Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Etiologie

Of kinderen en adolescenten een angststoornis ontwikkelen, hangt af van een samenspel van beschermende factoren en risicofactoren. Deze factoren kunnen te maken hebben met kenmerken van de kinderen zelf en van de omgeving waarin zij opgroeien (Rapee, 2012).

Erfelijke aanleg

Erfelijke aanleg kan bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis. Het deel waarvoor een angststoornis erfelijk is, wordt geschat op 40% (Boer, 2011). Of er werkelijk een angststoornis zal ontstaan hangt ook samen met omgevingsfactoren. Accumulerend bewijs toont aan dat omgevingsfactoren sterker gerelateerd zijn aan de angst van kinderen dan genetische factoren (Eley et al., 2015; Pappa et al., 2015; Trzaskowski et al., 2013). Het onderzoek naar de relatie tussen gen en omgeving is ingewikkeld, omdat genetische en omgevingsfactoren elkaar wederzijds beïnvloeden (Boer & Bögels, 2002).
In diverse onderzoeken is een verband gevonden tussen de aanwezigheid van een angststoornis bij een van de ouders en een verhoogd risico op een angststoornis bij hun kinderen (Rapee, 2012; Van der Bruggen, Stams & Bögels, 2008). Er hoeft niet altijd sprake te zijn van erfelijke aanleg, verschillende studies tonen aan dat psychische problemen van de ouders ook van invloed kunnen zijn op het opvoedingsgedrag (Muris, 2006).

Temperament

Als een kind op jonge leeftijd opvallend veel geremd gedrag vertoont, dan verhoogt dat het risico op een angststoornis halverwege de kinderjaren en het risico op een sociale fobie tijdens de adolescentie. Er is bewijs dat gedragsinhibitie geldt als een kwetsbaarheidsfactor voor de ontwikkeling van angststoornissen (Muris, 2006). Aanhoudende, ernstige verlegenheid kan een signaal zijn dat er een verhoogd risico is op angstproblemen in de adolescentie. Dit betekent echter niet dat alle zeer verlegen kinderen een angststoornis ontwikkelen. Volgens een onderzoek van Prior (2000) heeft minder dan de helft van alle verlegen kinderen (42%) angstproblemen tijdens de adolescentie.
Andere eigenschappen zoals angstgevoeligheid of walgingsgevoeligheid vormen eveneens een risicofactor voor de ontwikkeling van bepaalde angststoornissen (Muris, 2006). Een recente studie van Bufferd en anderen (2018) laat zien dat bepaalde temperamentstijlen (gedragsinhibitie, negatieve emotionaliteit en positieve emotionaliteit) gerelateerd zijn aan het persisteren van angststoornissen op 3-jarige leeftijd tot 6-jarige leeftijd. Kinderen die meer teruggetrokken zijn, meer negatieve emotionaliteit en minder positieve emotionaliteit tonen hebben grotere kans op het ontwikkelen en voortbestaan van een angststoornis.

Cognitieve informatieverwerking

Er zijn aanwijzingen gevonden dat net als bij volwassenen bij jeugdigen met angststoornissen sprake is van verstoorde cognitieve processen. Muris en Field (2008) beschrijven in een review drie vertekeningen in cognitieve processen die ertoe leiden dat kinderen geen correctieve ervaringen opdoen en dat de angst in stand blijft. Uit onderzoek blijkt duidelijk dat angstige jeugdigen geneigd zijn om ambigue situaties als bedreigend te interpreteren. Daarnaast is enig bewijs gevonden dat erop wijst dat angstige kinderen en adolescenten een verhoogde aandacht hebben voor informatie over gevaar. Ook zijn er een aantal studies die laten zien dat kinderen selectief gebeurtenissen onthouden die gerelateerd zijn aan een angstig gevoel (Muris & Field, 2010).

Omgevingsfactoren

Bij angststoornissen spelen omgevingsinvloeden een grotere rol dan bij veel andere psychiatrische stoornissen (Verhulst, 2003). De volgende omgevingsfactoren worden besproken: onveilige gehechtheid, opvoedingsgedrag en ouderlijke stijl, negatieve ‘life events’ en beschermende factoren.

Onveilige gehechtheid

Een onveilige gehechtheidsrelatie met de ouders, en met name een angstig-vermijdend of angstig-afwerende gehechtheid, kan het risico op angststoornissen bij kinderen vergroten. Zo laat een meta-analyse zien dat hechting een matig verband heeft (r = .30) met angst bij kinderen (Colonnesi et al., 2011). Uit dit onderzoek blijkt dat een ambivalente hechtingsstijl het sterkste verband heeft.

In een veilige gehechtheidsrelatie is de ouder ontvankelijk en gevoelig voor de behoeften van het kind. Dit geeft het kind vertrouwen en een gevoel van veiligheid. Kinderen die onveilig gehecht zijn ervaren niet die ontvankelijkheid en gevoeligheid van hun ouder. Dit kan angstgevoelens oproepen en uiteindelijk bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis.

Studies tonen aan dat zowel de gehechtheidsrelatie met de moeder als met de vader gerelateerd zijn aan internaliserende problemen bij de kinderen (Cowan, Cohn, Cowan, & Pearson, 1996; Cowan, Cowan, Pruett & Pruett, 2019; Manassis, Bradley, Goldberg, & Hood, 1995). Ook van Brakel en collega’s (2006) vonden dat kinderen die onveilig gehecht waren sterkere angstsymptomen hadden.

Opvoedingsgedrag en ouderlijke stijl

Het opvoedingsgedrag van de ouders lijkt ook van belang. Zo kunnen ouders zelf het voorbeeld geven voor angstig gedrag of ongewild angstig copinggedrag belonen en vermijdend gedrag in stand houden (Fisak & Grills-Taquechel, 2007; Dadds & Roth, 2001). Ook overmatig beschermende, overheersende of kritische opvoedstijlen kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een angststoornis bij kinderen met een kwetsbaar temperament (Brakel et al., 2006). Soortgelijke resultaten worden gevonden in de systematische meta-analyse van McLeod en anderen (2007), waaruit blijkt dat meer afwijzing, meer overbescherming en minder ondersteuning van autonomie samenhangt met meer angst bij kinderen. De sterkste effecten werden gevonden voor autonomie ondersteuning. Ook een te hoge mate van ouderlijke controle hangt sterk samen met meer angst bij kinderen (Van der Bruggen et al., 2008). Verbanden tussen opvoeden en angst bij kinderen zijn minder sterk in de vroege kindertijd (Möller et al., 2016). Tijdens de vroege kindertijd lijkt voornamelijk uitdagend opvoedgedrag – stoeien, wilde competitieve spelletjes, plagen en kietelen – een belangrijke beschermende factor te zijn Majdandžić et al., 2012; Möller et al., 2016). Uit onderzoek van Majdandžić en collega’s (2018) blijkt dat met name het uitdagend opvoedgedrag vanuit de vader sterk gerelateerd is aan angstvermindering bij jonge kinderen.

Angst bij ouders

Uit onderzoek blijkt dat in gezinnen waarin een gezinslid lijdt aan een angststoornis, hetzij een ouder, hetzij een kind, de ouderlijke stijl gekenmerkt wordt door een grotere mate van controle en een kleinere mate van warmte in vergelijken met gezinnen zonder angststoornis (Borelli, Margolin, & Rasmussen, 2015; Drake & Ginsburg, 2012; Lebowitz, Leckman, Silverman, & Feldman, 2016; Lindhout, 2008). Angstige ouders zouden de neiging hebben om nieuwe uitdagende situaties voor hun kinderen als bedreigend te beschouwen. Zij zouden daarom meer afwijzing en psychologische controle laten zien en hun kinderen minder autonomie geven (Bögels & Brechman-Toussaint, 2006; Ginsburg & Schlossberg, 2002).

Negatieve ‘life events’

Negatieve ervaringen (life events), zoals de echtscheiding van de ouders of het overlijden van een familielid, zijn van invloed op het ontstaan van angststoornissen (Miloyanm et al., 2018). Dit wordt beaamd door een recente prospectieve cohort-studie bij 1084 Nederlandse jongeren waaruit een relatie wordt aangetoond tussen negatieve levensgebeurtenissen en angststoornissen (Jonker, Rosmalen & Schoevers, 2017). Het kan hierbij gaan om traumatische ervaringen, maar ook andere negatieve ervaringen, bijvoorbeeld met de dokter of tandarts, zijn in verband gebracht met de ontwikkeling van angststoornissen (Muris, 2006; Verhulst, 2006).

Beschermende factoren

Of een stoornis al dan niet ontstaat, hangt mogelijk ook af van de aanwezigheid van beschermende factoren. De relatie tussen beschermende factoren en de ontwikkeling van angststoornissen is relatief minder onderzocht. Er zijn aanwijzingen dat zelfregulatie (effortfull control) en de mate waarin het kind heeft ervaren controle uit te kunnen oefenen over zijn omgeving van invloed is op de mate waarin jeugdigen symptomen van angst ontwikkelen (Muris, 2006). Wanneer kinderen meer controle ervaren, ontwikkelen zij minder angstsymptomen. Ook blijkt, zoals eerder benoemd, uitdagend opvoedgedrag geassocieerd te zijn met een lagere mate van angst bij kinderen.

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten