Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Jeugd-ggz voor baby’s, peuters en kleuters

Hieronder vindt u betrouwbare kennis over specialistische jeugdhulp aan baby’s, peuters en kleuters (0-6 jaar). Professionals in de jeugd-ggz krijgen inzicht in onder andere: klinisch beeld, signalering en diagnostiek en behandeling.

Het Kenniscentrum heeft de teksten in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen opgesteld en spant zich in om de informatie zo actueel mogelijk te houden. Heeft u suggesties? Deze kunt u doorgeven via het formulier onderaan de pagina.

Op deze pagina

Beschrijving

De vroege ontwikkeling tijdens de prenatale periode en eerste levensjaren die snel en in sterke wisselwerking met omgevingsfactoren verloopt, is van grote betekenis voor de latere ontwikkeling van het kind.

In vergelijking met kinderen boven de zes jaar is er bij jonge kinderen echter nog steeds sprake van ondersignalering, onderdiagnostiek en onderbehandeling. Kinderen jonger dan vijf jaar blijken ondanks aanwijzingen dat problemen even vaak gesignaleerd worden als op oudere leeftijden, 7 tot 9 keer zoveel minder behandeling te krijgen dan oudere kinderen. Voor kinderen jonger dan twee jaar ligt dit percentage behandeling nog lager. Hiervoor zijn meerdere oorzaken: jonge kinderen met psychische en ontwikkelingsproblemen veroorzaken vaak nog weinig (over)last voor de wereld buiten het gezin en vallen daardoor minder op. Verder is er nog onvoldoende bekend over de stabiliteit van vroege problemen, vooral wanneer de presentatie niet extreem is. Tijdens de eerste jaren vinden er immers ingrijpende verschuivingen plaats op alle gebieden van functioneren (Zeanah, Boris & Larrieu 1997). De criteria voor normaal en afwijkend gedrag veranderen daarbij snel over de jaren. Dit leidt in de praktijk vaak tot een te vanzelfsprekend vertrouwen in de gunstige afloop van vroege problemen, terwijl systematisch onderzoek juist een hoge persistentie aantoont. Om deze redenen zijn goede definities en een classificatiesysteem dat zo veel mogelijk gebaseerd is op empirisch onderzoek van belang. Baby's, peuters en kleuters is gebaseerd op de huidige kennis over psychische en ontwikkelingsstoornissen in de vroege kindertijd.

Ggz voor kinderen van 0 tot 6 jaar

De ggz voor het jonge kind richt zich op de zorg voor het kind met ernstige en belemmerende sociaal-emotionele en/of gedragsproblemen of symptomen, al dan niet in combinatie met ontwikkelingsproblemen. Verder richt deze zorg zich de ouders/verzorgers (vanaf hier aangeduid met ‘ouders’), vanaf de geboorte tot aan het zesde levensjaar. Deze zorg beoogt, in nauwe samenwerking met de ouders, de ontwikkeling van het jonge kind in zijn/haar specifieke context te bevorderen en de problemen te behandelen.

Vroegsignalering

Het is belangrijk om problemen vroeg te signaleren en op een juiste wijze te adresseren. Ten eerste, hebben vroege (leer)ervaringen in grote mate invloed op de ontwikkeling omdat het zeer jonge en zich snel ontwikkelende brein extra ontvankelijk en vatbaar is voor zowel positieve als negatieve input. Hierdoor is het effect van vroege interventies op de ontwikkeling relatief groter dan op later leeftijden. Ten tweede, kan met vroege erkenning en interventies de cumulatie van problemen over de tijd beperkt of voorkomen worden; en ten derde, zullen hiermee de negatieve interacties die tussen het kwetsbare kind en zijn/haar omgeving in de loop van de tijd kunnen ontstaan in vroege stadia verminderd en zelfs voorkomen worden voordat zij resulteren in vastere negatieve patronen.

Ontwikkelingsfactoren

De factoren die een rol spelen in de ontwikkeling van psychopathologie bij jonge kinderen zijn niet eenduidig te herleiden. De ontwikkeling verloopt erg snel, waardoor onderscheiden ontwikkelingsgebieden die ook sterk met elkaar verweven zijn extra gevoelig zijn voor onderlinge verstoringen. Een vertraging, verstoring of stoornis op één van de gebieden (bijvoorbeeld taal) kan grote gevolgen hebben voor de ontwikkeling en het functioneren op andere gebieden (bijvoorbeeld contact, emotie- en gedragsregulatie). Verder kunnen problemen die zich uiten in bepaald gedrag in de loop van de vroege ontwikkeling verwijzen naar verschillende processen en daaraan gekoppelde oorzakelijke mechanismen, gelegen in de aanleg in wisselwerking met de omgeving. Dit maakt het noodzakelijk om problemen en symptomen altijd te beoordelen  vanuit het biopsychosociale ontwikkelingsmodel (gericht op de lichamelijke, psychologische en sociale ontwikkeling) en op de interactie tussen het individu en diens  (directe en brede) omgeving. Bezien vanuit het transactionele ontwikkelingsmodel is de wisselwerking tussen het kind en de ouder (en de brede sociaal-maatschappelijke context), een continu dynamisch proces (Sameroff, 1993).

Terug naar boven

Zorg rondom het jonge kind kan betrekking hebben op een brede range aan problemen en stoornissen, zowel qua type als qua ernst. Psychische en ontwikkelingsstoornissen bevinden zich wat dat betreft op een continuüm. Men spreekt dan ook van stoornissen bij het kind indien de problemen/ symptomen gepaard gaan met duidelijke beperkingen in functioneren, rekening houdend met de ontwikkelingsfase/het ontwikkelingsniveau, en/of lijdensdruk welke bij jonge kinderen met name ook de ouders/omgeving zullen treffen.

In het eerste jaar staan problemen met het reguleren van basisfuncties (zoals eten, slapen, kalmeren) vaak voorop. Met deze problemen worden de kinderen dan ook meestal aangemeld. Bij peuters en kleuters staan emotionele en gedragsproblemen (angst, driftbuien of agressie, hyperactiviteit) vaak voorop. Daarnaast kan er al vroeg – vaak al in de eerste twee jaar na de geboorte- sprake zijn van ontwikkelingsproblemen zoals achterstanden of afwijkingen in de (ontwikkeling van) taal en spraak, sociaal contact en communicatie en gedragsrepertoire (ASS). Verder komen voor de problemen en stoornissen in de verwerking van sensorische prikkels, als op zichzelf staande problemen/stoornissen of naast andere stoornissen.

Stoornissen die ontstaan door stressoren en trauma’s gebonden aan de omgeving  zijn de reactieve hechtingsstoornis, sociaal ontremde contactstoornis en posttraumatische stressstoornis, welke ook al op heel jonge leeftijd zijn vast te stellen.

Kindfactoren

De kindfactoren die een rol kunnen spelen in het ontstaan van psychopathologie bij het jonge kind, zijn aanlegfactoren (waaronder temperament en erfelijkheid van/kwetsbaarheid voor ontwikkelingsstoornissen en psychopathologie), prematuriteit en dysmaturiteit die zowel bepaald kunnen worden door kind- als omgevingsfactoren, medische problemen, en een verstandelijk of lichamelijke beperking (Lambregtse-Van den Berg, Visser, Van Ransbeek, Van Lier, & Van Daalen, 2014; Visser e.a., 2015). Deze kindfactoren kunnen ervoor zorgen dat ouders en kind elkaar emotioneel niet meer kunnen bereiken en onvoldoende begrijpen. Hierdoor wordt mogelijk de band tussen ouder en kind verstoord en kan de ontwikkeling van het kind verder bemoeilijkt worden.

N.B. Voor een uitgebreide beschrijving van de gehechtheids- en ontwikkelingsproblematiek verwijzen wij naar de richtlijn problematische gehechtheid (juli 2014). Voor een uitgebreide beschrijving van zwangerschapspsychiatrie verwijzen wij naar de website van het Landelijk Kenniscentrum Psychiatrie en Zwangerschap.

De (sociale) omgeving

Ouder-kind interactie

Gedurende de vroege ontwikkeling vormen de primaire verzorgers de meest directe omgeving van het kind. Binnen de interactie tussen ouder en kind kunnen diverse factoren bij het kind en de ouder aanwezig zijn die een rol spelen in het ontstaan van (risico voor) psychopathologie bij het jonge kind of die juist een beschermend effect hebben. Gelet op risicofactoren, hebben problemen en stoornissen bij het kind direct implicaties voor de gezins- en opvoedingssituatie en omgekeerd. Van begin af aan kan de intra-uteriene omgeving de ontwikkeling beïnvloeden. Na de geboorte leert het kind zichzelf geleidelijk aan te reguleren binnen het nauwe samenspel van de interactie/relatie met zijn/haar ouders. In de interactie tussen ouder en kind kunnen de problemen bij de ouder - via verminderde sensitiviteit en opvoedvaardigheden - en de problemen van het kind elkaar dan ook versterken. Ouder gebonden factoren die aan het ontstaan of verergeren van psychopathologie bij het jonge kind kunnen bijdragen zijn ouderlijke psychopathologie (waaronder postpartumdepressie en –psychose), verslavingsproblemen, en ook een verleden van verwaarlozing, mishandeling en/of (onverwerkte) trauma’s (Goodman & Gotlib, 1999; Lambregtse-Van den Berg e.a., 2014).

Sociaal-maatschappelijke context

Het gezin van het kind neemt ook deel aan een brede sociaal-maatschappelijke en culturele context die ook van grote invloed is op het hele functioneren. Behalve de visie, normen en waarden van de familie, gaat het hier tevens om beschermende of risicovolle leefomstandigheden zoals sociale isolatie, armoede, ziekte, en stressvolle levensgebeurtenissen. Wanneer dit de ouders van jonge kinderen treft, kan dit behalve op hun rol als verzorger en opvoeder (verminderde draagkracht en draaglast) ook een enorme weerslag hebben op hun kind. Het is daarom noodzakelijk om deze informatie niet te missen voor een betrouwbare, volledige diagnostiek die als basis zal dienen van interventies.

Terug naar boven

Preventie in de kinder- en jeugdpsychiatrie is erop gericht psychopathologie bij jonge kinderen te voorkomen en om de ernst en de gevolgen daarvan te beperken.

Er zijn primaire preventieve interventies waarin bijvoorbeeld algemene informatie aan (aanstaande) ouders wordt verschaft op het gebied van roken, medicatie-, alcohol-, en drugsgebruik, depressieve klachten en/of stress. Bij gezinnen met risicofactoren kunnen selectieve primair preventieve interventies worden ingezet (zoals VoorZorg, Ouder-Baby interventie), bijvoorbeeld bij ouders met psychopathologie en/of verslavingsproblematiek voorafgaand aan de conceptie, tijdens de zwangerschap en na de bevalling en/of als sprake is van huiselijk geweld; bij tienermoeders tijdens de zwangerschap en na de bevalling en bij gezinnen met pre- of dysmature kinderen (Feldman, 2004). Hierbij staan gezond gedrag in het algemeen, (voorbereiding op) het ouderschap en het verkleinen van de kans op kindermishandeling centraal.
N.B. Voor een uitgebreide beschrijving van zwangerschapspsychiatrie verwijzen wij naar de website van het Landelijk Kenniscentrum Psychiatrie en Zwangerschap.

VoorZorg is gebaseerd op het Amerikaanse programma Nurse Family Partnership dat ontwikkeld werd door prof. David Olds. In Nederland is een gerandomiseerd onderzoek naar de effecten van VoorZorg uitgevoerd. Voor meer informatie over VoorZorg in Nederland, zie: www.voorzorg.info.

Secundaire preventie wordt beoogd door interventies gericht op vroegsignalering, met aandacht voor signalering van ontwikkelingsproblematiek bij kind, als ook problematiek in de ouder-kind relatie. En tertiaire preventie wordt beoogd met Interventies die uitgaan van behandeling, waarbij het doel is om de ernst te beperken dan wel herhaling te voorkomen.

Terug naar boven

Anda, R.F., Felitti, V.J., Bremner, J.D.,  Walker, J.D., Whitfield, C., Perry, B.D., Dube, S.R., Giles, W.H. (2006). The enduring effects of abuse and related adverse experiences in childhood. A convergence of evidence from neurobiology and epidemiology. European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience, 174-186.

Goodman, S. H., & Gotlib, I. H. (1999). Risk for psychopathology in the children of depressed mothers: a developmental model for understanding mechanisms of transmission. Psychological Review, 106 (3), 458-490.

Sroufe, L. A. (2005) Attachment and development: a prospective, longitudinal study from birth to adulthood. Attachment & Human Development, 7 (4), 349-367.

Teicher, M. H., Andersen, S. L., Polcari, A., Anderson, C. M.,  Navalta, C. P. & Kim, D. M. (2003). The neurobiological consequences of early stress and childhood maltreatment. Neuroscience and Biobehavioral Reviews, 27 (1-2), 33-44.

Vaughn, B. E. (2005). Discovering pattern in developing lives: reflections on the Minnesota study of risk and adaptation from birth to adulthood. Attachment & Human Development, 7 (4), 369-380.

Lambregtse-Van den Berg, M.P., Visser, J.C., Van Ransbeek, S., Van Lier, M.H.M., & Van Daalen, E. (2014). Stoornissen van de zuigeling-, peuter- en kleuterleeftijd. In F.C. Verhulst, F. Verheij & M. Dankaerts (Eds.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie (pp.137-192). Assen: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum.

Visser, J., Nijboer, M., Aarts, P., Hofman, E., Van der Hulst, L., De Roos, Y., Kuijl, I., & Pestel, N. (2015). Flow chart 0-6 jarigen [Electronic version]. Retrieved May 23, 2015 from first author.

Zeanah, C. H., Boris, N. W., & Larrieu, J. A. (1997). Infant development and developmental risk: A review of the past 10 years. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry36(2), 165-178.

Zero to Three (2016). Diagnostic Classification of Mental Health and Developmental Disorders of Infancy and Early Childhood (DC:0-5). Washington, DC: ZERO TO THREE.

Terug naar boven

Diagnose

De diagnostiek bij kinderen van 0 tot 6 jaar vraagt om specifieke kennis en methodieken die nodig zijn om de vroege normale en ver-/gestoorde ontwikkeling in wisselwerking met de omgeving goed te kunnen beoordelen. De veelheid en diversiteit aan ontwikkelingsdomeinen en kindfactoren die betrokken zijn bij het ontstaan van problemen en stoornissen, samen met factoren in de omgeving vereisen multidisciplinaire samenwerking. In de praktijk zijn dit vaak een GZ- of klinisch psycholoog, een orthopedagoog, een kinder- en jeugdpsychiater,  en ook een logopedist, een fysiotherapeut, een jeugd- of huisarts een verpleegkundige en/of een kinderarts/-neuroloog. Diagnostiek en behandeling van jonge kinderen met psychopathologie vinden meestal plaats in gespecialiseerde centra, maar signalering wordt met name gedaan door huisartsen, jeugdartsen en kinderartsen. Het Kompas kinder- en jeugdpsychiatrie kan hierbij een hulpmiddel zijn.

Zoals al eerder beschreven is er bij jonge kinderen een grote overlap in problematiek op verschillende ontwikkelingsterreinen en komen verschillende problemen vaak samen voor (co-morbiditeit). Bij jonge kinderen zijn verschillende ontwikkelingslijnen sterk met elkaar verweven. Deze verwevenheid betekent dat problematiek vaak niet onder slechts een noemer getypeerd kan worden.

Bij heel jonge kinderen uiten emotionele en psychische problemen zich vaak in eerste instantie en het meest opvallend in basaal fysiologische functies als slaap-waak ritme, voeding en regulatie (bijvoorbeeld overmatig huilen). Vanaf het tweede jaar kunnen motorische of taalontwikkelingsproblemen juist op de voorgrond staan. Deze problemen worden nog weleens als geïsoleerde fenomenen onderzocht en behandeld. Dit kan erin resulteren dat het kind en de ouders een lang, vaak weinig effectief traject doorlopen, voordat er aandacht komt voor andere (en onderliggende) ontwikkelingsaspecten en sociaal-emotionele aspecten. Anderzijds kan net als op oudere leeftijden somatische problematiek soms aangezien worden voor sociaal-emotionele problemen, reden waarom een geïntegreerde benadering van somatische, ontwikkelings- en psychische aspecten nodig is.

Hulpmiddelen voor screening en diagnostiek

Van sommige instrumenten zijn de psychometrische kwaliteiten nog maar net bewezen, of (Nederlandse) normgegevens nog niet beschikbaar en/of  afgeleid uit internationaal onderzoek. Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie pretendeert niet volledig en uitputtend te zijn. Deze beschrijving kan beschouwd worden als de huidige stand van zaken op het gebied van wetenschappelijk onderbouwd ontwikkelingsonderzoek bij het jonge kind.

Classificatie van psychische en ontwikkelingsstoornissen volgens de DC: 0-5

Voor het jonge kind van 0 tot 6 jaar is een specifiek diagnostisch classificatiesysteem recent doorontwikkeld dat zo veel mogelijk is onderbouwd met empirisch onderzoek: de  Diagnostic Classification of Mental Health and Developmental Disorders of Infancy and early Childhood  (DC:0-5; Zero to Three, 2016). De DC:0-5 is een volwaardig classificatiesysteem dat gebruikt kan worden voor deze leeftijdsrange en dat in hoge mate – maar niet volledig - compatibel is met de DSM-5. Zo blijft in de DC: 0-5 een multi-axiaal classificatiesysteem (5 assen) behouden om de uiteenlopende dimensies en domeinen die relevant zijn voor de diagnostiek onder de aandacht te brengen en te beschrijven, en zijn er leeftijdsgebonden specificaties aangebracht wanneer daar wetenschappelijke onderbouwing voor is. Wat As 1 betreft, wordt het bij ASS en ADHD mogelijk om kinderen onder de 3 jaar in te delen in een atypische/ vroege ASS of ADHD categorie wanneer zij nog niet aan de volledige kenmerken voldoen. Verder zijn er meer ontwikkeling-sensitieve criteria gekomen voor de angst-, stemmingsstoornis en posttraumatische stressstoornis, alsook voor de eet- en slaapstoornissen. In de DC:0-5 zijn de disruptieve, impuls beheersings- en andere gedragsstoornissen van de DSM-5, vervangen door de Stoornissen van Ontregelde Boosheid en Agressie waarbij de focus voor jonge kinderen ligt op de extreme  prikkelbaarheid en emotieregulatie zwakte. Daarnaast bevat de DC:0-5 aanvullende classificaties op het niveau van het kind zoals de stoornis in sensorische verwerking, stoornis van overmatig huilen (crying disorder), en de relatie-specifieke stoornissen van de zuigelingen en vroege kinderleerleeftijd wanneer de symptomen uitsluitend optreden binnen een ver-/gestoorde ouder-kind relatie. Met As II wordt in de DC:0-5 de (adaptatie binnen de) ouder-kind relatie systematisch beschreven, waarbij de bijdrage van de ouder- en die van het kind wordt meegenomen. Op As III worden behalve de actuele (para)medische-somatische aandoeningen, ook de eventuele prenatale (risico)factoren genoteerd. As IV geeft de mogelijkheid om naast stressfactoren, ook de impact ervan te noteren. Op as V tenslotte, wordt het competentieniveau aangegeven op emotioneel, sociaal-relationeel, taal-communicatie, cognitief en motorisch niveau. Tenslotte worden in de DC: 0-5 de sociaal-maatschappelijke en culturele aspecten in de diagnostische formulering meegenomen.

Terug naar boven

Signalering en screening

Professionals die buiten de in jonge kinderen gespecialiseerde ggz in contact komen met jonge kinderen spelen een belangrijke rol bij het signaleren van mogelijke emotionele en gedragsproblemen. Zij kunnen risicofactoren en vroege symptomen van psychopathologie herkennen. Gegevens van het consultatiebureau en screeningsinstrumenten kunnen daarbij behulpzaam zijn. Deze laatste kunnen na signalering, maar ook ter screening van alle kinderen van een instelling gebruikt worden met als doel te helpen beslissen voor welke kinderen een verwijzing voor specialistische diagnostiek nodig is.

Er zijn enkele instrumenten beschikbaar die zich richten op screening van ontwikkelingsproblemen (bijvoorbeeld Van Wiechenschema op consultatiebureau, CoSoS (voorheen: ESAT)BITSEACBCL 1½-5). Met deze instrumenten kunnen echter geen diagnostische uitspraken gedaan worden (Gilliam & Mayes, 2004).

Screening is doorgaans ook de eerste fase van het klinisch diagnostisch proces. Deze fase is vooral gericht op het onderkennen van problemen, beschermende factoren en risicofactoren. Het wordt aangeraden om een breed screeningsinstrument te gebruiken dat ook inzicht geeft in de mogelijke aanwezigheid van comorbide stoornissen (Gunning, 2009). Een voorbeeld hiervan is de CBCL 1½-5.

Bij de screening van jonge kinderen zijn er drie grote categorieën instrumenten te onderscheiden (Vliegen e.a., 2007):

  1. Interviews met de primaire zorgfiguren over hoe deze (de relatie) met zijn/haar kind ervaart (op interview gebaseerde instrumenten)
  2. Vragenlijstrapporteringen door (primaire) verzorgers over hun dagelijkse observaties van het kind.
  3. Instrumenten gebaseerd op de observatie van het kind in relatie tot haar/zijn primaire zorgfiguur (op observatie gebaseerde instrumenten)

Het uitgangspunt van de screening is het informatie verzamelen over het kind, de ouder en de ouder-kindinteractie. Om een volledig, integraal beeld te krijgen gebruikt men een combinatie van bovenstaande instrumenten. Daarnaast is het belangrijk om actief door te vragen bij ouders. De ervaring leert dat ouders niet altijd alles invullen in vragenlijsten omdat ze wellicht een link niet leggen. In een interview kan hierop worden doorgevraagd.

Bij het samenstellen van de aanbevolen instrumenten [link Toelichting per stoornis] is met name geselecteerd op instrumenten:

  • waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat zij effectief zijn
  • waarvan een goede Nederlandse vertaling en goede normgegevens beschikbaar zijn (dan wel binnenkort beschikbaar komen)
  • die aansluiten bij ‘de beste klinische praktijk’ binnen het vakgebied

Ten aanzien van de voorgestelde instrumenten geldt dat ze in eerste instantie gericht zijn op het in kaart brengen van de aanwezige problematiek en het ontwikkelingsniveau van het jonge kind. De voorgestelde instrumenten kunnen echter ook gebruikt worden in het kader van het inzetten van de meest passende behandelingsstrategie en/of dienen voor het evalueren van de behandeling. Tevens wordt in onderstaande tabel een overzicht gegeven van een aantal instrumenten die de kwaliteit van de ouder-kindrelatie in kaart brengen en onderzoeken. 

Daarnaast zijn er ook instrumenten die uitgebreider en diepgaander aspecten van vroege ontwikkeling en symptomatologie (bijvoorbeeld de ITSEA) beoordelen, zodat verdere behandeling vorm kan krijgen. Deze instrumenten zijn bedoeld om naar competenties en moeilijkheden in de ontwikkeling te kijken, maar voldoen niet om een diagnose te stellen (Gilliam & Mayes, 2004). Hiervoor moet immers meer dan enkel de frequentie van gedragingen bevraagd worden (Casalin & Vliegen, 2009). 

Diagnostiek

Diagnostiek bij het jonge kind heeft als doel de ontwikkeling te beoordelen door het in kaart brengen van zowel risicofactoren als beschermende factoren bij jonge kinderen binnen hun gezin. Diagnostiek gebeurt in een gespecialiseerde instelling, doorgaans in een ambulante setting maar ook wel als kinderen bijvoorbeeld in deeltijd dagbehandeling zitten. Daarnaast kunnen er ook indicaties zijn voor diagnostiek binnen en (semi) residentiële setting. Bij de diagnostiek van het jonge kind houdt men rekening met het feit dat kinderen zich in een hoog tempo ontwikkelen en dat een diagnose kan veranderen over de tijd. Diagnostiek (en behandeling) van het jonge kind vindt altijd plaats in de context van, en bij voorkeur in de natuurlijke omgeving van het jonge kind. Het is dan ook van belang dat de informatie via verschillende bronnen (ouders, kinderdagverblijf, school en andere betrokkenen) en met verschillende methoden ((ouder-)anamnese, observatie en ontwikkelingsonderzoek) wordt verzameld. In aanvulling hierop wordt doorgaans eveneens informatie ingewonnen over de opvoedbelasting, en over beschermende en stressfactoren binnen het gezin en de brede leefomgeving. In aanvulling hierop is het belangrijk om zorg te besteden aan de werkrelatie met ouders gezien hun cruciale rol in het leven van het jonge kind. Daarbij wordt afgestemd met de vragen behoeften en mogelijkheden van ouders.

De instrumenten die bij de diagnostiek worden ingezet richten zich daarbij zowel op symptomen als op competenties van het jonge kind (binnen het gezin). Daarnaast is het belangrijk meegemaakte gebeurtenissen in het leven van het kind (en ouders) uit te vragen en een trauma-checklist te gebruiken.

Anamnese, observaties en informatie van derden

Op de screening volgt de fase met klachten-, ontwikkelings- en gezinsanamnese, observaties van het kind en de ouder-kindinteractie, ontwikkelingsonderzoek en het verzamelen van informatie van derden.

De diagnostische fase bij het jonge kind moet zorgvuldig worden uitgevoerd en is een wezenlijk onderdeel van de interventie en behandeling. Een foutief of slecht getimed gebruik van diagnostische instrumenten kan de onrust bij ouders vergroten of de problematiek bij het jonge kind in standhouden.

Behulpzaam bij de klinische diagnostiek zijn diagnostische classificatiesystemen, zoals de eerder beschreven DSM-5 en DC:0-5. Ook zijn er instrumenten waarmee beoordeeld kan worden of er aanwijzingen zijn voor een specifieke diagnose bij het jonge kind (bijvoorbeeld diagnostiek en van moeilijk , regulatie, ODD, CD, ADHD, PTSS, eetstoornissen en autisme bij peuters en kleuters (bijvoorbeeld , ADOS-2M-CHAT, TSCYC,  klik op de instrumenten voor een beschrijving).

Er zijn diverse instrumenten om de ontwikkeling en intelligentie van het jonge kind in kaart te brengen (bijvoorbeeld SON-R, BAYLEY-III-NLWPPSI-IIIMullen Scales, RAKIT-2 , Vineland-z; en PEP-R vvoor kinderen met zeer laag niveau klik op de instrumenten voor een beschrijving). Vanwege de mate van beïnvloeding van de verschillende ontwikkelingsgebieden (cognitief, spraaktaal, motoriek, lichamelijk, emotioneel en sociaal) onderling, kan aan de hand van de ontwikkelingsschalen en intelligentietests geen uitspraak gedaan worden over het niveau in de toekomst. De validiteit en betrouwbaarheid gelden voor het moment van afname, maar worden minder valide en betrouwbaar naarmate de tijd verstrijkt. De wederzijdse beïnvloeding tussen verschillende ontwikkelingsgebieden is op babyleeftijd het grootst en neemt af naarmate het kind ouder wordt.

Bij onderzoek naar de problematiek van het jonge kind wordt ook gekeken naar de kwaliteit van de ouder-kindrelatie. Het observeren van de ouder-kindinteractie (bij voorkeur met een gestandaardiseerd instrument bijvoorbeeld de EAS), is een belangrijk onderdeel in de diagnostiek  Er bestaan enkele richtlijnen die ook adviezen geven over diagnostiek van specifieke problematiek, zoals richtlijn Problematische gehechtheid.

Daarnaast wordt standaard onderzocht in welke mate er sprake is van opvoedingsstress bij ouders, bijvoorbeeld met behulp van de OBVL.

Somatisch en klinisch genetisch onderzoek

Om verschillende redenen is het bij de diagnostiek naar kinderpsychiatrische stoornissen bij het jonge kind belangrijk om ook onderzoek naar mogelijke genetische afwijkingen nadrukkelijk te overwegen. Ten eerste is het omwille van de jonge leeftijd veelal de eerste keer dat het kind uitgebreid wordt onderzocht. Ten tweede is het juist op deze leeftijd belangrijk om mogelijke andere (somatische) problemen die met een onderliggende genetisch syndroom kunnen samenhangen vroeg te onderkennen omdat dan screening en preventie van deze somatische ziekten gedaan kan worden. En tot slot kan het wel of niet vaststellen van een genetische oorzaak belangrijk zijn voor de mogelijke kinderwens van ouders.

De toegankelijkheid van genetische screening is in de afgelopen jaren sterk toegenomen. Hoewel er geen scherpe criteria zijn om dit soort onderzoek in te zetten is het zo dat naarmate er sprake is van combinaties van zwakbegaafdheid, een aan autismespectrumstoornis en de aanwezigheid van dysmorfe kenmerken de indicatie steeds sterker is. Zie ook de richtlijn autisme. Het onderzoek kan worden aangevraagd door de behandelend kinderpsychiater maar verwijzing naar een klinisch geneticus is ook een van de mogelijkheden.

Ouder-kinddiagnostiek

Bij onderzoek naar de problematiek van het jonge kind wordt systematisch diagnostisch gekeken naar het (probleem)gedrag van het kind, en de kwaliteit van de ouder-kind relatie (bijv),. Veder wordt standaard onderzocht in welke mate er sprake is van opvoedstress (bijv. OBVL (opvoedingsbelasting)).
Het observeren van de ouder-kindinteractie (bij voorkeur met een gestandaardiseerd instrument bijv. EAS), is een belangrijk onderdeel in de diagnostiek Er bestaan enkele richtlijnen die ook adviezen geven over diagnostiek van specifieke problematiek, zoals richtlijn problematische gehechtheid.

Terug naar boven
Signalering Screening Diagnostiek
Kind en gedrag CoSos (voorheen: ESAT) CBCL 1½-5
SDQ 3-4 jr
BITSEA
ITSEA 1-3 jr
M-CHAT
CBCL 1½-5
ADOS, AOSI (Autism Observation Scale for Infants; zie ook richtlijn autisme)
Ontwikkeling Ages and Stages Questionnaire BSID-ll-NL
Mullen Scales
WPPSI-R
WNV-R
SON-R 2,5-7 jr
PEP-R
BRIEF-P (executieve functies vragenlijst)
PAPA
Vineland (adaptief functioneren)
Sensory Profile (sensorische verwerking)
Ouder Edinburgh (Postnatal) Depression Scale (E(P)DS)
Zelfbeoordelingsvragenlijst (ZBV)
Kind-ouderinteractie Lijst signalen verstoorde gehechtheid (LSVG; in ontwikkeling) AISI EAS
AMBIANCE
FEAS
PDI
WMCI
PRFQ
Omgeving / gezin OBVL

Tabel 1. Aanbevolen instrumenten voor signalering, screening en diagnostiek bij kinderen van 0 tot 6 jaar. 

Toelichting per stoornis

Autismespectrumstoornissen

De screeningsinstrumenten COSOS, SCQ, SRS en M-CHAT kunnen worden ingezet bij het vermoeden van ASS bij jonge kinderen. Bij diagnostiek op indicatie kan de ADOS-2 gebruikt worden. Lees meer over diagnostische instrumenten voor autisme.

Externaliserende stoornissen

Gedrag dat samenhangt met ADHD kan in kaart worden gebracht met de CBCL, CTRF en de Conners’ Parent Rating Scale-Revised. Voor diagnostiek van ADHD of gedragsstoornissen (ODD/CD) is de GvK beschikbaar. Daarnaast is het van belang om het cognitieve en taalontwikkelingsniveau te bepalen en visus en gehoor te controleren wanneer er een vermoeden is van ADHD of gedragsstoornissen.

De PICS-4-NL (Parent Interview for Child Symptoms; Schachar e.a., 2008), de  TTI-4-NL (Teacher Telephone Interview; Tannock e.a., 2002) en de K-DBDS zijn semi-gestructureerde diagnostische instrumenten die in aanmerking komen om te gebruiken. Deze zijn voornamelijk ontwikkeld voor het diagnosticeren van externaliserende gedragsstoornissen (ADHD, ODD, CD) en het screenen op diagnoses van andere emotionele en psychische stoornissen. De PICS kan bij de ouders gebruikt worden en de TTI bij de leerkracht. De K-DBDS is een goed bruikbaar interview voor afname bij ouders van jonge kinderen.

Stoornissen in de sensorische verwerking

Jonge kinderen kunnen ernstige en belemmerende problemen laten zien in de regulatie van sensorische input. Zij uiten zich in hyperreactiviteit (bijvoorbeeld versterkte respons, korte latentietijd van respons, en tragere habituatie of gewenning aan respons), hyporeactiviteit (bijv. verlaagde respons, lange latentietijd van respons), of atypische reactiviteit t.a.v. sensorische prikkels zoals overmatige en ongebruikelijke sensorische exploratie. Deze stoornissen kunnen zich in meer dan een sensorische modaliteit manifesteren (tactiel, visueel, auditief, vestibulair, olfactorisch, smaak, proprioceptief, en enteroceptief). Zij worden niet eerder verklaard door een andere stoornissen (bijv. ADHD, angststoornissen, ASS) maar kunnen wel samen met die stoornissen voorkomen, met uitzondering van ASS waarbij sensorische verwerkingsproblemen al deel uitmaken van de kern symptomen.

Er zijn verschillende instrumenten waarmee de aard en ernst van specifieke domeinen van de regulatiestoornis in kaart kunnen worden gebracht. Zo kan er gebruik worden gemaakt van een screeningsinstrument voor regulatiestoornissen (ITSC). Specifiek voor sensorische prikkelverwerking bij kinderen van 0 tot 36 maanden is er de ITSP-NL. Voor het inschatten van de mate van emotionele en gedragsproblemen zijn er diverse instrumenten (bijvoorbeeld CBCLITSEABITSEA). Met de Bayley-ontwikkelingsschalen en de Mullen Scales of Early Learning is het mogelijk motorische en cognitieve ontwikkelingsachterstanden op te sporen.

Internaliserende stoornissen

Naast (spel-)observaties van het jonge kind in verschillende situaties wordt de CBCL veelvuldig ingezet bij de diagnostiek van depressie en angst vanaf de leeftijd van 1,5 jaar. Voor het opsporen van depressieve symptomen bij kinderen tussen de drie en zes jaar oud is de screeningslijst Preschool Feelings Checklist (PFC) ontwikkeld.

Inslaapstoornissen en overmatig huilen

Een inslaapprobleem kan worden vastgesteld aan de hand van de door St James-Roberts (2012) gemodificeerde criteria van Richman (1981; het kind heeft de meeste nachten meer dan 30 minuten nodig om in slaap te vallen). Er is geen specifiek instrument om slaapstoornissen en overmatig huilen mee vast te stellen. Wel is de richtlijn Excessief huilen beschikbaar. Van belang is dat (soms irrealistische) verwachtingen en culturele factoren een belangrijke rol spelen in de ervaring van slaapproblemen bij 1tot 2-jarigen. Bij inslaapproblemen die na het 2e, 3e jaar voortduren gaan interactie- en gedragsproblemen een grotere rol spelen.

Overmatig huilen wordt meestal met “de regel van 3” gedefinieerd: het kind huilt minstens drie uur lang, in frequentie van minstens 3 dagen per week en gedurende tenminste 3 weken. Het huilen kan niet beter verklaard worden door een somatische oorzaak. De symptomen en/of de aanpassingen daaraan door de omgeving leiden tot significante beperkingen in functioneren (DC: 0-5; Zero to Three, 2016).

Voedings- en eetstoornissen

De mogelijke aanwezigheid van voedings- en eetstoornissen wordt onderzocht aan de hand van een anamnese, psychodiagnostiek van het kind, onderzoek naar de ouder-kindinteractie (zowel tijdens als buiten een voedingssituatie) en observatie van het kind in een spelsituatie. Een screeningsinstrument dat kan worden ingezet is de Montreal Children’s Hospital (MCH) Feeding Scale. Voorbeelden van observatie-instrumenten zijn de Mealtime Observation Schedule en de Feeding Scale.

Posttraumatische stressstoornis

Informatie voor het stellen van de diagnose PTSS bij jonge kinderen zal voornamelijk via de ouders worden verzameld. Herbelevingen van het trauma is bij jonge kinderen veelal terug te zien in hun spel. In het kader van specifieke diagnostiek kunnen de Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC) en een interview zoals de Diagnostic Infant and Preschool Assessment (DIPA) worden gebruikt.

Stoornissen van de ouder-kindrelatie

Twee instrumenten die gebruikt kunnen worden om een relatieclassificatie vast te stellen zijn de PIR-GAS en de RPCL. Deze instrumenten worden idealiter ingevuld op basis van geobserveerde ouder-kindinteracties, subjectieve ervaringen van de ouder met het kind en subjectieve uitingen van het kind in relatie tot de ouder.

Terug naar boven

Casalin, S. & Vliegen, N. (2009). De baby en zijn omgeving in beeld. Instrumenten die kunnen helpen bij de klinische diagnostiek van vroege ontwikkeling binnen primaire relaties. Tijdschrift Klinische Psychologie, 39 (4), 243-265.

Gilliam, W.S., & Mayes, L.C. (2004). Assessing development as an infant mental health technique: Integrating clinical and psychometric perspectives. In Del Carmen- Wiggins, R. & Carter, A.S. (Eds.), Handbook of infant and toddler mental health assessment (p 185-203). New York, NY: Oxford University Press.

Gunning, W.B. (2009). Aandachtstekort-/hyperactiviteitsstoornissen. In: F.C. Verhulst & F. Verheij (red.), Kinder- en jeugdpsychiatrie: onderzoek en diagnostiek. Assen: Koninklijke van Gorcum.

Richman, N. (1981). A community survey of the characteristics of the 1-2 year-olds with sleep disruptions. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 20, 281-291.

St James-Roberts, I. (2012). The origins, prevention, and treatment of infant crying and sleeping problems. An evidence-based guide for healthcare professionals and the families they support.London/New York: Routledge.

Tannock, R., Hum, M., Masellis, M., Humphries, T., & Schachar, R. (2002). Teacher telephone interview for children’s academic performance, attention, behavior and learning: DSM-IV Version (TTI-IV). Toronto: The Hospital for Sick Children.

Vliegen, N., Casalin, S., & Breesch, K. (2007). Rondom de baby. Klinische diagnostiek van vroege ontwikkeling binnen primaire relaties. Tijdschrift Klinische Psychologie, Themanummer ‘Tot de puzzel past: Psychodiagnostiek in de praktijk’, 37(3), 159-168.

Zero to Three (2016). Diagnostic Classification of Mental Health and Developmental Disorders of Infancy and Early Childhood: DC:0-5). Washington, DC: ZERO TO THREE.

Terug naar boven

Behandeling

De behandeling voor het jonge kind richt zich op het sociale en emotionele welzijn van het kind en zijn ouders. Zorg voor het jonge kind focust op relaties in het heden en in het verleden, stoornissen van het kind, maar ook op situaties waarin de relatie tussen de ouder en het kind bedreigd wordt en/of onder druk staat (Zeanah e.a, 2009). Omdat (de ontwikkeling van) het jonge kind nog onlosmakelijk aan de ouder verbonden is, zal de behandeling van het jonge kind altijd in relatie tot de ouder/primaire verzorger zijn. Naast kindgerichte behandeling zal er gekeken moeten worden naar de interactie tussen kind en ouders, zowel het fysieke contact als het achterliggende affect en de emoties van ouder en kind, en het functioneren van het (gezins-)systeem. Er is daarbij altijd oog voor de eerdergenoemde contexten, waarbij de relationele en omgevingsfactoren centraal staan. De frequentie van therapeutische contacten zal ook moeten worden afgestemd op de mogelijkheden en ontwikkeling van ouder en kind.

De behandeling van het jonge kind omvat het behandelen van het probleemgedrag van het kind, de eventuele psychische klachten van de ouder, het functioneren van de ouder als verzorger en tevens de interactie tussen kind en zijn omgeving. Methodische ouderbegeleiding kan hierbij handvatten bieden. Het bevorderen van het mentaliserend vermogen van de ouder speelt een belangrijke rol in het versterken van de ouder-kindrelatie. In de praktijk lijkt dit met behulp van psychotherapie tot gunstige resultaten te leiden. 

Brede multidisciplinaire zorg

Brede (multidisciplinaire) zorg op zowel het gebied van diagnostiek als behandeling is essentieel in de behandeling van het jonge kind. Problemen van jonge kinderen en hun ouders kunnen zeer verschillend zijn in aard en ernst, waardoor de zorg voor het jonge kind een multidisciplinair werkveld is en grensoverschrijdend wat betreft de verschillende zorg die in de jeugdgezondheidszorg wordt aangeboden. Een goede samenwerking tussen hulpverleners van verschillende disciplines en instanties is dus essentieel.

Vroegtijdige behandeling

Enkele algemene uitgangspunten van interventies bij jonge kinderen zijn:

  • De behandeling wordt voor en gedurende de behandeling afgestemd met ouders/verzorgers;
  • Elke behandeling heeft een ouder- en kind component en ouders/verzorgers worden nauw betrokken bij de behandeling. Zo nodig worden andere personen uit het systeem rond het kind bij de behandeling betrokken;
  • Psycho-educatie vormt een onderdeel van de interventie;
  • Er zijn duidelijke doelen omschreven over wat de behandelmodule beoogt te bereiken (en met welke meetinstrumenten deze doelen bij start-, tussen- en eindmeting gemeten kunnen worden);
  • Er dient een fasering te zijn (met doelen per fase), afgebakend in de tijd, met een nader omschreven tijdsduur en frequentie;
  • De geboden behandelmodule moet theoretisch zijn onderbouwd;
  • De behandelmodule dient zo beschreven te zijn dat de uitvoering getoetst/ onderzocht kan worden bij implementatieonderzoek;
  • De functie eisen van de behandelaar die de behandelmodule uitvoert zijn gespecificeerd.
Terug naar boven

Zorg voor het jonge kind omvat een continuüm variërend van het bieden van concrete hulp, via emotionele steun, opvoedings- en ontwikkelingsondersteuning en diagnostiek van de vroege relatie, naar gedragstherapeutische interventies, ouder-kindpsychotherapie en psycho-educatie (Maldonado, 2002; Rexwinkel et al., 2011). Er zijn inmiddels veel interventies voorhanden om de ontwikkeling van een gezonde ouder-kindrelatie en een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling van het jonge kind te bewerkstelligen. Deze interventies zetten vaak in op het verminderen van risicofactoren en/of het versterken van beschermende factoren en de ouder-kindrelatie (Rexwinkel et al., 2011). Het is van belang dat de behandeling voor en tijdens de behandeling wordt afgestemd met de ouders en dat zij nauw betrokken worden bij de behandeling (Visser et al., 2015). Het bevorderen van het mentaliserend vermogen van de ouder door middel van psychotherapie lijkt een belangrijke rol te spelen in het versterken van de ouder-kindrelatie.

Gedegen wetenschappelijk onderzoek dat de effectiviteit van interventies bij het jonge kind empirisch aannemelijk maakt ontbreekt vaak nog. Opvallend is verder dat de overgrote meerderheid van de interventies wordt ingezet vanaf de peuter- of kleuterleeftijd. Voor de jongste groep kinderen zijn nog relatief weinig erkende programma's beschikbaar. 

Onderstaande is een weergave van veel gebruikte behandelmethodes bij het jonge kind. Met dit overzicht pretenderen we niet volledig en uitputtend te zijn en moet beschouwd worden als de huidige stand van meest gangbare evidence- and practice-based behandelmethodes voor het jonge kind. 

Ouder-kindpsychotherapie

Psychotherapieën bij het jonge kind - zoals Parent–Child Interaction Therapy (PCIT), Incredible Years, Helping the Noncompliant Child, Triple P–Positive Parenting Program - zijn de meest bestudeerde vormen van psychosociale interventies (Comer et al., 2013). Veel van deze interventies zetten in op het verbeteren van opvoedingsvaardigheden voor specifieke gedragsproblemen, andere richten zich (daarnaast) op het verbeteren van de gezinsomstandigheden en/of van de ondersteuning die ouders krijgen vanuit de sociale omgeving (e.g. STOP 4-7, VIPP-SD, Pivotal Response Treatment, Ouder-baby interventie, Theraplay, Floortime, Social stories/ Helpende verhalen, DOK!; vijf-gesprekkenmodel, Mindful Parenting). Psychotherapie is de eerste keuze bij behandeling van het jonge kind met emotionele problemen of gedragsproblemen (Lambregtse-Van den Berg, Visser, Van Ransbeek, Van Lier, & Van Daalen, 2014). 

Bij de behandeling van hechtingsproblemen blijken vooral interventies effectief die gericht zijn op sensitief opvoedingsgedrag en die gebruik maken van video-feedback (e.g. Circle of Security). De meest succesvolle interventies duren maar kort, maximaal vijf sessies.

EMDR (Eye Movement Desensitization & Reprocessing)

EMDR is aanvankelijk ontwikkeld voor volwassenen, die lijden aan trauma gerelateerde stoornissen zoals traumatische voedingsproblemen. Met de nodige aanpassingen is EMDR ook geschikt voor kinderen vanaf 1 jaar (De Roos et al. 2003), die op uiteenlopende manieren kunnen lijden aan de gevolgen van traumatische ervaringen.

NB: Er bestaan enkele richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van jonge kinderen. Deze zijn vaak gemaakt voor een specifieke doelgroep en leeftijdscategorie. Zo is er een multidisciplinaire richtlijn voor de preventie, signalering, diagnostiek en behandeling van excessief huilen bij baby's, richtlijn voeding- en eetgedrag bij zuigelingen en jonge peuters en de richtlijn problematische gehechtheid. Het zorgprogramma kinderpsychiatrie bij 0-6 jarigen is op dit moment in ontwikkeling.

Terug naar boven

Autismespectrumstoornissen

Naar interventies voor de behandeling van autisme bij het jonge kind is nog te weinig onderzoek verricht om onderscheid te maken tussen de effectiviteit van de verschillende behandelingsinterventies. Onderzoek naar effecten van interventies op groepsniveau tonen een verbetering van taal en communicatie. PRT is een gedragstherapie met ouder en kind waarbij gewerkt wordt aan de sociale competentie, communicatie en flexibiliteit van het kind en de ouder-kindinteractie. Bij intensieve interventies (40 uur per week) is er een verbetering op het intelligentieprofiel en een afname van de ernst van de symptomen van ASS zichtbaar.

>> Lees meer in het overzicht van behandelvormen bij autisemespectrumstoornissen

Externaliserende stoornissen en impulscontrole

In de meeste trainingen van het kind met ADHD of gedragsstoornissen (ODD/CD) ligt de focus op het omgaan met boosheid, sociale vaardigheden en probleemoplossend vermogen (Laforett, Murray & Kollins, 2008). Trainingen die vooral onderzocht zijn bij disruptieve gedragsstoornissen (en minder bij ADHD) zijn Incredible Years, Parent Child Interaction Therapy (PCIT) en Triple P. Als gedragsmatige interventie onvoldoende werkzaam is gebleken en er sprake is van disfunctioneren kan medicatie ook voor kinderen jonger dan 6 jaar worden overwogen.

Prikkelverwerkingsproblemen

Er is geen wetenschappelijk onderbouwde behandeling die specifiek gericht is op regulatiestoornissen. In de praktijk staan psycho-educatie, ouderbegeleiding en het verbeteren van de ouder-kindrelatie vaak centraal in de behandeling. Sensorische integratietherapie als aanvulling op de behandeling kan van toegevoegde waarde zijn.

Internaliserende stoornissen

In interventies voor angst en depressie bij jonge kinderen staat de nauwe betrokkenheid van de ouders centraal. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van ouder-kindinteractie begeleiding en cognitieve gedragstherapeutische technieken. Medicatie voor depressie bij jonge kinderen is voor zover onderzocht niet effectief. De inzet van medicatie voor angststoornissen bij jonge kinderen is geen behandeling van eerste keuze en er is relatief nog weinig onderzoek gedaan naar de veiligheid en effectiviteit hiervan.

Het VRIENDEN-programma is een protocollair cognitief gedragstherapeutisch programma voor behandeling van kleuters, kinderen en jongeren met angststoornissen. Het is oorspronkelijk ontwikkeld in Australië door prof. Paula Barrett en medewerkers. Naast VRIENDEN voor kinderen en VRIENDEN voor jongeren is het FIJN: VRIENDEN!-programma dat als doel heeft emotionele veerkracht op te bouwen door middel van spel bij 4- tot en met 7-jarigen (Nederlandse vertaling door E. Utens, 2011, Erasmus MC-Sophia, Rotterdam).

>> Lees meer over het >> >> Lees meer over het FIJN! VRIENDEN-programma

Inslaapstoornissen en overmatig huilen

Om een nauwsluitend behandelplan op te kunnen stellen, kan het bijhouden van de problematiek in een dagboek gedurende twee weken uitkomst bieden. Voor de behandeling van slaapproblemen wordt de voorkeur gegeven aan de inzet van gedragsprogramma’s boven het gebruik van medicatie. Daarnaast kan psycho-educatie worden gegeven aan de ouders. Wanneer psychosociale en gedragsmatige interventies onvoldoende effect hebben, kan medicatie worden overwogen. Tevens is de richtlijn Excessief huilen beschikbaar voor meer informatie over behandeling van overmatig huilen.

Posttraumatische-stressstoornis

In de praktijk worden de principes en protocollen voor oudere kinderen en volwassenen ingezet bij de behandeling van PTSS bij jonge kinderen. Naar de effectiviteit van deze behandelingen voor jonge kinderen is helaas nog nauwelijks gerandomiseerd onderzoek gedaan.

Onderzoek naar traumagerichte cognitieve gedragstherapie (m.b.v. TF-CBT) bij twee- tot achtjarigen en ouder-kind psychotherapie (m.b.v. CPP/IPP) bij drie- tot vijfjarigen toont een afname in PTSS-klachten. Laatstgenoemde therapie lijkt met name geschikt voor zeer jonge kinderen of kinderen bij wie bijkomende ouder-kindrelatieproblematiek een rol speelt. Vanuit de klinische praktijk worden positieve uitkomsten toegeschreven aan EMDR. Ook zijn in boeken en tijdschriften enkele casusbeschrijvingen over EMDR bij jonge kinderen gepubliceerd, waarbij klachten na behandeling gereduceerd of verdwenen waren en de gestagneerde ontwikkeling snel op gang kwam (De Roos & Beer, 2008; Schlattmann, 2006; Went, 2014).

Voedings- en eetstoornissen

De behandeling van voedings- en eetstoornissen kan op meerdere facetten worden ingezet:

  • behandeling van een eventuele lichamelijke aandoening
  • logopedische behandeling bij een inadequate mondmotoriek/slikproblemen
  • voedingsadviezen door een diëtist
  • specifieke begeleiding bij een ontwikkelingsachterstand
  • ouder- en kind psychotherapie, gericht op de voedingssituatie of op de ouder-kindrelatie in het algemeen

Hierbij is het vooral belangrijk dat de ouders en het kind worden geholpen bij het terugbrengen van rust in de voedings-/eetsituatie en het onder controle brengen van de angst.

Problematische gehechtheid en Hechtingsstoornissen

Er wordt in veel interventies voor jonge kinderen met psychopathologie ingespeeld op het vergroten van de ouderlijke sensitiviteit, gericht op het verbeteren van de gehechtheidsheidsrelatie tussen ouder en kind. Wanneer er het vermoeden is van een reactieve hechtingsstoornis met geinhibeerd gedrag of een sociaal ontremd contactstoornis met gedisinhibeerd gedrag als gevolg van insufficiënte zorg, wordt verwezen naar de richtlijn diagnose en behandeling van kinderen en adolescenten met een reactieve hechtingsstoornis en sociaal ontremd contactstoornis (Zeanah, e.a., 2016).

Stoornissen van de ouder-kindrelatie

Voor zover bekend is er geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van behandelingen die enkel gericht zijn op de relatiestoornissen volgens de DC: 0-5. Daarentegen maakt het verbeteren van de ouder-kindrelatie dikwijls wel onderdeel uit van de meeste behandelingen in de ggz bij jonge kinderen. Hierbij valt te denken aan PCIT, IPP, CPP, MIG en VIPP-SD. 

Terug naar boven

Comer, J. S., Chow, C., Chan, P. T., Cooper-Vince, C., & Wilson, L. A. (2013). Psychosocial treatment efficacy for disruptive behavior problems in very young children: a meta-analytic examination. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 52, 26-36.

Roos, C. D., & Beer, R. (2003). EMDR bij kinderen en adolescenten, de klinische praktijk. Kind en adolescent praktijk, 1, 12-18.

De Zeeuw, M.N., Brok, C., Van der Zee, E. & Van Bakel, H.J.A. (2013). Uk & Url in de wolken - brainbased online module voor moderne ouders in de GGZ met een jong kind en weinig tijd. Deventer: Dimence.

Gleason, M.M., Link Egger, H., Emslie, G.J., Greenhill, L.L., Kowatch, R.A., Lieberman, A.F., Luby, J.L., Owens, J., Scahill, L.D., Scheeringa, M.S., Stafford, B., Wise, B., & Zeanah, C.H. (2007). Psychopharmacological treatment for very young children: contexts and guidelines. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 46, 1532-1572.

Laforett, D.R., Murray, D.W., & Kollins, S.H. (2008). Psychosocial treatments for preschool-aged children with Attention-Deficit Hyperactivity Disorder. Developmental Disabilities Research Reviews, 14, (4), 300-310.

Lambregtse-Van den Berg, M.P., Visser, J.C., Van Ransbeek, S., Van Lier, M.H.M., & Van Daalen, E. (2014). Stoornissen van de zuigeling-, peuter- en kleuterleeftijd. In F.C. Verhulst, F. Verheij & M. Dankaerts (Eds.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie (pp.137-192). Assen: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum.

Lieberman, A. F., Van Horn, P., & Ippen, C. G. (2005). Toward evidence-based treatment: Child-parent psychotherapy with preschoolers exposed to marital violence. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry44(12), 1241-1248.

Lieberman, A. F., Silverman, R., & Pawl, J. H. (2000). Infant-parent psychotherapy: Core concepts and current approaches. Handbook of infant mental health2, 472-484.

Maldonado, M. (2002). Infant and Toddler Mental Health. Washington: American psychiatric Publishing.

Rexwinkel, M., Schmeets, M.,  Pannevis, C.,  Derkx, B. (red.). 2011. Handboek Infant Mental Health. Inleiding in de ouder-kindbehandeling. Van Gorcum, Assen.

Schlattmann, N. (2006). EMDR en de allerkleinsten: een gevalsbeschrijving. Tijdschrift voor Kinder-en Jeugdpsychotherapie33, 3.

Visser, J., Nijboer, M., Aarts, P., Hofman, E., Van der Hulst, L., De Roos, Y., Kuijl, I., & Pestel, N. (2015). Flow chart 0-6 jarigen [Electronic version]. Retrieved May 23, 2015 from first author.

Went, M. A. T. (2014). Ouder-kind-trauma-therapie. GZ-Psychologie6(2), 18-24.

Zeanah, P. D., Bailey, L. O., & Berry, S. (2009). Infant mental health and the "real world" -- opportunities for interface and impact. Child and Adolesent Psychiatic Clinics of North America, 18,773-787.

Zeanah, C. H., Chesher, T., Boris, N. W., Walter, H. J., Bukstein, O. G., Bellonci, C., ... & Hayek, M. (2016). Practice parameter for the assessment and treatment of children and adolescents with Reactive Attachment Disorder and Disinhibited Social Engagement Disorder. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry55(11), 990-1003.

Feldman, M.A. (2004). Introduction: what is early intervention? In M.A. Feldman (ed.), Early intervention. The essential readings (pp. 1-4). Malden USA/Oxford UK/Victoria Australia: Blackwell Publishing.

Terug naar boven

Medicatie

Behandeling met psychofarmaca

Het toedienen van psychofarmaca bij kinderen onder de 5-6 jaar is in principe geen eerste keus behandeling om de volgende redenen: ten eerste, psychiatrische symptomen bij jonge kinderen, zeker onder de 4-5 jaar reageren doorgaans beter op gedragsmatige interventies waar de proximale omgeving nauw bij betrokken wordt/een uitvoerende rol heeft. Ten tweede, psychofarmaca lijken op heel jonge leeftijd minder effectief te zijn en meer bijwerkingen te geven (Greenhil et al., 2006). Hierover bestaan echter tegenstrijdige opvattingen want ander onderzoek vindt bij jonge kinderen met ADHD en lage co-morbiditeit dezelfde effectiviteit als op oudere leeftijd (Ghuman et al., 2007).
Met uitzondering van stimulantia (methylfenidaat en dexamfetaminepreparaten) is er nog weinig onderzoek gedaan naar psychofarmaca bij kinderen onder de 6 jaar. De meeste voorschriften onder de 5-6 jaar zijn dan ook 'off label': zij wijken af van die van de farmaceut en/ of van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Het is belangrijk dit bij aanvang te noteren in het dossier en ouders hiervan op de hoogte te stellen.

Indicatie

Er is een indicatie voor medicatiebehandeling bij jonge kinderen als ernstige symptomen zich in de meeste situaties manifesteren en het functioneren aanzienlijk belemmeren, en niet farmacologische doch goed uitgevoerde behandeling/interventies onvoldoende effect heeft gehad. Deze interventies dienen zich met name ook te richten op de uitlokkende en instanthoudende factoren van druk en ontregeld gedrag, waaronder overprikkeling en/of overvraging in de thuissituatie, opvang en/of school. Een belangrijke voorwaarde is dat ouders nauw betrokken blijven en dat interventie/begeleiding plaats vindt naast medicatie.

Algemene voorzorgen en controles bij iedere medicamenteuze behandeling

  • Screening en controles: vanwege de onbekende lichamelijke bijwerkingen op deze leeftijd zijn een somatische anamnese en een screenend lichamelijk onderzoek vooraf geïndiceerd (lengte en gewicht, pols en broeddruk) en op indicatie lab. en ECG. Gedurende de behandeling blijft men lengte en gewicht controleren.
  • Frequentie controles: tijdens instellen eens in de 1-2 weken, om en om telefonisch en live, en bij onderhoudsdosering eens in de 3 maanden live.
  • Extra controle op bijwerkingen: hier wordt elke keer gericht naar gevraagd.
  • Effect en beloop: vooraf worden de targetsymptomen gedefinieerd; er wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van screeningslijsten (bijvoorbeeld Conners' Rating Scale-Revised, SNAP IV; in te vullen door ouders en school) die helpend kunnen zijn om het effect te evalueren tijdens de instelfase.
  • Bij "off label" prescripties is informed consent (schriftelijk) noodzakelijk.
Terug naar boven

Contra-indicaties: positieve familieanamnese voor cardiale pathologie (m.n. acute hartdood, aangeboren hartafwijkingen, ritmestoornissen). Bij positieve anamnese: cardiologisch onderzoek vooraf ter uitsluiting pathologie.
Controles: Lengte, gewicht, bloedruk en pols. Over de langetermijneffecten van medicatie op het snelgroeiende jonge brein is nog onvoldoende bekend. Aanbevolen wordt om kinderen onder de zes jaar nauwkeurig te monitoren op bijwerkingen. In individuele gevallen is het nuttig om circa eens per jaar de noodzaak van continuering van medicatie te evalueren, al dan niet middels een medicatievrije periode, bijvoorbeeld als er aan de effectiviteit getwijfeld wordt door behandelaar en/of ouders.

Methylfenidaat

ADHD, met of zonder ODD comorbiditeit vanaf circa 3.5 jaar

Uit onderzoek komt naar voren dat effect van ADHD-medicatie wisselend is, doorgaans minder effectief is en meer bijwerkingen geeft. Er is sprake van een tragere bloedklaring op jonge leeftijd, die deels onafhankelijk is van lichaamsgewicht. Bij jonge kinderen treden relatief meer bijwerkingen op: vooral groeivertraging, verhoogde prikkelbaarheid en depressie. Vergelijkbare resultaten werden ook gevonden bij drie- à vijfjarigen met ADHD en een comorbide ontwikkelingsstoornis (autisme of verstandelijke beperking).

Dosering

Start met 2.5 mg een- à tweemaal daags, afhankelijk van gewicht, en verhoog met 2.5 mg per week. Aanbevolen maximumdosering ligt vaak lager dan op oudere leeftijd (tussen 0.3 en 1.0 mg/kg lichaamsgewicht per dag: bij de lage dosering worden minder bijwerkingen gezien maar ook minder effect over de hele range aan symptomen). Let op: doseringsopbouw verloopt niet altijd geleidelijk, soms veel bijwerkingen bij relatief lage dosering tot circa 4e à 5e jaar, waarna opeens een sterkere dosisverhoging nodig is om hetzelfde effect te bereiken.
Bij 2.5 mg dosering is ¼ tablet van 10 mg (Ritalin) onbetrouwbaar, maar voldoet een halve tablet van 5 mg methylfenidaat. Indien lagere doseringen nodig zijn kan de apotheek capsules van elke tussenliggende sterkte maken (let op: bij onderzoek blijkt dat bij de fabricage ervan de feitelijke dosering kan variëren). Gezien de fabricagekosten is het praktisch om niet te veel tussenliggende doseringen voor te schrijven maar met eenheden van bijvoorbeeld 2 of 3 mg te werken tot de juiste dosering is bereikt.

Bij kinderen met ADHD en met een forse verstandelijke beperking lijkt de therapeutische marge kleiner (minder effect en sneller bijwerkingen). Bij matige tot lichte verstandelijke beperking lijkt medicatie even effectief als bij kinderen zonder verstandelijke beperking.

Dosering

Idem als boven, maar voorzichtigheid geboden in verband met grotere kans op somatische pathologie bij deze groep: start daarom met lagere dosering (0.3 mg/ kg lichaamsgewicht per dag). Bij hogere doseringen wel meer bijwerkingen (sociale terugtrekking en prikkelbaarheid).

Autismespectrumstoornis met hyperactiviteit vanaf circa 4 jaar

Eerste keus bij forse ADHD-symptomen: trial met methylfenidaat aan te raden voordat een neurolepticum wordt overwogen.

Dosering

Zoals hierboven.

Dextro-amfetamine sulfaat (dexedrine) is het middel van tweede keus vanaf circa 3 jaar als er geen/onvoldoende reactie is op methylfenidaat. Langere T ½: 7-8 uur (bij methylfenidaat circa 2.5 uur).

Dosering

De helft van beoogde methylfenidaatdosering. Maximumdosering: 0.15 à 0.30 mg per dag.

Terug naar boven

Alpha-adrenerge agonisten (clonidine)

Bij ADHD vanaf circa 4 jaar, waarbij vooral effect op hyperactiviteit is gewenst. Verder zijn gunstige effecten beschreven bij co-morbiditeit met (oppositionele) gedragsstoornissen en agressie:
Contra-indicaties: cardiovasculaire aandoeningen moeten worden uitgesloten (bij alle kinderen altijd ECG vooraf), en depressieve stoornissen.

Dosering: tot 3 à 5 microgram/ kg lichaamsgewicht per dag over 3 giften. Dit is gemiddeld 0.15 à 0.4 mg per dag verdeeld over 3 doses, waaronder een voor het slapen zodat sederend effect wordt benut. Clonidine dient langzaam ingeslopen te worden (verhoging van 0.05 mg per 3 dagen) en bloeddruk wekelijks gemeten te worden tijdens titratie. De afbouw dient net zo langzaam te gebeuren om onttrekkingsverschijnselen te voorkomen (rebound hypertensie, agitatie, hoofdpijn).

Terug naar boven

Risperidon

vanaf circa 3-4 jaar Indicatie: wordt gebruikt bij ernstige gedragsstoornissen, dwang en automutilatie en verder stereotiep en sterk afwerend gedrag bij autisme (vaak door relatieve overprikkeling). Andere indicatie is acute stressstoornis na bijvoorbeeld ernstig lichamelijk of psychisch letsel in een ziekenhuiscontext en delier (ook voordat andere medicatie zoals opiaten en benzodiazepines afgebouwd kunnen worden). Dosering: start met 0.25 mg per dag, Gemiddelde dosering tot circa 0.5 mg per dag. Bij kinderen onder de 3 jaar: starten met 0.1 mg à 0.2 mg, afhankelijk van gewicht. Gebruik druppelvloeistof (1 mg/ ml) omdat dit goed langzaam te titreren is. Controle: vooraf: gewicht (en buikomvang), lengte. Dit de eerste drie maanden maandelijks herhalen en vervolgens eens in de circa drie maanden. Verder ook bloedonderzoek in verband met mogelijke metabole bijwerkingen (nuchter bloedglucose, nuchter lipidenprofiel).

Aripiprazol

Een ander middel dat toenemend gebruikt wordt met mogelijk minder kans op gewichtstoename dan Risperidon (anti-serotonerg effect van Risperidon). Verschillen in ongewenste effecten op de motoriek zijn minder duidelijk omdat beide daar relatieve bescherming tegen bieden (via partiële Dopamine agonistische en -antagonistische effect bij Aripiprazol en het anti-serotonerg effect bij Risperidon).

Haloperidol

Met haloperidol is meer ervaring en onderzoek gedaan bij jonge kinderen, hoewel vanwege het gunstiger bijwerkingsprofiel van risperidon steeds meer als middel van eerste keuze gezien. Bij het instellen dient gewicht (en buikomvang) en lengte gemeten te worden. Het risico op metabole bijwerkingen is verhoogd bij positieve familieanamnese voor diabetes en hart- en vaatziekten (zie verder bij controles). Vanaf circa 3-4 jaar Indicatie: wordt gebruikt bij ernstige gedragsstoornissen, dwang en automutilatie en verder stereotiep en sterk afwerend gedrag bij autisme (vaak door relatieve overprikkeling). Andere indicatie is acute stressstoornis na bijvoorbeeld ernstig lichamelijk of psychisch letsel in een ziekenhuiscontext en delier (ook voordat andere medicatie zoals opiaten en benzodiazepines afgebouwd kunnen worden) Dosering: start met 0. 25 mg per dag, verhoog zo nodig met 0.25 mg per week. Gemiddelde totale dosering tot circa 0.5 mg per dag. Gebruik druppelvloeistof (2 mg/ml) omdat dit goed langzaam te titreren is. Controle: zie risperidon. Verder ECG.

Pipamperon

Wordt relatief vaak gebruikt, mede vanwege het sederende effect. Het is twijfelachtig of dit middel een plaats moet krijgen in de behandeling van jonge kinderen, tenzij het om een kortdurende interventie gaat. De farmacologische effecten en dus ook bijwerkingen zijn vrij breed (gering antipsychotisch, antihistaminerg, anticholinerg effect en duidelijk antiserotonerg effect).
Terug naar boven

Bij slaapproblemen/stoornissen zijn psycho-educatie en gedragsprogramma eerste keuze voor behandeling.

Melatonine

Uit onderzoek bij kinderen vanaf drie jaar (dosering vanaf 0.5 mg) kwam naar voren dat de slaaplatentie afnam, maar de totale slaapduur niet veel veranderde. Melatonine werd goed verdragen, maar leidde niet tot gedragsverbetering. Van belang is te weten dat er geen recht evenredig verband bestaat tussen dosis en respons; een lagere dosering kan effectiever zijn dan een hogere.

>> Lees meer over slaapproblemen en slaapstoornissen

Terug naar boven

Indicaties: farmacotherapie is in principe niet geïndiceerd voor depressie bij jonge kinderen.

Hoewel farmacotherapie voor angststoornissen geen eerste keuze voor behandeling is en nog weinig onderzoek is gedaan naar veiligheid en effectiviteit bij jonge kinderen, is een aantal positieve resultaten gerapporteerd in kleinschalige onderzoeken met lage doseringen SSRI's (fluoxetine; (zie voor een review: Gleason e.a., 2007) en bij OCD (Coskun, Zoroglu, 2009; Ercan, Kandulu, Akyol Ardic, 2012). Anxiolytica worden vooralsnog alleen voorgeschreven als premedicatie bij medische ingrepen.

Bij de groep angststoornissen kan er een indicatie zijn voor farmacotherapie SSRI's naast de standaardtherapie, namelijk bij ernstige (beperkende) angst en/ of dwangverschijnselen en bij selectief mutisme die niet of zeer onvoldoende op specifieke en goed uitgevoerde therapieën reageert. Bij posttraumatische voedings-/eetstoornissen zijn positieve resultaten gerapporteerd, bij doseringen van 0.3 mg/ kg/ dag.

Bijwerkingen komen relatief vaker voor bij kinderen onder de 7 jaar. De meest voorkomende bijwerking is agitatie al dan niet met agressie. Deze bijwerkingen treden vaak al in de eerste twee à drie weken op, vaak na een dosis verhoging. In tegenstelling tot bij adolescenten, werd suïcidaliteit als bijwerking nog niet gerapporteerd bij kinderen.
Gezien relatief vaker voorkomen van bijwerkingen wordt aanbevolen lager en langzamer te doseren: beginnen met 2 mg fluoxetine per dag en per week voorzichtig ophogen.

Maximumdosering: 1 mg/ kg lichaamsgewicht per dag.

Terug naar boven

Diazepam

Indicaties: GEEN psychiatrische indicatie, wel neurologische indicatie en pre- en postoperatief. (Stesolid rectiole 5mg/ 2.5 ml) Voor kinderen vanaf circa 6 maanden. Niet aanbevolen onder lichaamsgewicht van 10 kg. Ademhaling controleren tijdens gebruik. Bij gewicht 10-15 kg: 5 mg (tube niet verder dan halverwege inbrengen!) Bij gewicht boven de 15 kg: 10 mg. Indien geen respons na 10 minuten dosering herhalen, vervolgens kan dosering iedere 12 uur worden herhaald.  
Terug naar boven

Coskun, M., & Zoroglu, S. (2009). Efficacy and safety of fluoxetine in preschool children with obsessive-compulsive disorder. Journal of Child and Adolescent Psychopharmacology, 19(3), 297-300.

Ercan, E.S., Kandulu, R., & Ardic, U. A. (2012). Preschool children with obsessive-compulsive disorder and fluoxetine treatment. European Child and Adolescent Psychiatry, 21(3), 169-172.

Ghuman, J. K., Riddle, M. A., Vitiello, B., Greenhill, L. L., Chuang, S. Z., Wigal, S. B., ... & Scharko, A. M. (2007). Comorbidity moderates response to methylphenidate in the preschoolers with attention-deficit/hyperactivity disorder treatment study (PATS). Journal of child and adolescent psychopharmacology17(5), 563-579.

Gleason, M.M., Link Egger, H., Emslie, G.J., Greenhill, L.L., Kowatch, R.A., Lieberman, A.F., Luby, J.L., Owens, J., Scahill, L.D., Scheeringa, M.S., Stafford, B., Wise, B., & Zeanah, C.H. (2007). Psychopharmacological treatment for very young children: contexts and guidelines. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 46, 1532-1572.

Greenhill, L., Kollins, S., Abikoff, H., McCracken, J., Riddle, M., Swanson, J., ... & Skrobala, A. (2006). Efficacy and safety of immediate-release methylphenidate treatment for preschoolers with ADHD. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry45(11), 1284-1293.

Terug naar boven

Expertgroep

De huidige tekst is in 2018 geactualiseerd met dank aan:

  • Monique van Lier, psychotherapeut, Erasmus MC
  • Hedwig van Bakel, bijzonder hoogleraar Infant Mental Health, Tilburg University/Dimence/ Herlaarhof
  • Janne Visser, kinder- en jeugdpsychiater, Karakter Universitair Centrum Nijmegen
  • Frederike Scheper, kinder- en jeugdpsychiater, MOC 't Kabouterhuis

De oorspronkelijke tekst is tot stand gekomen met dank aan de expertgroep:

  • Monique van Lier, psychotherapeut, Erasmus MC
  • Anita van de Laar, GZ-psycholoog, GGZ Centraal Fornhese Almere
  • Hedwig van Bakel, bijzonder hoogleraar Infant Mental Health, Tilburg University/Dimence/ Herlaarhof
  • Hilde Kempeneers, kinder- en jeugdpsychiater en systeemtherapeut, Virenze
  • Tamara Ruijten, klinisch psycholoog en psychotherapeut, Virenze
  • Elemi Breetvelt, kinderpsychiater, epidemioloog en onderzoeker, UMC Utrecht
  • Tessa Bunte-Rosingh, kinder- en jeugdpsychiater, UMC Utrecht
  • Janne Visser, kinder- en jeugdpsychiater, Karakter Universitair Centrum Nijmegen
  • Frederike Scheper, kinder- en jeugdpsychiater, MOC 't Kabouterhuis
  • Marja Rexwinkel, klinisch psycholoog en psychotherapeut, IMH Centrum OuderKindlijn

Naast de bovengenoemde experts, gaat onze dank uit naar allen die hebben bijgedragen door het maken van waardevolle opmerkingen, het geven van interviews, terugkoppeling van feedback, etc:

  • Mijke Lambregtse - van den Berg, kinder- en jeugdpsychiater, Erasmus MC
Terug naar boven

Website Autisme Jonge Kind

De website Autsime Jonge Kind ondersteunt ouders en professionals bij het vinden van passende zorg bij autisme, of het vermoeden van autisme.

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close