Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Signalering en triage

Meisje dokter

Hoe herken je als professional in de jeugdhulp of het onderwijs (mogelijk) ernstige psychische problematiek bij kinderen en jongeren? Goede signalering en triage is essentieel om te zorgen dat kinderen tijdig, maar niet onnodig worden doorverwezen naar de specialistische jeugd-ggz. De juiste kennis in huis hebben is daarom belangrijk, net als nauwe verbondenheid met kind, ouders, collega’s en externe partners. Instrumenten zoals vragenlijsten kunnen het proces ondersteunen, mits ze met een helder doel en plan worden ingezet. Dit kennisdossier beschrijft de belangrijkste elementen voor doeltreffende signalering en triage.

Meisje dokter

Op deze pagina

Definitie en belang van signalering en triage

Wat is dat eigenlijk, signalering en triage? En wat betekenen deze begrippen in het licht van de specialistische jeugd-ggz? Signalering vindt plaats in het zogenoemde ‘voorveld’. Lees hieronder een uitleg van deze termen.

Signaleren
Onder signaleren wordt verstaan het (tijdig) herkennen van (mogelijk) ernstige psychische problematiek bij kinderen en jongeren.

Triage
De term triage is ontleend aan de militaire geneeskunde. Wanneer er bijvoorbeeld op een slagveld veel meer hulpbehoevenden zijn dan hulpverleners, is het nodig om vast te stellen hoe de schaarse middelen het best kunnen worden ingezet: niet voor degenen die het toch niet redden, en ook niet voor degenen die het toch wel redden.

Zoiets doet zich in de jeugdhulp natuurlijk niet voor. Daar houdt triage in dat een goede oplossing moet worden gevonden voor het gegeven dat er veel meer kinderen en jongeren met psychische problemen binnenkomen in het voorveld, dan kunnen of zouden moeten worden gezien in de gespecialiseerde jeugd-ggz. Het is dus zaak die kinderen en jongeren te herkennen voor wie de gespecialiseerde jeugd-ggz het meest passende hulpaanbod is.

Triage richting de specialistische jeugd-ggz
Onder triage richting de specialistische jeugd-ggz verstaan wij: bij jeugdigen met emotionele, gedrags-, relationele en/of cognitieve problemen op grond van beperkte informatie kunnen beoordelen of een vermoeden van een psychische stoornis bestaat, en zo ja:
• of direct een verwijzing naar gespecialiseerde jeugd-ggz nodig is
• of hiermee kan worden gewacht tot meer informatie is verkregen, of het resultaat van inmiddels geboden hulp duidelijk is
• of gekozen wordt voor een ander hulpaanbod

Voorveld
Dit kennisdossier gaat over signalering en triage in het voorveld. Onder voorveld verstaan wij die plekken waar problemen voor het eerst aan het licht kunnen komen, zoals in het onderwijs, de huisartsenzorg (inclusief de POH/SOH), de jeugdgezondheidszorg (JGZ), wijkteams en centra voor jeugd en gezin (CJG).

Het belang van signaleren en triage

Goede zorg begint met het signaleren van een mogelijk probleem en triage: dat wil zeggen inschatten van de urgentie en het toeleiden naar de juiste zorg. Goede signalering en triage is essentieel, met name om onderdiagnostiek en onderbehandeling èn overdiagnostiek en overbehandeling van jeugdigen met psychische problematiek te voorkomen. Voor het inschatten van de ernst van de problematiek en de benodigde hulp is kennis en kunde nodig over kinderen en jongeren met psychische problematiek.

Er is niet één manier de beste

Er is niet één manier van signaleren en triage, die voor iedereen en overal de beste is. Binnen het huidige voorveld zullen met name docenten, huisartsen, POH’s, SOH’s, wijkteammedewerkers en JGZ-medewerkers te maken krijgen met kinderen en jongeren met mogelijke psychische problematiek. Signalering en triage kan gaan om een snelle beoordeling, iemand direct in het goede kanaal krijgen, zodat hulp in één keer op de juiste manier wordt ingezet. Maar het kan ook gaan over een langer proces waarin de zorgverlener (al dan niet in samenwerking met andere professionals) beter zicht probeert te krijgen op wat er aan de hand is en waarmee het kind of het gezin het beste geholpen zal zijn.

Terug naar boven

Expertise uit de jeugd-ggz in het voorveld

Professionals in het voorveld krijgen te maken met kinderen en jongeren met mogelijke psychische problemen. Met soms slechts globale kennis moeten zij signalen herkennen en daarover beslissingen nemen. Lees hieronder meer over ‘pluis-niet-pluis gevoelens’, ggz-kennis in je team, een consult inroepen van de jeugd-ggz en kennis vergroten over signalen en markers van psychische problemen.

Uitdaging: met globale kennis psychische problematiek signaleren en beoordelen

Veel professionals in het voorveld moeten met slechts globale kennis psychische problemen bij kinderen en jongeren signaleren en beoordelen of specifiekere diagnostiek en hulp nodig is. Dat is niet eenvoudig, want ernstige psychische problemen komen tot uiting in verschijnselen op emotioneel, gedragsmatig, relationeel en/of cognitief gebied, die sprekend kunnen lijken op variaties in de normale ontwikkeling of op lichte problemen van voorbijgaande aard.
Een aantal punten zijn van belang bij signaleren en triageren:

  • Een ‘pluis-niet-pluisgevoel’ ontwikkelen: een op intuïtie gebaseerde inschatting van een professional of er wel of niet iets aan de hand is. Een professional met een ontwikkeld pluis-niet -pluis gevoel kan signalen herkennen die kunnen leiden tot een (globaal) besef dat er psychische problemen zijn.
  • Een brede blik en de basiskennis om integraal te kunnen kijken naar mogelijke oorzaken, zowel bij het kind als in zijn of haar omgeving.
  • De grenzen kennen van je eigen kennis, besef van wat je niet weet en weten waar je het kunt halen.

Op dit moment is niet duidelijk of professionals in het voorveld (zoals onderwijsmedewerkers, huisarts, POH, wijkteammedewerkers) voldoende (basis)kennis hebben om psychische problemen te signaleren en hierop de juiste acties te ondernemen.

Expert beroepsvereniging psychologen: “Professionals moeten weten waar de grenzen van hun kennis liggen, en dus weten wanneer ze anderen moeten raadplegen. Professionals zien niet wat ze niet weten, waar ze geen kennis van hebben.”

Generieke module Organisatie van zorg voor kind en jongere: “Voor een wijkteammedewerker geldt dat deze minimaal moet herkennen wanneer hij bij deze inschatting de kennis en kunde van anderen moet en kan benutten.”

Expertgroep Signalering en triage: “Een ‘pluis-niet-pluisgevoel’ is een goede start van een eerste gesprek over mogelijke psychische problemen.”

Ggz-kennis in het team

Er bestaan verschillende manieren om ggz-kennis in het voorveld te vergroten. Zo wordt er op sommige plekken (bijvoorbeeld bij een CJG) met kenniskringen gewerkt, waarbij een aantal collega’s de taak op zich neemt de kennis van de jeugd-ggz blijvend onder de aandacht van collega’s te brengen. Omdat professionals in het voorveld vaak generalistisch werken is dit een manier om het pluis-niet-pluisgevoel levend te houden.

In Nederland komen ook steeds meer initiatieven waarin professionals met specialistische ggz-kennis in het voorveld werkzaam zijn. Voorbeelden zijn de POH-jeugd (vaak psychologen, pedagogen), een SOH/gedragswetenschapper bij de huisarts of bij het wijkteam, en hele teams in de wijk met specialistische ggz-expertise (zoals extr@utrecht). Meer varianten van jeugd-ggz in het voorveld staan beschreven in het dossier hierover. Door specialistische kennis lokaal te organiseren kunnen specialisten laagdrempelig, snel en al in een vroeg stadium meekijken naar de zorgvraag en route van een kind en zijn gezin.

Accare, Molendrift, Karakter en het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie deden onderzoek naar de praktijkondersteuner Jeugd bij de huisarts. Professionals, gemeenten, kinderen en ouders zijn positief; zij melden onder meer dat de kwaliteit van zorg is verbeterd doordat kinderen en jongeren sneller hulp krijgen, dat de triage is verbeterd, doordat de praktijkondersteuner Jeugd meer tijd heeft om een betere inschatting van de problematiek te maken. Ook krijgen zij snel hulp, wat verergering kan voorkomen en dus preventief werkt.

Daarnaast zijn er wijkteams waar een (gedetacheerde) gedragswetenschapper meedenkt over elke beslissing die gaat over op- of afschaling van zorg. Een paar regio’s in Nederland experimenteren met het afstemmen van de expertise-inzet binnen wijkteams op de zorgbehoefte in de wijk, wat de matching van zorg ten goede zou moeten komen.

Gedragswetenschapper in een wijkteam: “We willen niet terug naar oude vorm van jeugdzorg, waarbij je aan het einde pas gaat kijken wat er is met dit kind of gezin; we willen al in het begin bij specialistische zorgvragen kunnen meedenken over de lijn.”

Consult inroepen van de specialistische jeugd-ggz

Om het beeld van het kind of een pluis-niet-pluisgevoel beter te duiden kan het helpen om als huisarts, wijkteam, JGZ, POH/SOH of onderwijsmedewerker een consult aan te vragen bij de jeugd-ggz. Specialisten uit de jeugd-ggz inschakelen die al in een vroeg stadium meedenken over de zorgvraag en het zorgplan kan sneller leiden tot de juiste zorg. Zo’n consult is niet voor alle professionals (makkelijk) in te roepen, terwijl er wel veel behoefte is aan sparren met specialisten. Vaak is het maar net afhankelijk van met wie er toevallig contacten zijn. Op sommige plekken is consultatie wel goed mogelijk. Soms is het zelfs een ‘product’ geworden, dat wordt gefinancierd aan de specialistische jeugd-ggz (wat de laagdrempeligheid in verband met het invullen van formulieren overigens niet ten goede hoeft te komen).

Consultatie kan een op een plaatsvinden, maar dat is niet voor elke casus mogelijk. Er moet daarom ook goed gekeken worden of een consult wel zin heeft. Timing in het zorgtraject is hierbij van belang. Consultatie kan ook plaatsvinden in de vorm van multidisciplinair overleg (MDO). Zo’n overleg kan een centrale functie hebben in het bijbrengen van kennis aan het voorveld en een bepaalde manier van kijken naar kinderen en jongeren. De opgehaalde kennis in deze overleggen kan de professional vervolgens breed inzetten bij al zijn cliënten of leerlingen.

Ook sommige scholen hebben ervaring met uitwisseling van kennis tussen ggz-specialisten en docenten. De school is een belangrijke vindplaats. Doordat docenten kunnen sparren met ggz-specialisten kunnen problemen sneller gesignaleerd worden.

Belangrijk is dat vrager en consultbieder open staan voor elkaar en willen samenwerken in het belang van het kind. Onderwijszorgspecialist: “De insteek moet zijn: ‘samen kijken vanuit het niet weten’ en ‘we kunnen het doen’. Dan kan er casuïstiek besproken worden zonder strijd. Voor docenten is het belangrijk dat zij kunnen sparren met een specialist.”

Kinder- en jeugdpsychiater: “Samenwerken tussen generalisten en specialisten is belangrijk in de jeugdhulp. Het is belangrijk dat generalisten kunnen overleggen met specialisten. Consultatie, in de vorm van algemene advisering, het bijwonen van MDO’s of samen kinderen en gezinnen zien kan hierin een rol spelen.”

>> Lees de landelijke samenwerkingsafspraken rondom consultatie van de jeugd-ggz

Kennis vergroten over signalen en markers van psychische problemen

Er is nog een wereld te winnen aan het beter en eerder herkennen van markers: voorlopers van psychiatrische problematiek. Met name in de jonge kinderleeftijd zijn signalen vaak diffuus en is het moeilijk onderscheid maken tussen een mogelijke psychische stoornis, normale variatie en een voorbijgaand probleem. Maar ook in de adolescentie, wanneer veel psychiatrische problemen zich voor het eerst manifesteren en het interpreteren van signaleren erg ingewikkeld kan zijn, kunnen signalen langere tijd niet opgepikt of onjuist geïnterpreteerd worden.

Meer kennis in het voorveld, maar ook bijvoorbeeld bij kinderartsen, over markers en signalen van mogelijke psychische stoornissen kan bijdragen aan een betere signalering en triage. Professionals in het voorveld zijn vaak generalisten. Overal een hoogspecialistische ‘poort’ hebben is niet haalbaar. De jeugd-ggz kan bijdragen aan het vergroten van kennis in het voorveld door bijvoorbeeld deel te nemen aan MDO’s en scholing te geven over:

  • Hoe kijk je naar kinderen en jongeren?
  • Wat is normaal gedrag?
  • Wat zijn mogelijke markers en signalen van psychische problemen?
  • Hoe kom en blijf je in gesprek met ouders en kinderen en jongeren die complexe problemen hebben en soms maar weinig vertrouwen hebben in de hulpverlening?

Generieke module Organisatie van zorg voor kind en jongere: “Er dient ruimte te zijn voor scholing van wijkteammedewerkers die vanuit hun opleiding deze inschatting (nog) onvoldoende kunnen maken, zodat zij ook in staat zijn om op tijd in te zien wanneer aanvullende hulpverlening nodig is of consultatie van een collega.”

Expertgroep signalering en triage: “De jeugd-ggz kan een centrale functie hebben in scholing van het voorveld maar ook in coaching on the job, bijvoorbeeld tijdens multidisciplinair overleg. Op die manier draagt het bij aan een manier van denken en vorm je een lerend systeem.”

>> Training Kinderen die Opvallen (KdO)
Een voorbeeld van scholing door de GGZ is de training Kinderen die Opvallen van Medisch Orthopedagogisch Centrum ’t Kabouterhuis, voor professionals die werken op kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en voorscholen. De training versterkt het signaleren, observeren en expliciteren van opvallend gedrag bij jonge kinderen.

Terug naar boven

Samen beslissen met kind en ouder

Kind en ouders nauw betrekken bij de analyse van de vraag en de passende zorg is belangrijk voor het doen van een goede triage waar iedereen achter staat. Ervaringsdeskundigen geven aan dat een aantal punten van belang zijn wanneer je ouders en jongeren in het besluitvormingsproces betrekt.

Kind en ouders nauw betrekken bij de analyse van de vraag en de passende zorg is belangrijk voor het doen van een goede triage waar iedereen achter staat.De volgende punten zijn belangrijk daarbij belangrijk volgens ouders en jongeren zelf:

  • Bij triage is het belangrijk om het kind te leren kennen als persoon en niet alleen te focussen op de psychische aandoening. Professionals moeten zorgen dat het kind zich openstelt. Hiervoor is aansluiting vinden bij het kind en van een open mind nodig. Kijken en luisteren is belangrijk. Professionals moeten niet te snel een stempel plakken. Triage is maatwerk.
  • Een niet-pluisgevoel is belangrijk. Professionals dienen met ouders en jongere het gesprek aan te gaan en moeten vertrouwen op dat gevoel. Dit vraagt moed. Het niet-pluis gevoel heeft te maken met de ervaring die zij hebben. De professional moet het niet-pluis gevoel kunnen concretiseren.
  • Voor het tijdig inschatten van problemen en zorgroute gaat het vooral om de kwaliteit van gesprekken met kind en ouder, niet om de kwantiteit.
  • Ouders en jongeren vinden het belangrijk dat de omgevingsfactoren in kaart worden gebracht en niet alleen het kind. Er kan meer spelen in de situatie, het geeft een totaalbeeld. Kijk ook wie er belangrijk is voor het kind, dat hoeft niet altijd de ouder te zijn. Hierin kunnen bijvoorbeeld leerkrachten ook een rol spelen.

Ervaringsdeskundige: “Er moet niet alleen gewerkt worden vanuit het boekje. Het kind moet zich begrepen en gehoord voelen.”

Gedragswetenschapper wijkteam: ‘Wij doen aan gedeelde vraagverheldering met ouders en kind; we maken een ernsttaxatie, een zorgen- en krachtentaxatie en vullen samen met het gezin een ondersteuningsplan in. Iedereen moet akkoord zijn. Hulp is pas mogelijk als je een gezamenlijke beslissing hebt genomen. Belangrijk voor goede triage is om naast de ouders te staan, dat is soms wel blijven oefenen.”

>> Richtlijn Samen beslissen met ouders en jeugdige
Samen beslissen past binnen de Jeugdwet: inzetten op de eigen kracht van gezinnen. Hoe je het gezin betrekt in de besluitvorming staat beschreven in de Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming (Bartelink, Meuwissen & Eijgenraam, 2015) van NVO, BPSW en NIP. Deze richtlijn beschrijft een aantal stappen voor gezamenlijk besluitvormingsproces:

  1. vraagverheldering;
  2. probleem- en krachtenanalyse;
  3. doelen opstellen;
  4. beslissen over passende hulp;
    1. verkennen en mobiliseren van het sociaal netwerk rond het gezin;
    2. beslissen over de inzet van professionele hulp;
  5. uitvoeren van de hulp;
  6. evalueren van de resultaten en beslissen over vervolg of beëindiging.
Terug naar boven

``Belangrijk voor goede triage is om naast ouders te staan, dat is soms wel blijven oefenen.``

Gedragswetenschapper wijkteam

Instrumenten richtlijnen en methodieken

Er bestaan verschillende soorten hulpmiddelen die signalering en triage kunnen ondersteunen, zoals:

Hieronder staat meer over de behoefte aan instrumenten, wanneer instrumenten nuttig zijn en welke instrumenten gebruikt worden.

Behoefte aan instrumenten in het voorveld

Er lijkt wisselend behoefte te zijn aan instrumenten ter ondersteuning van signalering en triage in het voorveld. Sommige professionals gebruiken bewust geen (screening)instrumenten, omdat ze het gebruik ervan vinden horen bij het stellen van diagnoses en daarmee het werk van de specialistische jeugd-ggz.

Anderen hebben juist wel behoefte aan (de beschikking over) goede instrumenten, zoals:

  • Instrumenten voor risico-inschatting en een brede lijst voor sociaal-emotioneel functioneren;
  • Instrument/tool voor het in kaart brengen van de omgeving en de context van het kind, zodat in ingeschat kan worden of bepaald gedrag een kindfactor is en/of dat er ook problemen in de omgeving spelen, waaronder ggz, schulden, verslaving of echtscheidingsproblematiek.

De meeste professionals in het voorveld ontbreekt het echter aan inzicht in welke instrumenten beschikbaar er zijn en wat de kwaliteit ervan is.

Instrumenten als ondersteuning, niet als vervanging van het oordeel van de professional

Bij signalering en triage gaat het volgens experts vooral om het voeren van het goede gesprek en het hebben van de juiste kennis. Instrumenten kunnen een oordeel van een professional niet vervangen, maar ze kunnen signalering en triage wél ondersteunen.

Een instrument is vooral nuttig als:

  • Duidelijk is met welk doel het wordt ingezet; dient het bijvoorbeeld triage, screening of diagnostiek?
  • Het bijdraagt aan het verkrijgen van een beter beeld van het kind en/of het gezin en hun omgeving;
  • Het kan worden ingezet als gespreksinstrument, leidraad of geheugensteun binnen hulpverleningsgesprekken;
  • Er goed wordt uitgelegd aan het kind en zijn omgeving waar het instrument voor dient;
  • Er een vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van het instrument. Invullen van vragenlijsten met een onduidelijk doel is zowel frustrerend voor het kind en de ouders als ook voor de hulpverlener;
  • Er zoveel mogelijk met dezelfde instrumenten wordt gewerkt, zodat de professional, het team en evt. samenwerkingspartners de instrumenten en de follow-up ervan goed leren kennen.

POH: “Een goede triage is naar mijn mening niet te halen uit een vragenlijst, maar uit gesprekken met cliënt en betrokken hulpverleners en school. Een gesprekstool zou hiervoor handig zijn, maar ook niet allesomvattend: elke casus is zó anders, dat het niet in te passen is in een standaardprotocol. Goede kennis van ggz-problematiek is bij triage zeer belangrijk.”

Welke hulpmiddelen worden gebruikt?

De praktijk heeft de behoefte te weten welke signalering en triage hulpmiddelen er zijn en wat de kwaliteit hiervan is: worden de juiste kinderen en jongeren gesignaleerd? Op dit moment is hier geen goed overzicht van. Ook worden met enige regelmaat (lokaal en landelijk) nieuwe instrumenten of methoden ontwikkeld. Er lijkt niet één instrument te bestaan dat breed wordt gebruikt. De volgende inzichten over het gebruik van instrumenten en richtlijnen komen naar voren.

Instrumenten en methodieken
Richtlijnen

De JGZ-richtlijnen angst, ADHD, depressie, psychosociale problemen en autismespectrumstoornissen bevatten bijvoorbeeld ook adviezen over hoe je kunt (vroeg)signaleren, risico- en beschermende factoren in kaart kunt brengen, welke screeningsinstrumenten je kunt gebruiken en wanneer je door moet verwijzen naar de (specialistische) jeugd-ggz.

Instrumenten in ontwikkeling

  • Het Erasmus MC en de Erasmus Universiteit Rotterdam willen werken aan een transdiagnostische decision tool om te beoordelen welke behandelsetting het meest geschikt is voor kinderen en jongeren met psychische/psychiatrische problemen. Het doel is te komen tot een gebruiksvriendelijk instrument dat in enkele minuten kan worden ingevuld. Voor het beoordelen van volwassen patiënten binnen de TOPGGz zijn al dergelijke instrumenten ontwikkeld.
  • Curium-LUMC doet een pilot-onderzoek met een gestandaardiseerde methode voor een aantal huisartspraktijken in de regio, waarbij een op de computer in te vullen set vragenlijsten ondersteuning moet bieden bij signalering en triage: Development and Well-Being Assessment (DAWBA).
  • TNO onderzoekt de uniformering van de triagewerkwijze in de jeugdgezondheidszorg (JGZ), waarin onder andere de SDQ ingevuld door ouders in zit, en waar risicokinderen door jeugdarts of verpleegkundige gezien worden. TNO is in 2019 ook met een pilot gestart om het digitale instrument de Psycat te testen op bruikbaarheid in de JGZ.

Overig

In 2015 hebben de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), shet Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, het Landelijk Kenniscentrum LVB, het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en het Trimbos-instituut in kaart gebracht welke triagemethoden beschikbaar zijn. Dit is neergelegd in de Staalkaart Triage. Deze staalkaart maakt melding van negen in Nederland gebruikte triagemethoden en nog eens dertien aanvullende methoden, die elk ook triage beogen. De lijst was/is waarschijnlijk niet volledig. Nadien (2016) is geïnventariseerd hoeveel van deze methoden gebruikt werden door wijkteams en andere organisaties in het voorveld, en dat was er slechts één. De instrumenten worden dus weinig benut. Het is onduidelijk waarom dat zo is.

Een recent (2018), in het kader van een promotieonderzoek ontwikkeld triage-instrument voor wijkteams wordt niet gebruikt. De wijkteams die ermee zouden gaan werken, bleken daar alle in tweede instantie niet toe bereid of in staat. Daarvoor sloot het te weinig aan bij hun werkwijze.

Terug naar boven

Richtlijn Samen beslissen over passende hulp

Reflectie en casuïstiekbespreking

Ondersteuning van signaleren en triageren in het voorveld gebeurt ook door reflectie en casuïstiekbespreking in teams en tussen organisaties. Dit komt met name naar voren binnen wijkteams of Centra voor Jeugd en Gezin. Medewerkers van wijkteams geven aan dat uitwisseling van belang is om goed te signaleren wat er speelt en om triage te doen. Bijvoorbeeld in de vorm van een MDO (multidisciplinair overleg), casuïstiekbespreking of het inroepen van een ‘derde paar ogen’ (naast medewerker en cliënt) bij het nemen van beslissingen. Professionals leren op deze manier open te staan voor de inzichten van anderen en leren om niet op een eilandje te werken. Ook stimuleert het ze om de juiste vragen te stellen wat hen in staat stelt beter onderbouwde beslissingen te nemen. Lees hieronder vier ervaringen uit de praktijk.

Ervaringen uit de praktijk

De reflectieve praktijk

In één gemeente werken ze in wijkteams volgens een methode ‘de reflectieve praktijk’. Gedragswetenschappers ondersteunen wijkteammedewerkers in de reflectie en analyse van de casus; welke middelen kunnen ingezet worden en welke hulp is het meest voorliggend?

Gedragswetenschapper wijkteam: “Iedere keer reflecteren over je stappen. Wij leggen uit dat het hen helpt bij hun overwegingen.”

Durf advies te vragen

Psycholoog van OKT: ‘Om elkaar in je team te vinden is de vertrouwensband belangrijk. Wij hebben tweewekelijkse casuïstiekbesprekingen. Mensen moeten dingen met elkaar willen delen, durven vragen aan elkaar: denk je even met me mee over dit gezin? Dat men advies durft te vragen, dat is essentieel. Het vertrouwen om je kwetsbaar op te stellen.”

Schaarste in de zorg

Medewerker team voor specialistische hulp in de wijk: “Wij hebben gesprekken met elkaar: waarom doe je wat je doet, waarom krijgt het ene kind deze hulp en het andere niet? We merken dat wijken met veel hoogopgeleide ouders vaak een beroep doen op specialistische hulp. Dat is soms moeilijk. Hoe zorg je ervoor dat niet alle aandacht daarheen gaat. Je moet kijken: vind ik het passen? Er is schaarste, welke kinderen hebben welke zorg nodig en kunnen we dat doen? We moeten in het grote plaatje kijken. Hoe verdelen we de schaarste van zorg? We kijken dan samen, ook met het wijkteam waar we mee samenwerken: wat kunnen jullie zelf doen, wat is normaal gedrag van kinderen?’

‘Critical friend’

In één CJG werken ze met een afwegingskader (ontwikkeld in opdracht van de gemeente) om beslissingen te nemen over passende ondersteuning. Hierin speelt reflectie een belangrijke rol.

Manager kwaliteit en innovatie CJG: “Bij beslissingen zet de professional een ‘derde paar ogen’ in (naast de eigen ogen en die van de ouder), dat kan een collega zijn maar bijvoorbeeld ook de gedragswetenschapper of iemand vanuit de ggz. Deze derde persoon heeft de rol van ‘critical friend.”

Terug naar boven

``Mensen moeten dingen met elkaar willen delen: denk je even mee over dit gezin? Advies durven vragen is essentieel. Het vertrouwen om je kwetsbaar op te stellen.``

Psycholoog van OKT

Samenwerken en weten waar je terecht kunt

Voor goede signalering en triage is samenwerking van groot belang, bijvoorbeeld tussen het onderwijs en de JGZ, of tussen wijkteam, JGZ, CJG, huisartsenzorg en de specialistische jeugd-ggz. Lees hieronder de kernpunten van goede samenwerking met ketenpartners bij signalering en triage.

Kernpunten van goede samenwerking bij signalering en triage

  • Kennis hebben van de sociale kaart van zorginstellingen in de regio: weten bij wie je wanneer waar terecht kunt. Inclusief informatie over de wachtlijsten. Tools die de sociale kaart inzichtelijk maken kunnen hierbij behulpzaam zijn.
  • Verwijsafspraken over op- en afschaling maken, zoals in de Landelijke samenwerkingsafspraken jeugd-ggz. Hierbinnen is een stroomschema ontwikkeld, met daarin handvatten voor de zorgverlener hoe het proces van op- en afschaling eruit kan zien.
  • Specialisten die (deels) werkzaam zijn of gedetacheerd worden in het voorveld, waardoor kennis over de specialistische ggz aan de voordeur aanwezig is.
  • Laagdrempelig een consult kunnen inroepen van een specialist, zoals een kinder- en jeugdpsychiater of klinisch psycholoog. Korte lijnen. Vaste contactpersonen. ‘Weten bij wie je moet zijn’. Een soort flexibele schil aan specialisten die professionals in het voorveld kunnen consulteren indien nodig.
  • Nieuwsgierig zijn naar elkaars werk, de bereidheid van elkaar te willen leren: vertrouwen moet groeien. Als professionals open staan om samen te willen zoeken naar wat werkt kan er veel goeds gebeuren en leren organisaties van elkaar. Dat werkt twee kanten op: generalisten in het voorveld leren van specialisten in de jeugd-ggz, en specialisten leren van het meer generieke werk in het voorveld. Zo kan het elkaar vinden binnen een multidisciplinair overleg (MDO) bijdragen aan een lerend systeem over de psychische gezondheid van kinderen en jongeren.
  • Elkaars taal leren kennen; wat wordt er onder begrippen verstaan die in de zorg worden gebruikt? Dit kan per setting verschillen.
  • Zorg afstemmen en kennis hebben van de zorggeschiedenis van gezinnen, zodat er niet meerdere trajecten lopen/liepen waar andere zorgpartijen niet van af weten. Een meer uniform uitwisselingsformat zou hieraan bij kunnen dragen.
  • Terugkoppeling van behandeling aan verwijzers. Dit is belangrijk voor een goed vervolgtraject van zorg, voor het waarborgen van de continuïteit van zorg en voor het gezamenlijke leerproces van signalering en triage. Een warme overdracht bij zowel opschaling als afschaling is van belang. Nuttig hierbij is om kennis te hebben van wettelijke regels over delen van informatie. Zowel in de WGBO (Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst) als in de Jeugdwet is opgenomen dat er toestemming nodig is voor het verstrekken van informatie aan derden. Voor de jeugd-ggz is de WGBO van toepassing op dit punt en niet de Jeugdwet, omdat het gaat om medische behandeling.
  • Afspraken over wat te doen bij crisissituaties: heldere afspraken tussen de vele betrokken partijen, waaronder huisarts, politie, SEH/ziekenhuis/ambulance, jeugdhulpaanbieders, crisisteams en wijkteams. In acute crisissituaties is directe doorverwijzing naar de gespecialiseerde jeugdhulp noodzakelijk (zie Generieke module Zorg bij psychische klachten in de kindertijd).
  • Afspraken met betrekking tot veiligheid: het is belangrijk dat in iedere regio afspraken zijn tussen wijkteam, Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen over de samenwerking bij zorgen over de veiligheid in het gezin (Landelijke samenwerkingsafspraken jeugd-ggz).

Ervaringen uit de praktijk

Sociale kaart in beeld

In Groningen is de website www.jeugdhulpgroningen.nl bedacht om de sociale kaart inzichtelijk te maken, zowel voor verwijzers als voor ouders en jongeren.

Bij een Centrum voor Jeugd en Gezin werken ze aan de app Hulp in Beeld voor alle verwijzers. Daarin is niet alleen opgenomen welke hulp is ingekocht, maar is ook ruimte voor toelichtingen door de aanbieders op hun aanbod én wordt er gewerkt aan een ‘plek-vrij’-functie.

Korte lijnen en consultatie

Medewerker team voor specialistische hulp in de wijk: “Verwijzers kunnen makkelijk bellen als we even mee moeten denken over een casus.”

Onderwijszorgspecialist: “Als specialisten uit hun spreekkamer komen in onze school en ze zien wat er wel kan, dat is van grote toegevoegde waarde: de specialisten zien de potentie van kinderen, naast het ziektebeeld.”

“Van belang is dat mensen samen willen kijken vanuit het niet-weten.”

Investeren in samenwerking

Adviseur eerstelijnszorg Amsterdam: “De ambitie was de afgelopen twee jaar om huisartsen vroeger te laten aanslaan op signalen bij kinderen en ouders, ter voorkoming dat problemen groter worden, dat het uitgroeit tot iets voor tweede of derde lijn. Dat gebeurt ook, huisartsen signaleren meer. Huisartsen weten nu ook beter wat het OKT kan bieden voor kinderen.”

Terug naar boven

Landelijke samenwerkingsafspraken jeugd-ggz

Voorwaardelijke factoren

Om goed te kunnen signaleren en triageren hebben professionals een eigen verantwoordelijkheid om vaardigheden, kennis en netwerk op peil te houden. Ze zijn echter ook afhankelijk van factoren op organisatie- en maatschappelijk niveau.

Continuïteit in de personeelsbezetting

Als er veel discontinuïteit is in de personeelsbezetting (verloop) dan heeft dat invloed op de te leveren zorg aan cliënten/leerlingen en op de samenwerking binnen het team en met ketenpartners. Continuïteit is van belang voor het opbouwen van vertrouwensrelaties met cliënten, voor het waarborgen van kwaliteit van zorg. Continuïteit is ook van belang voor het vertrouwen binnen het team en op de samenwerkingsrelaties met externe partners.

Indien professionals willen bouwen aan betere signalering en triage dan is een zekere mate van continuïteit van personeel een belangrijke voorwaarde. Continuïteit van personeel is echter een blijvende uitdaging. Daarom is het ook van belang dat teams zich door wisselingen niet laten ontmoedigen of frustreren en zo goed mogelijk op wisselingen van personeel anticiperen zodat zo min mogelijk kennis en kracht verloren gaat.

Medewerkers voorzien van voldoende kennis

Hoewel niet eenvoudig, hebben organisaties in het voorveld de verantwoordelijkheid om medewerkers en daarmee cliënten/leerlingen te voorzien van de juiste kennis, onder meer door:

  • Scholing;
  • Faciliteren en stimuleren van reflectie, casuïstiekbesprekingen en multidisciplinaire overleggen;
  • Faciliteren dat laagdrempelig een consult aanvragen bij specialisten van andere organisaties  mogelijk is;
  • Werving van deskundige collega’s en/of ggz-specialisten, zodat het kennis- en vaardigheidsniveau in de organisatie op peil is.

Voldoende plek binnen de specialistische jeugd-ggz

De druk op de zorg is groot, evenals de wachtlijsten. Dit maakt dat professionals in het voorveld soms kinderen behandelen die eigenlijk behandeld moeten worden door specialisten: een soort ‘wachtlijst overbrugging’. Wachtlijsten brengen onzekerheid mee onder kinderen en ouders: ‘Als er echt iets is, is er dan wel de juiste zorg voor mijn kind?’ Op dit moment is er onvoldoende zicht op of de juiste kinderen en jongeren bij de GGZ belanden, welke kinderen ‘gemist’ worden en of er wel voldoende plekken zijn binnen de specialistische jeugd-ggz om naartoe te verwijzen.

Terug naar boven

Tips voor signalering en triage richting de specialistische jeugd-ggz

Er is niet één recept voor het doen van signalering en triage richting de specialistische jeugd-ggz. Op basis van dit kennisdossier kunnen wel een aantal ‘do’s’ geformuleerd worden. Deze staan hieronder uitgewerkt.

Do’s bij signalering en triage richting de (specialistische) jeugd-ggz

  1. Neem een pluis-niet pluisgevoel serieus: een op intuïtie gebaseerd gevoel dat er al dan niet een psychisch probleem kan spelen.
  2. Een consult inroepen van een professional uit de specialistische jeugd-ggz kan helpen om een pluis-niet-pluisgevoel beter te duiden. Specialisten inschakelen, zodat die al in een vroeg stadium mee kunnen denken over de zorgvraag en het zorgplan, kan sneller leiden tot de juiste zorg. Daarbij is van belang dat de professional weet waar de grenzen van zijn/haar kennis liggen.
  3. Organiseer specialistische kennis lokaal (bijvoorbeeld door gedragsdeskundigen in dienst te hebben). Zo kan er laagdrempelig, snel en al in een eerder stadium door specialisten worden meegekeken naar de zorgvraag en route van een kind/gezin.
  4. Zorg voor meer kennis over markers (voorlopers van psychiatrische problematiek) en signalen in de zorg dichtbij huis en op school. De jeugd-ggz kan bijdragen aan het vergroten van deze kennis door bijvoorbeeld deel te nemen aan MDO’s en scholing te geven over: hoe kijk je naar kinderen, wat is normaal gedrag, wat zijn mogelijke signalen van psychische problemen en hoe kom en blijf je in gesprek met ouders en kinderen die complexe problemen hebben en soms maar weinig vertrouwen hebben in de hulpverlening?
  5. Betrek het kind en de ouders nauw bij het proces. Analyseer samen de vraag en neem samen beslissingen. Dat is belangrijk voor een goede signalering en triage waar iedereen achter staat. Ouders en jongeren vinden het van belang dat een professional een kind leert kennen, een gesprek aangaat met ze als ze een niet-pluisgevoel hebben, en dat naast het kind ook de omgeving in kaart gebracht wordt.
  6. Hulpmiddelen zoals vragenlijsten (een bekende is de Strenghts and Difficulties Questionnaire) kunnen het signalerings- en triageproces ondersteunen. Instrumenten zijn daadwerkelijk ondersteunend indien duidelijk is met welk doel het instrument wordt ingezet, het bijdraagt aan het verkrijgen van een beter beeld, het kan worden ingezet als gespreksinstrument, leidraad of geheugensteun voor de zorgverlener, goed kan worden uitgelegd aan kind en omgeving waar het instrument voor dient, er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten en er zoveel mogelijk met hetzelfde instrumentarium wordt gewerkt.
  7. Zorg voor uitwisseling en reflectie binnen teams, bijvoorbeeld in de vorm van een MDO (multidisciplinair overleg), casuïstiekbespreking of het inroepen van een ‘derde paar ogen’ (naast medewerker en cliënt/leerling/gezin). Dit kan de kwaliteit van signalering en triage ten goede komen.
  8. Continuïteit in de personeelsbezetting is een belangrijke randvoorwaarde voor goede signalering en triage. Continuïteit is echter ook een blijvende uitdaging. Daarom is het van belang dat teams zich door wisselingen niet laten ontmoedigen of frustreren, en hier zo goed mogelijk op anticiperen zodat zo min mogelijk kennis en kracht verloren gaat.
  9. Investeer in samenwerkingsrelaties. Denk aan de samenwerking tussen school en de JGZ, en samenwerking tussen wijkteam, JGZ, CJG, huisartsenzorg en de specialistische jeugd-ggz:
    • Kennis hebben van de sociale kaart van zorginstellingen in de regio, inclusief informatie over wachtlijsten;
    • Verwijsafspraken maken, zoals in de landelijke samenwerkingsafspraken jeugd-ggz;
    • Specialisten die (deels) werkzaam zijn of gedetacheerd worden in het voorveld, waardoor kennis over de specialistische ggz aan de voordeur aanwezig is;
    • Laagdrempelig een consult kunnen inroepen van een specialist, korte lijnen, vaste contactpersonen;
    • Nieuwsgierig zijn naar elkaars werk, de bereidheid van elkaar te willen leren, vertrouwen moet groeien;
    • Afstemmen van zorg en kennis hebben van de zorggeschiedenis van gezinnen, zodat er niet meerdere trajecten lopen/liepen waar andere zorgpartijen niet van af weten;
    • Elkaars taal leren kennen; wat wordt er onder begrippen verstaan die in de zorg worden gebruikt?
    • Terugkoppeling van behandeling aan (alle) verwijzers;
    • Afspraken maken over wat te doen bij crisissituaties;
    • Afspraken tussen wijkteam, Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen over de samenwerking bij zorgen over de veiligheid in het gezin.
Terug naar boven

``Als specialisten uit hun spreekkamer in onze school komen, zien ze de potentie van kinderen naast het ziektebeeld. Van belang is dat mensen samen willen kijken vanuit het niet-weten.”

Onderwijszorgspecialist

Kennisvragen voor de toekomst

Goede signalering en triage is essentieel om ervoor te zorgen dat kinderen tijdig maar niet onnodig worden doorverwezen naar de specialistische jeugd-ggz. Er liggen verschillende kennisvragen open om signalering en triage in de toekomst te verbeteren.

Wat is de kwaliteit van signalering en triage in het voorveld?

We weten weinig van de kwaliteit van signalering en triage: worden problemen tijdig gesignaleerd en worden kinderen en jongeren tijdig maar niet onnodig doorverwezen naar de specialistische jeugd ggz? Worden zowel kinderen en gezinnen met enkelvoudige als meervoudige problematiek tijdig gesignaleerd en geholpen? Hierover zijn geen cijfers bekend. Zowel longitudinaal als kwalitatief onderzoek is nodig.

Wat zijn de verschillen in signalering en triage in verschillende settings?

Professionals in verschillende settings kunnen een signalering en triage traject anders aanvliegen. Specialisten kunnen bijvoorbeeld meer denken vanuit een medisch model waarbij factoren worden uitgesloten. Generalisten kunnen op hun beurt proberen om een breed beeld te krijgen van de problematiek en op basis daarvan een inschatting te maken. Op dit moment is onduidelijk wat de invloed is van de verschillende aanvliegroutes op signalering en triage richting de specialistische jeugd-ggz. In een paar regio’s in Nederland wordt nu geëxperimenteerd om de expertise inzet binnen wijkteams af te stemmen op de zorgbehoefte in de wijk, interessant is om te volgen of dit de matching van zorg ten goede komt.

Wat is de (psychometrische) kwaliteit van signalering en triage instrumenten?

Er zijn veel instrumenten signalering en triage ontwikkeld maar er wordt wisselend gebruik gemaakt van deze instrumenten. De precieze behoefte aan instrumenten in de praktijk is diffuus. Daarnaast zijn de psychometrische kenmerken van de meeste van de bestaande instrumenten onvoldoende onderzocht. Onderzoek zou moeten uitwijzen welke instrumenten het meest geschikt zijn om signalering en triage in het voorveld te ondersteunen. Daarnaast heeft de praktijk behoefte aan een tool voor het in kaart brengen van de omgeving en de context van het kind, zodat ingeschat kan worden of er ook problemen in de omgeving spelen, waaronder ggz, schulden verslaving of echtscheiding problematiek.

Wat zijn de hiaten in kennis van psychische problematiek in het voorveld, en hoe kan deze kennis vergroot worden?

Op dit moment is niet duidelijk of professionals in het voorveld voldoende kennis hebben om psychische problemen tijdig te signaleren en hierop de juiste acties te ondernemen, bijvoorbeeld kennis over stagering van stoornissen en (vroege) markers en signalen van psychiatrische problematiek. Is er overal voldoende kennis over psychiatrie om tijdig op te schalen? Welke kennis is nodig en wat is nodig om de kennis te vergroten, zoals meer onderzoek, scholing, kennisdagen, specialisten die werkzaam zijn in het voorveld? Hoe kan de jeugd-ggz zijn deskundigheid overbrengen op het voorveld?

Wat zijn markers van psychische problemen?

Meer kennis ontwikkelen over signalen en markers van psychische problemen is nodig zodat psychische problemen eerder onderkend kunnen worden. Kennis over deze markers moet verspreid worden in het voorveld.

Hoe kan het voorveld laagdrempelig consult inroepen van de jeugd-ggz?

Consult inroepen van specialisten uit de jeugd-ggz kan van grote meerwaarde zijn voor adequate signalering en triage. Dit is echter niet voor alle professionals in het voorveld (gemakkelijk) mogelijk. Er zou gekeken moeten worden naar manieren om dit te vergemakkelijken en wat hiervoor nodig is. Dit vraagt van de jeugd-ggz een meer flexibele rol en een meer integrale manier van werken.

Wat zijn werkzame elementen van het samen beslissen met kind en ouders over de zorgvraag?

Kind en ouders nauw betrekken bij de analyse van de vraag en de passende zorg is belangrijk voor het doen van een goede triage waar iedereen achter staat. Er is echter nog weinig bekend over samen beslissen met ouder en kind werkt in de praktijk.

Hoe kan de terugkoppeling van behandeling in de jeugd-ggz richting voorveld verbeterd worden?

Een terugkoppeling over hoe een intake of behandeling is verlopen naar de verwijzer gebeurt meestal wel naar huisartsen (zorgdomein) hoewel ook daarin verbeteringen nodig zijn, maar de jeugd-ggz koppelt niet standaard terug naar andere verwijzers (wijkteam, POH, JGZ). Een goede terugkoppeling wordt wel als wenselijk gezien, voor de continuïteit van zorg en de afstemming van zorg aan het kind, maar ook voor het doorlopende leerproces van het doen van een goede triage. Hierin is dus nog winst te behalen.

Hoe maak je de kosten van jeugdhulp inzichtelijk?

Een doel van goede triage is ook dat kinderen en jongeren die specialistische zorg nodig hebben die snel krijgen, en dat anderen die het naar waarschijnlijkheid niet nodig hebben niet onnodig verwezen worden. Sneller doorverwijzen naar de juiste maar ook duurdere hulp kan uiteindelijk kostenbesparend werken, als je problemen bijtijds kunt behandelen. Maar hoe maak je dit meetbaar?

Terug naar boven

Expertgroep Signalering en triage

Dit kennisdossier is opgesteld door prof. dr. Frits Boer en dr. Nienke Bekkema, samen met ervaringsdeskundigen en de expertgroep Signalering en triage:

  • Mori van den Bergh (Kinder- en jeugdpsychiater Karakter)
  • Prof. dr. Frank Verhulst (Emeritus hoogleraar Kinder- en jeugdpsychiatrie Erasmus MC)
  • Dr. Matty Crone (Senior onderzoeker LUMC)
  • Ellie Miedema (Programmamanager overgang volwassenheid 16-27 gemeente Amsterdam)
  • Judith Corduwener (POH jeugd ZIO)
  • Else Dallmeijer (GZ psycholoog en jeugdpsycholoog OKT)
  • Suzanne Verdoold (Kwartiermaker buurtgerichte specialistische jeugdhulp Extr@Utrecht)
  • Jeannet Buurman (Manager Kwaliteit en Innovatie CJG Kennemerland)
  • Marijke Vredeveld (Orthopedagoog/Gezondheidszorgpsycholoog Molendrift en WIJ team Groningen)
  • Dr. Yvonne Vanneste (jeugdarts, adviseur NCJ)
  • Liesbeth Buijs (teamleider School Als Werkplaats, Friesland college)
  • Dr. Jolanda Mathijssen (Senior onderzoeker/ onderzoekscoördinator Academische Werkplaats Jeugd, Tranzo, Tilburg University)
  • Martin Beeres (Huisarts, kaderhuisarts ggz, Radboud UMC)

Heeft u vragen, mist u informatie of heeft u een suggestie? Laat dan een reactie achter via het formulier onderaan deze pagina.

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten