelaars zijn 24 uur per dag beschikbaar en de begeleiding van de cliënt is intensief. Sinds het ontstaan van ACT is er veel onderzoek naar gedaan en is gebleken dat het een effectieve behandelingsvorm is (Mulder en Kroon, 2005). Het is dan ook opgenomen als evidence-based practice in de multidisciplinaire richtlijn schizofrenie.

Naar de effectiviteit van ACT bij mensen met een LVB is nog maar weinig onderzoek gedaan. De onderzoeken die er zijn gedaan, laten verschillende uitkomsten zien maar zijn moeilijk met elkaar vergelijkbaar omdat ze verschillen in ontwerp, doelgroep en/of uitkomstmaten. In Nederland starten op korte termijn een aantal (SGL)VG-instellingen met ACT teams, specifiek voor mensen met een LVB met complexe problematiek. De ontwikkeling van ACT binnen de LVB-sector wordt door het Trimbos-instituut ondersteund, o.a. door het beschrijven van modellen en criteria voor deze zorg (Kroon, 2010).

Terug naar boven

Brains 4 Use is een gedragsinterventie voor jongeren die zijn opgenomen in een justitiële jeugdinrichting en heeft als doel het verminderen van de kans op recidive door het terugdringen van drugs- en alcoholgebruik. Daarnaast vermindert Brains 4 Use de kans op uitval uit school of werk als gevolg van middelengebruik en voorkomt het schadelijke gevolgen voor het sociaal-emotioneel welbevinden en de gezondheid van de jongeren. Het programma bestaat uit 12 wekelijkse gesprekken, met een mogelijke uitloop voor bijzondere doelgroepen. De interventie is zowel voor jongens als voor meisjes bedoeld. Brains 4 Use is toepasbaar bij normaal begaafde en bij LVB-jongeren.

Dit programma is erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. Binnen Nederland is de effectiviteit van het programma op recidivevermindering nog niet aangetoond. Wel heeft Rentray onderzoek gedaan in de vorm van een pilotstudie en is een internationale publicatie met betrekking tot dit programma verschenen (Lodewijks, 2006).

Terug naar boven

Het Buitenprogramma Work-Wise is een integraal onderdeel van de Work-Wise methode en is gericht op het begeleiden van jongeren voor, tijdens en na hun terugkeer in de maatschappij vanuit een (justitiële) jeugdinrichting. Het programma start ruim voordat de jongeren naar buiten mogen. Het doel van het 'Buitenprogramma Work-Wise' is het behouden van een passende opleiding, stage of werkplek. Het programma richt zich ook op wonen, sociaal netwerk en vrijetijdsbesteding. Het is bestemd voor jongeren van 15-23 jaar die voor minimaal 3 maanden in een (justitiële) jeugdinrichting geplaatst zijn. Het Buitenprogramma duurt 1 tot 1,5 jaar, afhankelijk van de begeleidingsnoodzaak (recidivekans) en de motivatie van de jongere.

In maart 2010 is deze behandeling erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. 

Terug naar boven

De Community Reinforcement Approach (CRA) is ontwikkeld voor mensen met alcohol- en/of drugsverslaving. De benadering heeft als doel om samen met de cliënt te werken aan een vervangende, nieuwe leefstijl die hem meer voldoening geeft dan het middelengebruik. CRA is een actieve behandeling waarin het niet-gebruiken wordt beloond (Meyers & Miller 2001).

De effectiviteit van deze benadering is bewezen voor normaal begaafde cliënten (Miller e.a.1999). Ook op de LVB-doelgroep lijkt de benadering goed aan te sluiten (Clerkx en Trentelman, 2007; Kaal, 2009). Bij de toepassing van CRA bij de LVB-doelgroep is het van belang dat er veel geoefend wordt met het vertalen van het geleerde naar de dagelijkse situaties (Didden & Moonen, 2007).

Terug naar boven

De behandeling In Control! is bedoeld voor jongens van 12 tot en met 16 en 17 tot en met 21 jaar die agressieve delicten hebben gepleegd. De behandeling wordt door een trainer gedragswetenschapper en een bewegingstherapeut gegeven en is gebaseerd op agressieregulatie en ontspanningstechnieken, sociale vaardigheidstraining en cognitieve gedragstherapie. Door het intelligentieniveau (VIQ en TIQ > 70) en de leerstijl van de doelgroep ligt de nadruk op 'doen en ervaren' in plaats van op 'praten over'. Er wordt gebruik gemaakt van sport en speloefeningen, rollenspel, biofeedback en videofeedback. Na twee individuele oriënterende gesprekken vinden 21 bijeenkomsten plaats, waarvan 18 groepsbijeenkomsten (6 deelnemers) en drie individuele bijeenkomsten. De persoonlijk begeleiders / mentoren en de ouders worden intensief bij de training betrokken.

Terug naar boven

Een groepsgewijze zelfmanagementtraining voor sterk gedragsgestoorde LVB cliënten waarin mensen met een LVB geleerd wordt om te gaan met stress en spanningen (en dientengevolge vaak agressie). Belangrijk is dat de cliënt zelf last heeft van zijn gedrag en de relatie kan leggen tussen stress en ervaren spanningen en probleemgedrag. Het doel van de training varieert van minder snel kwaad worden, minder agressie en zelfverwonding, meer voor jezelf opkomen, minder snel schuldig voelen en werken aan zelfvertrouwen (Embregts, 2006).

Terug naar boven

MST heeft in juni 2010 de erkenning van de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie gekregen.

Terug naar boven

Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer voor jongeren met een LVB probeert recidive terug te dringen door tijdens een periode van 12 maanden de jongere en zijn netwerk intensief te begeleiden. Zo wordt gewerkt aan het verkrijgen en behouden van huisvesting en werk/opleiding en van een, waar nodig professioneel, ondersteunend netwerk. Ook wordt er gewerkt aan vermindering van de impulsiviteit, verandering van de sturende rol van de a-sociale kernovertuigingen en het vergroten van probleemoplossende en sociale vaardigheden. Dit gebeurt in de eigen context van de jongere, altijd in nauwe samenwerking met het bestaande of nieuw opgebouwde sociaal netwerk, en bij voorkeur ook met ouders.

De doelgroep bestaat uit jongeren van 16 tot en met 23 jaar met een gemiddeld tot hoog recidiverisico en met gemiddelde tot ernstige en delictgerelateerde problemen op het gebied van vaardigheden, denkpatronen en gedrag. Bij de jongeren is sprake van een functioneren op het niveau van een LVB, dat wil zeggen een IQ van 50-70 of een IQ van 70-85 in combinatie met een beperkt sociaal aanpassingsvermogen.

NPT is in 2008 erkend door de Erkenningscommissie van het Ministerie van Justitie en wordt momenteel uitgevoerd en geïmplementeerd in diverse gemeenten in Nederland. Een meerjarig effectonderzoek door de Universiteit van Amsterdam is in 2009 van start gegaan. Een behoorlijk percentage van de doelgroep NPT bestaat uit jongeren die functioneren op het niveau van een LVB.

NPT-LVB is de eerste en tot op heden enige erkende gedragsinterventie voor minderjarige justitiabelen met een licht verstandelijke beperking.

Terug naar boven

Om te voorkomen dat een individu terugvalt in ziekte of gedrag, is het belangrijk om signalen te herkennen die zo'n terugval kunnen voorspellen. Wanneer de cliënt zelf deze signalen herkent, kan dit leiden dat tot een verminderde kans op terugval of opname (Crowley, e.a., 2008). Het doel van psycho-educatie is om deze kennis te vergroten, waardoor men zijn aandoening beter kan hanteren en de therapietrouw wordt vergroot. Psycho-educatie wordt gegeven in groepen als ook individueel aangeboden. Het richt zich zowel op de cliënt zelf als op zijn omgeving. Uit onderzoek blijkt dat psycho-educatie kennis over de aandoening en het zelfbeeld verbetert bij de normaalbegaafde populatie (George, 1999).

"Over de effectiviteit van psycho-educatie bij mensen met een LVB is nog weinig bekend. Twee studies hebben dit wel onderzocht. In de ene boden Crowley e.a. (2008) psycho-educatie in een aangepaste vorm (met veel beeldmateriaal) aan acht mensen met een LVB met schizofrenie of een bipolaire stoornis aan. Hieruit bleek dat het zelfbeeld niet verbeterde, maar de kennis over de ziekte wel. Verder bleek dat het meenemen van een verzorger leidde tot beter begrip bij de verzorger. Daarnaast vonden de deelnemers het fijn om andere mensen die in dezelfde omstandigheden verkeerden te ontmoeten en werden ze beter in het herkennen van signalen die een terugval voorspelden. Deze effecten bleven minstens twee jaar na deelname werken. Pitschel-Walz en collega's (2009) deden een onderzoek naar psycho-educatie bij zwakbegaafden (IQ tussen 70 en 85). Hieruit bleek dat de psycho-educatie die aan normaal begaafden werd aangeboden voor hen even effectief is." (Neijmeijer, e.a., 2010, p22)

Psycho-educatie is naast informatief vaak ook confronterend. Het kan een proces van verliesverwerking in gang zetten, waarbij ouders gaan accepteren dat hun kind een mindere mate van zelfstandigheid zal verwerven dan personen zonder een LVB. Ook de jeugdige zelf kan moeite hebben met het accepteren van zijn beperkingen.

Terug naar boven

De training Samen stevig staan is gebaseerd op de evidence-based training Minder Boos en Opstandig, een training voor de normaal begaafde doelgroep. De training Samen stevig staan is bedoeld voor kinderen en jongeren van 10 tot 16 jaar met oppositioneel-opstandig gedrag en antisociale gedragsproblemen. Het unieke aan Samen stevig staan is dat zowel de kinderen als hun ouders een training krijgen aangeboden. Hierbij worden de geleerde vaardigheden extra geoefend binnen de dagbehandeling en op school, zodat ook medewerkers van de dagbehandeling en leerkrachten worden betrokken.

Oordeel Erkenningscommissie Interventies, Nederlands Jeugdinstituut: Theoretisch goed onderbouwd.

Samen Stevig Staan maakt deel uit van het consortium Coping LVB.

Terug naar boven

Het Sociaal competentie model is een methodiek om mensen vaardigheden aan te leren zodat ze in de maatschappij kunnen functioneren. Het SCM biedt mogelijkheden en methodieken om stapsgewijs nieuwe vaardigheden te leren.

Er wordt gekeken naar positief gedrag dat de cliënt al laat zien. Het SCM is oorspronkelijk ontwikkeld voor delinquente jongeren, maar wordt ook toegepast op de LVB-doelgroep. Specifiek voor deze doelgroep is door Albrecht en Slot (1999) een handleiding ontwikkeld. Voor de LVB-doelgroep worden kleine doelen gesteld, er wordt beeldmateriaal gebruikt, minder gepraat en meer gedaan (Jochemsen en Berger, 2002). Daarnaast moeten mensen met een LVB als extra vaardigheid leren omgaan met hun beperking en moet er een duidelijke structuur geboden worden. Om de motivatie te verbeteren moet verteld worden wat er geleerd wordt en waarom (Albrecht en Slot, 1999).

Het SCM is effectief gebleken voor delinquente jeugdigen. Het vergroten van sociale competenties leidt tot verbetering van de psychosociale situatie en tot minder recidive.

Ook interventies die gebaseerd zijn op dit model, of die qua kenmerken sterk overeenkomen blijken zeer effectief te zijn (Bartels, 2001).

Hoewel het sociaal competentiemodel nog niet voldoende onderzocht is of het ook voor de LVB-doelgroep effectief is, het is wel bekend dat behandelingen die kenmerken van het SCM bevatten, effectief zijn voor mensen met een LVB (De Koning en Collin, 2007). 

Terug naar boven

Zelfmanagement is zelf je eigen gedrag sturen en zelf beslissen en handelen (Embregts, 2006). Bij mensen met een LVB is er vaak sprake van een gebrek of een teveel aan zelfmanagement.

Voor adequaat zelfmanagement is het belangrijk dat de persoon met een LVB het doelgedrag kan benoemen en ook de consequenties ervan kan zien (Embregts, 2006). In zelfmanagementtraining leert men doelen te stellen, strategieën te selecteren om de doelen te bereiken, het eigen gedrag te registreren en het eigen gedrag en de consequenties daarvan te evalueren (Didden, 2006). Vaak wordt het registeren van eigen gedrag gedaan met behulp van video. Het doel van een training in zelfmanagement is het verbeteren van sociaal gedrag. Zelfmanagementtraining kan zowel individueel als in een groep plaatsvinden.

Uit onderzoek blijkt dat het trainen in zelfmanagement effectief is voor mensen met een LVB (Didden,2006; Embregts, 2006). Zo leidt het tot verbetering van zelfredzaamheid en sociaal gedrag Verder blijkt dat het leidt tot een afname van onaangepast en een toename van aangepast gedrag en daarmee een afname van escalaties.

Terug naar boven
Terug naar boven

In de zorg voor mensen met een LVB wordt een groot beroep gedaan op hun begeleiders. Begeleiders hebben een belangrijke taak bij de dagelijkse begeleiding, daginvulling en dagstructuur (Moonen, 2007).

Het aansluiten bij het sociaal-emotionele niveau van de cliënt en het bieden van een veilige omgeving zijn belangrijke aandachtspunten in de dagelijkse begeleiding van mensen met een LVB. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Vooral wanneer er sprake is van gedragsproblemen, doen cliënten een complex beroep op hun begeleiders. Ten gevolge van de gedragsproblemen van cliënten ervaren begeleiders stress, negatieve emoties en gevoelens van burnout (Jenkins, Rose, & Lovell, 1997). In hun benadering laten begeleiders interventies zien die het probleemgedrag op de korte termijn kunnen stoppen maar het gedrag op de lange termijn juist versterken (Hastings & Remington, 1994). Het behoud of zelfs de toename van gedragsproblemen heeft nadelige effecten op het welzijn van de begeleiders en de kwaliteit van leven van de cliënt. De behoefte aan scholingsprogramma's ter ondersteuning van begeleiders in de LVB-zorg wordt algemeen erkend (Embregts, 2011).

Begeleiders in Beeld is een training voor begeleiders van cliënten met ernstige gedragsproblemen. De training leert begeleiders beter om te gaan met het gedrag en de problemen van hun cliënten.

Begeleiders in Beeld bestaat uit twee onderdelen.

  • In het eerste gedeelte wordt er gewerkt aan de emotionele intelligentie van de begeleiders. Emotionele intelligentie bestaat uit vaardigheden die van invloed zijn op het vermogen succesvol om te gaan met eisen en druk vanuit de omgeving; het gaat hierbij om een persoonlijke stijl. Iemands emotionele intelligentie heeft invloed op zijn/haar manier van werken met cliënten met gedragsproblemen.
  • In het tweede gedeelte worden begeleidingsafspraken geconcretiseerd. Aan de hand van videomateriaal krijgen begeleiders feedback over de wijze waarop zij de begeleidingsafspaken vorm geven; deze feedback wordt gekoppeld aan hun emotionele intelligentie.

Het doel van de training is het verbeteren van de emotionele intelligentie en het uitvoeren van begeleidingsafspraken door begeleiders om zo de werkdruk te verminderen en de relatie tussen de cliënt en de begeleider te verbeteren. Hierdoor wordt de kwaliteit van zorg beter.

De verwachting is dat training een direct effect heeft op de begeleiders. Zij worden zich bewust van de manier waarop ze werken en welk effect dat heeft op de cliënt. Er wordt onderzocht of deze training inderdaad dit effect heeft.

Onderzoeksproject Coping LVB

Dit onderzoeksproject maakt deel uit van het consortium Coping LVB en is momenteel in uitvoering. Dit project wordt uitgevoerd door Zijlmans, Embregts, Gerits, Bosman, & Derksen, 2010/2011.

Terug naar boven

Methodieken voor bewust begeleiden van complexe cliënt met LVB

Dit promotieonderzoek is gericht op ontwikkeling en effectiviteit van een pakket aan scholingsprogramma's voor begeleiders die te maken hebben met gedragsproblemen van cliënten met een verstandelijke beperking. Het scholingspakket bestaat uit een agressie-managementtraining (kennis over gedragsproblemen en fysieke interventietraining), een emotiemanagementtraining (stressanalyse en -interventie van begeleiders) en een aansluitende coaching on the job training (ter bevordering van de overdracht van het geleerde naar de praktijk).

Dit project wordt uitgevoerd door Van Oorsouw (Van Oorsouw, Embregts, Bosman, & Jahoda, 2009, 2010; Van Oosouw, Embregts, & Bosman, 2011).

Brains 4 Use

Brains 4 Use is een gedragsinterventie voor jongeren die zijn opgenomen in een justitiële jeugdinrichting en heeft als doel het verminderen van de kans op recidive door het terugdringen van drugs- en alcoholgebruik. Daarnaast vermindert Brains 4 Use de kans op uitval uit school of werk als gevolg van middelengebruik en voorkomt het schadelijke gevolgen voor het sociaal-emotioneel welbevinden en de gezondheid van de jongeren. Het programma bestaat uit 12 wekelijkse gesprekken, met een mogelijke uitloop voor bijzondere doelgroepen. De interventie is zowel voor jongens als voor meisjes bedoeld. Brains 4 Use is toepasbaar bij normaal begaafde en bij LVB-jongeren.

Dit programma is erkend door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. Binnen Nederland is de effectiviteit van het programma op recidivevermindering nog niet aangetoond. Wel heeft Rentray onderzoek gedaan in de vorm van een pilotstudie en is een internationale publicatie met betrekking tot dit programma verschenen (Lodewijks, 2006).

Dialoog

Dialoog is een programma voor kinderen en jeugdigen met een LVB vanaf 5 jaar die zijn opgenomen in orthopedagogische centra. De professionele opvoeders wordt via een gerichte training geleerd om op een respectvolle manier met de jeugdigen te communiceren waarbij men rekening houdt met de gevoelens en de belevingswereld van de betrokken jeugdigen. Hierdoor zal de jongere naar verwachting openstaan voor opvoeding en positieve beïnvloeding. De methodiek is gebaseerd op de theorie van de Sociale Informatieverwerking en versterkt de executieve functies en gevoel van eigenwaarde van de jongeren, waardoor zij zich ook in het dagelijks leven beter kunnen handhaven.

Ontwikkelaar Gerard Kocken bereidt een wetenschappelijk onderzoek voor waarin hij de invloed wil vaststellen van de dialoog op de ontwikkeling van de executieve functies van LVB kinderen.

Naar een betere zorg voor loverboyslachtoffers

b>Jongeren met een lichte verstandelijke beperking (LVB) of psychische problemen zijn extra kwetsbaar om slachtoffer te worden van loverboys of mensenhandel. Het Landelijk Kenniscentrum LVB is gestart met het project Loverboyslachtoffers LVB/GGZ. Het doel: een betere preventie, signalering, registratie, opvang en behandeling van deze slachtoffers. Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie werkt aan dit project mee om samen zoveel mogelijk expertise te kunnen inzetten.

In eerdere projecten ontwikkelde het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) al instrumenten voor signalering, risicotaxatie, samenwerking met politie en justitie, melding, opvang en hulp aan slachtoffers. Lees meer over project 'Naar een betere zorg voor loverboyslachtoffers' op de website van het Kenniscentrum LVB.

Interactiepatronen

Dit promotieonderzoek is gericht op de kwaliteit en het verloop van interacties tussen cliënten en hulpverleners. Met gebruik van video-analyses wordt ondermeer bekeken in hoeverre begeleiders en cliënten hun communicatie op elkaar afstemmen. Aansluitend zullen trainingsprogramma's ontwikkeld worden die een adequate communicatie tussen begeleider en cliënt bevorderen.

Dit project wordt uitgevoerd door Reuzel.

Uitdagende relaties

In dit promotieproject staan de interactiepatronen van begeleiders centraal. Ondermeer wordt de invloed onderzocht van verschillende individúele factoren zoals zelfvertrouwen, executief functioneren, persoonlijke motivatie, steun van het team op de dagelijkse variaties in interactiepatronen van een begeleider. In een latere fase van dit project zal een scholing ter verbetering van interactiestijlen van begeleiders ontwikkeld en geëvalueerd worden.

Dit project wordt uitgevoerd door Willems (Willems, Embregts, Stams, & Moonen, 2010).

Wat slik ik?

Wat slik ik? is een project waarin onderzocht wordt hoe mensen met een LVB geneesmiddelen gebruiken.

Ook wordt er gekeken hoe geneesmiddelengebruik verbeterd kan worden door les te geven aan behandelaars en cliënten over het gebruik van geneesmiddelen. Cliënten hebben zelf vaak geen idee wat ze slikken en wat de gevolgen hiervan kunnen zijn.

In het project Wat slik ik? wordt gemeten hoeveel geneesmiddelen worden gebruikt en welke effecten en bijwerkingen deze middelen hebben. Daarnaast wordt de kennis en daardoor de zelfredzaamheid van cliënten vergroot bijvoorbeeld door samen met behulp van onderwijsdeskundigen en cliënten een lespakket te ontwikkelen over het gebruik van geneesmiddelen. Het effect van dit lespakket wordt gemeten door te kijken of de cliënten meer weten over hun geneesmiddelen gebruik na het volgen van deze lessen.

Dit onderzoeksproject maakt deel uit van het consortium Coping LVB en is momenteel in uitvoering. Dit project wordt uitgevoerd door Drs.Scheifes.

Terug naar boven

Dit promotieonderzoek is gericht op de ontwikkeling en effectiviteit van een scholingsprogramma voor begeleiders, welke bestaat uit een kennistraining, een vaardigheidstraining en een coaching-on-the-job training. Binnen dit programma wordt gewerkt volgens het pyramide-model om begeleiders te leren competentiegericht te werken en cliënten te empoweren. Technieken die worden aangeleerd in dit programma zijn voornamelijk gebaseerd op gedragstherapeutische príncipes.

Dit project wordt uitgevoerd door Huitink (Huitink, Embregts, Pellen & Ravestein, 2010; Huitink, Embregts, Veerman, & Verhoeven).

Terug naar boven

Dialoog is een programma voor kinderen en jeugdigen met een LVB vanaf 5 jaar die zijn opgenomen in orthopedagogische centra. De professionele opvoeders wordt via een gerichte training geleerd om op een respectvolle manier met de jeugdigen te communiceren waarbij men rekening houdt met de gevoelens en de belevingswereld van de betrokken jeugdigen. Hierdoor zal de jongere naar verwachting openstaan voor opvoeding en positieve beïnvloeding. De methodiek is gebaseerd op de theorie van de Sociale Informatieverwerking en versterkt de executieve functies en gevoel van eigenwaarde van de jongeren, waardoor zij zich ook in het dagelijks leven beter kunnen handhaven.

Ontwikkelaar Gerard Kocken bereidt een wetenschappelijk onderzoek voor waarin hij de invloed wil vaststellen van de dialoog op de ontwikkeling van de executieve functies van LVB kinderen.

Terug naar boven

Dit promotieonderzoek is gericht op de kwaliteit en het verloop van interacties tussen cliënten en hulpverleners. Met gebruik van video-analyses wordt ondermeer bekeken in hoeverre begeleiders en cliënten hun communicatie op elkaar afstemmen. Aansluitend zullen trainingsprogramma's ontwikkeld worden die een adequate communicatie tussen begeleider en cliënt bevorderen.

Dit project wordt uitgevoerd door Reuzel.

Terug naar boven

In dit promotieproject staan de interactiepatronen van begeleiders centraal. Ondermeer wordt de invloed onderzocht van verschillende individúele factoren zoals zelfvertrouwen, executief functioneren, persoonlijke motivatie, steun van het team op de dagelijkse variaties in interactiepatronen van een begeleider. In een latere fase van dit project zal een scholing ter verbetering van interactiestijlen van begeleiders ontwikkeld en geëvalueerd worden.

Dit project wordt uitgevoerd door Willems (Willems, Embregts, Stams, & Moonen, 2010).

Terug naar boven
Terug naar boven

Mensen met een LVB kunnen hun eigen ervaring inzetten om lotgenoten op weg te helpen. Het voordeel is dat mensen elkaar beter begrijpen doordat ze dezelfde achtergrond en ervaring hebben. Mensen spreken dezelfde taal. Daardoor voelt men zich eerder op zijn gemak. Mensen kunnen leren van het goede voorbeeld van de ander.

De LFB, de belangenvereniging door en voor mensen met een verstandelijke beperking, biedt een aantal trainingen en activiteiten op dit gebied:

  • Die ken ik: een sociale netwerkcursus.
  • Samen sterker: jezelf leren kennen, presenteren en sterker maken.
  • Sterk naar werk: jongeren worden voorbereid op de arbeidsmarkt.
  • Samen sterk door dik en dun: training over een gezonde leefstijl.
  • Denktank 101: Mensen met een verstandelijke beperking praten met elkaar over belangrijke onderwerpen zoals veiligheid, sociale media, pesten.
  • Themacafé: Deze worden in verschillende gemeenten in Nederland georganiseerd. Mensen met een verstandelijke beperking praten met elkaar over voor hen belangrijke onderwerpen.

Voor meer informatie zie www.lfb.nu.

Terug naar boven

Albrecht, G., & Slot, W. (1999). Competentiegericht werken met licht verstandelijk gehandicapte kinderen: Handleiding voor het werken in residentiële groepen. Amsterdam/Duivendrecht: PI Research.

Bartels, A.A.J. (2001). Behandeling van jeugdige delinquenten volgens het competentiemodel. Kind en Adolescent, 22, 211-226.

Bildt, A. de, Sytema, S., Kraijer, D., Sparrow, S., & Minderaa, R. (2005). Adaptive functioning and behaviour problems in relation to level of education in children and adolescents with intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 49, 672–681.

Chamberlain, P., Leven, L. D., & DeGarmo, D.S. (2007). Multidimensional treatment forter care for girls in the juvenile justice system: 2-year follow-up of a random clinical trial. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 75, 187–193.

Collot d'Escury, A. (2007). Lopen jongeren met een licht verstandelijke beperking meer kans om in aanraking toe komen met justitie? Kind en adolescent, 28, 197-214.

Crowley, V., Rose, J., Smith, J., Hobster, K., & Ansell, E. (2008). Psycho-educational groups for people with a dual diagnosis of psychosis and mild intellectual disability: A preliminary study. Journal of Intellectual Disabilities, 12, 25-39.

Dekker, M.C., & Koot, H.M. (2003). DSM-IV disorders in children with borderline to moderate intellectual disability. II: Child and family predictors. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 923-931.

Didden, R. (2006). Gedragsanalyse en cognitieve gedragstherapie bij mensen met een verstandelijke beperking: een tussenbalans. In: Didden, R. In perspectief: gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en lichte verstandelijke handicap (pp. 101-126). Houten: Bohn, Stafleu van Lochum.

Didden, R., & Moonen, X. (2009). Met het oog op behandeling 2. Effectieve behandeling van gedragsstoornissen bij mensen met een licht verstandelijke beperking. Utrecht: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertisecentrum De Borg.

Došen, A., Gardner, W.I., Griffiths, D. M., King, R., & Lapointe, A. (2008). Richtlijnen en principes voor de praktijk: Beoordeling, diagnose, behandeling en bijbehorende ondersteuning voor mensen met verstandelijke beperkingen en probleemgedrag. Utrecht: Vilans / LKNG.

Embregts, P.J.C.M. (2000). Effectiveness of video feedback and self-management oninappropriate social behavior of youth with mild mental retardation. Research in Developmental Disabilities, 21, 409-423.

Embregts, P.J.C.M. (2002a). Effects of video feedback on social behavior of youth with mild mental retardation and staff responses. International Journal of Disability, Development and Education, 49, 105-116.

Embregts, P.J.C.M. (2002b). Effect of resident and direct-care staff training on responding during social interactions. Research in Developmental Disabilities, 23, 353-366.

Embregts, P.J.C.M. (2003). Using self-management, video feedback and graphic feedback to improve social behavior of youth with mild mental retardation. Education and Training in Developmental Disabilities, 38, 282-294.

Embregts, P.J.C.M. (2006). Toepassing van procedures van zelfmanagement bij jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking, In R. Didden (Red.), In perspectief: Gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en lichte verstandelijke beperkingen. (pp. 127-144). Houten: Bohn Stafleu van Lochum.

Embregts, P.J.C.M. (2011). Zien, bewogen worden, in beweging komen: Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking; menslievende professionalisering in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Tilburg: Tilburg University.

Embregts, P., & Gerits, L. (2007). Emotionele intelligentie en training van begeleiders. In R. Didden & X. Moonen (Red.), Met het oog op behandeling: Effectieve behandeling van gedragsstoornissen van mensen met een licht verstandelijke beperking (pp. 83-86). Utrecht/Den Dolder: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertise Centrum De Borg.

Emerson, E. (2003). Prevalence of psychiatric disorders in children and adolescents with and without intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 47, 51–58.

Hastings, R.P., & Remington, B. (1994). Rules of engagement: Towards an analysis of staff responses to challenging behavior. Research in Developmental Disabilities, 15, 279–298.

Huitink, C., Embregts, P.J.C.M., Pellen, J., & Ravestein, F. (2010). Misvattingen over competentiegericht werken. Klik, 5, 18-19.

Huitink, C., Embregts, P.J.C.M., Veerman, J. W., & Verhoeven L. (2011). Staff behavior toward children and adolescents in a residential facility: A self-report questionnaire. Research in Developmental Disabilities, 32, 2790-2796.

Jahoda, A., & Embregts, P. (2009). Individual therapeutic interventions with clients and working through staff: moving forward together. In R. Didden & X. Moonen (Red.), Met het oog op behandeling 2: Effectieve behandeling van gedragsstoornissen van mensen met een licht verstandelijke beperking (pp. 33-40). Utrecht/Den Dolder: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertisecentrum De Borg.

Jenkins, R., Rose, J., & Lovell, C. (1997). Psychological well-being of staff working with people who have challenging behavior. Journal of Intellectual Disability Research, 41, 502-511.

Jochemsen, T., & Berger, M. (2002). Families First voor licht verstandelijke gehandicapten. Richtlijnen en technieken voor het werken met de gezinnen. Utrecht: NIZW.

Kaal, H.L., Ooyen-Houben, M.M.J. van, Ganpat, S., & Wits, E. (2009). Een complex probleem; passende zorg voor verslaafde justitiabelen met comorbide psychiatrische problematiek en een licht verstandelijke handicap (Bibliotheek WODC Cahier). Den Haag.

Kocken, G. (2009). Werkt de Dialoog bij jongeren met een lichte verstandelijke beperking (LVB)? Onderzoek & Praktijk, 7, 15-19.

Koning, N.D. de, & Collin, P. J. L. (2007). Behandeling van jeugdigen met een psychiatrische stoornis en een verstandelijke beperking. Kind en Adolescent, 28, 215-229.

Lodewijks, H.P.B. (2006). Brains 4 Use: An addiction programme for youth in a juvenile justice institution. Connections, 19, 6-7.

Loef, L., Tong Sang, M.N., Breuk, R.E., & Slot, N.W. (2008). Eindrapport FFT:Onderzoek september 2008. Amsterdam: De Bascule.

Matson, J.L., Anderson, S.J., & Bamburg, J.W. (2000). The relationship of social skills to psychopathology for individuals with mild and moderate mental retardation. The British Journal of Developmental Disabilities, 46, 15-22.

Matson, J.L., & Senatore, V. (1981). A comparison of traditional psychotherapy and social skills training for improving interpersonal functioning of mentally retarded adults. Behavior Therapy, 12, 369-382.

Meyer R.J., & Miller, W.R. (2001). A community reinforcement approach to addiction treatment. Cambridge: University Press.

Miller, W.R., Meyer, R.J., & Hiller-Sturmhöfel, S. (1999). The community reinforcement approach. Alcohol Research & Health, 23, 116-121.

Moore, C.L., Feist-Price, S., & Alston, R.J. (2002). Competitive employment and mental retardation: Interplay among gender, race, secondary psychiatric disability and rehabilitation services. Journal of Rehabilitation, 68, 14-19.

Mulder, N., & Kroon, H. (2009). Assertive Community Treatment: Bemoeizorg voor patiënten met complexe problemen. Amsterdam: Boom.

Neijmeijer,L., Moerdijk, L., Muusse, C., & Veneberg, G. (2010). Licht verstandelijk gehandicapten in de GGZ: Een verkennend onderzoek. Utrecht: Trimbos-instuut.

Oorsouw, W.M.W.J. van, Embregts, P.J.C.M., Bosman, A.M.T., & Jahoda, A. (2009).Training staff serving clients with intellectual disabilities: A meta-analysis of aspects determining effectiveness. Research in Developmental Disabilities, 30, 503-511.

Oorsouw, W.M.W.J. van, Embregts, P.J.C.M., Bosman, A.M.T., & Jahoda, A. (2010). Challenging-Behaviour-Management training for direct-care staff: Evidence-based practice. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 23, 192-196.

Oorsouw, W.M.W.J. van, Embregts, P.J.C.M.., & Bosman, A. (2011). Hoe ga ik om met stress: Het effect van een scholing voor begeleiders. Nederlands Tijdschrift voor de Zorg aan Mensen met een Verstandelijke Beperking, 37, 3-17.

O'Reilly, M.F., Lancioni, G.E., & Kierans, I. (2000). Teaching leisure social skills to adults with moderate mental retardation: An analysis of acquisition, generalization, and maintenance. Education and Training in Mental Retardation and Developmental Disabilities, 35, 250-258.

Orobio de Castro, B., Embregts, P., Nieuwenhuijzen, M. van, & Stolker, J.J. (2008). Samen op zoek naar effectieve behandeling van gedragsproblemen bij cliënten met een lichte verstandelijke beperking: Het consortium Effectieve Behandeling Gedragsproblemen LVG. Onderzoek & Praktijk, 6, 6-12.

Ponsioen, A.J.G.B. (2001). Cognitieve vaardigheden van licht verstandelijk gehandicapte kinderen en jongeren. Amsterdam: Academisch Proefschrift.

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (2011). Zorg voor ingesloten licht verstandelijk beperkte jongeren. Den Haag: Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.

Rodenburg, R., Benjamin, A., Meijer, A-M., & Jongeneel, R. (2009). Eye movement desensitization and reprocessing in an adolescent with epilepsy and mild intellectual disability. Epilepsy & Behavior, 16, 175–180.

Rose, J., West, C., & Clifford, D. (2000). Group interventions for anger in people with intellectual disabilities. Research in Developmental Disabilities, 21, 171-181.

Tenneij, N.H., & Koot, H.M. (2008). Incidence, types and characteristics of aggressive behaviour in treatment facilities for adults with mild intellectual disability and severe chalenging behaviour. Journal of Intellectual Disability Research, 52, 114–124.

Veerman, J.W., Janssens, J., & Delicat, J-W. (2005). Effectiviteit van intensieve pedagogische thuishulp: Een meta-analyse. Pedagogiek, 25, 176 - 196.

Willems, A.P.A.M., Embregts, P.J.C.M., Stams, G.J.J.M., & Moonen, X.M.H. (2010). The relation between intrapersonal and interpersonal staff behaviour towards clients with ID and challenging behaviour: A validation study of the Staff-Client Interactive Behaviour Inventory (SCIBI). Journal of Intellectual Disability Research, 54, 40-51.

Willner, P., Jones, J., Tams, R., & Green, G. (2002). A randomized controlled trial of the efficacy of a cognitive-behavioural anger management group for clients with learning disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 15, 224-235.

Wit, M. de, Moonen, X., & Douma, J. (2011). Richtlijn Effectieve Interventies LVB: Aanbevelingen voor het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking. Utrecht: Landelijk Kenniscentrum LVG.

Xenitidis, K.I., Henry, J., Russell, A. J., Ward, A., & Murphy, D.G.M. (1999). An inpatient treatment model for adults with mild intellectual disability and challenging behavior. Journal of Intellectual Disability Research, 43, 128–134.

Zijlmans, L.J.M., Embregts, P.J.C.M., Gerrits, L., Bosman, A.M.T., & Derksen, J. (2010). Begeleiders in beeld: Een training gericht op emotionele intelligentie van begeleiders van mensen met een verstandelijke beperking. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 49, 401-411.

Zijlmans, L., Embregts, P., Gerrits, L., Bosman, A., & Derksen, J. (2011). Training emotional intelligence related to treatment skills of staff working with clients with intellectual disabilities and challenging behaviour. Journal of Intellectual Disability Research, 55, 219–230.

Terug naar boven

Medicatie

Als onderdeel van een behandelplan kan medicatie bij kinderen met een LVB worden gebruikt. Bij voorkeur als onderdeel van een behandelplan waarin oog is voor het mogelijk ontstaan van gedragsveranderingen door overvraging. In principe kunnen de protocollen voor psychofarmaca op deze website worden gevolgd (selecteer het betreffende thema voor het gewenste protocol). Het strekt echter tot aanbeveling dat de (kinder)psychiater als hoofdbehandelaar de psychofarmacologische behandeling integreert in een compleet behandelaanbod samen met andere disciplines.

Terug naar boven
  • Psychofarmaca dienen bij voorkeur alleen voorgeschreven te worden als onderdeel van een multidisciplinair behandelplan. Er dient oog te zijn voor mogelijk ontstaan van gedragsveranderingen door overvraging.
  • In principe kunnen de richtlijnen zoals beschreven in het medicatie-overzicht (formularium) door het Kenniscentrum worden gevolgd.
  • Bij de LVB populatie dient men in het algemeen lager en trager te doseren en rekening te houden met meer bijwerkingen en minder effectiviteit.
  • Alleen voor de middelen methylfenidaat bij ADHD en risperidon bij gedragsproblemen zijn voor deze specifieke doelgroep in RCT positieve effecten gevonden; deze middelen genieten daarom de voorkeur.
  • Ook voor (het niet geregistreerde) melatonine worden voor de LVG-groep in RCT positieve resultaten gevonden. Indien besloten wordt slaapproblemen bij verstandelijk beperkte kinderen medicamenteus te behandelen geniet dit middel de voorkeur.
Terug naar boven

Effectiviteit

Stimulantia zijn ook in deze populatie breed toepasbaar. In placebo gecontroleerd onderzoek werden resultaten gevonden van positieve respons (wel lagere percentages dan in regulier onderzoek, 44-70%) met een beter resultaat bij de hogere doseringen.

Belangrijke informatie

Doseringen zijn lager dan in reguliere populatie (0,3 mg tot max 1,2 mg per kg). Bij jongere kinderen (3-6 jaar) werden meer bijwerkingen gezien. Bij voorkeur wordt minder frequent gedoseerd; 1 tot 2 keer daags. Ook werden soms betere resultaten op cognitieve testen gevonden dan op de beoogde gedragsverandering.

Predictie van goede respons op methylfenidaat bij verstandelijke beperking geven de volgende factoren: autochtoon, jongen, hogere sociaal economische status en hoger IQ. (Aman et al., 2003; Correia Filho et al., 2005; Handen et al., 1994 & 1997; Pearson et al., 2004.)

Terug naar boven

Effectiviteit

Voor veel bij verstandelijke beperkingen voorkomende gedragsproblemen, bleek Risperidon in placebo gecontroleerd onderzoek bij deze populatie zowel op de korte als lange termijn (24 weken) effectief: Het effect betreft verbetering bij agressie, gedragsproblemen, zelfbeschadiging en impulscontroleproblemen (deze gedragingen komen tot tien maal zo vaak voor in deze populatie). Ook bleek bij het goed tolereren van de medicatie soms een cognitieve vooruitgang op te treden. Lagere doseringen bleken net zo effectief als hogere doseringen, waarbij uitgegaan moet worden van 0,02-0,06 mg per kg per dag.

Risperidon geeft in het geval van een verstandelijke beperking en ASS ook een afname van de stereotiepe gedragingen, hyperactiviteit en afname van lethargie.

Belangrijke informatie

De bijwerking van toename in gewicht lijkt bij deze populatie ernstiger, zie ook bijwerkingen algemeen (Aman et al., 2002; Van Bellinghen & de Troch, 2001; Buitelaar et al., 2001; Hellings et al., 2001 & 2006; Reyes et al., 2006; Snyder et al., 2002; Zarcone et al., 2001).

Terug naar boven

Effectiviteit

Melatonine is in Nederland een niet geregistreerd geneesmiddel. In contrast met een normaal begaafde populatie is uit recente meta-analyse gebleken dat melatonine wel effectief is bij het behandelen van slaapproblemen bij verstandelijk gehandicapte kinderen en adolescenten. Melatonine verbetert de slaap-latentietijd, vermindert het aantal keren ontwaken per nacht en verlengt de totale nachtrust.

Belangrijke informatie

Melatonine wordt goed getolereerd; er worden geen bijwerkingen gerapporteerd. Melatonine heeft zowel een chronobiologisch als een hypnotisch effect. Het lijkt erop dat voor het chronobiologisch effect de lagere doseringen < 0,5 mg voor de nacht effectief zijn terwijl voor de ernstige slaapproblemen bij de (licht) verstandelijke beperkte populatie de hypnotische effecten bereikt worden met veel hogere doseringen, 1-9 mg voor de nacht (Braam et al., 2009; Coppola et al., 2004).[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]
Terug naar boven

Middelen die beperkt zijn onderzocht of gerapporteerd in case reports in de LVB-populatie, maar wel veilig kunnen worden voorgeschreven, zijn:

(Agarwal et al, 2001, Arnold et al, 2006, Handen & Gilchrist, 2006, Tyrer et a, 2009.)

Terug naar boven

Aman, M., De Smedt, G., Derivan, A., Lyons, B., & Findling, R. (2002). Double-blind placebo-controlled study of risperidone for the treatment of disruptive behaviors in children with subaverage intellingence. American journal of psychiatry159, 1337-1346.

Aman, M.G., Buican, B., & Arnold, L.E. (2003). Methylphenidate treatment in children with borderline IQ and mental retardation : analysis of three aggregated studies. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 13, 29-40.

Agarwal, V., Sithole, P., Kumar, S., & Prasad, M. (2001). Double-blind, placebo-controlled trial of clonidine in hyperactive children with mental retardation. Mental Retardation, 39, 259-267.

Arnold, M.E., Aman, M.G., Cook, A., Witwer, K., Hall, S.T., & Yasar, R. (2006). Atomoxetine for Hyperactivity in Autism Spectrum Disorders: Placebo-Controlled Crossover Pilot Trial. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 45, 1196-1205.

Bellinghen, M. van & Troch, C. de (2001). Ripseridone in the treatment of behavioral Distrurbance in children and adolescents with borderline intellectual functioning: Double blind, placebo-controlled Pilot trial. Journal of child and adolescent psychopharmacology, 11, 5-13.

Braam, W., Smits, M., Didden, E., Korzilius, H., Geijlswijk I. van, & Curfs, L. (2009). Exogenous melatonin for sleep problems in individuals with intellectuel disability: a meta-analysis. Developmental medicine and child neurology, 51, 340-349.

Buitelaar, J., Gaag, R.J. van der, Cohen-Kettenis, P., Melman, C. (2001). A randomized controlled trial of risperidone in the treatment of aggression in hospitalized adolescents with subaverage cognitive abilities. Journal Clinical Psychiatry, 62, 239-248.

Coppola, G., Iervolin, G., Mastrosimone, M., La Torre, G., Ruiu, F., & Pascotto, A. (2004). Melatonine in wke-sleep disorders in children, adolescents and Young adults with mental retardation wit hor without epilepsy: a double blind, cross-over, placebo-controlled trial. Brain and development, (26) 373-376.

Correia Filho, A., Bordonese, R., Silva, T., Alvares, J., Aman, M., & Rohde, L. (2005). Comparison of risperidonea and methylphenidate for reducing ADHD in chuldren and adolescents with moderate mental retardation. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 44, 748-755.

Handen, B.L., Jonosky, J., Mcauliffe, S., Breaux, A.M., & Feldman, H. (1994). Prediction of respons to methylphenidate among children with ADHD and mental retardation. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 33, 1185-1193.

Handen, B.L., Jonosky, J., Mcauliffe, S. (1997). Long-term follow-up of children with mental retardation/borderline intellectual functioning and ADHD. Journal of Abnormal Child Psychology, 25, 287-295.

Handen, B.L. & Gilchrist, R. (2006). Practioner Review: Psychopharmacology in children and adolescents with mental retardation. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 47,871-882.

Hellings, J., Zarcone, J., Reese, R., Valdovinos, M., Marquis, J., Fleming, K., et al. (2006). A crossover syudy of risperidone in choldren, adolescents and adults with mental retardation. Journal of Autism and Developmental Disorders, 36, 401-411.

Hellings, J., Zarcone, J., Crandall, K., Wallace, D., & Schroeder, S. (2001). Weight gain in a controlled study of risperidone in children, adolescents and adults with mental retardation. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 11, 229-238.

Pearson, D.A., Santos, C.W., Casat, C.D., Lane, D.M., Jerger, S.W., Roache, J.D., et al. (2004). Treatment Effects of Methylphenidate on Cognitive Functioning in Children With Mental Retardation and ADHD, Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 43, 677-685.

Pearson, D.A., Lane, D.M., Santos, C.W., Casat, C.D., Jerger, S.W., Loveland, K.A., et al. (2004). Effects of Methylphenidate Treatment in Children With Mental Retardation and ADHD: Individual Variation in Medication Response, Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 43, 686-698.

Reyes, M., Croonenberghs, J., Augustyns, I., & Eerdekens, M. (2006). Long-term use of risperidone in children with disruptive behavior disorders and subaverage intelligence: Efficacy, Safety and Tolerability. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 16, 260-272.

Snyder, R., Turgay, A., Aman, M., Binder, C., Fisman, S., & Carroll, A. (2002). Effects of risperidone on conduct and disruptive behavior disorders in children with subaverage IQ’s. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 41, 1026-1036.

Tyrer, P., Oliver-Africano, P., Romeo, R., Knapp, M., Dickens, S., Bouras, N., et al. (2009). Neuroleptics in the treatment of aggressive challenging behaviour for people with intellectual disabilities:a randomised controlled trial. Health Technology Assessment, 13, 1-54.

Zarcone, J., Hellings, J., Crandall, K., Reese, R., Marquis, J., Fleming, K., Shores, R., et al. (2001). Effects of ripseridone on aberrant behavior of persons with Developmental Disabilities: I. A Double-Blind crossover study Using multiple measures.American journal on mental retardation, 106, 525-538.

Terug naar boven

Expertgroep

Het thema Jeugdigen met een Licht Verstandelijke Beperking en een psychische stoornis is tot stand gekomen met dank aan de expertgroep:

  • Martin van den Berg, directeur en psychiater, platformcoördinator NVvP, sectie LVG, De Swaai
  • Maartje Boon, team psycholoog kinder- en jeugd team/gz psycholoog, Centrum Kristal/Rivierduinen
  • Jolanda Douma, onderzoekscoördinator, Landelijk Kenniscentrum LVG
  • Petri Embregts, bijzonder hoogleraar klinische psychologie, Universiteit Tilburg
  • Mirjam Geesink, klinisch psycholoog, Opsy
  • Dé de Haas, ervaringsdeskundige, Patiëntenvereniging LFB
  • Paul Jochems, clustermanager behandelzaken cluster LVG / kinder- en jeugdpsychiater, Karakter
  • Marianne Kasius, psychiater, De Banjaard,
  • Conny Kooijman, ervaringsdeskundige, Patiëntenvereniging LFB
  • Paul Meijer, kinder- en jeugdpsychiater, Triversum
  • Jacqueline Moelands, coach, Patiëntenvereniging LFB
  • Tom Scheers, kinder- en jeugdpsychiater, Accare
  • Heidi Taubert, klinisch psycholoog, GGZE
  • Pieter Troost, kinder- en jeugdpsychiater, De Bascule
  • Corine van Vliet, psychiater, De Banjaard
  • Hanneke van Vliet, directeur behandelzaken Kristal, psychiater, Centrum Kristal/Rivierduinen,
  • Aart Vriens, klinisch psycholoog, cluster VG, De Bascule

Naast de bovengenoemde experts en ervaringsdeskundigen, gaat onze dank uit naar allen die hebben bijgedragen door het maken van waardevolle opmerkingen, het geven van interviews, terugkoppeling van feedback etc:

  • Emma van Daalen, kinder- en jeugdpsychiater, UMC Utrecht
  • Robert Didden, hoogleraar orthopedagogiek, bijzondere leerstoel Verstandelijke beperkingen, leren en gedrag, Radboud Universiteit, hoofd Trajectum Kenniscentrum en GZ-psycholoog, Trajectum
  • Marleen Grimbels Du Bois, orthopedagoog, OPSY en binnen GGzE programmaleider zorgprogramma verstandelijke beperking en psychiatrie
  • Hans Koot, hoogleraar ontwikkelingspsychologie en ontwikkelingspsychopathologie, VU
  • Xavier Moonen, voorzitter en docent en onderzoeker, Landelijk Kenniscentrum LVG
Terug naar boven

Op deze pagina

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close