Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Instrumenten

Signalering Screening Diagnostiek
Kind en gedrag CoSos (voorheen: ESAT) CBCL 1½-5
SDQ 3-4 jr
BITSEA
ITSEA 1-3 jr
M-CHAT
CBCL 1½-5
ADOS, AOSI (Autism Observation Scale for Infants; zie ook richtlijn autisme)
Ontwikkeling Ages and Stages Questionnaire BSID-ll-NL
Mullen Scales
WPPSI-R
WNV-R
SON-R 2,5-7 jr
PEP-R
BRIEF-P (executieve functies vragenlijst)
PAPA
Vineland (adaptief functioneren)
Sensory Profile (sensorische verwerking)
Ouder Edinburgh (Postnatal) Depression Scale (E(P)DS)
Zelfbeoordelingsvragenlijst (ZBV)
Kind-ouderinteractie Lijst signalen verstoorde gehechtheid (LSVG; in ontwikkeling) AISI EAS
AMBIANCE
FEAS
PDI
WMCI
PRFQ
Omgeving / gezin OBVL

Tabel 1. Aanbevolen instrumenten voor signalering, screening en diagnostiek bij kinderen van 0 tot 6 jaar. 

Toelichting per stoornis

Autismespectrumstoornissen

De screeningsinstrumenten COSOS, SCQ, SRS en M-CHAT kunnen worden ingezet bij het vermoeden van ASS bij jonge kinderen. Bij diagnostiek op indicatie kan de ADOS-2 gebruikt worden. Lees meer over diagnostische instrumenten voor autisme.

Externaliserende stoornissen

Gedrag dat samenhangt met ADHD kan in kaart worden gebracht met de CBCL, CTRF en de Conners’ Parent Rating Scale-Revised. Voor diagnostiek van ADHD of gedragsstoornissen (ODD/CD) is de GvK beschikbaar. Daarnaast is het van belang om het cognitieve en taalontwikkelingsniveau te bepalen en visus en gehoor te controleren wanneer er een vermoeden is van ADHD of gedragsstoornissen.

De PICS-4-NL (Parent Interview for Child Symptoms; Schachar e.a., 2008), de  TTI-4-NL (Teacher Telephone Interview; Tannock e.a., 2002) en de K-DBDS zijn semi-gestructureerde diagnostische instrumenten die in aanmerking komen om te gebruiken. Deze zijn voornamelijk ontwikkeld voor het diagnosticeren van externaliserende gedragsstoornissen (ADHD, ODD, CD) en het screenen op diagnoses van andere emotionele en psychische stoornissen. De PICS kan bij de ouders gebruikt worden en de TTI bij de leerkracht. De K-DBDS is een goed bruikbaar interview voor afname bij ouders van jonge kinderen.

Stoornissen in de sensorische verwerking

Jonge kinderen kunnen ernstige en belemmerende problemen laten zien in de regulatie van sensorische input. Zij uiten zich in hyperreactiviteit (bijvoorbeeld versterkte respons, korte latentietijd van respons, en tragere habituatie of gewenning aan respons), hyporeactiviteit (bijv. verlaagde respons, lange latentietijd van respons), of atypische reactiviteit t.a.v. sensorische prikkels zoals overmatige en ongebruikelijke sensorische exploratie. Deze stoornissen kunnen zich in meer dan een sensorische modaliteit manifesteren (tactiel, visueel, auditief, vestibulair, olfactorisch, smaak, proprioceptief, en enteroceptief). Zij worden niet eerder verklaard door een andere stoornissen (bijv. ADHD, angststoornissen, ASS) maar kunnen wel samen met die stoornissen voorkomen, met uitzondering van ASS waarbij sensorische verwerkingsproblemen al deel uitmaken van de kern symptomen.

Er zijn verschillende instrumenten waarmee de aard en ernst van specifieke domeinen van de regulatiestoornis in kaart kunnen worden gebracht. Zo kan er gebruik worden gemaakt van een screeningsinstrument voor regulatiestoornissen (ITSC). Specifiek voor sensorische prikkelverwerking bij kinderen van 0 tot 36 maanden is er de ITSP-NL. Voor het inschatten van de mate van emotionele en gedragsproblemen zijn er diverse instrumenten (bijvoorbeeld CBCLITSEABITSEA). Met de Bayley-ontwikkelingsschalen en de Mullen Scales of Early Learning is het mogelijk motorische en cognitieve ontwikkelingsachterstanden op te sporen.

Internaliserende stoornissen

Naast (spel-)observaties van het jonge kind in verschillende situaties wordt de CBCL veelvuldig ingezet bij de diagnostiek van depressie en angst vanaf de leeftijd van 1,5 jaar. Voor het opsporen van depressieve symptomen bij kinderen tussen de drie en zes jaar oud is de screeningslijst Preschool Feelings Checklist (PFC) ontwikkeld.

Inslaapstoornissen en overmatig huilen

Een inslaapprobleem kan worden vastgesteld aan de hand van de door St James-Roberts (2012) gemodificeerde criteria van Richman (1981; het kind heeft de meeste nachten meer dan 30 minuten nodig om in slaap te vallen). Er is geen specifiek instrument om slaapstoornissen en overmatig huilen mee vast te stellen. Wel is de richtlijn Excessief huilen beschikbaar. Van belang is dat (soms irrealistische) verwachtingen en culturele factoren een belangrijke rol spelen in de ervaring van slaapproblemen bij 1tot 2-jarigen. Bij inslaapproblemen die na het 2e, 3e jaar voortduren gaan interactie- en gedragsproblemen een grotere rol spelen.

Overmatig huilen wordt meestal met “de regel van 3” gedefinieerd: het kind huilt minstens drie uur lang, in frequentie van minstens 3 dagen per week en gedurende tenminste 3 weken. Het huilen kan niet beter verklaard worden door een somatische oorzaak. De symptomen en/of de aanpassingen daaraan door de omgeving leiden tot significante beperkingen in functioneren (DC: 0-5; Zero to Three, 2016).

Voedings- en eetstoornissen

De mogelijke aanwezigheid van voedings- en eetstoornissen wordt onderzocht aan de hand van een anamnese, psychodiagnostiek van het kind, onderzoek naar de ouder-kindinteractie (zowel tijdens als buiten een voedingssituatie) en observatie van het kind in een spelsituatie. Een screeningsinstrument dat kan worden ingezet is de Montreal Children’s Hospital (MCH) Feeding Scale. Voorbeelden van observatie-instrumenten zijn de Mealtime Observation Schedule en de Feeding Scale.

Posttraumatische stressstoornis

Informatie voor het stellen van de diagnose PTSS bij jonge kinderen zal voornamelijk via de ouders worden verzameld. Herbelevingen van het trauma is bij jonge kinderen veelal terug te zien in hun spel. In het kader van specifieke diagnostiek kunnen de Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC) en een interview zoals de Diagnostic Infant and Preschool Assessment (DIPA) worden gebruikt.

Stoornissen van de ouder-kindrelatie

Twee instrumenten die gebruikt kunnen worden om een relatieclassificatie vast te stellen zijn de PIR-GAS en de RPCL. Deze instrumenten worden idealiter ingevuld op basis van geobserveerde ouder-kindinteracties, subjectieve ervaringen van de ouder met het kind en subjectieve uitingen van het kind in relatie tot de ouder.

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten