Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Suïcidepreventie bij jongeren

Jonge vrouwen lopen samen

In dit kennisdossier staan de laatste inzichten op het gebied van suïcidepreventie bij jongeren. Welke initiatieven zijn er in Nederland? Hoe maak je suïcidaliteit bespreekbaar? Hoe herken je suïcidaal gedrag bij een jongere met autisme, of een jongere met een LVB? Deze en andere vragen komen aan bod in dit kennisdossier. In deel één staan tools, tips, richtlijnen en initiatieven voor suïcidepreventie. Deel twee gaat over suïcidepreventie in de jeugd-ggz. Actuele aandachtspunten zoals chronische versus acute suïcidaliteit, privacy, sociale media en ketensamenwerking laten zien waar gezamenlijke actie en kennis op nodig is.

Jonge vrouwen lopen samen

Heeft u vragen, mist u informatie of heeft u een suggestie? Laat dan een reactie achter via het formulier onderaan deze pagina.

Het aantal suïcides onder jongeren tot 20 jaar bleek in 2017 zijn toegenomen in Nederland (Mérelle e.a., 2019). Elke week overlijdt er momenteel gemiddeld 1 jongere door suïcide (Gilissen e.a., 2019). Passende acties om dit in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen zijn nodig.

Iemand met suïcidaal gedrag heeft:

  • gedachten over zelfdoding en/of
  • de intentie om zichzelf te doden en/of
  • is bezig met het voorbereiden van een zelfdoding
  • en/of doet een poging om zichzelf te doden

Deze beschrijving komt uit de GGZ Standaard: Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag.

Het voorkomen van suïcide (suïcidepreventie) bij jongeren richt onder andere op vroege herkenning van de suïcidaal gedrag. Dit kan lastig zijn. Zeker wanneer jongeren niet in behandeling zijn binnen de ggz en bijvoorbeeld met een andere hulpvraag bij een zorgverlener komen. Naasten van de jongere zijn hiervoor een belangrijke informatiebron.

Suïcidepreventie overstijgt verschillende domeinen, zoals: ggz, onderwijs, media en sociaaleconomisch domein. Waarbij verschillen signalerende partijen van belang zijn: GGD’en, docenten, maatschappelijke werkers etc., en partijen die een rol spelen bij het verminderen van risicofactoren, zoals journalisten en ProRail (GGZ standaard: Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag).

1. Tools, tips, richtlijnen en initiatieven voor suïcidepreventie

In onderstaande video’s geven jeugdhulpprofessionals, onderzoekers en ervaringsdeskundigen hun visie op en inzicht in vijf onderwerpen binnen het thema suïcidepreventie. De video’s zijn gemaakt op Wereld Suïcide Preventie Dag 2019, tijdens het Symposium suïcidepreventie bij jongeren.

Streven naar nul suïcides

Peter Dijkshoorn, kinder- en jeugdpsychiater (2019)
De Beweging van 0 is een groep jeugdhulpprofessionals uit verschillende domeinen die streeft naar onder andere nul suïcides. Peter Dijkshoorn: “De jeugdhulp heeft grote doelen nodig, want met kleine bereik je niets. Het gaat er niet om of we het grote doel behalen, het gaat erom dat we ervoor gaan.”
Verwijderd:

Leren van fouten uit de praktijk

Peer van der Helm, lector residentiële jeugdzorg aan de Hogeschool Leiden (2019)
De JeugdzorgPlus treft jongeren met negatieve jeugdervaringen door herhaald misbruik. Dat meervoudige slachtofferschap heeft een grote impact. Toch is het mogelijk om uit die tunnel te komen, mits hulpverleners de juiste dingen doen. Peer van der Helm: “Separeren is bij suïcidale kinderen olie op het vuur gooien. Dat werkt averechts.”

Samen delen, samen helen

Astrid van Vugt en Graciela Martinez Zurano, Rogier Hulst Foundation (2019)
Astrid van Vugt verloor haar zoon Rogier als gevolg van zelfdoding. Graciela Martinez Zurano heeft ervaring met zelfmoordgedachten binnen haar familie: “Mijn broer en moeder kregen hulp bij hun depressie, maar niemand was er voor mij.” Met de Rogier Hulst Foundation bieden zij laagdrempelige hulp aan kwetsbare jongeren en hun omgeving. Astrid: “Ons motto is samen delen, samen helen.

Redenen om te blijven leven

Judith de Heus, manager hulpverlening en klinisch psycholoog bij 113 Zelfmoordpreventie (2019)
Tien tot 15% van de jongeren denkt weleens aan zelfmoord, en 1 op de 25 doet een poging. Toch komt een suïcide nog te vaak onverwacht. Te weinig hulpverleners weten dat je suïcidaliteit als op zichzelf staande stoornis kunt behandelen. Judith de Heus gaat in op hoe je dat doet: “Als je niet bang bent om over de dood te praten, dan kun je het hebben over redenen om te blijven leven.”

Suïcidaliteit preventief aanpakken

Daan Creemers, GZ-psycholoog en onderzoekscoördinator bij GGZ Oost Brabant (2019)
GGZ Oost Brabant organiseert samen met partners duurzame zorg voor depressieve jongeren. Zij gebruiken daarbij innovatieve behandelmethoden als het STORM-project, waarmee zij preventie van depressie en suïcide gezamenlijk aanpakken. Daan Creemers: “Alleen al herkennen, signaleren en monitoren heeft een preventief effect.”

Terug naar boven

>> Tips en tools bij suïcidepreventie
113 Zelfmoordpreventie heeft een specifieke pagina waar verschillende tips en tools te vinden zijn, die kunnen helpen wanneer je je zorgen maakt over iemand in je omgeving.

>> Suïcidepreventie Toolkit voor de ggz
Deze toolkit van 113 Zelfmoordpreventie ondersteunt professionals tijdens het contact en gesprek met patiënten bij het herkennen en behandelen van suïcidaliteit. Let op: niet specifiek gericht op jeugd.

Veiligheidsplan

Een veiligheidsplan  is gericht op het organiseren en monitoren van veiligheid rondom suïcidaliteit en bevat waarschuwingssignalen, te ondernemen acties/afspraken en contactgegevens van omgeving en hulpverlening.
>> Gebruik het veiligheidsplan van 113 Zelfmoordpreventie
>> Gebruik het veiligheidsplan van Karakter
>> Bekijk de webinar van Suppranet GGZ  en leer hoe je een veiligheidsplan in de praktijk inzet

>> Signaleringsplan van Karakter
Met behulp van een signaleringsplan kunnen signalen die (vroege) tekenen kunnen zijn van suïcidaliteit in kaart worden gebracht, wat kan zorgen voor een eerdere herkenning hiervan. Met als doel om jongeren en ouders vaardigheden te leren ten aanzien van emotieregulatie en dit op juiste moment inzetten.

>> Suïcidepreventieprotocol van Karakter
Het protocol dient als handreiking voor de behandelaar waarin diegene wordt meegenomen in welke stappen gezet kunnen worden bij (vermoeden van) suïcidaal gedrag.

>> Werkkaart: Hoe ga je om met zelfbeschadiging en suïcidaal gedrag?
De werkkaart geeft ggz-professionals handvatten, tips en achtergrondinformatie over de verschillen en overlappingen van beide gedragingen. De werkkaart is ontwikkeld door professionals uit het veld, de Landelijke Stichting Zelfbeschadiging, 113 zelfmoordpreventie en Akwa GGZ.

Doorvragen-Doorvragen-Doorvragen

Hoe voer je een gesprek over suïcidaal gedrag bij jongeren, en hoe schat je de ernst van de suïcidaliteit in? Door middel van circulaire en toekomstgerichte vragen kun je dit doorbreken, zoals: “Je denkt aan suïcide, dan moet je wel wanhopig zijn. Waarover ben je wanhopig?” Onderstaande vragenlijsten dienen als leidraad bij gespreksvoering hierover. Deze vragenlijsten zijn tijdens een werksessie van het Jaarcongres suïcidepreventie aan bod gekomen (bron: Van Heeringen & Kerkhof, 2000).
>> Vragenlijst voor patiënten
>> Vragenlijst voor behandelaren
>> Doorvragen naar de aard van de suïcide-ideatie

Terug naar boven

>> Suïcidepreventie in het onderwijs
113 Zelfmoordpreventie besteed specifiek aandacht aan suïcidepreventie in het onderwijs. Op deze pagina vind je materiaal, voorbeelden en verwijzingen naar producten die kunnen helpen bij het vormgeven van beleid of acties.

>> Trainingen en workshops
Voor het leren herkennen, bespreekbaar maken en doorverwijzen van mensen met suïcidaal gedrag is er de suïcidepreventietraining gatekeeper van 113 Zelfmoordpreventie. In deze training oefenen cursisten te vragen naar zelfmoordgedachten. Ook is het mogelijk om een workshop of en training op maat aan te vragen.

>> Factsheet LHBTI en suïcidepreventie
Mensen die lesbisch, homo, bi en/of transgender (LHBT) zijn of die gevoelens hebben, staan voor extra uitdagingen in vergelijking met anderen. Negatieve reacties, pesten en geweld komen veel voor. Dit maakt LHBT’ers kwetsbaar voor onder meer depressie en zelfmoord. 113 ontwikkelde hiervoor een factsheet.

>> Factsheet Autisme en suïcidepreventie
Mensen met autisme hebben vaker zelfmoordgedachten en een grotere kans door zelfmoord te overlijden dan mensen zonder autisme. 113 Zelfmoordpreventie en de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA) hebben samen de factsheet Suïcidaliteit en autisme gemaakt. Daarin staan de belangrijkste recente wetenschappelijke inzichten op een rij.

>> Rondom Jong
Rondom Jong is een wegwijzer voor professionals die betrokken zijn bij het welzijn van jongeren om depressiepreventie op scholen en de ketensamenwerking rond depressieve jongeren te versterken. De interventie Rondom Jong bestaat uit een set materialen waarmee professionals die depressiepreventie voor jongeren een warm hart toedragen zelf aan de slag kunnen. Rondom Jong is opgezet als een bordspel en is daardoor laagdrempelig in gebruik.

>> Themadossier Nederlands Instituut van Psychologen
Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) brengt op hun website het thema suïcidepreventie in beeld door middel van een dossier met artikelen, beleid, tools en naslagwerken. Hier is ook relevante informatie te vinden over suïcidepreventie bij jongeren, waaronder de Multidisciplinaire Richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag.

>> Stil geweest
Op deze pagina speciaal voor jonge nabestaanden na suïcide vind je ervaringsverhalen van jongeren, informatie en tips voor hulp.

>> Instructievideo netwerk-intake
Een kinder- en jeugdpsychiater van het UMC Utrecht laat in een filmpje zien hoe je als professional het opnamegesprek volgens de Netwerkintake uitvoert. Er wordt minder stil gestaan bij het ziektemodel, en meer bij de positieve elementen van het leven van een kind of jongere.

>> Webinar: suïcide in de (sociale) media
Een webinar van 113 Zelfmoordpreventie over de invloed van het bespreken van suïcide in de media. Is het veilig, taboedoorbrekend, normaliserend, of eerder triggerend?

>> De Therapodcast
Kinder- en Jeugdpsychiater Kim van Slobbe praat over emotieregulatie bij jongeren. Wat moet je doen als jouw cliënt zegt dat hij of zij dood wilt? Is zelfbeschadiging een voorteken van suïcidale gedachten? Luister de podcast voor meer vragen en antwoorden.

Terug naar boven

Er zijn verschillende richtlijnen verschenen over suïcidepreventie. Deze zijn niet allemaal specifiek toegespitst op jeugd.

Terug naar boven

>> StroomOp en In Contact Blijven
Dit netwerk van jeugdhulp- en onderwijsprofessionals die streven naar eerdere, snellere en beter passende hulp voor jongeren en hun ouders. Binnen StroomOp valt het project In Contact Blijven, gericht op de preventie van suïcides binnen de JeugdzorgPlus. Een onderdeel van In Contact Blijven is een netwerk van ervaringsdeskundigen en professionals, onder wie afgevaardigden van alle JeugdzorgPlus-organisaties en onder meer het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie en afgevaardigden van jeugd-ggz instellingen en LVB instellingen.
>> Lees het interview met Anita Jansen “We kunnen suïcides leren voorkomen”

>> STORM-project
Het STORM-project (Strong Teens and Resilient Minds) is er om somberheidsklachten bij middelbare scholieren vroegtijdig te signaleren en aan te pakken. Met als doel om depressie en zelfdoding onder jongeren te voorkomen. Het project stimuleert de ontwikkeling van veerkracht, positief zelfbeeld en weerbaarheid van jongeren. STORM is een samenwerking tussen GGZ Oost Brabant, GGD, het Trimbos instituut, scholen voor voortgezet onderwijs, gemeenten en regionale ketenpartners. STORM heeft een duidelijke plek gekregen op de Derde landelijke agenda suïcidepreventie (2021-2025).
>> Lees het interview met Sanne Rasing en Rian van den Boogaart over de landelijk uitrol van STORM.

>> 113 Zelfmoordpreventie
Stichting 113 Zelfmoordpreventie is de nationale organisatie voor preventie van suïcide. Projecten van 113 Zelfmoordpreventie betreffen de Landelijke agenda, Supranet Communities, Supranet GGZ en SURE-Net.
Heb jij of iemand die je kent hulp nodig dan kun je bellen met: 0900-0113 of chatten via www.113.nl.

>> @ease
@ease is een laagdrempelige plek waar jongeren zonder afspraak, gratis en anoniem naar binnen kunnen lopen. Bij @ease zijn geen wachtlijsten en jongeren kunnen er met al hun vragen, klachten en problemen terecht. Ze vinden een luisterend oor bij vrijwilligers die zijn getraind in het herkennen van signalen die wijzen op ernstigere psychische problematiek. In het centrum is altijd een zorgprofessional aanwezig die vragen kan beantwoorden. Als het nodig is, kan hij ook helpen de juiste zorg in de reguliere (geestelijke) gezondheidszorg te vinden. Maar alles in overleg met de jongere zelf. Ook is er een psychiater bereikbaar als achterwacht in het geval van crisis.

>> Doodzonde
De zelfdoding van twee veelbelovende jonge mensen zet het leven van hun dierbaren en allerlei betrokkenen op zijn kop. In deze documentaire blikken een psychiater, twee psychologen, een vader, een moeder, een zus, een docente, een pastoor en een collega terug op het behandelproces en de vreselijke afloop. Met indrukwekkende eerlijkheid vertellen zij hoe zij die zwarte periode beleefd hebben, hoe zij zich machteloos en vaak eenzaam voelden en hoe zij contact en steun gemist hebben. De documentaire maakt ondanks de zware thematiek voelbaar dat we door meer met elkaar in verbinding te staan mensen met suïcidale gedachten beter kunnen helpen.

>> Derde landelijke agenda suïcidepreventie (2021-2025)
De Ivonne van de Ven Stichting en professor Ad Kerkhof hebben het initiatief genomen voor de petitie Suïcides voorkomen door opleiding van artsen en hulpverleners. Deze petitie pleitte voor structurele aandacht voor suïcidepreventie en patiëntveiligheid in de opleiding van zorgprofessionals. In 2019 werd de petitie aangeboden aan Staatssecretaris Paul Blokhuis. Inmiddels is de derde landelijke agenda suïcidepreventie verschenen. Herin staat “de versterking van de netwerkaanpak centraal, waarbij het streven is dat (nog) meer mensen, bedrijven en organisaties aansluiten en zich gaan inzetten voor het verminderen van suïcidepogingen en suïcides.”

>> Rogier Hulst Foundation
De Rogier Hulst Foundation zet zich in voor kwetsbare jongeren en hun ouders. Onder meer door Roger That Huizen, inloophuizen waar jongeren een luisterend oor krijgen van een team van enthousiaste professionals en gemotiveerde, jonge ervaringsdeskundigen.

>> Supranet GGZ
Supranet GGZ is het lerende netwerk voor en door ggz-professionals, dat streeft naar minder suïcides door steeds betere zorg. Met behulp van cijfers willen deelnemers grip krijgen op de effecten van suïcidepreventie. Supranet GGZ verzamelt voor hulpverleners relevante, op eenduidige manier geregistreerde data van ggz-instellingen. De cijfers gaan over suïcides, suïcidepogingen en kwaliteitsaspecten van de zorg. Deze worden opgeslagen in een landelijk database. Deelnemers ontvangen tweemaal per jaar een feedbackrapportage. De ambitie is dat kinder- en jeugdpsychiatrie zich ook aansluiten bij Supranet.

>> Supranet community
Negen regio’s (genaamd Supranet communities) maken deel uit van het Suïcidepreventie Actienetwerk (Supranet), een initiatief van 113 Zelfmoordpreventie. Steeds meer organisaties en sectoren vinden dat suïcidepreventie niet alleen de verantwoordelijkheid is van de zorgsector. Succesvolle suïcidepreventie werkt alleen in een zogeheten community-aanpak. Familie, naasten, GGD, de wijk- of buurtteams, huisartsen, scholen, politie, (sport)verenigingen, ggz-instellingen, maar ook de vervoers- en sociaaleconomische sector werken binnen de Supranet Community-aanpak intensief samen.

>> Zero suicide
In april 2019 is in Rotterdam door meer dan 20 landen over de hele wereld de Zero Suicide Declaration gelanceerd. De Rotterdam Declaration schetst de belangrijkste principes voor een Zero Suïcide-benadering. De zero suicide beweging heeft als doel dat niemand eenzaam of radeloos zou moeten sterven door zelfmoord. GGZ Nederland verbindt zich aan deze ambitie.

Terug naar boven

>> Suïcide onder 10- tot 20-jarigen in 2017. Een verdiepend onderzoek 
In 2017 stierven 81 tieners op een totaal aantal van 1917 zelfdodingen. In 2016 ging het om 48 tieners. De stijging in 2017 was zo zorgwekkend dat het ministerie van VWS aan 113 Zelfmoordpreventie heeft gevraagd een verdiepend onderzoek te doen naar de achtergronden van deze suïcides. Het onderzoek is in 2019 afgerond.

>> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: Psychologische autopsie bij jeugdsuïcides in Nederland
Artikel van Mérelle e.a. (2021) over het identificeren van invloedrijke factoren van suïcides onder adolescenten en te komen tot praktische aanbevelingen waarvoor psychologische autopsies werden uitgevoerd onder nabestaanden.

>> Onderzoek naar suïcideproblematiek in de JeugdzorgPlus
Karakter onderzocht in samenwerking met een team van ervaringsdeskundige onderzoekers hoe het is om op een gesloten jeugdzorg groep te wonen én te werken waar jongeren verblijven die zichzelf beschadigen en/of suïcidaal zijn. ‘Als suïcide en suïcidale uitingen je dag kleuren: wat doet dat dan met jou en mij? Een kwalitatief onderzoek naar de ervaringen en behoeften van jongeren en hulpverleners in de JeugdzorgPlus en ketenpartners’.

Het resultaat: de film Een Stil Gevecht waarin verschillende visie van ervaringsdeskundigen aan bod komen. Wat helpt, en wat helpt niet?

Zie ook de uit dit project voortgekomen kalender met inspirerende ervaringsverhalen van jongeren en hulpverleners.

>> Lees het hele eindrapport Als suïcide en suïcidale uitingen je dag kleuren: wat doet dat dan met jou en mij?

>> Tijdschrift voor Psychiatrie: Suïcidaliteit bij adolescenten met therapieresistente internaliserende problematiek
Artikel van P.C.M. Herpers, J.E.C. Neumann en W.G. Staal. Suïcidaliteit bij adolescenten vormt een toenemend maatschappelijk probleem, met name bij een kleine groep patiënten die moeilijk behandelbaar blijkt. Bestaande formele richtlijnen voor behandeling blijken bij deze groep, waarbij vaak sprake is van complexe comorbiditeit, in de klinische praktijk van beperkte waarde.

>> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: Als een jongere niet meer wil leven
Klinische les van Meerdinkveldboom en Steenmeijer. Hoe reageer je adequaat op een jongere die aangeeft niet meer te willen leven?

>> Onderzoek naar het verminderen van suïcidegedachten bij LHBT+ jongeren
De Rijksuniversiteit Groningen onderzoekt of een online behandeling helpt in het verminderen van de suïcidegedachten. LHBT+ jongeren die met suïcidegedachten kampen kunnen zich aanmelden voor deze online behandeling (en onderzoek hiernaar). De behandeling bestaat uit chatsessies, gericht op het verminderen van suïcidegedachten en het leren omgaan met lastige situaties rondom je seksuele oriëntatie of genderidentiteit.

>> Hoe communiceren jongeren over suïcidale gedachten?
Meisjes en jongens communiceren anders over suïcidale gedachten bleek uit onderzoek (Balt e.a., 2021). Jongens zijn bijvoorbeeld minder direct dan meisjes.

>> 113 Zelfmoordpreventie catalogus
De catalogus bevat al het Nederlands onderzoek in de afgelopen 10 jaar.

Terug naar boven

Als we van elkaar weten dat we allemaal ons best doen ontstaat er verbinding, en kunnen we samen écht vooruitgang boeken.

Prof. dr. Arne Popma

Als je niet bang bent om over de dood te praten, kun je het hebben over redenen om te blijven leven.

Judith de Heus, 113 Zelfmoordpreventie

Derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie

De Landelijke Agenda Suïcidepreventie beschrijft op hoofdlijnen de visie, ambitie, doelstellingen en activiteiten voor de komende vijf jaar.

>> Download de Derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie, 2021-2025

Korte film: Een stil gevecht

Deze film is bedoeld om het gesprek over suïcidaal gedrag en zelfbeschadiging binnen de jeugdhulpverlening op gang te brengen.

2. Aandachtspunten voor suïcidepreventie in de jeugd-ggz 2021

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie sprak met tien zorgverleners uit de jeugd-ggz. Wat zien zij als de belangrijkste aandachtspunten en lacunes in kennis en vaardigheden voor goede suïcidepreventie?

Alle jeugd-ggz-instellingen hebben te maken met suïcidaal gedrag onder jongeren. Het is voor deze organisaties van groot belang om suïcidepreventie goed te organiseren. Dat is geen makkelijke opgave. Tien experts uit de jeugd-ggz vertelden in verdiepende gesprekken met het Kenniscentrum over suïcidepreventie in hun organisatie (lees meer over de opzet van deze gesprekken). Wat zijn volgens hen aandachtspunten voor verbetering? Die punten bieden meer zicht op wat er speelt binnen zorginstellingen en waaraan de jeugd-ggz moet werken, samen met alle anderen die om suïcidale jongeren heen staan. De gesprekken leverden concrete aanbevelingen en actiepunten op, onder meer op het gebied van kennisontwikkeling.

Aspecten van suïcidaliteit bij jongeren

Wanneer is suïcidaliteit chronisch en wanneer acuut? Hoe vaak doe je een suïcidetaxatie waarbij je de ernst probeert in te schatten? Dat zijn lastige vraagstukken bij suïcidaliteit. Ook vragen sommige behandelaren zich af of het altijd nodig is dit onderscheid te maken, omdat de grens tussen wat acuut en chronisch soms niet duidelijk is. En daarbij: iemand met chronische suïcidaliteit kan op zeker moment ook acuut suïcidaal zijn.

Behandelaren hebben behoefte aan meer kennis over hoe acute en chronische suïcidaliteit zich ten opzichte van elkaar verhouden. Valt er onderscheid te maken tussen deze twee en zo ja: wat definieert dat onderscheid dan, en hoe kun je ermee omgaan bij jongeren? Er is met name beperkte informatie over chronische suïcidaliteit. Ondanks de beschikbare kennis voor volwassenen, heerst er vanuit de praktijk de vraag om de kennis over chronische suïcidaliteit specifiek toe te spitsen op de jeugd. Daarnaast gaat het om het vinden en inzetten van de kennis die er al is. Voor het behandelen van zoiets complex als suïcidaliteit is kennis op veel vlakken nodig, waaronder over het optimaliseren van de samenwerking tussen zorgaanbieders, en deze bestaande kennis wordt niet altijd gevonden.

Suïcidaliteit als chronisch of acuut probleem in de behandeling

Van Duursen en Knapen (2017) leggen aan de hand van het voortgezette­behandelingmodel uit dat je chronische suïcidaliteit kunt uitleggen als een signaal van tekortschietende coping (m.a.w. de omgang met problemen of stress). Door deze visie kan het suïcidale gedrag vast onderdeel worden van de behandeling. Chronische suïcidaliteit komt meestal voor bij  een persoonlijkheidsstoornis (met name borderline persoonlijkheidsstoornis). De suïcidaliteit is in de behandeling dus geen onderwerp dat zo nu en dan besproken wordt, maar een probleem waar het gehele toekomstbeleid op afgestemd wordt.

Voorbeelden van langetermijndoelen zijn het verbeteren van emotieregulatie en probleemoplossend vermogen. Hierdoor kan een jongere meer zelfcontrole ontwikkelen en leren omgaan met suïcidaliteit. Chronische suïcidaliteit vergt voorgezette behandeling en hulp vanuit verschillende bronnen, zoals hulpverleners en naastbetrokkenen (Van Duursen en Knapen, 2017).

Het crisisinterventiemodel beschouwt suïcidaliteit juist als een acuut probleem dat meestal voorkomt bij stemmingsstoornissen. Interventies die passen bij acute suïcidaliteit (bijvoorbeeld actieve interventies, zoals gedwongen opname) blijken in de praktijk voor chronische suïcidaliteit niet toepasbaar, weinig effectief en zelfs contraproductief te werken (Van Duursen en Knapen, 2017).

Terug naar boven

Er blijkt behoefte te zijn aan meer kennis over de behandeling van suïcidaliteit bij meer complexe zorgvragen. Dit zijn vaak jongeren met chronische suïcidaliteit. Veel van deze jongeren hebben een borderline persoonlijkheidsstoornis, trauma, depressie of een andere psychiatrische diagnose. Bij jongeren met complexe zorgvragen ligt het gevaar op de loer dat suïcidaliteit in de adolescentie (waarin de belangrijkste ontwikkelingstaak de identiteitsontwikkeling is), een onderdeel kan worden van hun identiteit. Bijvoorbeeld in de interactie met anderen (het willen differentiëren) of in het uiten van emoties, waarbij de suïcidaliteit een belangrijke rol heeft gekregen in de interactie met de omgeving.

Deze jongeren zijn vaak al langs meerdere instellingen geweest waar verschillende behandelingen zijn geprobeerd. Het wisselen tussen behandelaren en verblijf kan zorgen dat een jongere het vertrouwen in de hulpverlening verliest. Dit bleek ook uit onderzoek van Mérelle e.a. (2020). Soms worden deze jongeren opgenomen op een behandelafdeling, waar ze lang niet altijd beter uitkomen.

De GGZ-standaard Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag en Multidisciplinaire Richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag schrijven voor dat de onderliggende stoornis behandeld moet worden. Parallel dient er in bepaalde gevallen ook aan de suïcidaliteit gewerkt te worden. Hierin kan de verbinding met het netwerk van de jongere van belang zijn, bijvoorbeeld wanneer de suïcidaliteit een onderdeel is van de interactie van deze jongeren met hun omgeving. Maar de verbinding met de omgeving in de behandeling van suïcidaliteit bij complexe zorgvragen is erg lastig. Hoe krijg je iedereen, ouders, school en verdere omgeving op één lijn? Een goed veiligheidsplan is van belang, evenals eenduidig communiceren en beschikbaar zijn.

Ook compassie voor de omgeving is van belang, vaak doen scholen en omgeving al heel veel en is de suïcidaliteit voor hen erg lastig te hanteren. De groep jongeren met complexe zorgvragen vraagt om een andere manier van behandelen, teamaansturing en ervaring. Volgens sommige behandelaren vraagt dit om centrale expertise vanuit netwerken, zoals het netwerk K-EET rondom eetstoornissen.

“Tijdens de adolescentie vormt iemand zijn identiteit. Bij jongeren met complexe zorgvragen vult suïcidaliteit of zelfbeschadigend gedrag een belangrijke rol in de identiteitsontwikkeling, zoals in de interactie met anderen.”

“Door gebrek aan kennis en expertise houden professionals deze jongeren af. Voor jongeren is het vertrouwen weg, voelt dit alsof zij “te complex” zijn om te behandelen. Met de boodschap: het is slecht als je suïcidaliteit hebt, en een behandelbreuk als resultaat.”

Terug naar boven

Autisme en suïcidaal gedrag

De factsheet Suïcidaliteit en autisme van 113 Zelfmoordpreventie en de NVA legt uit dat mensen met autismespectrumstoornissen vaker suïcidegedachten hebben, en een grotere kans om door suïcide te overlijden dan mensen zonder autisme. Jongeren met autisme en suïcidaal gedrag vergen door hun eigen beleving, communicatie en gevoelswereld vaak een eigen aanpak. Behandeling van suïcidaliteit bij jongeren met autisme is maatwerk, net zoals dat voor iedere jongere geldt. Er zijn wel enkele specifieke aandachtspunten die naar voren komen in gesprek met de experts:

  • Somberheid en suïcidaliteit herkennen is soms lastig bij deze groep. Helemaal omdat sommige van deze jongeren hun eigen emoties moeilijk kunnen herkennen en/of beschrijven. Ook kunnen deze jongeren behoefte hebben aan een concreet levensgevoel. Wanneer zij zich ‘neutraal’ voelen, wordt dit al snel aangeduid als ‘leeg’ (depressief), terwijl dit niet het geval hoeft te zijn.
  • Copingvaardigheden zijn niet altijd optimaal ontwikkeld bij jongeren met autisme
  • Deze jongeren hebben vaak een beperkter reflectief vermogen waardoor de kern van de suïcidaliteit moeilijker te vatten is
  • Zwart-wit redenatie
  • Dwangmatige suïcidegedachten, zoals preoccupatie: steeds terugkerende gedachten aan de dood die iemand moeilijk los kan laten, tot het gefascineerd/geobsedeerd zijn met de dood
  • Behoefte concreet te zien of ervaren wat ze toevoegen aan de wereld (zingevingsvragen)
  • Oplossend vermogen is minder optimaal ontwikkeld
  • Risico op overprikkeling indien opgenomen op behandelafdeling
  • Het ontbreken van adequate kennis op de algemene crisisafdelingen
  • Tekort aan geschikte behandelplekken voor complexe problematiek in combinatie met autisme
  • Alert zijn op de combinatie autisme en borderline persoonlijkheidsstoornis

Specifieke behandelingen en trainingen voor suïcidaal gedrag en jongeren met autisme? Daar zijn de meningen over verdeeld. Sommige experts zien de meerwaarde van extra training in hoe je suïcidaliteit bij deze groep zo goed mogelijk kunt herkennen en begeleiden. Juist omdat het signaleren van emoties anders verloopt. Andere experts geven aan dat organisaties die zorg bieden aan deze jongeren in zijn algemeen in staat moeten zijn om voor jongeren met autisme te zorgen, ook als zij suïcidaal zijn, en dat daarom een specifieke training of aanpak niet nodig is. Daarnaast zijn ook jongeren met ASS nooit hetzelfde, wat vraagt om een individuele plan van aanpak. Er bestaan al wel trainingen rondom emotieregulatie bij kinderen en jongeren met autisme. Mogelijk komen behandelingen -zoals CGT- ook moeilijker van de grond bij jongeren met autisme. Het Regionaal Autisme Centrum geeft aan dat het belangrijk is in de opleiding mee te nemen dat je persoonsgericht moet werken, ook bij suïcidaal gedrag.

“Overprikkeling is vaak een probleem bij kinderen met ASS die opgenomen zijn. Ongeschreven regels. Veel geluiden (alarmen). Wisseling van hulpverleners.”

“Veel dingen die je doet bij suïcidepreventie helpen vaak niet bij jongeren met autisme. Een signaleringsplan suggereert dat je aanvoelt hoe emoties oplopen. Dit lukt bij hen juist niet. Die signaleringen moeten autismeproof gemaakt worden. Het vergt ook een aanpassing van je eigen communicatie.”

“Aan de ene kant is de bijzondering van kinderen en jongeren met ASS goed, maar we moeten niet alles bijzonder maken, waardoor zij op lange wachtlijsten komen te staan. In de basis moet iedereen deze kinderen kunnen behandelen en alleen de zeer complexe gevallen doorsturen.”

LHBTI-jongeren

Uit het verdiepende onderzoek naar de suïcides onder jongeren in 2017 (Mérelle e.a., 2019) komen LHBTI-jongeren als specifieke groep naar voren. In dat onderzoek werd over jongeren met een lesbische, homoseksuele of biseksuele oriëntatie (LHB) gezegd: “dat zij in hun zoektocht naar hun seksuele identiteit niet altijd de steun en helderheid vonden waar ze behoefte aan hadden”. Een aantal geïnterviewde experts die dit thema voorgelegd kregen hadden niet specifiek veel ervaring heeft met deze groep. Een aantal van hen herkenden wel dat de LHBTI-jongeren een groep vormen met potentieel extra risico op suïcidaal gedrag. Genoemd worden de identiteitstwijfel van deze jongeren in deze leeftijdsfase, seksuele identiteitsproblemen, kwetsbare persoonlijkheid, genderproblematiek en mogelijk onbegrip vanuit gezin/omgeving/religie.

Meer kennis en tools

113 Zelfmoordpreventie in samenwerking met Movisie en de Rijksuniversiteit Groningen zetten de meest recente cijfers op een rij in een factsheet over suïcidaliteit onder LHBT’ers.

De Rijksuniversiteit Groningen onderzoekt of een online behandeling helpt in het verminderen van de suïcidegedachten. LHBT+ jongeren die met suïcidegedachten kampen kunnen zich aanmelden voor deze online behandeling (en onderzoek hiernaar). De behandeling bestaat uit acht online chatsessies, gericht op het verminderen van suïcidegedachten en het leren omgaan met lastige situaties rondom je seksuele oriëntatie of genderidentiteit.

In de podcast ‘Praten over Depressie’ praat Maarten Bos (initiatiefnemer podcast) met ervaringsdeskundigen uit de verschillende risicogroepen voor depressie in Nederland, zoals mensen met autisme, chronisch zieken en LHBTI’ers.

Andere groepen

Binnen de jeugd-ggz komen zorgverleners jongeren tegen met veel verschillende onderliggende problematiek. Specifiek benoemd zijn de jongeren met persoonlijkheidsproblematiek, waaronder borderline persoonlijkheidsstoornis. Hulpverleners geven aan dat zij moeite hebben om suïcidaliteit bij deze groep goed te begrijpen en behandelen. Er ontstaat hierdoor regelmatig een mismatch tussen de geboden hulp en de hulpvraag van de jongeren. Vaak is het insteken op het vergroten van de zelfregulerende vaardigheden van de jongere de best passende behandeling.

Een expert werkzaam bij GGMD noemde ook de jongeren die slechthorend of doof en suïcidaal zijn. Hier spelen vaak communicatieproblemen, culturele problemen en onbegrip. Het betrekken van een tolk is van belang, maar dat lukt niet altijd.

Terug naar boven

Aanpak van suïcidaliteit bij jongeren

Tijdig signaleren van suïcidaliteit is van het grootste belang. Experts noemen het belang van goede preventie en signalering in het onderwijs, zoals dat gebeurt binnen het STORM-programma dat breed is uitgerold in Nederland (lees ook het interview met STORM-onderzoekers). Binnen de jeugd-ggz wordt bij een intake een suïciderisico uitgevraagd, waarmee het risico op suïcidaal gedrag ingeschat kan worden. Ook tijdens behandelingen dienen zorgverleners alert te zijn op het risico en hier de jongere naar te vragen.

Protocol voor suïcidepreventie

Er bestaan protocollen voor suïcidepreventie binnen verschillende zorginstellingen. Een voorbeeld hiervan is het suïcidepreventieprotocol binnen Karakter.

In de JeugdzorgPlus wordt gewerkt aan een landelijke leidraad suïcidepreventie JeugdzorgPlus, ontwikkeld binnen het project In Contact Blijven van StroomOp.

Doorgaans richten protocollen zich meer op acute suïcidaliteit, licht een expert toe.

Veiligheids- en signaleringsplan

Als er risico op suïcide is volgen er afspraken die worden vastgelegd in een veiligheidsplan en signaleringsplan. Een veiligheidsplan (bijvoorbeeld dat van 113 Zelfmoordpreventie of Karakter is gericht op het organiseren en monitoren van veiligheid rondom suïcidaliteit en bevat waarschuwingssignalen, te ondernemen acties/afspraken en contactgegevens van omgeving en hulpverlening.

Met behulp van een signaleringsplan kunnen signalen die (vroege) tekenen kunnen zijn van suïcidaliteit in kaart worden gebracht, wat kan zorgen voor een eerdere herkenning hiervan. Met als doel om jongeren en ouders vaardigheden te leren ten aanzien van emotieregulatie,  die zij op het juiste moment kunnen inzetten. Een voorbeeld van een dergelijk plan is het signaleringsplan van Karakter, mede ontwikkeld op basis van het veiligheidsplan van 113 Zelfmoordpreventie en uitgebouwd tot een meer systemisch plan, waarbij ook ouders nadrukkelijker een plaats hebben in het signaleren van crisis en maken van veiligheidsafspraken.

Een signaleringsplan is erg belangrijk, want jongeren trekken zelf niet altijd aan de bel. Ook niet als ze bekend zijn bij de hulpverlening. Een duidelijk signaleringsplan kan daarbij helpen, met concrete opgestelde signalen waaruit blijkt dat het minder goed gaat, en waarin staat wie betrokken kan worden en wie wat wanneer kan doen. Het plan is een hulpmiddel voor de omgeving, maar helpt ook de jongeren zelf om signalen beter te herkennen.

Er is niet altijd een hard onderscheid te maken tussen een veiligheids- en signaleringsplan. Soms overlapt de inzet van de plannen, bijvoorbeeld wanneer een veiligheidsplan in werking gaat aan het einde van een signaleringsplan.

De webinar ‘Suïcideplan of veiligheidsplan?’ van Supranet GGZ  legt uit hoe je een veiligheidsplan in de praktijk inzet. Het webinar geeft antwoorden op vragen als: hoe pak je dat in de praktijk aan? Is het plan voor de professional of voor de cliënt? Hoe wordt het praktisch en toepasbaar voor cliënt en naasten?

Terug naar boven

De GGZ Standaard Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag schrijft voor om in eerste instantie te focussen op de behandeling van de eventuele onderliggende psychiatrische problematiek (bijvoorbeeld trauma of stemming), met de verwachting daarmee uiteindelijk ook de suïcidaliteit te verminderen. Die behandeling is zeker belangrijk, maar parallel daaraan is het ook belangrijk om aan de suïcidaliteit te werken, blijkt uit interviews met jeugd-ggz-professionals. Bijvoorbeeld door het netwerk eromheen op een lijn te krijgen, eenduidige communicatie, beschikbaar zijn en een veiligheidsplan opstellen. De stap van het gesprek aangaan en suïcidaliteit signaleren naar ‘wat doe je er nu aan?’ is niet altijd even duidelijk. In sommige gevallen is werken aan de suïcidaliteit minder van belang en staat emotieregulatie voorop.

  • De CASE-methodiek (Chronological Assessment of Suicide Events) is een hulpmiddel bij het bespreken van het suïcidaal gedrag. Hierbij vraagt de behandelaar naar de actuele gedachten en gebeurtenissen, daarna naar de recente voorgeschiedenis (4-8 weken) en vervolgens de ruimere voorgeschiedenis, zoals eerdere episodes van suïcidaal gedrag, eerdere behandelingen voor psychische problemen, suïcides in de familie, et cetera.
  • De CAMS-methodiek (Collaborative Assessment & Management of Suicidality) is een veelgenoemde methode. Deze zoomt specifiek in op suïcidaal gedrag. Aan de start van de behandeling worden de drijfveren van het suïcidale gedrag in kaart gebracht. De jongere en de behandelaar stellen vervolgens samen een stabilisatie- en behandelplan op. Het suïcidale gedrag wordt aangepakt door de onderliggende drijfveren ervan te behandelen. De kracht van de CAMS-procedure is de behandeling op maat; de procedure omvat dus geen strikt protocol.
  • Dialectische gedragstherapie (DGT) is ontwikkeld voor mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis (Bosch e.a. 2005; Verheul e.a., 2003) die tekortschieten in de vaardigheden om emoties te reguleren en heftige gevoelens ervaren. De therapie focust op het verminderen van zelfdestructief gedrag, inzicht krijgen in disfunctionele gedachten en het vergroten van de vaardigheden om met (heftige) gevoelens en gedachten om te gaan. Het eigen maken van deze vaardigheden helpt om op een gezonde en effectieve manier relaties aan te gaan, emoties te beleven en op een respectvolle manier met jezelf en problemen in het alledaagse leven om te gaan.
  • Attachment Based Family Therapy (ABFT) focust op het behandelen van depressieve en suïcidale jongeren en hun ouders, met als doel: gehechtheids- en gezinsrelaties versterken en gezinsleden zich minder eenzaam en gefrustreerd laten voelen.

De inzet van ervaringsdeskundigheid (van zowel jongeren als ouders) in de behandelkamer wordt, met de juiste begeleiding en opleiding, als waardevolle aanvulling gezien.

“Ik kan het allemaal lezen bij het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie en 113 Zelfmoordpreventie, maar ik dacht: ik kan ook aan de cliënt vragen wat voor haar werkt.”

Een kinder- en jeugdpsychiater van het UMC Utrecht laat in een filmpje zien hoe je als professional het opnamegesprek volgens de Netwerk intake uitvoert. Deze staat minder stil bij het ziektemodel, en meer bij de positieve elementen van het leven van een kind of jongere.

Terug naar boven

Een dilemma waar zorgverleners regelmatig tegenaan lopen is het geven van voldoende autonomie aan een jongere met suïcidale gedachten, wat tegelijkertijd risico’s met zich meebrengt. Leidt beperking in vrijheid en het inzetten op fysieke veiligheid tot minder suïcidaal gedrag? Een ander belangrijk dilemma is bijvoorbeeld: betrek je de omgeving van de jongere ondanks dat die expliciet vraagt dit niet te doen? Terwijl de betrokkenheid van het netwerk om de jongere heen juist zo belangrijk is in de behandeling van suïcidaliteit. Welke beslissing neem je en hoe ga je met de risico’s om? Ook ouders voelen soms de behoefte om het over te willen nemen, of vragen aan zorgverleners dit te doen. De afweging tussen autonomiebevorderend beleid en de risico’s en omgeving hierin meenemen kan een echte worsteling zijn. In hoeverre leg je de verantwoordelijk bij de jongere zelf? Onderaan de streep wil niemand een jong iemand verliezen aan suïcide.

De afweging tussen autonomie geven en de risico’s aangaan blijft maatwerk. Verschillende uitingen van suïcidaliteit kunnen bepalend zijn in de afweging of je gaat overnemen of juist niet. Een goede samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid met ketenpartners, casussen in openheid bepreken met eigen team en in gezamenlijkheid met de jongere en ouders tot een besluit komen kunnen hierbij helpen.

“Autonomiebevorderend beleid geeft telkens spanning in de samenwerking met ouders en de jongeren, en ook uiteindelijk in jezelf als behandelaar.”

“Geheimhouding en suïcidaliteit is een mythe. Zodra er een leven op het spel staat moet geheimhouding niet de belangrijkste wetgeving zijn in beleid.”

“Het beroepsgeheim moet niet het beleid bepalen, maar goed hulpverlenerschap”.

Hoe reageer je adequaat op een jongere die aangeeft niet meer te willen leven? Lees meer hierover in de klinische les Als een jongere niet meer wil leven van Meerdinkveldboom & Steenmeijer (2020).

Terug naar boven

Suïcidaliteit onder jongeren gaat vaak gepaard met veel zorgen om hun veiligheid. Regelmatig vragen jongeren zelf, hun ouders of behandelaren daarom om opname in een instelling. Men verwacht hier een grotere veiligheid te vinden dan thuis. Het is belangrijk om eerst goed op de hoogte te zijn van de risico’s van een opname.

Een van de experts zegt hierover: allereerst komt uit onderzoek dat het risico op suïcide het grootst is in de eerste dagen na opname (Chung e.a., 2019; O’Connell e.a., 2020). Overgaan tot een opname veroorzaakt dus extra risicomomenten. Een opname in de kliniek vormt ook op andere manieren een risico voor de behandeling. Allereerst is er het risico op het bevestigen van de twee kerncognities van suïcidaliteit: het gevoel anderen tot last te zijn (burdensomeness) en het gevoel niet belangrijk te zijn voor anderen (thwarted belongingness). Door het vergroten van de afstand tot ouders, familie, vrienden en belangrijke anderen worden deze gedachten veelal bevestigd en versterkt. Daarnaast kan er een breuk optreden in de behandelrelatie met de huidige behandelaar, die vaak niet verbonden is aan de kliniek of daar minder aanwezig kan zijn als behandelaar. Verder is er over het algemeen een te grote verwachting van de veiligheid in een kliniek: continu toezicht is meestal niet te realiseren en ook frequent toezicht kent beperkingen. De ervaring is over het algemeen dat hoe actiever je jongeren beveiligt, hoe meer de nadruk komt te liggen op de suïcidaliteit. En hoe groter de druk wordt om op de momenten dat er geen toezicht of beveiliging is, over te gaan tot suïcidaal gedrag. Het is daarom in het belang van de patiënt om alle overige opties uitvoerig te onderzoeken alvorens tot opname over te gaan. Een andere expert voegt daaraan toe: iemand die zichzelf beschadigt en suïcidepogingen doet heeft vaak een onderliggende boodschap “help mij, ik kan het leven niet (alleen) aan, neem het over”. Door de regie over te nemen (bijvoorbeeld door opname), houd je soms onbedoeld deze overtuiging en daarmee zelfbeschadigend gedrag in stand.

Opname moet dus zoveel mogelijk voorkomen worden. Kinderen en jongeren moeten zoveel mogelijk thuis opgevangen worden. Wanneer dit uiteindelijk niet lukt staan zorgverleners regelmatig voor de uitdaging om een opnameplek in de crisisopvang te vinden. De wachtrij is soms dagenlang. Waar kan je als zorgverlener een suïcidale jongere vervolgens laten wachten? Het komt voor dat je als zorgverlener een suïcidetaxatie doet waarbij duidelijk is dat de jongere niet naar huis kan, maar vervolgens blijkt er die dag geen plek te zijn. Dan moet de jongere dus toch thuis wachten. Of je moet uitleggen dat er plek is, maar alleen heel ver van huis.

Uit de interviews met experts blijkt dat in sommige jeugd-ggz-instellingen de zorg voor suïcidaliteit onder jongeren echt is toegenomen sinds de corona-crisis. Dit is regio-afhankelijk. De coronacrisis heeft de reeds bestaande beperkte mate van plekken in de jeugd-ggz verder vergroot. De coronatijd is een voedingsbodem voor emotieregulatieproblematiek. Het is een context waarin ouders onder stress staan, scholen het lastig vinden om dingen te organiseren en de crisisopvang zelf met personeelstekort zit door corona. En dan gaat het nu vooral over crisisopvang. Ook de kinderen en jongeren met ‘mildere problematiek’ belanden op een flinke wachtlijst (soms maanden tot een half jaar). Hierdoor nemen ook hun klachten weer toe in ernst. Daar maken de zorgverleners zich zorgen om.

Terug naar boven

Bekende suïcidepreventietrainingen die worden aangeboden aan zorgverleners zijn:

  • PITSTOP suïcide training (Professionals In Training to STOP suicide)
  • Vraag maar. Online training suïcidepreventie van 113. De online training bestaat uit 3 lessen: signaleer, praat erover en samen hulp zoeken.

Deze trainingen zijn alleen niet altijd toegespitst op jeugd en/of hebben nog onvoldoende aandacht voor specifieke onderwerpen.

  • Karakter en Altrecht ontwikkelden daarom zelf basistrainingen en verdiepende workshops om zorgverleners in deze behoeftes te voorzien. Bijvoorbeeld over het betrekken van naasten, werken met een veiligheidsplan, psychische kwetsbaarheid bij het opstellen van een structuurdiagnose, chronische suïcidaliteit en de impact van een suïcide op het team.
  • De Parnassia Groep Academie ontwikkelde voor de Parnassia Groep een ‘Online Training Suïcidepreventie’ voor zowel kind en jeugd als voor volwassenen. De training geeft handvatten om in gesprek te gaan over suïcidaliteit en zet aan tot nadenken over (team)handelen met jongeren die zich suïcidaal uiten. Er wordt geoefend met praten over suïcidaliteit, vragen stellen én luisteren, aan de hand van de CASE-methodiek. De training is net als de PITSTOP-training, gebaseerd op de Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Deze training is door diverse brancheverenigingen geaccrediteerd.
Terug naar boven

Wanneer je als hulpverlener te maken krijgt met een suïcide of een suïcidepoging van een jongere, dan is dat erg heftig voor de omgeving maar zeker ook voor de zorgverlener in kwestie. Het is van groot belang om goede (na)zorg te bieden aan deze zorgverlener en het team. Werken met de impact van suïcidaal gedrag kan leiden tot uitputting van teams. Het kan een grote impact hebben op het welbevinden van deze professionals, en daarmee uiteindelijk ook op de zorg aan de jongere, wanneer er meer vanuit angst en gebrek aan vertrouwen in eigen handelen behandeld wordt bijvoorbeeld.

“Suïcidaal gedrag heeft impact op hulpverleners. De uitputting in klinische teams. De gevoelens van machteloosheid en berusting die optreden. Je moet continu heel alert zijn. Het is bijna een wurggreep. Het heeft grote impact op het welbevinden van hulpverleners. Er kan een soort voortdurende controle op de kinderen en jongeren ontstaan. En daarmee regressief gedrag van het kind.”

Goede (na)zorg voor zorgverleners is nodig, dat onderschrijven alle geïnterviewden uit de jeugd-ggz. Er is echter lang niet overal altijd een traject voor (na)zorg standaard ingebed. Of er wordt in eerste instantie vooral gekeken waar het mis is gegaan in de zorg aan de jeugdige, wat tot heftige schuldgevoelens bij de zorgverlener kan leiden. Het is daarom van groot belang om de betreffende zorgverlener voldoende steun te geven, voordat er een analyse wordt gemaakt van wat er allemaal is gebeurd. Maar het gaat ook om voldoende tussentijdse ondersteuning (bijvoorbeeld door supervisie/intervisie). En niet pas als er een geslaagde suïcidepoging heeft plaatsgevonden. Daarnaast gaat het ook om het aanbieden van de juiste hulpmiddelen, zoals trainingen en supervisie.

“Het moet na een suïcide niet meteen gaan over wat er fout gegaan is of beter moet, maar over: hebben we menselijkerwijs ons best gedaan? Laten we dat vaststellen. Misschien leren we daar nog wat van, maar dat is niet het uitgangspunt.”

Specifieke nazorg voor bij suïcide(pogingen) is er niet overal. In suïcideprotocollen is vaak wel iets opgenomen, en er zijn soms trajecten voor opvang na schokkende gebeurtenissen aan te vragen na een incident, wat niet per se een suïcide hoeft te zijn.

“Zorgverleners hebben behoefte aan een klankbord als zij te maken hebben met suïcidaal gedrag. Ik gebruik hiervoor mijn dialectische gedragstherapie groep. Maar zoiets is er niet standaard. Kwetsbaar en transparant zijn is van belang bij steun geven.”

Terug naar boven

Samenwerking en omgeving

Het samenwerken tussen partners in de zorgketen vergt goede afstemming, tussen JeugdzorgPlus, (specialistische) jeugd-ggz, jeugdhulp en onderwijs bijvoorbeeld. Wanneer een jongere wordt doorverwezen vraagt dit om een warme overdracht (met duidelijke communicatie, afspraken en daardoor soepele overgang) naar de doorverwezen instelling om een behandelbreuk te voorkomen. Soms blijft een behandelaar betrokken, maar dit verschilt per instelling en professional. In enkele gevallen wordt plots een doorverwijzing vervroegd, dat vergt flexibiliteit. Dan wil je als zorgverlener zorgen dat de begeleiding geleidelijk wordt overgedragen, maar dit blijkt qua financiën dan weer heel complex.

Waar sommige instellingen weinig problemen ervaren, goede afspraken hebben en goed afstemmen met ketenpartners mogelijk is, ervaren andere organisaties meer moeite met samenwerken en doorverwijzen. Bijvoorbeeld door tijdgebrek. Er is dan geen duidelijk overzicht van welke ketenpartners er allemaal zijn. Ook spelen er bredere vragen: Hoe werk je samen met de gemeente? Hoe betrek je school erbij?

Jeugd-ggz en JeugdzorgPlus: dezelfde jongeren?

Jeugd-ggz en JeugdzorgPlus hebben elkaar nodig en opereren nu nog te veel als gescheiden werelden.

De sectoren werken vanuit een andere context en spreken daardoor soms verschillende talen. Waar bij de JeugdzorgPlus veiligheid waarborgen voorop staat, werkt de jeugd-ggz specifiek aan de behandeling van psychiatrische problemen. Zorgverleners zien echter dat het regelmatig dezelfde jongeren zijn die op basis van enige willekeur de ene of de andere setting in gaan (JeugdzorgPlus of jeugd-ggz). Voor welke kinderen heb je gezamenlijk aanbod nodig en voor welke een gescheiden aanbod? Goede samenwerking tussen deze partijen is daarom heel belangrijk. Dat de jeugd-ggz bijvoorbeeld altijd aangehaakt blijft bij JeugdzorgPlus. En dat de JeugdzorgPlus weet wie er vanuit de ggz betrokken blijft totdat de jongere weer weggaat, zodat je samen het traject in blijft gaan. De sectoren hebben elkaar nodig en opereren nu nog te veel apart van elkaar. Jongeren worden vervolgens teveel vanaf één kant bekeken, terwijl zij allemaal van twee kanten geholpen zouden moeten worden. Je wilt de verschillende teams en expertises intensief laten samenwerken.

Om de samenwerking tussen jeugd-ggz en Jeugdzorg te verbeteren, bieden zorgaanbieders KOOS Utrecht en Spoor 030 per januari 2020 specialistische jeugdhulp in alle Utrechtse wijken. Youké, Reinaerde, Altrecht, De Rading, de Opvoedpoli, Dokter Bosman, Pluryn-Intermetzo en Timon vormen samen een netwerkorganisatie voor aanvullende specialistische jeugdhulp. Er wordt samengewerkt met of aansluitend op de basiszorg van buurtteams, huisartsen, onderwijs en jeugdgezondheidszorg. Ook Levvel heeft een dergelijk aanbod, waarbij jeugdzorg en jeugd-ggz zijn gefuseerd. Zo zijn er ook een aantal initiatieven waarbij het streven is om de drempel tussen beide werelden te slechten, zoals integrale jeugdhulp teams (BSA Jeugdhulp) in Eemland. Ondanks deze goede initiatieven blijkt het op de werkvloer lang niet altijd goed te gaan. De visie op hoe je dit succesvol implementeert ontbreekt soms.

“In de meeste gevallen lijkt een soort hamsterbak (muntjesmachine) te bepalen of je in de jeugd-ggz of de jeugdzorg komt. Soms valt het in het bakje psychiatrie en soms bij meer complexere jeugdzorg.”

>> Lees meer over het netwerk StroomOp en bijbehoren In Contact Blijven initiatief dat richt op de preventie van suïcides binnen de JeugdzorgPlus

Consultatie

In Utrecht is een onderzoek gedaan onder ketenpartners met betrekking tot de samenwerking rondom suïcidale jongeren. Zaken die hierin onder andere naar voren kwamen waren:

  • onvoldoende heldere samenwerkingsafspraken
  • onzekerheid bij professionals leidt tot onnodige doorverwijzingen en dus behandel/contactbreuken
  • door te weinig kennis vindt er ondersignalering plaats

De onderzoeker adviseert het oprichten van een stedelijk werkend consultatieteam, waarin specialistische kennis over suïcidaliteit toegankelijk wordt gemaakt voor ketenpartners. Namelijk door een breed aanbod aan onafhankelijke consultatiemogelijkheden (telefonisch, participerend en inzet ervaringsdeskundige) en deskundigheidsbevordering (training, kennisoverdracht, nazorg) aan te bieden. Om de ketensamenwerking te verbeteren is er een kerngroep suïcidaliteit in Utrecht actief. De kerngroep neemt de behandeling niet over, maar brengt slechts de kennis over. Hierdoor voelen de ketenpartners zich meer bekwaam voelen in de omgang met suïcidaliteit, en vinden er minder doorverwijzingen dan wel crisisdienstbeoordelingen plaats.

Specifieke voorbeelden hiervan zijn:

  • Integraal Ambulant Teams (IAT). Voor specifieke voorbeelden, lees meer over het IAT Haagland
  • FACT-teams. Lees meer over specifieke voorbeelden: FACT Jeugd Breda en FACT Jeugd Noord
  • Satellietteams
  • Outreachend zorg bieden (bij iemand thuis). Voorbeelden hiervan zijn FACT Jeugd Noord en het Intensieve Behandeling Thuis-Jeugd (IBT-J) bij Levvel
Terug naar boven

Suïcidaliteit gaat vaak over eenzaamheid. Een deel van de oplossing is dan ook verbinding maken tussen jongeren en ouders (en omgeving). Het betrekken, ondersteunen en informeren van naasten is dan ook van groot belang. Elke zorgverlener zou laagdrempelig het gesprek aan moeten durven gaan hierover met naasten, of ondersteuning hierbij moeten vragen. Als je aan ouders kan uitleggen waarom hun kind zich zo voelt, dan komt er meer begrip voor de jongere en voelt die zich gezien en/of gehoord. De uitdaging in het betrekken van naasten zit erin dat jongeren vaak zelf expliciet aangeven dit niet te willen. In sommige gevallen is er sprake van verlies van wederzijds vertrouwen tussen jongere en ouders. Dan dient de hulpverlening zich te richten op het terugverdienen en herijken van dat vertrouwen.

Creëren van perspectief door de jongere in zijn gezin op te laten groeien is binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie een van de belangrijkste punten in suïcidepreventie. Dit vergt scholing. Het is niet alleen inschatten hoe ernstig de suïcidaliteit is, de stap erna is heel moeilijk. Wat kan je afspreken met de naasten? Hoe ga je als naaste een gesprek aan met de jongere en hoe verander je nou dat gevoel?

Indigo biedt de cursus SuNA (Suïcidepoging Nazorg bieden) aan waarin zorg wordt geleverd aan mensen die na een suïcidepoging op een SEH-afdeling zijn geweest, of na een psychiatrische beoordeling uit de zorg zijn ontslagen. De cursus helpt motiveren, ondersteunen en begeleiden naar passende zorg. Ook is er oog voor de familie en naasten.

“Suïcidaliteit gaat vaak over eenzaamheid. Deel van de oplossing is dan ook verbinding maken tussen jongeren en ouders”

Terug naar boven

De zero suicide-beweging heeft als doel dat niemand eenzaam of radeloos zou moeten sterven door zelfmoord. Door grote doelen te stellen, hoopt de beweging veranderingen in gang te zetten. Er wordt niet aan getwijfeld dat elke zorgverlener met alles in zijn macht probeert suïcides tegen te gaan. Maar door zorg aan suïcidale jongeren te zien als een samenwerking in de keten, komt er extra aandacht voor het evalueren van deze ketenzorg. Vandaag is de zorg goed, maar is er misschien toch een aanpassing nodig die de hulp morgen nog beter maakt?

Zorgteams kunnen het streven naar nul suïcides (onbedoeld) als een druk voelen, wat kan leiden tot angst onder de werknemers. Wat als het toch mis gaat? Zorgverleners moeten het zelfvertrouwen hebben en de vrijheid blijven voelen om de zorg zo in te vullen dat zij denken dat goed is. Als de nadruk te veel komt te liggen op dat het nooit mis mag gaan, is de hulpverlening vooral gericht op controle en minder gericht op groei. De reflex na een suïcidepoging kan zijn dat zorgverleners geen goed werk hebben geleverd. Dat is een keerzijde van de zero suïcide visie.

Naast het streven naar zo min mogelijk suïcides, zou het accent daarom ook moeten liggen op het verdragen van het verlies en de (na)zorg voor zorgverleners. Dat er na een suïcide niet meteen vooral gekeken wordt naar wat er mis is gegaan, maar dat er eerst voldoende nazorg wordt verleend. Eerst vaststellen of er menselijkerwijs zorg van voldoende kwaliteit geleverd is, en volgens kijken wat we er van kunnen leren. Maar dat moet niet het eerste uitgangpunt zijn.

“Druk op zorgverleners: dat is ook iets wat je je zelf oplegt. Het is aan jezelf om compassie te hebben. Je kan niet alles oplossen. Je kan niet iedereen redden.”

“Als de norm 0 is, maar deze niet haalbaar is, dan zullen er ook verliezers zijn. Daar moet  het gesprek over kunnen gaan.”

“Verpleegkundigen die de dienst in gaan en onderling zeggen: ‘Laat het niet mijn dienst zijn’.”

Terug naar boven

Sociale media zijn een belangrijk onderdeel geworden van de identiteitsontwikkeling van vele jongeren. Het is ook een vorm van ontspanning. Het gebruik verlaagt de drempel voor uitingen, ook van suïcidale gevoelens. Enerzijds kan het steunend werken, maar het kan suïcidaal gedrag mogelijk ook versterken. Er gebeurt meer onder de radar waar de omgeving er geen weet van kan hebben. Ook zijn er zorgen over het normaliseren van suïcidaal gedrag. Zo zijn er verborgen accounts waar zwaarmoedige gedachten en foto’s van zelfbeschadiging op gedeeld kunnen worden. Daarnaast wordt de frequentie van deze berichten op de tijdlijn van jongeren vergroot, door algoritmes die ervoor zorgen dat vergelijkbare berichtgeving meer aandacht krijgt.

Contact met iemand leggen is door sociale media wel laagdrempelig geworden. Contact, ook op lange afstand, is snel gemaakt. Ook digitale interactie met therapeuten is toegenomen (ook buiten werktijd). Daar zou je als behandelaar afspraken over moeten maken met de jongere.

Een van de experts geeft aan: hoewel internationaal lang gedacht werd dat sociale media een risico vormen voor suïcidaliteit, wordt in internationaal onderzoek maar zelden een duidelijke relatie tussen suïcidaliteit en sociale media gevonden. Jongeren beschrijven zelf doorgaans vooral het steunende effect van contact met anderen, waarbij internet het ook makkelijker heeft gemaakt om contact met lotgenoten te hebben.

113 Zelfmoordpreventie legt uit hoe je signalen kan herkennen op sociale en geeft tips hoe te reageren op verontrustende inhoud op sociale media. Meer weten? Bekijk ook de webinar Suïcide in de (Social) Media van 113 Zelfmoordpreventie.

Maartje Visscher (kinder- en jeugdpsychiater bij Karakter) deed onderzoek naar het verband tussen sociale media, zelfbeschadigend gedrag en suïcide. Ook zij legt uit dat sociale media zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op zelfbeschadigend en suïcidaal gedrag van jongeren, waarbij voornamelijk de kwetsbare jongeren een groter risico hebben op de negatieve invloeden ervan. In een nieuwsbericht hierover geeft ze advies aan ouders.

Terug naar boven

Aanbevelingen voor actie en kennisontwikkeling

  • Focus op passende zorg voor de steeds groter wordende groep jongeren met psychische problemen. De coronacrisis heeft de al bestaande schaarste van plekken in de jeugd-ggz verder vergroot. De wachttijden zijn op veel plekken enorm opgelopen. Er zijn zorgen over toename van suïcidaal gedrag onder kinderen en jongeren.

>> Staatssecretaris Paul Blokhuis gaf eerder antwoord op vragen van de leden Westerveld en Renkema over de forse stijging van jongeren die kampen met suïcidaliteit en eetstoornissen. De Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd rapporteerde in maart over onvoldoende hulp voor jongeren met ernstige psychische problemen. Het kabinet stelt voor 2021 €613 miljoen beschikbaar aan gemeenten voor het oplossen van de acute problematiek in de jeugdzorg, zoals de crisiscapaciteit in de jeugd-ggz en lange wachttijden in de specialistische jeugdzorg. Daarnaast zal er geïnvesteerd worden in de consultatiefunctie en het aantal POH’s. Deze ondersteuning doelt op het verlichten van de druk op de korte termijn, maar een structurele oplossing is er voorlopig nog niet. Voor 2022 komt daar €1,3 miljard extra bij.

  • Meer kennis nodig over chronische suïcidaliteit en de verhouding tot acute suïcidaliteit, specifiek voor jeugd. Maak bestaande kennis vindbaar en inzetbaar.

>> Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie onderzoekt de mogelijkheden om deze kennis breder te verspreiden, onder meer door middel van een studiemiddag eind 2021.

  • Ontwikkel concrete stappenplannen en handvatten voor hoe je suïcidaliteit signaleert en behandelt: wat moet je minimaal doen, in welke volgorde en welke kennis en instrumenten kun je gebruiken?

>> Binnen de landelijke agenda suïcidepreventie worden middelen vrijgemaakt voor de opzet van een jeugdzorgbreed leernetwerk suïcidepreventie. De ontwikkeling van een werkwijze voor de brede jeugdzorg en handvatten voor suïcidepreventie die alle samenwerkende zorgpartners kunnen gebruiken, kan één van de doelen van dit brede leernetwerk worden.

  • Ga in gesprek met elkaar over de moeilijke afwegingen rondom autonomie geven, risico’s aangaan en veiligheid bieden.

>> Meer openheid en casusgesprekken hierover helpen zorgverleners bij het maken van de juiste afwegingen, wat steeds maatwerk is.

  • Aandacht voor specifieke doelgroepen zodat suïcidepreventie daar beter op kan aansluiten, zoals voor LHBTI-jongeren, jongeren met autisme en jongeren met een licht verstandelijke beperking.

>> De zorg voor elke jongere vergt maatmerk. Zo ook voor deze jongeren. Bewustwording bij zorgverleners voor specifieke aandachtspunten is van belang.

  • Ketensamenwerking: de jeugd-ggz en JeugdzorgPlus opereren nu nog te veel als gescheiden werelden, terwijl ze elkaar erg nodig hebben en vaak dezelfde typen jongeren opvangen. Welke samenwerkingsafspraken zijn nodig op lokaal niveau zodat het de jongere met suïcidaal gedrag helpt?

>> Vanuit het Leernetwerk In Contact Blijven wordt er vanaf 2022 met middelen vanuit de landelijke agenda suïcidepreventie een jeugdzorgbreed leernetwerk suïcidepreventie opgezet. Ketenaanpak kan een van de onderwerpen zijn die in dat netwerk worden opgepakt en uitgebouwd.

  • Meer onderzoek naar zowel de steunende effecten van sociale media op het mentale welzijn van jongeren als naar het mogelijk versterkende effect van sociale media op suïcidaal gedrag.

>> De komende jaren zullen vanuit o.a. MIND en 113 Zelfmoordpreventie met jongeren en experts antwoorden op een aantal prangende vragen onderzocht worden, zoals: is er een relatie tussen het gebruik van sociale media en suïcidaal gedrag bij jongeren? Lees meer hierover in de landelijke agenda suïcidepreventie.

  • Naast het streven naar zo min mogelijk suïcides, zou het accent ook moeten liggen op het verdragen van het verlies en de (na)zorg voor zorgverleners. Het is van belang om zorgverleners eerst ondersteuning te bieden, en daarna eventueel te kijken hoe we ervan kunnen leren. Daarnaast gaat het ook om het aanbieden van de juiste hulpmiddelen, zoals trainingen en supervisie. Welk aanbod voor zorg voor zorgverleners is momenteel beschikbaar, wat vinden zij hiervan de werkende elementen en waar liggen behoeften voor extra aanbod/ontwikkeling van de ondersteuning van zorgverleners?
Terug naar boven

Bronnen en experts

Bosch, L.M.C. van den (2005). Dialectische gedragstherapie bij Nederlandse vrouwen met een borderline persoonlijkheidsstoornis, met en zonder verslavingsprobleem. Tijdschrift voor Psychiatrie, 47, 127-137.

Chung, D., Hadzi-Pavlovic, D., Wang, M., Swaraj, S., Olfson, M., & Large, M. (2019). Meta-analysis of suicide rates in the first week and the first month after psychiatric hospitalisation. BMJ open, 9(3), e023883. https://doi.org/10.1136/bmjopen-2018-023883

Duursen, van R. & Knapen, S. (2017). Chronische suïcidaliteit; van beheersen naar begrijpen. Handvatten voor de praktijk. PsyXpert, 1, 38-48.

Meerdinkveldboom, J. & Steenmeijer, J. (2020). Als een jongere niet meer wil leven. Ned Tijdschr Geneeskd, 164, D4747.

Mérelle, S., Van Bergen, D., Looijmans, M., Balt, E., Rasing, S., van Domburgh, L., Nauta, M., Sijperda, O., Mulder, W., Gilissen, R., Franx, G., Creemers, D., & Popma, A. (2020). A multi-method psychological autopsy study on youth suicides in the Netherlands in 2017: Feasibility, main outcomes, and recommendations. PloS one15(8), e0238031. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0238031

Mérelle, Van Bergen, Popma et al. (2019). Suïcide onder 10- tot 20-jarigen in 2017: Een verdiepend onderzoek. 113 Zelfmoordpreventie, december 2019.

O’Connell, P. H., Durns, T., & Kious, B. M. (2020). Risk of suicide after discharge from inpatient psychiatric care: a systematic review. International journal of psychiatry in clinical practice, 1–11. Advance online publication. https://doi.org/10.1080/13651501.2020.1800043

Verheul, R., Van Den Bosch, L. M., Koeter, M. W., De Ridder, M. A., Stijnen, T., & Van Den Brink, W. (2003). Dialectical behaviour therapy for women with borderline personality disorder 12-month, randomised clinical trial in the Netherlandsclinical trial in The Netherlands. The British journal of psychiatry: the journal of mental science182, 135–140. https://doi.org/10.1192/bjp.182.2.135

Terug naar boven

Zorgverleners uit de jeugd-ggz die zijn geïnterviewd:

  • GGz Centraal, (kinder- en jeugd)psychiater (Jeroen Steenmeijer)
  • GGz Delfland, GZ-psycholoog
  • Karakter, kinder- en jeugdpsychiater (Liesbeth Hoekstra en Mirjam Plugge)
  • Levvel, kinder- en jeugdpsychiater (Dr. Kim van Slobbe-Maijer)
  • Parnassia Groep, programmamanager (Arjen Verhard)
  • Regionaal Autisme Centrum, psychiater (Dorothé Thielen)
  • GGMD hulp- en dienstverlening, kinder- en jeugdpsychiater (Annerieke Luijendijk)
  • Altrecht, klinisch psycholoog (Jacquelijne Schraven)
  • Centrum voor Relationele Therapie van Arkin Jeugd en Gezin, arts/systeemtherapeut (Flip Jan van Oenen)
Terug naar boven

Binnenkort vullen het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie en het Landelijk Kenniscentrum LVB dit hoofdstuk aan met aandachtspunten voor suïcidepreventie bij jongeren met een LVB. Ook het ervaringsdeskundige perspectief van jongeren krijgt hierin een plek.

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten