Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Jeugd-ggz voor vluchtelingenkinderen

In Nederland wonen steeds meer kinderen die met of zonder hun ouders naar Nederland zijn gevlucht. In februari 2021 zaten 6.956 kinderen en jongeren in de leeftijd van 0 t/m 17 jaar in de centrale opvang van het COA. Het aantal alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) kende in 2015 een piek met 1751, waarna het aantal weer afnam. Deze kinderen hebben daar vaak geen eigen keuze in gehad. Veel kinderen komen uit oorlogsgebieden of zijn gedwongen om te vluchten. Hierdoor kunnen de meeste vluchtelingenkinderen en -gezinnen te maken hebben met de gevolgen van trauma (Fazel et al., 2012).

Informatie over voorzieningen en hulp voor vluchtelingenkinderen is verspreid op het internet te vinden. Dit kennisdossier bundelt informatie die relevant is voor het veld van de kinder- en jeugdpsychiatrie. Daar waar mogelijk linkt dit kennisdossier aan andere informatie.

Dit kennisdossier biedt praktische informatie over zorg en voorzieningen, interventies en methoden en wie waar verantwoordelijk voor is. Daarnaast voorziet dit kennisdossier in informatie over veerkracht en de rol van het gezin hierin. Het geeft betekenis aan de huidige maatschappelijke context waarin de zorg voor vluchtelingen zich nu afspeelt en biedt een overzicht van organisaties én experts die benaderd kunnen worden voor meer informatie of hulp bij vragen. Het gaat specifiek over vluchtelingenkinderen in de leeftijd van 0 tot +/- 25 jaar. Waar het gaat over vluchtelingenkinderen worden ook kinderen bedoeld die nog in de asielprocedure zitten.

Op deze pagina

Praktische informatie

De termen 'vluchteling' en 'asielzoeker' worden vaak door elkaar gebruikt. Toch hebben beide een andere betekenis. De IND maakt gebruik van de volgende begrippen:

Vreemdeling: een vreemdeling is iemand die niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

Asielzoeker: een asielzoeker is een vreemdeling die zijn land heeft verlaten en bij de Nederlandse overheid een asielaanvraag indient.

Vluchteling: een vluchteling is een asielzoeker die terecht bang is voor vervolging in zijn land. Bijvoorbeeld omdat de overheid hem of haar bedreigt of omdat er oorlog is. Hij of zij krijgt in zo'n geval een asielvergunning en mag (tijdelijk) in Nederland blijven (zie ook het Vluchtelingenverdrag uit 1951).

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) die naar Nederland komen zijn asielzoekers jonger dan 18 jaar die zonder ouder of meerderjarig familielid in Nederland aankomen. Zij reizen alleen, met andere kinderen en/of met niet verwante volwassenen, waaronder mensenhandelaren, naar Nederland.

Terug naar boven

In februari 2021 zaten 6.956 kinderen en jongeren in de leeftijd van 0 t/m 17 jaar in de centrale opvang in Nederland. Het merendeel van de amv's is afkomstig uit Syrië, Eritrea en Marokko.

Terug naar boven

Aanmelden

De asielprocedure van asielzoekers die in Nederland aankomen, begint bij het aanmelden bij de centrale ontvangstlocatie in Ter Apel. In Ter Apel zijn Nidos, de Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND), de Raad van Rechtsbijstand (RvR), het COA en de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel (AVIM) vertegenwoordigd. De AVIM registreert de persoonsgegevens zoals naam, geboortedatum en nationaliteit. Ook neemt de AVIM vingerafdrukken af bij alle nieuwkomers. Hier vandaan worden asielzoekers naar één van de aanmeldcentra in Ter Apel, Den Bosch of Zevenaar gebracht. Op Schiphol is een aanmeldcentrum voor asielzoekers die per vliegtuig naar Nederland komen. Het type opvanglocatie hangt af van de fase van de asielprocedure waarin iemand zich bevindt.

Tijdens de aanmeldfase krijgt elke asielzoeker een verplicht medisch onderzoek een TBC-screening. GGD'en en Jeugdgezondheidszorg (JGZ) instellingen bieden vluchtelingenkinderen het medisch onderzoek en vaccinaties aan. In principe wordt hiermee gestart in de opvanglocaties van het COA. Als vluchtelingkinderen snel doorstromen naar een gemeente, neemt JGZ deze taak op zich.

Asielprocedure van de amv

Naast de Eurodac-registratie ondertekent de jongere bij de AVIM ook de asielaanvraag. Tevens wordt hier door de AVIM een proces verbaal opgesteld. Dit proces verbaal bevat personalia en de reisroute, er wordt niet ingegaan op het vluchtverhaal. Wel kunnen er aanvullende vragen gesteld worden wanneer meerderjarigheid wordt vermoed op basis van bijvoorbeeld uiterlijkheden of wanneer er concrete aanwijzingen voor zijn. Bij uiterlijkheden kan gedacht worden aan kaalheid, grijze haren, baardgroei en rimpelvorming. Concrete aanwijzingen kunnen aanwijzingen in de verklaringen van de jongere zijn.

Bij het Aanmeldcentrum team (ACTA) van Nidos worden alle Amv’s gezien die binnenkomen. De asielaanvraag door kinderen onder de 12 jaar wordt door Nidos ondertekend. Het ACTA-team screent alle jongeren op leeftijd en kwetsbaarheid, daarnaast bepalen zij welke jongeren diezelfde dag nog uitgeplaatst moeten worden. Jongeren onder de vijftien worden in een Opvang Wonen in Gezin (OWG) geplaatst. Slachtoffers van mensenhandel worden in de Beschermde Opvang (BO) geplaatst. Anderszins kwetsbare jongeren boven de vijftien worden ook dezelfde dag nog uitgeplaatst naar bijvoorbeeld een OWG-gezin. Deze jongeren doorlopen het 3-dagen traject op één dag. Alle andere jongeren worden geïndiceerd voor een Procesopvang locatie (POL) en komen eerst op de wacht locatie terecht waar ze de rest van het traject doorlopen.

Rust- en voorbereidings- termijn

In het aanmeldcentrum gaat de rust- en voorbereidingstermijn van minimaal zes werkdagen in. In deze periode kunnen de asielzoekers rusten en zich voorbereiden op hun asielprocedure. Ze krijgen voorlichting van VluchtelingenWerk over de asielprocedure en kunnen met hun advocaat praten. Deze wordt hen toegewezen door de Raad van de Rechtsbijstand en de kosten hiervan worden betaald door de Nederlandse overheid. Daarnaast krijgen asielzoekers medisch advies van Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA), voorheen Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA). Dit advies geeft aan of de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) rekening moet houden met lichamelijke beperkingen zoals doofheid of psychische gevolgen van psychotrauma. De IND onderzoekt in deze periode persoonlijke documenten en stelt de identiteit van de asielzoeker vast. Na de rust- en voorbereidingstermijn start de algemene asielprocedure.

De rust- en voorbereidingstermijn (RVT) voor asielzoekers duurt ongeveer drie weken. Deze periode is bedoeld om de asielzoeker tot rust te laten komen en om hem of haar goed voor te kunnen bereiden op de asielprocedure.
Om de amv zo goed mogelijk te kunnen voorbereiden is het belangrijk om een inschatting te maken van de jongere. Er zijn een aantal groepen die tijdens de asielprocedure als extra kwetsbaar gezien kunnen worden omdat zij bijvoorbeeld door bepaalde omstandigheden minder goed kunnen verklaren.

Ook vindt tijdens de RVT de dag-1 plaats. Op het moment dat bij de IND de startdatum van de asielprocedure bekend is, geven zij deze door aan de Raad van Rechtsbijstand (RVR). De RVR koppelt een advocaat aan de asielzoeker.
De voorbereiding op de asielprocedure begint met een eerste gesprek met de advocaat (op zijn kantoor of op een aanmeldcentrum). Deze dag -1 wordt ook door de RVR ingepland. Dit is doorgaans twee weken voor de startdatum van de asielprocedure. Tijdens de dag -1 maakt de AMV kennis met de advocaat, krijgt hij een algemene uitleg over de asielprocedure en wordt hij voorbereid op de gehoren.

Opvang van kinderen

Tijdens de gehoren kunnen kinderen onder de vier jaar worden opgevangen in kinderopvang op de aanmeldcentra. In de praktijk blijkt dat ouders (vooral moeders) vaak hun kind(eren) niet willen achterlaten bij 'vreemden' en ervoor kiezen om hun kinderen onder te brengen bij asielzoekers die op dezelfde locatie verblijven en dezelfde taal spreken. Soms nemen ouders hun kinderen mee naar een gehoor. Dit komt de kwaliteit van het gehoor echter vaak niet ten goede. Ouders kunnen afgeleid raken doordat een kind om aandacht vraagt of details van hun verhaal achterwege laten omdat zij dit niet willen vertellen in het bijzijn van kinderen.

Algemene asielprocedure

De algemene asielprocedure duurt acht dagen.

Op de eerste dag vindt het 'eerste gehoor' plaats. Tijdens dit gesprek praat een medewerker van de IND met de asielzoeker om zijn identiteit, nationaliteit en reisroute vast te stellen. Meereizende kinderen krijgen alleen boven de 15 jaar een gehoor. Voor kinderen jonger dan 15 jaar geldt dat niet.

Op de tweede dag kan de asielzoeker het eerste gehoor bespreken met zijn advocaat. Daarnaast bereid hij zich voor op het tweede gehoor, dat op de derde dag plaats vindt. Dit wordt ook wel het 'nader gehoor' genoemd. Tijdens dit gesprek vertelt de asielzoeker de medewerker van de IND waarom hij is gevlucht.

Op de vierde dag kan de asielzoeker het nader gehoor bespreken met zijn advocaat. Verbeteringen en aanvullingen op het gehoor kunnen hierna worden doorgegeven aan de IND.

Na de vierde dag beslist de IND of zij voldoende informatie hebben om over de aanvraag in de algemene asielprocedure te beslissen of dat de asielzoeker naar de verlengde asielprocedure gaat. Daarin kan bijvoorbeeld meer onderzoek worden gedaan. Tijdens de verlengde asielprocedure woont de asielzoeker in een asielzoekerscentrum (azc). De verlengde asielprocedure duurt maximaal zes maanden. De IND kan deze termijn verlengen tot maximaal 15 maanden. Bijvoorbeeld als er meer onderzoek nodig is. In overleg met zijn advocaat kan de AMV tegen deze beslissing in beroep gaan.

Op de vijfde dag zijn er drie mogelijke uitkomsten. Ten eerste kan er een positieve beschikking worden afgegeven en wordt de status van de asielzoeker verlengd. Ten tweede kan er om een verlenging van de asielprocedure worden gevraagd. De derde optie is een voornemen tot afwijzing. De advocaat zal ik dat geval de bezwaargronden met de asielzoeker doornemen.

Op de zesde dag zal de advocaat de zienswijze indienen en op de zevende of achtste dag zal er een beslissing worden genomen over het asielverzoek bij de IND. Na een negatieve beschikking is er beroep mogelijk en bij nieuwe feiten is er een herhaalde asielaanvraag (HASA) mogelijk.

Toekennen verblijfsvergunning

Als de asielzoeker aan de voorwaarden voldoet en bijvoorbeeld terecht vreest voor vervolging in het land van herkomst, krijgt hij een tijdelijke verblijfsvergunning. Na vijf jaar kan een definitieve verblijfsvergunning worden aangevraagd. Op de website van de IND staan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd. In 2018 kregen 7.810 mensen een asielstatus toegewezen. Dit betrof 49% van de eerste aanvragen.

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen asielzoekers die een verblijfsvergunning krijgen op basis van een A- of B- grond. Een asielzoeker krijgt een A-status wanneer hij een verdragsvluchteling is, dit is het geval wanneer hij is gevlucht vanwege één van de gronden die in het verdrag staan. Een asielzoeker die bij uitzetting een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling, krijgt een B-status. De duur van het verblijf is voor zowel de verblijfsvergunning op A-grond als B-grond hetzelfde, namelijk in beginsel vijf jaar. Een asielzoeker komt zo in aanmerking voor een asielvergunning op de A-grond of de B-grond. In deze paragraaf zullen daarom alleen deze punten kort toegelicht worden. Voor uitgebreide informatie kun je de juridische helpdesk raadplegen.

Afgewezen asielaanvraag

Wanneer de asielaanvraag wordt afgewezen heeft een asielzoeker nog 28 dagen recht op opvang. In deze vier weken kan een asielzoeker in beroep gaan of werken aan de terugkeer. COA blijft in deze periode verantwoordelijk voor de opvang van het hele gezin. De asielzoeker kan in beroep gaan tegen de afgewezen asielaanvraag. Een rechter toetst dan de beoordeling van de IND. Indien de asielzoeker of de IND het niet eens is met de beslissing van de rechter, kan in hoger beroep worden gegaan bij de Raad van State. Als deze ook oordeelt dat de IND juist heeft besloten, kan de asielzoeker nog naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Dit Hof krijgt veel zaken voorgelegd. Hierdoor kan het lang duren voor de Europese rechter uitspraak doet in een zaak.

Herhaalde asielaanvraag

Asielzoekers waarvan de asielaanvraag is afgewezen kunnen in bepaalde situaties een nieuwe asielaanvraag doen. Dit is het geval wanneer de persoonlijke situatie van de asielzoeker is veranderd of wanneer hij over nieuwe informatie beschikt waaruit blijkt dat zij niet veilig naar hun land van herkomst kunnen terugkeren. Voordat zij die nieuwe asielaanvraag kunnen indienen moeten zij eerst de IND hierover informeren.

De IND nodigt de asielzoeker vervolgens uit zich te melden bij een IND-aanmeldcentrum voor het indienen van een vervolgaanvraag. Dit gebeurt op een specifieke dag en tijd. Na aanmelding controleert de IND de identiteit van de asielzoeker en tekent de asielzoeker de officiële asielaanvraag. Hierna volgt een gesprek met een IND-medewerker over de nieuwe feiten en omstandigheden die de basis vormen van de vervolgaanvraag. De asielzoeker ontvangt dezelfde dag de voorgenomen beslissing van de IND. Als de asielaanvraag wordt afgewezen kan de asielzoeker de beslissing de volgende dag bespreken met zijn advocaat en een formele reactie indienen bij de IND. Op de derde dag van de herhaalde asielaanvraag neemt de IND de definitieve beslissing. Wanneer tijdens de procedure blijkt dat de IND meer onderzoek moet doen om een beslissing te kunnen nemen, wordt de aanvraag verder behandeld in de Algemene of Verlengde Asielprocedure.

Uitgeprocedeerd

Uitgeprocedeerde asielzoekers met kinderen houden opvang en worden overgeplaatst naar een Gezinsopvang locatie. Ondanks een afgewezen asielverzoek verblijven gezinnen in een Gezinsopvang locatie niet illegaal in Nederland omdat er vaak nog andere juridische procedures lopen. De gezinnen hebben wel een dagelijkse meldplicht. Tijdens het verblijf in de Gezinsopvang Locatie kunnen kinderen naar school. Een gezin heeft recht op deze opvang tot het jongste kind 18 jaar is. Hierna zal een terugkeer in gang gezet worden.

Opvang van alleenstaande minderjarige vluchtelingen

Voor minderjarige vluchtelingen gelden deels andere regels omtrent asielaanvraag en -procedures dan voor meerderjarige vluchtelingen.

Alleenstaande jongeren van 15 tot en met 17 jaar worden na hun aankomst in Nederland geplaatst in een procesopvanglocatie van het COA voor amv (pol-amv). Hier krijgen zij drie weken rust- en voorbereidingstijd. De IND heeft speciale hoorruimtes voor kinderen onder de 12 jaar waar medewerkers minderjarige kinderen kunnen horen. Door hun manier van vragen stellen houden zij er rekening mee dat de asielzoeker minderjarig is. Bij twijfel over de leeftijd van de jonge asielzoeker en een amv zijn gestelde leeftijd niet met documenten kan aantonen, wordt een leeftijdsonderzoek aangeboden door de IND. Als de amv dit aanbod niet aanneemt, wordt er aangenomen dat hij meerderjarig is. Een schouw is subjectief, wat maakt dat Nidos een leeftijdsonderzoek het geëigende middel vindt voor een leeftijdsbepaling. Tijdens de gehele asielprocedure worden zij bijgestaan door VluchtelingenWerk of een voogd van Stichting Nidos. De jongeren verblijven maximaal tien weken in de pol-amv.

Amv 's worden niet altijd opgevangen in een asielzoekerscentrum van het COA. Kinderen jonger dan 15 jaar mét of zonder verblijfsvergunning worden door voogdijinstelling Nidos geplaatst in een opvanggezin. Een opvanggezin is geen pleeggezin zoals de jeugdhulp die kent, maar asielopvang: Opvang en Wonen in Gezinnen (OWG). Dit zijn gezinnen met een culturele, religieuze en migratie achtergrond vergelijkbaar met het kind. Zij kunnen daar blijven wonen tot zij meerderjarig zijn. Ook kinderen van 13 of 14 jaar die niet meteen in een opvanggezin kunnen worden geplaatst worden opgevangen door het COA. Alle minderjarigen die zonder ouder(s) of andere gezaghebbende volwassene in Nederland verblijven hebben een voogd van Nidos en worden opgevangen door het COA.

De opvang van amv’s met een verblijfsvergunning valt onder de verantwoordelijkheid van Nidos. De huisvesting en dagelijkse begeleiding van deze jongeren wordt in opdracht van Nidos uitgevoerd door een aantal contractpartners. De kleinschalige opvangvoorzieningen bestaan uit kwe (kleine wooneenheid) en kwg (kinderwoongroep) locaties verspreid door Nederland.. Jongeren die na de algemene asielprocedure nog geen verblijfsvergunning hebben wonen onder de verantwoordelijkheid van het COA in een kleine woonvoorziening (kwv).

De alleenstaande kinderen en jongeren worden bij eventuele overplaatsingen, als het mogelijk is, in dezelfde regio geplaatst. Dit om de continuïteit van onderwijs, zorg en andere hulpverlening te kunnen borgen. Helaas gebeurt het in de praktijk regelmatig dat er geen passende opvang in de regio aanwezig is, waardoor jongeren buiten de regio geplaatst worden. Bij het bereiken van de leeftijd van 17,5 jaar gaan amv's in een kleine woonvoorziening op het terrein van een asielzoekerscentrum wonen.

Vanwege capaciteitsproblemen, tekorten aan opvanggezinnen en het beleid om jongeren in kleine wooneenheden of groepen te plaatsen heeft Nidos in verschillende regio's samenwerkingscontracten afgesloten met lokale (jeugd-ggz) instanties.

Amv's die na de algemene asielprocedure geen verblijfsvergunning hebben gekregen worden overgedragen aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Een belangrijke voorwaarde voor vertrek uit Nederland is dat adequate opvang aanwezig is in het land van bestemming. Een gespecialiseerde medewerker van de DT&V is regievoerder en bespreekt het vertrektraject met de voogd en de jongere. De DT&V bemiddelt bij de autoriteiten van het land van bestemming voor het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten en ondersteunt waar mogelijk in de herintegratie na aankomst in het land van bestemming. Deze hulp op maat kan bestaan uit opvang, begeleiding, studie of werk en onderdak.

De IND heeft een factsheet over de asielaanvraag van amv's. Het Platform Opnieuw Thuis en de Vereniging van Nederlandse Gemeente/Ondersteuningsteam Asielzoekers en Vergunninghouders (VNG/OTAV) hebben een factsheet over de opvang en begeleiding van amv's in gemeentelijke opvang.

Mensenhandel

Zowel Nidos als het aanmeldcentrum in Ter Apel besteden aandacht aan signalen die wijzen op mensenhandel. Voor amv's is mensenhandel een reëel probleem. Slachtoffers of getuigen van mensenhandel vallen onder een regeling genoemd B8/3 (vroeger B9) die het mogelijk maakt om een tijdelijke verblijfsvergunning te krijgen. Na een bedenktijd van drie maanden kan het slachtoffer besluiten aangifte te doen waarmee tevens een verblijfsvergunning wordt aangevraagd. Deze vergunning is geldig voor de duur van het onderzoek en de strafzaak. Het LOS adviseert en ondersteunt (potentiële) slachtoffers van mensenhandel.

Asielprocedure in beeld: film

Voor wie de asielprocedure in beeld wil bekijken, heeft VluchtelingenWerk een film gemaakt.

Terug naar boven

Op sommige vluchtelingen(kinderen) is de Dublin-verordening van toepassing. Dit is een internationale regeling die voorschrijft dat asielzoekers slechts in één land asiel mogen aanvragen. Een asielzoeker moet zijn procedure doorlopen in het land waar hij eerst is geregistreerd. EU-lidstaten hebben een systeem waardoor zij vingerafdrukken kunnen vergelijken om te achterhalen of de desbetreffende persoon al asiel heeft aangevraagd in andere lidstaten of onrechtmatig het grondgebied van de Europese Unie is binnen gekomen. Op 17 januari 2017 heeft de Raad van State uitspraak gedaan dat de leeftijd van een vreemdeling naar meerderjarig aangepast mag worden als de vreemdeling in (tenminste) één andere lidstaat als meerderjarig geregistreerd staat.

In het geval van een minderjarige is de lidstaat waar een gezinslid, familielid, broer of zus van de verzoeker verblijft verantwoordelijk voor het verzoek om internationale bescherming. Indien in meer dan één lidstaat gezinsleden, familieleden, broers of zussen van de verzoeker verblijven, wordt op basis van het belang van de minderjarige bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is. In de tussentijd worden deze vluchtelingen opgevangen in een opvanggezin of COA-opvang. Voor alleenstaande kinderen heeft een Dublinprocedure gevolgen in de vorm van verhoogde stress en onzekerheid over het welzijn van (één van) de ouders en/of overige familieleden omdat ze niet weten in welke EU-lidstaat hun asielaanvraag wordt behandeld.

Terug naar boven

Per fase van de asielprocedure verschilt het welke partij waarvoor verantwoordelijk is. Tijdens de asielprocedure vallen asielzoekers bijvoorbeeld vooral onder de zorg van het COA. Na het goedkeuren van de asielaanvraag vallen alle vluchtelingen onder de zorg van gemeenten.

Nederlandse overheid

Tijdens de asielprocedure worden onderdak, maaltijden en ziektekostenverzekering/medische zorg betaald door de Nederlandse overheid.

Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), dat verantwoordelijk is voor de opvang van asielzoekers, valt onder de politieke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Zorgverzekeraar

VGZ is verantwoordelijk voor het regelen en financieren van de zorg voor asielzoekers. Meer informatie over hoe VGZ deze zorg inricht wordt gegeven onder ‘Zorgverlening’ .

Gemeenten

Gemeenten kunnen samenwerken met het COA om een asielzoekerscentrum (azc) in te richten. In eerste instantie gaat het om de eerste opvang. Bestuurlijk is het zo geregeld dat er zonder instemming van de gemeente op haar grondgebied in principe geen azc gevestigd wordt.

Statushouders (vluchtelingen die een verblijfsvergunning hebben gekregen) worden gelijkelijk over alle gemeenten verdeeld. Gemeenten moeten zorgen voor huisvesting, een inkomen, toeleiding naar werk en integratie in de samenleving. Voor sommige gemeenten bestaat een lange wachttijd voor uitstroom. Dit komt door wachtlijsten voor woningen.

Sinds 1 januari 2019 valt de jeugdhulp en jeugd-ggz aan kinderen verblijvend op COA locaties onder verantwoordelijkheid van gemeenten. De (GZA)huisarts, de jeugdarts en Nidos zijn bevoegd om rechtstreeks naar jeugdhulp te verwijzen. In geval van crisis of een vermoeden van kindermishandeling (Veilig Thuis) bij asielzoekers is de gemeente verantwoordelijk voor het regelen en betalen van hulp.

GGD'en

De GGD is verantwoordelijk voor de publieke gezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg, preventie, voorlichting en screening. Asielzoekers vallen ook onder die zorg van de GGD. De screening op tbc die asielzoekers uit risicolanden bij aankomst in Nederland krijgen, is daar een voorbeeld van.

Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar

GGD'en (en Jeugdgezondheidszorginstellingen) voeren de jeugdgezondheidszorg voor 0 tot 19-jarige asielzoekers uit volgens het Basistakenpakket jeugdgezondheidszorg (BTP JGZ) 0-19 jaar. Dit takenpakket is vastgesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) met daarbij een aanvulling voor asielzoekerskinderen. Het bevat bijvoorbeeld de volgende contactmomenten:

  • de verpleegkundige intake
  • het medisch onderzoek inclusief het opstellen van het vaccinatieplan volgens het Rijksvaccinatieprogramma (RVP)
  • de periodieke gezondheidsonderzoeken
  • de mogelijkheid voor extra contactmomenten (op indicatie) in verband met de gezondheidsrisico's
Infectieziektepreventie en -bestrijding

GGD'en voeren individuele en collectieve preventie van infectieziekten uit. Dit gebeurt volgens richtlijnen die zijn opgesteld door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Hieronder vallen onder andere bron- en contactopsporing en het melden van meldingsplichtige infectieziekten, zoals hepatitis B, mazelen, kinkhoest en tbc. Ook geeft de GGD het COA advies bij (mogelijke) infectieziektenuitbraken. Dit kan zijn naar aanleiding van meldingen van COA-locatiemanagers.

Terug naar boven

Naast de hierboven genoemde partijen zijn een aantal partijen belangrijk bij de psychosociale ondersteuning aan vluchtelingenkinderen.

Centraal Orgaan Asielzoekers

Het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers. In de noodopvang en de asielzoekerscentra heeft het COA een belangrijke rol in het verstrekken van algemene informatie en begeleiding. Daarnaast ondersteunt het COA asielzoekers zelf vorm te geven aan hun toekomst.

Nidos

Nidos is verantwoordelijk voor het in kaart brengen van hoe het daadwerkelijk met een amv gaat. Zal de amv motiveren en toeleiden naar zorg indien geïndiceerd en kan ook psycho-educatie geven aan de jongeren over bijvoorbeeld psychische problemen en daarnaast jongeren handvatten geven over de wijze waarop ze hiermee om kunnen gaan.

VluchtelingenWerk Nederland

VluchtelingenWerk Nederland geeft voorlichting over de asielprocedure en over praktische zaken. Zij vertellen vluchtelingen bijvoorbeeld waar zij een dokter kunnen bezoeken, waar zij scholing kunnen krijgen en waar zij kunnen bidden. VluchtelingenWerk kan aanwezig zijn bij het gehoor van de IND wanneer daar aanleiding voor is. Op de aanmeldlocaties signaleren medewerkers van VluchtelingenWerk mogelijk kwetsbare groepen, waaronder kinderen. Indien nodig verwijst VluchtelingenWerk door naar, of neemt zelf contact op met het Gezondheidscentrum voor Asielzoekers (GZA). Ook organiseert VluchtelingenWerk vakantieweken voor vluchtelingenkinderen.

Rode Kruis

Het Rode Kruis ondersteunt bij de opvang van vluchtelingen. Zij willen de leefbaarheid en veiligheid op opvanglocaties vergroten. Middels de Refugee Buddy App voorzien zij vluchtelingen van informatie over hun verblijfplaats en aanwezige faciliteiten. Het Rode Kruis biedt vluchtelingen en asielzoekers tevens de mogelijkheid om vermiste familieleden in land van herkomst te traceren. Het Rode Kruis zet haar wereldwijde netwerk met vrijwilligers in om de persoon in kwestie te zoeken. Mocht hij of zij gevonden worden en contact via normale wegen (post, telefoon, etc.) is niet mogelijk, dan kunnen via het Rode Kruis brieven geschreven worden.

Stichting de Vrolijkheid

De Nationale Stichting ter Bevordering van Vrolijkheid (kort: Stichting de Vrolijkheid) is een multicultureel, non-profit netwerk van artiesten, muzikanten en acteurs die zich inzetten voor kinderen en jongeren in azc's. Middels activiteiten en projecten proberen zij meer zekerheid te bieden en begeleiding te geven aan jonge asielzoekers. Kinderen krijgen handvatten om met moeilijke situaties en nare ervaringen om te gaan.

Pharos

Pharos is het Expertisecentrum Gezondheidsverschillen. De expertise van Pharos is gebaseerd op wetenschap, experts en ervaring. Deze expertise wordt ingezet om de kwaliteit, effectiviteit en toegankelijkheid van de (gezondheids)zorg voor migranten en laagopgeleiden te stimuleren. Ook werkt Pharos aan het bevorderen van preventie en versterken van zelfmanagement bij deze groepen. Pharos heeft kennis (cijfers, interventies, publicaties en projecten) over jonge asielzoekers en vluchtelingen beschikbaar.

War Child

War Child zet zich in voor een beter leven van oorlogs- en vluchtelingenkinderen. Zij helpen kinderen hun ingrijpende ervaringen te verwerken, bij het durven maken van contact met anderen en het opbouwen van hun zelfvertrouwen. War Child laat kinderen actief een rol spelen in het voorlichten van hun sociale omgeving.

War Child heeft haar expertise gebundeld met die van UNICEF Nederland en Save the Children en een programma met activiteiten voor gevluchte kinderen in Nederland ontwikkeld: TeamUp.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Om gemeenten te ondersteunen bij vraagstukken op bijvoorbeeld het gebied van maatschappelijke begeleiding, scholing, integratie en gezondheidszorg van asielzoekers en vergunninghouders is het OndersteuningsTeam Asielzoekers en Vergunninghouders (OTAV) opgericht. Het OTAV is een samenwerking van verschillende ministeries en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het OTAV biedt praktische ondersteuning aan gemeenten in de vluchtelingenketen. Voor ondersteuning op maat is een Expertnetwerk opgebouwd dat bestaat uit mensen met specifieke kennis en/of vaardigheden op diverse gebieden.

Het Arq Kenniscentrum Migratie (voorheen Psychosociaal Ondersteuningspunt Vluchtelingen, POV) van Arq Psychotrauma Expert Groep

Het Arq Kenniscentrum Migratie biedt zorgverleners consultatie, onderwijs en training. Ook organiseert het Kenniscentrum Migratie preventieve gezinsgroepen op locatie voor vluchtelingengezinnen (en asielzoekers-) in samenwerking met lokale zorgverstrekkers.

Terug naar boven

Asielzoekers hebben recht op medische zorg. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is verantwoordelijk voor het organiseren en beschikbaar stellen van de zorg aan asielzoekers. Het COA heeft voor de medische zorg per 1 januari 2018 een contract afgesloten met zorgverzekeraar Arts & Zorg in samenwerking met zorgverzekeraar DSW voor de vergoeding van de kosten voor asielzoekers. Voor asielzoekers geldt geen eigen bijdrage en geen eigen risico. Asielzoekers kunnen aanspraak maken op zorg in natura.

Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA)

Zorg voor asielzoekers is ondergebracht bij Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA). GZA zorgt voor huisartsenzorg en het doorverwijzen van asielzoekers naar zorg die dichtbij en goed toegankelijk is. Hierbij is extra aandacht voor taal- en cultuurverschillen, de leefsituatie en bijzondere zorgbehoefte. Een onderdeel van het GZA is de praktijklijn. Hier kunnen asielzoekers en zorgverleners die betrokken zijn bij asielzoekers 24 uur per dag, 7 dagen in de week terecht met spoed- en medische vragen.

Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA)

In de Regeling Medische zorg Asielzoekers (RMA) is de zorg omschreven waar asielzoekers aanspraak op kunnen maken. Deze regeling wordt uitgevoerd door RMA Healthcare. Zij zijn verantwoordelijk voor de inkoop en contractering van zorg, declaratieverwerking en polis-administratie. In de zorgzoeker zijn alle gecontracteerde zorgaanbieders terug te vinden waar asielzoekers terecht kunnen.

Convenant GGZ

In 2014 is er een start gemaakt met het organiseren van bijeenkomsten met ketenpartners om verbeterpunten te benoemen en daarmee een kwaliteitsslag in de ggz aan asielzoekers te bereiken. Het doel is een optimaal samenwerkende ggz-keten met kwalitatief goede en transparante zorg. Het convenant ggz is uitgewerkt en afgerond. De ambitie van het convenant is elkaar te verbinden aan afspraken die leiden tot een optimale samenwerking bij het versterken van de psychische gezondheid van en het leveren van ggz aan asielzoekers. In het convenant zijn 13 afspraken gemaakt die in vier verschillende werkgroepen zijn uitgewerkt. De werkgroepen hebben het preventieaanbod voor jeugdige asielzoekers besproken. Zij hebben een systeemgerichte ggz benadering uitgewerkt die ervoor zorgt dat via de ouders ook de kinderen in beeld komen. Eén van de werkgroepen heeft een triage-instrument ontwikkeld dat geschikt is voor kinderen vanaf 12 jaar.

Jeugdhulp

De jeugdhulp voor asielzoekerskinderen is per 1 januari 2019 naar de gemeente gegaan. De gemeente koopt de jeugdhulp in en zet eigen jeugdteams in op COA-locaties. Wanneer nodig verwijst de gemeente naar gespecialiseerde jeugdhulp. De GZA huisarts, de jeugdarts, Nidos en Veilig Thuis zijn bevoegd om rechtstreeks naar jeugdhulp te verwijzen die de gemeente heeft gecontracteerd.

Vluchtelingenkinderen signalering flowchart

* Het jeugdteam kan ofwel zelf interventies inzetten, ofwel doorverwijzen naar (gecontracteerde) jeugdhulp. Indien er sprake is van vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling, wordt Veilig Thuis ingeschakeld.
** Nidos maakt afspraken met de gemeente over gebruik bepaling jeugdhulp.

Terug naar boven

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) – Afdeling transculturele psychiatrie

Dokters van de wereld komen, samen met 15 andere delegaties, in binnen- en buitenland op voor het universele recht op gezondheid, met als belangrijkste speerpunt, toegang tot gezondheidszorg voor mensen die hiervan uitgesloten zijn. Dokters van de Wereld bieden medische hulp aan kansarme mensen.

Johannes Wier Stichting zet zich in voor gezondheidszorg en mensenrechten. Als missie heeft de Johannes Wier Stichting dat zij professionals in de zorg stimuleren en mobiliseren om de eerbiediging van het recht van een ieder op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid te bevorderen.

Terug naar boven

AMV – Alleenstaande Minderjarige Vreemdeling
Azc - Asielzoekerscentrum
COA – Centraal Orgaan opvang asielzoekers
BTP JGZ - Basistakenpakket jeugdgezondheidszorg
DT&V – Dienst Terugkeer en Vertrek
EMDR - Eye Movement Desensitization and Reprocessing
GC A – Gezondheidscentrum Asielzoekers
GGD – Gemeentelijke Gezondheidsdienst
IND – Immigratie- en Naturalisatiedienst
KID NET – KID Narratieve Exposure Therapie
Kwv – kleine woonvoorziening
LVB – licht verstandelijke beperking
MCA – Menzis COA Administratie, overgenomen door ziektekostenverzekeraar VGZ
NIP-CINS – Nederlands Instituut voor Psychologen Crisis Interventie Netwerk Schoolpsychologen
OTAV – Ondersteuningsteam Asielzoekers en Vergunninghouders
OTS – Ondertoezichtstelling
POL-amv – Procesopvanglocatie amv
POV – Psychosociaal Ondersteuningspunt Vluchtelingen, overgegaan in Kenniscentrum Migratie Arq
PTSS – Posttraumatische Stressstoornis
RIVM – Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RVP – Rijksvaccinatieprogramma
RZA – Regeling Zorg Asielzoekers
SCIO (SCIOPEND) – onafhankelijk indicatieorgaan jeugdhulp aan vluchtelingen
VNG – Vereniging Nederlandse Gemeenten
VWS – Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Terug naar boven

Beschrijving

Getraumatiseerde systemen

Het bieden van een warme, continue en intieme relatie kan een uitdaging worden wanneer een ouder lijdt aan PTSS-symptomen. Recente studies wijzen op een evidentie voor een relatie tussen ouderlijk trauma, de ouder-kind interactie en de ontwikkeling van het kind. Sensitiviteit en responsiviteit, dat wil zeggen het accuraat lezen van en reageren op de signalen van het kind, worden als de belangrijkste indicatoren van de kwaliteit van de ouder-kind interactie beschouwd. Het zijn voorwaarden voor een veilige hechting tussen ouder en kind. Getraumatiseerde moeders zijn echter minder sensitief, meer intrusief en vijandig naar hun kinderen. Zij zijn dus minder beschikbaar en betrokken, en meer verstorend en agressief (bedekt of openlijk) in de interactie met hun kind. Daarnaast wordt voor ouders met PTSS een verhoogd risico op het plegen van kindermishandeling gerapporteerd. De kinderen laten meer internaliserende en externaliserende gedragsproblemen zien (van Ee, Hein, Bala & Mooren, 2014).

Van Ee (2013) bestudeerde de samenhang tussen vluchtelingtrauma van moeders en vaders en de ontwikkeling van het jonge kind. De mate waarin deze vaders en moeders last hadden van PTSS-symptomen was hoog. Op basis van de Harvard Trauma Questionnaire krijgen 86% van de vaders en 72% van de moeders de classificatie PTSS. De kwaliteit van de relatie van de ouder met het kind werd binnen een spelsituatie gemeten op vier dimensies, namelijk de mate van sensitiviteit, structureren, intrusiviteit en vijandigheid. Over de gehele groep was de kwaliteit van de interactie gematigd positief. Posttraumatische stress had een aanzienlijke invloed op de kwaliteit van de interactie. Ouders met een hoge score voor posttraumatische stress waren minder sensitief, minder structurerend en meer vijandig. De kinderen van ernstig getraumatiseerde asielzoeker- en vluchtelingouders lieten meer ontwikkelingsproblemen zien dan kinderen van ouders met weinig PTSS klachten. Moeders met meer ernstige symptomen van posttraumatische stress rapporteerden ernstiger internaliserend gedrag bij hun kinderen, maar niet ernstiger externaliserend gedrag dan moeders met minder ernstige symptomen. Uit de observaties bleek dat de kinderen van moeders met meer symptomen minder responsief of ontvankelijk waren naar hun moeder. Symptomen van posttraumatische stress van ouders bleken direct gerelateerd aan een onveilige of gedesorganiseerde hechting van hun kinderen. De resultaten wijzen op de noodzaak tot herstel van afstemming tussen de getraumatiseerde ouder en het kind.

Ook gezinshereniging kan een eigen complexe dynamiek in de afstemming tussen ouder en kind met zich meebrengen daar gezinsleden in een nieuwe levensfase de relatie met elkaar opnieuw dienen vorm te geven.

Terug naar boven

Fysiek en/of seksueel geweld

Seksueel geweld komt vaker dan gemiddeld voor onder vluchtelingen en asielzoekers (Keygnaert et al., 2014). Met name vrouwen en minderjarige asielzoekers blijken een hoog risico te lopen (Kramer & Cense, 2004). De ervaring vanuit Nidos is dat meisjes en jongens die opgroeien in een grootfamiliecultuur in hun opvoeding weinig handvatten krijgen hoe zich te weren tegen seksueel misbruik. Tevens komen ervaringen met seksueel geweld tijdens de vlucht veel voor. Het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS) beschrijft in een artikel een aantal aanbevelingen om seksueel geweld in azc's tegen te gaan, waaronder het versterken van onderling contact tussen vrouwen en meisjes en het inzetten van weerbaarheidstrainingen binnen deze doelgroepen.

Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv)

Volgens een rapport van UNICEF maakten amv's voor 90 procent deel uit van de vluchtelingen die begin 2016 de oversteek van Griekenland naar Italië maakte. Gedurende de hele reis lopen zij een groot risico op uitbuiting, mensensmokkel en (seksueel) geweld. Na de onhoudbare situatie in het thuisland en de risico's van het vluchten, volgen opnieuw uitdagingen wanneer vluchtelingenkinderen op de plaats van bestemming aankomen. Bij aankomst zijn veel amv's fysiek uitgeput. Ook blijkt dat in veel gevallen sprake is van acute (mentale) gezondheidsproblemen (Hebebrand et al., 2016). Van de minderjarige asielzoekers in Nederland is op dit moment 20% zonder ouder of begeleidende volwassene in Nederland. De grootste groep amv's is tussen de 14 en 18 jaar oud. Zij komen voornamelijk uit Syrië, Afghanistan, Eritrea en Noord-Afrikaanse landen. Onder hen zijn jongens in de meerderheid). In dit kader heeft Nidos samen met Arq een outreachende kortdurende behandelmethode (Veerkracht) ontwikkeld. Deze richt zich op Eritrese, Syrische en Afghaanse amv’s. Als jongeren hiervoor worden aangemeld worden ze ongeveer 8 a 10 keer door een cultureel mediator en GZ-psycholoog bezocht om de voornaamste stress en traumaklachten te verminderen. Ook heeft Nidos een toolkit ontwikkeld voor diegene die met Eritrese alleenstaande minderjarigen in Nederland werken. Op dit moment wordt door Nidos een passend aanbod ontwikkelt voor amv’s uit Noord-Afrikaanse landen.

Uit onderzoek blijkt dat amv's uit verschillende landen ook verschillende redenen en routes van vluchten hebben. Hetzelfde geldt voor de amv's die in Nederland terecht komen. Kennis van deze gevarieerde achtergronden is belangrijk voor het opvangen van deze vluchtelingen. Weten waar een kind vandaan komt en wat voor dingen het (mogelijk) heeft meegemaakt, helpt bij het inschatten van de hulpbehoefte. Verder heeft Pharos in samenwerking met LOWAN factsheets ontwikkeld over Eritrese en Syrische vluchtelingenkinderen.

Minderjarige slachtoffers van mensenhandel

Voor minderjarige slachtoffers van mensenhandel bestaat er de Beschermde Opvang (BO), specifiek voor amv. Zij worden opgevangen in Drenthe en Limburg. Nidos heeft de voogdij over alleenstaande minderjarige vreemdelingen die (mogelijk) slachtoffer zijn van mensenhandel en beslist of een minderjarige vreemdeling in de Beschermde Opvang wordt opgevangen.

Kindbruiden

Tussen september 2015 en januari 2016 kwamen ongeveer 60 kindbruiden Nederland binnen, vaak meereizend met een meerderjarige man. Volgens een rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen betreft dit voornamelijk Syrische meisjes. Deze kindbruiden zijn extra kwetsbaar voor mensenhandel en seksueel geweld. Daarnaast bestaat het risico dat zij sociaal geïsoleerd leven waardoor misbruik en uitbuiten langdurig kan aanhouden. Met het aannemen van de wet Tegengaan Huwelijksdwang is een begin gemaakt met het tegengaan van kind huwelijken. Een gerichte aanpak voor verdere ondersteuning van deze doelgroep ontbreekt echter nog.

Zwangeren

Zwangere vluchtelingen hebben een hoger risico op psychologische en medische klachten en -ziekte naar aanleiding van hun zwangerschap dan gemiddeld (Van Hanegem, Miltenburg, Zwart, Bloemekant & Van Roosmalen, 2011). Risicofactoren die hierin een rol spelen zijn onder meer werkeloosheid, taalachterstand en een (ver)late bevalling. Moeders met HIV en alleenstaande (aanstaande) moeders lopen ook een groter risico. Zwangere vluchtelingen in Nederland zijn vaak niet bekend met de geboortezorg en lopen daardoor soms controles mis. Daarnaast werken (meerdere) overplaatsingen de continuïteit van zorg tegen en bemoeilijken taalproblemen het in kaart brengen van mogelijke risicofactoren bij zwangere vluchtelingen. De richtlijn Geboortezorg Asielzoekers beschrijft de taken en verantwoordelijkheden van betrokken organisaties. De richtlijn bevat een aantal maatregelen ter verbetering van de geboortezorg, waaronder het gezamenlijk maken van een intake afspraak bij de verloskundige en betere informatie over geboortezorg op de azc's.

Kinderen geboren uit seksueel geweld

Kinderen geboren uit seksueel geweld vormen een kwetsbare groep. Al vanaf het allereerste begin worden zij geconfronteerd met bedreigingen van hun leven, zoals pogingen tot abortus, gecompliceerde bevallingen zonder zorg voor moeder en kind, en infanticide. Na de geboorte groeien zij op bij een moeder die traumatische ervaringen heeft overleefd en die haar eigen kind mogelijk ook beleeft als dat van een verkrachter, of zelfs als geboren uit haat en als een vijand. Ook de gemeenschap kan deze kinderen zien als behorend tot de etnische groep van de vijand. Hun identiteit raakt onlosmakelijk verbonden met die van een verkrachter en met een oorlogsdaad. Klinische ervaring leert dat extreme ambivalentie, verwaarlozing, mishandeling of verstoting niet zelden voorkomen in deze populatie (van Ee & Kleber, 2012, 2013). Interventies dienen daarom gericht te zijn op de mentale gezondheid van moeder, de hechting met en de identiteit van haar kind en het stigma van de gemeenschap.

(Licht) verstandelijk beperkten

Over de prevalentie van (licht) verstandelijke beperking (LVB) onder vluchtelingenkinderen zijn voor zover bekend geen cijfers beschikbaar. Wel wordt aangenomen dat deze groep vertegenwoordigd is onder de vluchtelingenkinderen die Nederland binnenkomen. Kinderen met LVB hebben een grotere kans op verwaarlozing en traumatisering dan normaal begaafde kinderen (Sullivan & Knutson, 2000). Dit benadrukt het belang van alertheid op LVB-problematiek bij vluchtelingenkinderen in azc's zodat op tijd kan worden gekeken en/of doorverwezen naar passende hulp voor het kind en het gezin.

Terug naar boven

Diagnose jeugd-ggz vluchtelingenkinderen

In de diagnostiek van vluchtelingenkinderen kan sprake zijn van culturele factoren die het zicht op de psychische problemen belemmeren. Dat kan leiden tot verkeerde of onnauwkeurige interpretaties in de diagnostiek. Behandelaren hebben veronderstellingen over kinderen en ouders uit een andere cultuur die tot misinterpretaties in het begrijpen kunnen leiden en belemmeringen kunnen geven in de behandeling van deze kinderen en hun ouders. Van belang is dat behandelaren zich bewust zijn van hun eigen veronderstellingen over de vluchteling die tegenover hen zit en nieuwsgierig zijn en een open houding hebben.

Om bovenstaande te illustreren wordt hier een voorbeeld gegeven dat is samengesteld uit ervaringen met meerdere patiënten:

De heer Bah is een 15-jarige jongeman uit Guinee, die is aangemeld vanwege chronische slaapproblemen, somberheid en inactiviteit. Hij verblijft in een opvang voor alleenstaande minderjarige asielzoekers waar hij grotendeels op zijn kamer zit. Hij maakt weinig contact met leeftijdsgenoten. Hij verzuimt veel op school. Hij klaagt over hoofdpijn en kan zich niet goed concentreren op school. Hij kan niet onthouden wat hem op school geleerd wordt. Hij spreekt een beetje Frans en vrijwel geen Nederlands. In Guinee is hij opgevoed door zijn moeder die overleed toen hij 10 jaar was. Daarna heeft hij een periode op straat geleefd. Hij is enkele jaren naar school geweest. Hij is zijn land ontvlucht omdat hij achterna gezeten en bedreigd werd door mensen van een society. Er zou een vloek over hem zijn uitgesproken en hij werd beschuldigd van de dood van zijn moeder. Zelf zegt hij dat alle problemen komen omdat hij een bastaardkind is. Van zijn vader weet hij alleen dat deze van een andere stam was en dat zijn ouders niet getrouwd waren. Met hulp van mensenhandelaren is hij via de woestijn in Libië terechtgekomen, waar hij 2 maanden heeft vastgezeten. Daar is hij mishandeld. Hij wist weg te komen en heeft Europa weten te bereiken. In Italië leefde hij op straat. Een vriend heeft hem geholpen om naar Nederland te komen.

Uit deze casus blijken al een aantal culturele factoren die mogelijk in verband kunnen worden gebracht met de psychische klachten van deze 15-jarige jongen. De beschuldiging ten aanzien van de dood van zijn moeder, problemen die samenhangen met een bastaardkind zijn, een afwezige vader van een andere stam. Er is ook een aantal contextuele factoren die van belang lijken in deze casus, zoals het ontbreken van een gedegen scholing en op straat moeten leven na de dood van zijn moeder. Om een beter zicht op de diagnostiek te krijgen kan het uitvragen van deze factoren van groot belang zijn. Daarover bestaat internationaal in de (transculturele) psychiatrie consensus over, zoals blijkt uit de ontwikkelingen in de Diagnostic and Statistic Manual for Mental Disorders van de derde naar de vierde en vijfde versie.

In de vierde en vijfde versie van de Diagnostic and Statistic Manual for Mental Disorders (DSM-IV en DSM-5) is een culturele formulering opgenomen om tot standaardisatie op het gebied van cultuur en psychiatrie te komen. Die culturele formulering biedt een kader om de invloed van contextuele en culturele factoren op de presentatie van psychische problemen, hulp zoek gedrag en coping te verhelderen. In de DSM-5 bestaat deze culturele formulering uit vijf elementen:

  1. Culturele identiteit van het individu
  2. Culturele conceptualisatie van psychische nood
  3. Psychologische stressoren en culturele aspecten van kwetsbaarheid en resilience
  4. Culturele aspecten van de relatie tussen het individu en de hulpverlener
  5. Algemene culturele inventarisatie
Terug naar boven

Het doen van intelligentieonderzoek bij vluchteling- en asielzoekerskinderen is vaak een uitdaging doordat er weliswaar non-verbale intelligentietests beschikbaar zijn, maar deze niet cultuurvrij zijn en culturele factoren en communicatie-aspecten vaak een grote rol spelen. De vraag is hoe je testinstrumenten kunt gebruiken en de testresultaten kunt interpreteren op cultuursensitieve wijze.

De Generieke Module Diversiteit van Akwa GGZ stelt dat je gebruik moet maken van de volgende vuistregels in de interculturele psychodiagnostiek:
→ Sensitiviteit voor problemen van validiteit en vertekening in interculturele diagnostiek zijn belangrijker dan de keuze voor een standaardaanpak.
→ Er zijn tests die bruikbaar zijn en tests die minder bruikbaar zijn in interculturele diagnostiek. Er zijn geen cultuurvrije tests.
→ Het afnemen van een psychologische test bij een patiënt met een migratieachtergrond stelt eisen aan zowel het instrument, de diagnosticus als de patiënt.
→ Men dient rekening te houden met bronnen van vertekening bij interculturele diagnostiek. De kunst is om de testresultaten goed te duiden en te integreren met andere diagnostische informatie zoals informatie van ouders, school en je eigen observaties tijdens de diagnostiek.
→ De kwaliteit van interculturele diagnostiek wordt sterk bepaald door het vermogen van de diagnosticus hoe om te gaan met problemen als gevolg van de beperkte bruikbaarheid van tests. Het getuigt van professionaliteit om in de rapportage duidelijk te maken hoe met de culturele achtergrond van de patiënt rekening gehouden is.

Het doen van intelligentieonderzoek bij kinderen uit andere culturele achtergronden vraagt cultuurbewustzijn, vaardigheden en inzicht in methodebias. Er spelen vaak verschillen in communicatiepatronen, kinderen weten niet wat een testsituatie inhoudt en wat de diagnost verwacht. In de communicatie tussen kinderen en de diagnost zitten impliciete verwachtingen en normen die voor iemand die nog nooit getest is niet duidelijk zijn.

Kouratovsky (2020) stelt dat onderzoek laat zien dat het kind van een migrant op een intelligentietest vaker dan gemiddeld als zwakbegaafd scoort. Dat noemt hij dramatisch, zeker omdat een IQ-score heel serieus wordt genomen en grote gevolgen voor iemand kan hebben. Zo kan de test uiteindelijk leiden tot uitsluiting. Hij pleit er daarom voor dat je samen met je cliënt moet kijken wat de uitslag van de test betekent en of er beperkingen zijn waardoor de test minder goed gemaakt is en of de intelligentie dus te laag wordt ingeschat.

Volgens Borra et al (2001) is het belangrijk dat de diagnost zich ervan bewust is dat een testscore altijd beschouwd moet worden als een interactie tussen cliënt en instrument. De diagnost zal dan ook moeten proberen de testsituatie te optimaliseren voor de cliënt als de standaardcondities ontoereikend zijn. De cliënt moet testbaar zijn en het instrument moet bruikbaar zijn. De afweging van testbaarheid en bruikbaarheid moet door de diagnost gemaakt worden. De vraag om meer duidelijkheid en voorschriften over hoe met deze onzekerheid om te gaan is begrijpelijk, maar ook moeilijk te beantwoorden, al was het alleen maar omdat de culturele achtergrond en de graad van aangepastheid aan de Nederlandse samenleving van cliënten zo sterk uiteen kunnen lopen, dat voorschriften al heel snel een keurslijf kunnen worden aldus Borra.

Om zo goed mogelijk recht te doen aan de capaciteiten van het kind zou een intelligentieonderzoek moeten bestaan uit:
1. Afname van een gestandaardiseerde intelligentietest
2. Eigen observaties van de diagnost
3. Een heteroanamnese van het kind zelf, de ouders/verzorgers en docent(en). O.a. communicatievaardigheden, emotieregulatie, sociaal oordeelsvermogen, persoonlijke verzorging, dagelijkse taken en zelfredzaamheid.
4. Een ontwikkelingsanamnese waarin ook aandacht is voor hoeveel jaren onderwijs het kind in land van herkomst genoten heeft en het soort school dat het bezocht heeft. In veel landen zijn bijvoorbeeld Koranscholen. Dit betreft echter geen onderwijs zoals in Nederland gebruikelijk is, maar dit betreft religieuze scholen waarop de islam wordt onderwezen en kinderen vaak niet leren lezen, schrijven en rekenen.

Het lastige is dat je eigenlijk niet van de instrumenten wilt uit gaan, maar van de domeinen die je wilt onderzoeken. Ter aanvulling zou onderstaand overzicht gebruikt kunnen worden. Er is ook een overzicht van beschikbare instrumenten bij het werken met amv’s in het artikel van Van de Vijver (2017), maar de instrumenten die hij noemt zijn wel wat verouderd.

Terug naar boven

Ook om psychische problemen bij kinderen via hun ouders/verzorgers en begeleiders helder te krijgen verdient het aanbeveling om deze culturele formulering te gebruiken. Daarvoor is in de DSM-5 een gevalideerde, semigestructureerde vragenlijst, het Cultural Formulation Interview (CFI), opgenomen (Lewis-Fernández et al., 2017). Er is een versie voor cliënten en een versie voor informanten, zoals ouders/verzorgers en begeleiders. Voor ouders/verzorgers is een culturele formulering belangrijk, omdat hun kind in aanraking komt met andere normen en waarden bij leeftijdsgenoten dan zij zelf en dat er in de Nederlandse samenleving andere normen en waarden kunnen gelden ten aanzien van onder anderen opvoeding, ouderschap en autonomie van het kind. Bovendien kunnen er culturele verschillen zijn ten aanzien van de acceptatie van een psychische stoornis, hoe met bepaalde psychische klachten om te gaan en psychosomatische uitingen van klachten.

Het CFI bestaat uit zestien vragen en twaalf aanvullende modules (Lewis-Fernández et al., 2016). Die aanvullende modules bieden de mogelijkheid tot verdieping van de zestien vragen (zoals het verklaringsmodel van de psychische klachten, het sociale netwerk, culturele identiteit of coping en hulpzoekgedrag). Ook zijn er modules voor speciale doelgroepen, zoals schoolgaande kinderen en adolescenten en migranten en vluchtelingen.

Het CFI dient om een culturele formulering te maken en is ingedeeld in de volgende gebieden:

  1. Culturele definitie van het probleem
  2. Culturele perceptie van de oorzaak, context en steun o.a. culturele identiteit
  3. Culturele factoren betreffende coping en vroeger hulpzoekgedrag
  4. Culturele factoren betreffende huidig hulpzoekgedrag: voorkeuren, relatie hulpvrager-hulpverlener

De volgende vragen blijken in de klinische praktijk zinnig of bruikbaar te zijn.

  • Wat verwachten jouw ouders en grootouders van een kind van jouw leeftijd?
  • Wat verwachten leraren op school van een kind van jouw leeftijd?
  • Wanneer is een kind volgens jouw familie of gemeenschap/cultuur klaar om volwassen te worden?
  • Wat is de specifieke positie van het kind in het gezin/de familie? (bijvoorbeeld de oudste zoon, het enige meisje)
  • Wat zijn de percepties van de ouders van bij de leeftijd passend gedrag? (bijvoorbeeld: alleen thuis mogen blijven, deelname aan huistaken, religieuze voorschriften, spelen)
  • Wat zijn specifieke regels binnen de kind-ouder relaties voor dit gezin? (bijvoorbeeld respect tonen, oogcontact maken, lichamelijk contact)

In veel culturen is het normaal dat kinderen in het gezin taken op zich nemen met steun van de ouders die in Nederland als ongepast worden gezien. Soms is het acceptabel om de oudste dochter voor jongere kinderen te laten zorgen en dat gaat in veel gevallen verder dan in Nederland gebruikelijk is. Dat kan in Nederland zelfs als schadelijk worden gezien. Er kan sprake zijn van parentificatie, terwijl dat niet door de ouders/verzorgers of kinderen als zodanig wordt ervaren.

Terug naar boven

Het screenen van trauma-gerelateerde problematiek bij vluchtelingenkinderen is belangrijk. Lang niet alle kinderen die een schokkende gebeurtenis meemaken ontwikkelen trauma-klachten. Uit een meta-analyse van Alisic en collega’s (2014) blijkt dat 16 procent van de kinderen die een potentieel traumatische gebeurtenis meemaakt daadwerkelijk een posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkelt.
Voor de diagnostiek van trauma-gerelateerde klachten en/of een posttraumatische stressstoornis bij kinderen zijn verschillende instrumenten beschikbaar. Echter, vluchtelingenouders zijn niet altijd in staat vragenlijsten voor hun (jonge) kinderen in te vullen door de taalbarrière. De taalbarrière kan ondervangen worden door de inzet van een tolk. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor het doen van diagnostiek. Daarnaast is het om verschillende redenen lastig om trauma’s te diagnosticeren bij amv’s, door onder andere taboes, stigma, schaamte en doordat amv’s onvoldoende begrijpen wat psychologische hulp inhoud.

Een multidisciplinaire werkgroep heeft de richtlijn medische en psychosociale screening vluchtelingenkinderen geformuleerd met betrekking tot het opvangen en duiden van signalen van psychische problematiek. Vanuit de werkgroep komt de aanbeveling om ter signalering van een verhoogd risico op een psychische stoornis de Strengths and Difficulties Questionnaire, SDQ (Goodman, 1997) in te zetten. De SDQ is een algemeen screeningsinstrument voor psychische problematiek. De SDQ meet de aanwezigheid van psychosociale problemen, de sterke kanten van het kind en de invloed van psychosociale problemen op het dagelijkse functioneren. De SDQ is vrij toegankelijk en er zijn versies in verschillende talen beschikbaar.

De Childrens’s Revised Impact of Event Scale, CRIES-13 (Children and War Foundation, 1998 - Nederlandse vertaling door M. Olff in 2005) is een korte vragenlijst en een valide instrument voor het screenen op PTSS bij kinderen vanaf 8 jaar. Voor jongere kinderen is er een ouder-versie. Met dit screeningsinstrument kunnen professionals PTSS herkennen en kinderen gerichter doorverwijzen voor aanvullende diagnostiek of een passende behandeling. De CRIES-13 is vrij toegankelijk en in vele talen vertaald.

Er is een aantal cultureel gevalideerde diagnostische vragenlijsten om trauma, depressie en angstklachten bij vluchtelingenkinderen ouder dan 12 jaar te meten. De HSCL-37a (Hopkins Symptoms Checklist) kan de ernst van emotionele problemen en maladaptief gedrag bij vluchtelingenadolescenten met zeer diverse culturele achtergronden vaststellen. De SLE (Stressfull Life Events) en de RATS (Reacties van Adolescenten op Traumatische Stress) meet de ernst van traumatische ervaringen en stressreacties van vluchtelingenadolescenten met een zeer diverse culturele achtergrond (Bean, 2006).

Het voor Veilig Thuis ontwikkelde triage-instrument kan het besluitvormingsproces van professionals ondersteunen, waarna gezinnen met problemen de juiste intensiteit van zorg kunnen ontvangen. Het geeft medewerkers handvatten om te beoordelen welke spoed en expertise nodig zijn. Het triage-instrument is bruikbaar bij geweld en onveiligheid in de huiselijke kring.

Terug naar boven

Behandeling jeugd-ggz vluchtelingenkinderen

De zorgbehoefte van vluchtelingenkinderen is afhankelijk van verschillende factoren. Van algemeen belang is de reactie van de ouders tijdens verschillende stadia van de asielprocedure. Kinderen gebruiken de reactie van ouders als uitgangspunt voor de eigen reactie op een situatie (Daud, Klinteberg & Rydelius, 2008). Wanneer ouders stress ervaren rondom de asielprocedure zullen kinderen meer geneigd zijn deze spanningen over te nemen. Mogelijk internaliseren kinderen veel van hun angsten en/of frustraties tijdens de onzekere periode omtrent de asielaanvraag. Wanneer een verblijfsvergunning is verkregen en de kinderen en ouders meer tot rust komen, ontstaat mogelijk ook meer ruimte om problemen te uiten. Het stadium van de asielprocedure is belangrijk om mee te nemen in de timing van de behandeling, hoewel het geen reden mag zijn om niet te behandelen. Voor vragen over de afstemming van behandeling bij vluchtelingenkinderen kan één van de experts geconsulteerd worden.

Interventiepiramide

De interventiepiramide is een model dat activiteiten ordent die worden georganiseerd om de psychische gezondheid van vluchtelingen te bevorderen. Hierbij worden verschillende niveaus van interventies onderscheiden.

Vluchtelingenkinderen interventiepiramide

In de basis bevinden zich de basisvoorzieningen en veiligheid met betrekking tot psychosociale zorg en ondersteuning. Denk hierbij aan toegang tot goede informatie en de aanwezigheid van onderdak, kleding en voedsel.

Op het tweede niveau staan activiteiten die zijn gericht op ondersteuning van gezinnen en de lokale gemeenschap. Hieronder vallen het versterken van gezinsverbanden, dagelijkse bezigheden zoals school en opvoedingsondersteuning.

Het derde niveau bevat gerichte, niet gespecialiseerde ondersteuning en behandeling, zoals laagdrempelige psychosociale interventies.

De top van de piramide beslaat het gespecialiseerde hulpaanbod. Hieronder vallen de specialistische traumagerichte interventies.

Elke vluchteling zal een ingrijpende gebeurtenis hebben meegemaakt. Maar niet elke vluchteling zal zich in de top van de piramide bevinden en een specialiseerde behandeling nodig hebben. Het vergroten van veerkracht is de basis bij het bieden van hulp. Het bieden van voorwaarden waarmee vluchtelingen hun leven weer kunnen oppakken helpt bij het vergroten daarvan.

Culturele factoren bij de behandeling van vluchtelingenkinderen met psychische problemen

In de behandeling van vluchtelingenkinderen kan sprake zijn van culturele factoren die het zicht op de psychische problemen belemmeren. Dat kan leiden tot verkeerde of onnauwkeurige interpretaties in de behandeling. Behandelaren hebben veronderstellingen over kinderen en ouders uit een andere cultuur die tot misinterpretaties in het begrijpen kunnen leiden en belemmeringen kunnen geven in de behandeling van deze kinderen en hun ouders. Van belang is dat behandelaren zich in hun behandeling bewust zijn van hun eigen veronderstellingen over de vluchteling die tegenover hen zit. Dit wordt ook wel intercultureel hulpverlenen genoemd. Hierbij is van belang dat je rekening houdt met culturele diversiteit, een open sensitieve houding zonder vooroordelen hebt en vaardig bent in interculturele communicatie.

Sociaal trauma

Een sociaal trauma, ook wel collectief trauma genoemd, ontstaat wanneer een groep mensen getraumatiseerd raken door dezelfde gebeurtenis(sen). Voorbeelden hiervan zijn de vuurwerkramp in Enschede en de aanslagen op 11 september 2001 in New York. Een collectieve benadering van traumabehandeling spreekt het groepsgevoel aan en benadrukt het belang van steun bieden en ontvangen van lotgenoten.

Terug naar boven

Er zijn verschillende methodieken voorhanden: traumagerichte cognitieve gedragstherapie (TF-CGT), Eye Movement Desensitization Reprocessing (EMDR) en Narrative Exposure Therapy ((KID)NET). Deze methoden kennen alle een vorm van blootstelling aan (een deel van) een herinnering die zo akelig is dat het wordt vermeden, en verandering van gedachten over wat is gebeurd en wat dat betekent voor het verdere leven. CGT en EMDR hebben nog niet veel bewijs voor effectiviteit bij specifiek vluchtelingenkinderen.

KIDNET

KIDNET is beproefd en onderzocht op effectieve toepassing bij vluchtelingen. (KID)NET is gestoeld op de geheugentheorie en probeert te bewerkstelligen dat zogenaamde ‘hot spots’ of traumatische herinneringen bewerkt kunnen worden (af kunnen koelen) en worden opgenomen in het geheel van biografische herinneringen (Schauer e.a., 2011). Dat wordt bereikt door allereerst een chronologische lijn (letterlijk) neer te leggen waarlangs bloemen en stenen in chronologische volgorde worden gelegd. Bloemen verwijzen naar herinneringen aan positieve gebeurtenissen; stenen (van verschillende grootte) refereren aan herinneringen aan ingrijpende ervaringen. Op die ingrijpende ervaringen wordt vervolgens uitgebreider ingegaan. NET is ontwikkeld in vluchtelingenkampen, en inmiddels is de effectiviteit aangetoond, zelfs als er sprake is van actuele stressoren, zoals een nog lopende asielprocedure (Stenmark e.a., 2013; Robjant en Fazel, 2010, Jongedijk, 2014).

EMDR

EMDR behandeling bij kinderen is effectief gebleken bij kinderen met zowel eenmalige als chronische trauma-ervaringen (Ahmad & Sundelin-Wahlsten, 2008). Verschillende behandelaren in Nederland passen de kinderversie van EMDR toe bij vluchtelingenkinderen. Dit is mogelijk bij kinderen van alle leeftijden. Ingrijpende gebeurtenissen die plaats hebben gevonden voordat het kind kon praten, kunnen ook verwerkt worden met behulp van EMDR. Bij heel jonge kinderen is betrokkenheid van de ouders bij de behandeling belangrijk. In de praktijk blijkt dat EMDR bij kinderen vaak nog sneller resultaten geeft dan bij volwassenen. Een knelpunt bij het geven van EMDR bij jonge kinderen is vaak dat ouders zelf getraumatiseerd zijn en niet in staat of bereid zijn deel te nemen aan de behandeling van het kind, zoals het verwoorden van de traumatische gebeurtenis bij EMDR.

>> Lees meer over EMDR

Behandeling bij chronische traumatisering

>> Lees meer over behandeling bij chronische traumatisering

Traumagerichte gezinsinterventie

Multi Family Therapy (MFT) is een vorm van systeemtherapie die gebruik maakt van de aanwezigheid van lotgenoten (andere echtparen of gezinnen) om verandering en verbetering te bewerkstelligen. Het is een combinatie van systeem- en groepstherapie. Zeer variërende activiteiten worden ingezet, zodat de MFT geschikt is voor kinderen van verschillende leeftijden. Het is geschikt voor gezinnen waar traumatische stress een rol speelt, vanwege het weer leren mentaliseren en het vergroten van onderlinge steun (Mooren & Bala, 2016; Van Ee et al., 2014).

Goed ouderschap in moeilijke tijden is een preventief programma voor meergezinsgroepen met vluchtelingenkinderen (Mooren & Bala, 2016). Het programma is gericht op de veerkracht van ouders waardoor zij hun kind(eren) beter kunnen ondersteunen. Ook leren ouders ingaan op vragen van hun kind(eren) en ouders worden gestimuleerd elkaar te ondersteunen. De trainingen worden lokaal in azc's aangeboden. Een preventief ouderschapsprogramma waarbij ouders elkaar ook steunen is in ontwikkeling.

Terug naar boven

Veerkracht is een bruikbaar concept bij vluchtelingen(kinderen) met trauma-gerelateerde complexe sociaal-psychiatrische problematiek. Het verklaart voor een groot deel waarom traumatische ervaringen niet altijd leiden tot psychische problemen (Lamkaddem, van den Muijssenbergh, & Laban, 2015). Veerkracht gaat over het vermogen om mentaal te herstellen na een negatieve gebeurtenis of zelfs het geven van een positieve draai aan tegenslagen. Na traumatische gebeurtenissen herstellen mensen beter wanneer zij hun persoonlijke, sociale en materiële bronnen van veerkracht vinden of hervinden (Lamkaddem et al., 2015).

Terug naar boven

Veerkrachtbronnen kunnen van psychologische, sociale, culturele en fysieke aard zijn. In 1973 werd al een eerste onderzoek gedaan naar veerkracht bij kinderen die risico liepen en het ontwikkelen van psychopathologie. Deze kinderen bleken niet altijd psychopathologie te ontwikkelen , sterker nog: een groot deel van deze groep vertoonde weinig klachten (Vandamme, 2019). Hoe kinderen trauma ervaren verschilt per kind en ook leeftijd en de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt spelen daarin een rol. Tijd is een essentieel onderdeel van veerkracht omdat het zich kunnen aanpassen na traumatische gebeurtenissen een proces is (Masten 2015).

Masten omschrijft de volgende veerkrachtfactoren:

  1. Een verbinding met een competente en verzorgende volwassene in de familie of gemeenschap
  2. Cognitieve en zelfregulerende vaardigheden
  3. Een positief zelfbeeld
  4. De motivatie om effectief te zijn in de omgeving

Southwick en Charney (2012) vonden 10 ‘veerkracht-factoren’:

  1. Realistisch optimisme
  2. Besef hebben van je angst en die weten te controleren
  3. Een moreel kompas hebben
  4. Religie en spiritualiteit
  5. Een goede lichamelijke conditie
  6. Geestelijk scherp blijven
  7. Cognitieve en emotionele flexibiliteit
  8. Betekenis kunnen geven aan je leven en een doel hebben
  9. Sociale steun
  10. Veerkrachtige rolmodellen

Onderzoek naar veerkracht bij kinderen wijst uit dat het van belang is de veerkracht van kinderen te versterken om te voorkomen dat het stresssysteem beschadigd of ontregeld raakt (Masten, 2000). Ouders, maar ook andere (volwassen) voorbeeldfiguren spelen hier een belangrijke rol in: gezinnen, scholen en gemeenschappen behoren kinderen de mogelijkheid te bieden de componenten van veerkracht te ontwikkelen, zoals hierboven beschreven. Gevoelens van zelfverzekerdheid en self-efficacy (de verwachting dat men in staat is adequaat en efficiënt te handelen in een gegeven situatie), belangrijke onderdelen van veerkracht, zullen hierdoor bij kinderen toenemen. Masten stelt dat het niet gaat om superkinderen met superpersoonlijkheden die terugveren na tegenslagen, maar dat het gewone kinderen zijn en dat de meeste kinderen van nature veerkrachtig zijn.”Ordinary magic” -oftewel ‘de kracht van het gewone’ noemt Masten deze veerkracht die kinderen laten zien.

De belangrijkste bron van veerkracht bij kinderen blijkt de steun van een ouder of verzorger. Daarnaast spelen persoonlijke kenmerken zoals intelligentie, zelfvertrouwen en een goede relatie met een volwassene (Masten & Coatsworth, 1998) een rol. De sociale wereld waarin kinderen leven, bijvoorbeeld het gezin maar ook de school, leeftijdsgenootjes en de buurt waarin zij wonen, is eveneens een bron van veerkracht. Steun vanuit deze bronnen wordt ‘ecologische veerkracht’ genoemd (Tol, Jordans, Reis & de Jong, 2009). Een wisselwerking tussen de verschillende ecologische lagen zorgt voor het tot stand komen van veerkracht bij kinderen (Werner & Smith, 1992).

Model Veerkracht van vluchtelingenkinderen in oorlogsstiuaties

Het gezinsleven biedt beschermende factoren door 1) de fysieke aanwezigheid van ouders, 2) de pogingen die familieleden doen om hun kinderen te beschermen tegen geweld, 3) het bieden van steun bij het verwerken van ervaringen, 4) het delen van ervaringen die morele ontwikkeling kan bevorderen, en 5) het geven van een positief voorbeeld van hoe ze met problemen kunnen omgaan (Wallen & Rubin, 1997). Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kinderen worden gerustgesteld als zij zien dat hun ouders en andere volwassenen kalm en evenwichtig reageren op spanningsvolle situaties (Daud, Klinteberg & Rydelius, 2008). Andersom kunnen psychische klachten bij kinderen herleid worden tot veranderingen in één van de ecologische lagen. Wanneer bijvoorbeeld een belangrijk persoon wegvalt of een gezin net verhuisd is, kan dit de veerkracht van kinderen verstoren. Daarnaast blijkt dat kinderen van getraumatiseerde ouders minder veerkracht vertonen dan kinderen van niet-getraumatiseerde ouders (Daud et al., 2008). Rond de 20% tot 35,3 % van de getraumatiseerde kinderen ontwikkelt uiteindelijk een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). Het overgrote deel heeft dus genoeg veerkracht om dit niet te ontwikkelen. Wanneer de belangrijkste veerkrachtfactor ontbreekt, namelijk een ouder, dan is de kans op het ontwikkelen van langdurige klachten veel groter. Ook hebben jonge vluchtelingen die meer steun vanuit de omgeving ervaren minder kans op het ontwikkelen van trauma-gerelateerde klachten (Candel, Offermans, Jelicic & Merckelbach, 2005).

Behandeling die uitgaat van veerkracht, houdt rekening met deze kracht- of kwetsbaarheidsfactoren. Het ‘stress-steun-kracht-kwetsbaarheid’-model wordt hiervoor gebruikt. Dit model richt zich op het aanpakken van klachten door het vergroten van de veerkracht. Sociale steun en persoonlijke kracht vormen samen de veerkrachtfactoren. Deze veerkrachtfactoren worden onderverdeeld in biologische, psychologische, sociale, culturele en existentiële of zingevingsfactoren. Kwetsbaarheidsfactoren kunnen bijvoorbeeld zijn: genetische factoren, intelligentie of chronische fysieke klachten. Een voorwaarde voor het werken met dit model is dat de hulpverlener de patiënt goed moet leren kennen (Lamkaddem et al., 2015). De hulpverlener moet inzicht krijgen in de specifieke factoren die deze patiënt klachten opleveren of juist kunnen helpen in de behandeling.

Stress-kwetsbaarheid-steunkracht model
Terug naar boven

Pharos, expertisecentrum gezondheidsverschillen, heeft voorlichtingsbrochures voor vluchtelingen in verschillende talen beschikbaar. Het gaat hierbij om “Waar kunt u hulp vinden voor uw psychische klachten?”, “Langdurige stressklachten en wat u er aan kunt doen” en “Als u last heeft van concentratieproblemen, nachtmerries, angst, somberheid...”. De informatie van deze brochures geeft ouders meer kennis over welke hulp zij kunnen zoeken voor hun kind(eren) (zie 'Jeugd-ggz’) en wat zij zelf kunnen doen (zie 'Het gezin').

Daarnaast heeft de Europese vereniging voor kinder- en jeugdpsychiatrie ESCAP informatie voorhanden. De ESCAP projectgroep 'ESCAP for mental health of child and adolescent refugees' richt zich op vluchtelingenkinderen en –jongeren.

De website van de kindertelefoon, biedt een digitaal klankbord. Hier kunnen kinderen en jongeren 24 uur per dag terecht voor informatie en advies.

Weerbaarheid vergroten

Pharos heeft een handreiking voor weerbaarheidstraining voor kinderen die nieuw in Nederland zijn ontwikkeld. Gebaseerd op praktijkervaringen biedt dit boekje weerbaarheidsdocenten veel achtergrondinformatie en praktische tips. Scholen met nieuwkomers kunnen het gebruiken als zij een training overwegen en als voorbereiding van de uitvoering. Een weerbaarheidstraining richt zich op het vergroten van het zelfvertrouwen van kinderen. Door weerbaarheidstrainingen leren zij voor zichzelf op te komen en bedreigende situaties het hoofd te bieden.

War Child, UNICEF Nederland en Save the Children bundelen hun jarenlange expertise in het gezamenlijke project 'TEAM-UP'. Het project heeft als doel om kinderen de gelegenheid te geven om het 'vluchteling zijn' even te vergeten. Binnen het project worden activiteiten zoals sport, spel en dans aangeboden. Daarnaast signaleren de begeleiders tijdens de activiteiten welke kinderen eventueel meer hulp nodig hebben en verwijzen zij door waar nodig.

Terug naar boven

(Psycho-educatie) programma's voor ouders

Je wilt je kind niet kwijtraken is een training opvoedingsondersteuning voor Somalische ouders. Bij aankomst in Nederland hebben zij veel vragen over de opvoeding van hun kinderen in Nederland. Pharos geeft aan dat uit verschillende recente onderzoeken blijkt dat opvoedingsondersteuning voor deze groep erg belangrijk is. De methode 'Je wilt je kind niet kwijtraken' wordt onder de aandacht gebracht via workshops en cursussen.

Pharos, het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) en JSO hebben de handreiking Informele Opvoedondersteuning van vluchtelingengezinnen ontwikkeld. De handreiking richt zich op ervaren vrijwilligers en is bedoeld om hen goed te informeren over vragen of zorgen die vluchtelingengezinnen kunnen hebben omtrent de opvoeding van hun kinderen in een nieuw land.

Terug naar boven

Onderwijs

Het oppakken van een normaal leven is een terugkerend thema in de hulpverlening aan vluchtelingenkinderen. Naar school gaan is een belangrijk onderdeel van een alledaags leven. Positieve ervaringen op school verlagen de kans op een posttraumatische stressstoornis, depressie- en angstklachten onder kinderen (Fazel, Reed, Panter-Brick & Stein, 2012). Het is daarom belangrijker dat op school en in de klas een positieve sfeer heerst dan dat de docent gericht aandacht heeft voor wat de kinderen hebben meegemaakt (Tuk & Looman, 2015). De school heeft daarnaast ook een signalerende functie op het moment dat een kind toch extra hulp nodig heeft. Mocht in overleg met het ondersteuningsteam worden besloten tot het inroepen van (ggz)hulp, dan blijft de leerkracht betrokken als één van de belangrijkste informanten.

Arq Kenniscentrum Migratie geeft consultatie en advies. Ook heeft zij een handreiking voor leerkrachten beschikbaar met informatie over psychosociale ondersteuning aan vluchtelingenkinderen.

Landelijk Onderwijsadviesbureau KPC Groep heeft een draaiboek opgesteld voor de eerste opvang van vluchtelingenkinderen op school. Het draaiboek biedt een handreiking op het gebied van praktische informatie, aandachtspunten voor de vluchtelingenkinderen en voor de klas waar ze in komen.

De PO-Raad en LOWAN ondersteunen scholen bij het onderwijs aan asielzoekers en nieuwkomers.

Het Crisis Interventie Netwerk Schoolpsychologen van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP-CINS) heeft een handreiking geschreven met gespreksmodellen voor vluchtelingenkinderen in de klas. Het model voor individuele gesprekken is bedoeld om nieuwkomers goed voor te bereiden op de nieuwe situatie en psychosociaal te ondersteunen door belangstelling te tonen en geruststellende informatie te geven. Het model voor groepsgesprekken is bedoeld voor de kennismaking met de klas.

Pharos heeft een korte handleiding beschikbaar voor leraren en docenten over vluchtelingenkinderen in de klas. Hierin worden methoden omschreven die ingezet kunnen worden bij het opvangen en ondersteunen van deze leerlingen. De benodigde documentatie is gratis te downloaden via de website van Pharos.

UNICEF heeft een publicatie met betrekking tot kinderen met oorlogservaringen in de klas. In dit document staat informatie voor ouders en leerkrachten over veelvoorkomende reacties bij kinderen, hoe ouders en leerkrachten kunnen helpen en wanneer een deskundige ingeschakeld moet worden.

(Psycho-educatie) programma's voor leraren/docenten

Welkom op school is een mentormethode voor Internationale Schakelklassen en andere middelbare scholen met nieuwkomers. De methode bestaat uit een docentenboek en een leerlingenwerkboek. In de lessen komen seksualiteit en relaties, sociale vaardigheden, discriminatie, kinderrechten aan bod. Daarnaast bevat het uitgebreide achtergrondinformatie over de verwerking van oorlogsgeweld en is een hoofdstuk gewijd aan vluchtelingenkinderen uit Midden- en Oost-Europa. De docentenhandleiding kan ook als naslagwerk voor (beginnende) docenten gebruikt worden.

Specifieke kennis voor leerkrachten over psychische klachten bij leerlingen is te vinden op de speciale pagina’s voor leerkrachten van het Kenniscentrum KJP.

De gratis e-learning ‘Steun bieden aan vluchtelingenkinderen’ Augeo is een cursus voor leerkrachten in het primair onderwijs. De cursus leert leerkrachten over de effecten van chronische stress bij (vluchtelingen)kinderen en hoe zij veerkracht en herstel kunnen bevorderen van kinderen die stressvolle gebeurtenissen meemaken. Ook is een variant beschikbaar voor het voortgezet onderwijs.

Jeugdhulp

Pharos heeft een uitgebreide handreiking beschikbaar over psychische problematiek bij vluchtelingenkinderen en jongeren. De handreiking biedt met name huisartsen en praktijkondersteuners voor ggz-problematiek (POH-GGZ) een handreiking voor de signalering, screening en benadering van de psychosociale problematiek van vluchtelingkinderen. Zij zijn vaak het eerste en belangrijkste aanspreekpunt voor vluchtelingenkinderen en hun ouders.

Bij een crisis of geweld in het gezin en (vermoedens van) kindermishandeling is de gemeente verantwoordelijk voor het ondernemen van actie. Veilig Thuis is een (gemeentelijk) advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. Na een melding heeft Veilig Thuis de wettelijke taak tot het onderzoeken van de melding, het indien nodig inschakelen van de juiste hulpverleners(instanties) en het op de hoogte houden van de melder van de stappen die worden of zijn ondernomen.

Stichting Tussenspel richt zich op kinderen van 4 tot 12 jaar in zeer moeilijke sociale omstandigheden zoals kinderen in azc's en kinderen van gevluchte ouders met een verblijfsstatus. Door middel van creatieve therapie helpt de stichting kinderen met het hervinden van een eigen identiteit en zelfvertrouwen.

Terug naar boven

Ethische dilemma’s en pleitbezorging

Net als andere inwoners van Nederland hebben asielzoekers, ongeacht waar zij verblijven, recht op gezondheidszorg. Zorgverleners hebben dus een zorgplicht. Alle protocollen en richtlijnen die in de GGZ worden gehanteerd, zijn ook op asielzoekers van toepassing. Daarom zijn sommige dilemma’s die zorgverleners in hun zorg aan asielzoekers ervaren niet anders dan dilemma’s bij andere patiënten. Deze handreiking ethische dillema’s in de GGZ voor asielzoekers gaat over dilemma’s die samenhangen met de specifieke situatie van asielzoekers. Bijvoorbeeld wanneer je verantwoordelijkheid voor de behandeling in conflict komt met juridische belangen van asielzoekers of wanneer uitzetting dreigt.

De afweging van ethische principes in de behandeling van jonge kinderen is complex omdat ouders juridisch gezien autonomie hebben. Er kunnen specifieke ethische dilemma’s spelen wan- neer kinderen in het geding zijn. Denk aan asielzoekers die ook vader of moeder zijn en bij wie behandeling (of een klinische opname) rechtstreekse gevolgen heeft voor de eigen kinderen. Kan een asielzoeker nog adequaat als ouder functioneren? Wie kan dat beoordelen? Als het kind (tijdelijk) door anderen moet worden opgevoed is een gezin in het netwerk van ouders meestal geen optie.

Ook kan de zorg voor kinderen tot specifieke ethische dilemma’s leiden, bijvoorbeeld bij een ziekte of stoornis van een kind op grond waarvan ouders een status kunnen krijgen. Toestemming vragen voor de behandeling van kinderen aan ouders is soms extra moeilijk, omdat kinderen en ouders door dezelfde ervaringen getraumatiseerd kunnen zijn. De diagnostiek is bij kinderen vaak extra moeilijk. Hoe moet bijvoorbeeld een lage score op een intelligentietest, gecombineerd met observaties waaruit veel meer cognitieve vermogens blijken, tot een goed schooladvies leiden?

Een kinder- en jeugdperspectief op ethische dilemma’s in de GGZ is dus relevant. In de handreiking worden waar mogelijk specifieke afwegingen rondom kinderen benoemd.

Terug naar boven

Experts

De partners in Arq Psychotrauma Expert Groep bundelen hun kennis en expertise om het bestaande vangnet van opvang, begeleiding en zorg voor vluchtelingen te ondersteunen. Hulporganisaties, gemeentes, scholen, GGD-en, zorgverleners en andere professionals kunnen voor consultatie en advies terecht bij het Arq Kenniscentrum Migratie (voorheen Psychosociaal Ondersteuningspunt Vluchtelingen, POV). Het kenniscentrum deelt kennis en informatie en is beschikbaar voor heel Nederland. Daarnaast zorgen ze voor mensen met psychotraumaklachten door screening, diagnostiek en behandeling.

Bij het Arq Kenniscentrum Migratie kunt u terecht voor consultatie en advies bij vragen over onder andere:

  • Jeugd en gezin; zoals voor vragen met betrekking tot vluchteling kinderen en families op uw school of in uw huisartsenpraktijk.
  • Screening; het signaleren van symptomen van traumatische stress, zoals Posttraumatische Stressstoornis (PTSS).
  • Zorgkaart; voor vragen over welke vormen van (psychosociale) zorg nodig is en of er aanvullende zorg nodig is op de reguliere zorg.
  • Interculturele communicatie; voor vragen over de verschillende culturele achtergronden van de vluchtelingen en welke effecten deze kunnen hebben op hun opvang.
  • Preventie; of er bepaalde methodieken op korte termijn ingezet kunnen worden om psychosociale problemen op langere termijn te voorkomen.
  • Maatschappelijke onrust; voor vragen over de balans tussen goede opvang voor de vluchtelingen en de belangen van inwoners van gemeentes.

>> Lees meer over de Arq Psychotrauma Expert Groep en het Arq Kenniscentrum Migratie.

Terug naar boven

Pharos ondersteunt zowel landelijke als lokale partijen met kennis en expertise bij het terugdringen van de gezondheidsverschillen. Ook richt zij zich op het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van de (gezondheids) zorg en preventie van onder andere mensen met een migranten- of vluchtelingenachtergrond. Pharos werkt hierin samen met gemeenten, professionals, landelijke en lokale partijen in de zorg, patiënten- en migranten organisaties en verzekeraars. Pharos biedt diverse factsheets op haar website aan over bijvoorbeeld asielzoekers en gezondheid.

>> Lees meer over Pharos

Terug naar boven

Het Psychotraumacentrum Zuid Nederland (PTC ZN) behandelt mensen met een post traumatische stressstoornis in de tweede en derde lijn van de specialistische geestelijke gezondheidszorg. Het PTC ZN heeft naast generieke traumabehandeling expertise in de behandeling van mensen die kampen met de gevolgen van ernstige traumatische ervaringen, waaronder vluchtelingen en asielzoekers.

>> Lees meer over het Psychotraumacentrum Zuid Nederland

Terug naar boven

Centrum voor Transculturele Psychiatrie Noord-Nederland ‘de Evenaar’ biedt geestelijke gezondheidszorg aan mensen met een andere culturele achtergrond bij wie psychische problemen zich vermengen met transculturele en traumatische aspecten. Dit kunnen schokkende gebeurtenissen in het land van herkomst zijn, maar ook stressvolle gebeurtenissen in Nederland. De Evenaar helpt mensen van buitenlandse afkomst, zoals (arbeids)migranten, vluchtelingen en asielzoekers. Mensen van alle leeftijden, dus ook kinderen, kunnen bij de Evenaar terecht. Een cultureel antropoloog maakt deel uit van het behandelteam van de Evenaar.

>> Lees meer over De Evenaar

Terug naar boven

Het Onderzoeks- en Expertisecentrum voor Kinderen en Vreemdelingenrecht doet gedragswetenschappelijk en juridisch onderzoek naar vraagstukken aangaande asiel- en vluchtelingenkinderen. Verder doet het Onderzoeks- en Expertisecentrum in individuele zaken diagnostisch onderzoek op aanvraag van een advocaat. De rapportage kan door de advocaat in vreemdelingrechtelijke procedures worden ingebracht.

Terug naar boven

De tekst over ‘Hulp aan vluchtelingenkinderen’ is in 2020 geactualiseerd met dank aan:

⦁ Paula Ekster, GGZ Drenthe
⦁ Katinka Haar, Accare
⦁ Elisa van Ee, Psychotraumacentrum Zuid-Nederland, Reinier van Arkel
⦁ Trudy Mooren, ARQ Centrum'45
⦁ Renate van Loon, Nidos
⦁ Ka Lai Leung, Nidos

Het KennIsdossier Hulp aan vluchtelingenkinderen is tot stand gekomen met medewerking van de expertgroep:

  • Elisa van Ee, Klinisch psycholoog/psychotherapeut, Reinier van Arkel
  • Marleen Hopster, GZ-psycholoog, Intermetzo
  • Samira Kouhestani, GZ-psycholoog, GGzE
  • Hanneke Lafeber, Systeemtherapeut/GZ-psycholoog, Intermetzo
  • Trudy Mooren, Klinisch psycholoog, Centrum '45
  • Mirjam Pijpers, GZ-psycholoog/psychotherapeut, Reinier van Arkel
  • Cecil Prins, Kinderpsychiater, Fier / ESCAP
  • Maria van de Ven, Klinisch psycholoog, GGzE
Terug naar boven

Bronnen

Bronnen hoofdstuk: beschrijving

Hebebrand, J., Anagnostopoulos, D., Eliez, S., Linse, H., Pejovic-Milovancevic, M., & Klasen, H. (2015). A first assessment of the needs of young refugees arriving in Europe: what mental health professionals need to know. European Child & Adolescent Psychiatry, 25(1), 1–6. https://doi.org/10.1007/s00787-015-0807-0

Keygnaert, I., Dias, S. F., Degomme, O., Deville, W., Kennedy, P., Kovats, A., De Meyer, S., Vettenburg, N., Roelens, K., & Temmerman, M. (2014). Sexual and gender-based violence in the European asylum and reception sector: a perpetuum mobile? The European Journal of Public Health, 25(1), 90–96. https://doi.org/10.1093/eurpub/cku066

Kramer, S. & Cense, M. (2004) Overleven op de vierkante centimeter. Veiligheidsbeleveing en strategieën van vrouwen in de centrale opvang van asielzoekers. Pharos/Transact.

Sullivan, P. M., & Knutson, J. F. (2000). Maltreatment and disabilities: a population-based epidemiological study. Child Abuse & Neglect, 24(10), 1257–1273. https://doi.org/10.1016/s0145-2134(00)00190-3

Van Ee, E. (2013). A New Generation: How Refugee Trauma Affects Parenting and Child Development. Boom Uitgevers.

Van Ee, E., Hein, I. M., Bala, J., & Mooren, T. (2014). Multifamily Therapy met vluchtelingengezinnen: van oorlog naar veiligheid. Kind en adolescent, 35(3), 205–215. https://doi.org/10.1007/s12453-014-0026-3

Van Ee, E., & Kleber, R. J. (2012). Child in the shadowlands. The Lancet, 380(9842), 642–643. https://doi.org/10.1016/s0140-6736(12)61360-9

Van Ee, E., & Kleber, R. J. (2013). Growing Up Under a Shadow: Key Issues in Research on and Treatment of Children Born of Rape. Child Abuse Review, 22(6), 386–397. https://doi.org/10.1002/car.2270

Van Es, C. M., Sleijpen, M., Mooren, T., te Brake, H., Ghebreab, W., & Boelen, P. A. (2019). Eritrean Unaccompanied Refugee Minors in Transition: A Focused Ethnography of Challenges and Needs. Residential Treatment for Children & Youth, 36(2), 157–176. https://doi.org/10.1080/0886571x.2018.1548917

Van Hanegem, N., Miltenburg, A., Zwart, J. J., Bloemenkamp, K. W. M., & van Roosmalen, J. (2011). Severe acute maternal morbidity in asylum seekers: a two-year nationwide cohort study in the Netherlands. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica, 90(9), 1010–1016. https://doi.org/10.1111/j.1600-0412.2011.01140.x

Bronnen hoofdstuk: diagnostiek

Alisic, E., Zalta, A. K., van Wesel, F., Larsen, S. E., Hafstad, G. S., Hassanpour, K., & Smid, G. E. (2014). Rates of post-traumatic stress disorder in trauma-exposed children and adolescents: meta-analysis. British Journal of Psychiatry, 204(5), 335–340. https://doi.org/10.1192/bjp.bp.113.131227

Bean, T.M. (2006). Assessing the psychological distress and mental healthcare needs of unaccompanied refugee minors in the Netherlands. Proefschrift Universiteit Leiden.
Borra, R., Dijk, V. R., & Verboom, R. (2016). Cultuur en psychodiagnostiek: Professioneel werken met psychodiagnostische instrumenten (2de editie). Bohn Stafleu van Loghum.

Groen, S. (2008). Een nieuwe versie van het cultureel interview: Toepassing en evaluatie van een vragenlijst voor cultuursensitieve diagnostiek in de GGZ. Cultuur Migratie Gezondheid, 5(2), 96-103.

Kouratovsky, V. (2020). De betrekkelijkheid van het IQ. De Psycholoog. https://www.tijdschriftdepsycholoog.nl/artikelen/de-betrekkelijkheid-van-het-iq/

Lewis-Fernández, R., Aggarwal, N. K., Lam, P. C., Galfalvy, H., Weiss, M. G., Kirmayer, L. J., Paralikar, V., Deshpande, S. N., Díaz, E., Nicasio, A. V., Boiler, M., Alarcón, R. D., Rohlof, H., Groen, S., van Dijk, R. C. J., Jadhav, S., Sarmukaddam, S., Ndetei, D., Scalco, M. Z., … Vega-Dienstmaier, J. M. (2017). Feasibility, acceptability and clinical utility of the Cultural Formulation Interview: Mixed-methods results from the DSM-5 international field trial. British Journal of Psychiatry, 210(4), 290–297. https://doi.org/10.1192/bjp.bp.116.193862

Lewis-Fernández, R., Aggarwal, N.K., Hinton, L., Hinton, D.E., Kirmayer, L.J. (2016). DSM-5® Handbook on the Cultural Formulation Interview. American Psychiatric Publishing.

Van de Vijver, F. J. R. (2012). Diagnostiek en testgebruik met allochtonen. In J. Knipscheer & R. Kleber (Eds.), Psychologie en de multiculturele samenleving, pp. 195-219). Boom.

Bronnen hoofdstuk: behandeling

Ahmad, A., & Sundelin-Wahlsten, V. (2007). Applying EMDR on children with PTSD. European Child & Adolescent Psychiatry, 17(3), 127–132. https://doi.org/10.1007/s00787-007-0646-8

Arq Psychotrauma Expert Groep (2016). Veerkracht en vertrouwen: de bouwstenen voor psychosociale hulpverlening aan vluchtelingen.

Betancourt, T. S., & Khan, K. T. (2008). The mental health of children affected by armed conflict: Protective processes and pathways to resilience. International Review of Psychiatry, 20(3), 317–328. https://doi.org/10.1080/09540260802090363

Candel, I., Offermans, E., Jelicic, M., & Merckelbach, H. (2005). Sociale steun bij psychische klachten bij jonge vluchtelingen. Tijdschrift voor psychiatrie, 47, 75-81.

Daud, A., af Klinteberg, B., & Rydelius, P.-A. (2008). Resilience and vulnerability among refugee children of traumatized and non-traumatized parents. Child and Adolescent Psychiatry and Mental Health, 2(1), 1–11. https://doi.org/10.1186/1753-2000-2-7

Fazel, M., Reed, R. V., Panter-Brick, C., & Stein, A. (2012). Mental health of displaced and refugee children resettled in high-income countries: risk and protective factors. The Lancet, 379(9812), 266–282. https://doi.org/10.1016/s0140-6736(11)60051-2

De Haan, A., Smal, E., & Goorts, I. (2017). Veerkracht en vertrouwen: De bouwstenen voor psychosociale hulpverlening aan vluchtelingen. Pharos Expertisecentrum Gezondheidsverschillen.

Lamkaddem, M., Muijssenbergh, M. van den, & Laban, K. (2015). Vluchtelingen in de praktijk. Persoonsgerichte zorg en veerkracht-gericht werken. Nederlands Tijdschrift Geneeskunde.

Masten, A. S., & Coatsworth, J. D. (1998). The development of competence in favorable and unfavorable environments: Lessons from research on successful children. American Psychologist, 53(2), 205–220. https://doi.org/10.1037/0003-066x.53.2.205

Masten, A.S. (2000) Children who overcome adversity to succeed in life. University of Minnesota. https://experts.umn.edu/en/publications/children-who-overcome-adversity-to-succeed-in-life-resilient-comm

Masten, A. S. (2001). Ordinary magic: Resilience processes in development. American Psychologist, 56(3), 227–238. https://doi.org/10.1037/0003-066x.56.3.227

Masten, A. S., & Monn, A. R. (2015). Child and Family Resilience: A Call for Integrated Science, Practice, and Professional Training. Family Relations, 64(1), 5–21. https://doi.org/10.1111/fare.12103

Mooren, T., & Bala, J. (2019). Goed ouderschap in moeilijke tijden. Pharos. https://www.pharos.nl/kennisbank/goed-ouderschap-in-moeilijke-tijden-handleiding-voor-meergezinsgroepen-met-vluchtelingen/

Panter-Brick, C., Hadfield, K., Dajani, R., Eggerman, M., Ager, A., & Ungar, M. (2017). Resilience in context: A brief and culturally grounded measure for Syrian refugee and Jordanian host-community adolescents. Child Development, 89(5), 1803–1820. https://doi.org/10.1111/cdev.12868

Southwick, S. M., & Charney, D. S. (2012). Resilience: the science of mastering life’s greatest challenges. Cambridge University Press.

Tol, W. A. (2009). Hoe kunnen we kinderen ondersteunen die oorlog hebben meegemaakt? Cogiscope, 4, 2-7.

Tol, W.A., Jordans, M. J. D., Reis R., & de Jong, J. T. V. M. (2009). Ecological resilience: working with child related psychosocial resources in war-affected communities. In: D. Brom, R. Pat-Horenczyk & J. Ford (Eds.), Treating Traumatized Children: Risk, Resilience, and Recovery. Routledge.

Tuk, B., & Looman, B. (2015). Veerkracht vluchtelingenkinderen is enorm. Het Onderwijsblad. https://onderwijsblad.nl/article.asp?ArtikelID=11590

Vandamme, N. (2019). Veerkracht bij kindertrauma: een handboek voor hulpverleners. LannooCampus.

van Ee, E., Hein, I. M., Bala, J., & Mooren, T. (2014b). Multifamily Therapy met vluchtelingengezinnen: van oorlog naar veiligheid. Kind en adolescent, 35(3), 205–215. https://doi.org/10.1007/s12453-014-0026-3

Werner, E. E., & Smith, R. S. (1992). Overcoming the Odds: High Risk Children from Birth to Adulthood. Cornell University Press.

Wallen, J., & Rubin, R. H. (1997). The role of the family in mediating the effects of community violence on children. Aggression and Violent Behavior, 2(1), 33–41. https://doi.org/10.1016/s1359-1789(96)00012-2

Terug naar boven

Pharos Leerplatform: 'Werken met vluchtelingen'

'Werken met mensen met een vluchtelingenachtergrond’ is een online cursus voor zorgprofessionals en vrijwilligers. Na aanmelden kunt u de cursus gratis raadplegen. De online cursus is ontwikkeld door Pharos, GGD GHOR Nederland met Danaë.

De gevolgen van trauma

Uitleg over de gevolgen van trauma voor kinderen met een vluchtachtergrond. Wat betekent het om schokkende gebeurtenissen mee te maken door oorlog en de vlucht? Wat zijn normale reacties op abnormale omstandigheden? En wat kan het project KIEM voor vluchtelingenkinderen betekenen?

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten