Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Prevalentie

Autisme werd in eerdere epidemiologische studies gevonden in ongeveer 2-5 op de 10.000 kinderen. De richtlijnen van het Trimbos-instituut en de Gezondheidsraad (2009) gaan er vanuit dat 1% van de Nederlandse bevolking aan autisme lijdt. Zij sluiten zich hierbij in grote lijnen aan bij het onderzoek van Baird et al. (2006), dat op 1.16% uitkomt.

Toename prevalentiecijfers

Het aantal mensen met een autismespectrumstoornis lijkt toe te nemen. In 1966 waren er bij elke 10.000 mensen 2,5 gediagnosticeerd met ASS, in 2010 zijn dit 100 op de 10.000 mensen. Deze enorme toename hangt samen met verbetering van onderzoek en diagnostiek. De Richtlijn Autisme Spectrum Stoornissen bij kinderen en jeugdigen geeft aan dat de verruiming van de diagnostische criteria in de DSM-IV-TR en de toenemende bekendheid ook een belangrijke rol spelen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat maatschappelijke factoren van invloed zijn op het verhogen van de prevalentiecijfers van autisme. Het grotere beroep dat tegenwoordig op het individu als persoon wordt gedaan, zowel wat betreft de zelfsturing als de sociale vaardigheden, kan tot problemen leiden.

Samenhang met verstandelijke beperking

De Gezondheidsraad (2009) geeft aan dat uit de internationale literatuur blijkt dat tussen de 40 en 60% van de mensen met autisme ook een verstandelijke beperking heeft. In omgekeerde richting hebben 3% tot 50 % van de kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking autisme (De Bildt et al., 2005). Ook Matson en Shoemaker (2009) geven aan dat autisme een van de meest voorkomende comorbide stoornissen is bij individuen met een verstandelijke beperking.

Verschil tussen jongens en meisjes (gender)

In het 1e Concept Richtlijn Autisme Spectrum Stoornissen bij kinderen en jeugdigen van het Trimbos-instituut (2011) staat dat het aantal jongens waarbij autisme wordt gediagnosticeerd duidelijk groter is dan het aantal meisjes, in de verhouding van respectievelijk 4 op 1. Het IQ is mede bepalend voor de jongens:meisjes verhouding binnen autisme. Naarmate het IQ lager is, is het verschil in prevalentie kleiner. Bij zeer ernstige verstandelijke beperking zijn evenveel meisjes als jongens aangedaan. Bij hoge intelligentie is de verhouding jongens:meisjes met autisme 8:1. Die laatste verhouding wordt echter aangevochten, omdat een deel van de meisjes met autisme en een normale intelligentie mogelijk in de kindertijd niet worden herkend. De meisjes die met autisme zijn gediagnosticeerd wijken niet significant van de jongens af (Auyeung et al., 2009). Bij mogelijke ond een autisme erdiagnostiek bij meisjes gaat het dus om gedragsbeelden die minder herkend worden. Er zou verder naar de sociale en communicatieve gedragingen gekeken moeten worden. Gould & Ashton-Smith (2011) hebben naar de aard van de preoccupaties en obsessies van meisjes gekeken. Uit hun onderzoek wordt duidelijk dat meisjes met autisme in hun obsessies niet onderdoen voor jongens, maar dat deze qua onderwerp dichter tegen de normale hobby’s aanliggen. Vaak gaat het hierover dieren, mode, soapseries, voedsel en dergelijke. In de meeste vragenlijsten en interviews worden veelal jongenshobby’s zoals sterrenstelsels, routeplanners, treinen en automerken als voorbeelden gegeven. Het zou volgens Gould & Ashton-Smith (2011) dan ook nuttig zijn vragen over meer meisjesachtige hobby’s toe te voegen aan autisme interviews.

Etniciteit

Begeer (2009) geeft in zijn onderzoek aan dat kinderen van Marokkaanse- en Turkse afkomst ondervertegenwoordigd zijn in de groep die verwezen wordt naar een ggz-instelling die gespecialiseerd is in autisme. Jeugdartsen signaleren autisme spontaan minder bij niet westerse allochtone kinderen dan bij westerse allochtone of autochtone kinderen. Deze vertekening verdwijnt als de artsen de waarschijnlijkheid van expliciet gegeven symptomen inschatten. De aanbeveling is dan ook om de jeugdartsen te laten werken met expliciete screeningslijsten.

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten