Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Posttraumatische stressstoornis bij kinderen en jongeren

Betrouwbare kennis over posttraumatische stressstoornis (PTSS): ouders en jongeren vinden hier informatie over diagnose, behandeling, medicatie (inclusief bijwerkingen) en meer.

De teksten zijn opgesteld in samenwerking met experts en ervaringsdeskundigen en zijn zo veel mogelijk up-to-date.

Met een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) – in het Engels Post-Traumatic Stress Disorder (PTSD) – bedoelt men de psychiatrische verschijnselen die na een nare ervaring(en) een extreem grote indruk achter laten. Deze verschijnselen bestaan onder meer uit extreme angst, hulpeloosheid of prikkelbaar gedrag.

Terug naar boven

Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) kan optreden wanneer een kind een levensbedreigende ervaring meemaakt of op een andere manier ernstig wordt bedreigd. Denk daarbij aan een ernstig ongeluk, ernstig misbruik of mishandeling of de bedreiging van anderen. De jeugdige reageert daarop met intense angst, hulpeloosheid of afschuw, dan wel verward of opgewonden gedrag. Sommige jongeren houden daar psychiatrische verschijnselen aan over, zoals:

  • Herbeleving, bijvoorbeeld een levendige herinnering aan de akelige ervaring;
  • Afstomping/passieve vermijding, zich bijvoorbeeld een belangrijk deel van het trauma niet meer kunnen herinneren;
  • Arousal. Dat staat voor onrust en opwinding die bijvoorbeeld leidt tot moeite met inslapen of doorslapen.

Wanneer deze verschijnselen na verloop van tijd niet verdwijnen spreken we van een Posttraumatische Stressstoornis.

In de praktijk is het zinvol een onderscheid te maken tussen twee 'typen' PTSS:

  • Trauma type I: wanneer sprake is van een eenmalige, niet voorziene gebeurtenis, bijvoorbeeld een verkeersongeluk of een aanslag;
  • Trauma type II: wanneer sprake is van een extreme gebeurtenis waarvan het kind weet dat het steeds weer kan gebeuren. Denk daarbij aan seksueel misbruik of een aanval in oorlogssituaties.

Bij slachtoffers van type II trauma (recidiverende, steeds terugkerende traumatisering) komen er naast stemmingsstoornissen en angststoornissen ook vaak andere dingen voor: somatoforme (lichamelijke) stoornissen, dissociatieve stoornissen (zie volgende kopje), borderline persoonlijkheid en misbruik van middelen. Ook bij jeugdigen met gedragsstoornissen moet aandacht geschonken worden aan de mogelijke aanwezigheid van PTSS.

Dissociatieve stoornis

Bij mensen met een dissociatieve stoornis zijn de hersenen als het ware een tijdje op de vlucht. Als zich vervelende herinneringen dreigen op te dringen, schakelen de hersenen zichzelf bij wijze van spreken uit waardoor de persoon soms zelfs een paar uur 'van de wereld' is. Ze hebben dan een 'black-out'.

Borderline persoonlijkheidsstoornis

Het meest kenmerkende van de borderline persoonlijkheidsstoornis zijn de sterke wisselingen in stemmingen, gedachten en gedrag. Mensen met borderline zijn enorm impulsief, denken vaak zwart-wit en reageren extreem. Relaties zijn moeilijk te onderhouden. Ook de ideeën en gedachten die ze over zichzelf hebben, wisselen sterk.

Terug naar boven

Bij kinderen die een ernstig trauma hebben meegemaakt, heeft leeftijd invloed op het al dan niet ontwikkelen van een posttraumatische stressstoornis. Ongeveer 40% van de kleuters met schokkende ervaringen heeft een PTSS, terwijl dit bij ongeveer 25% van de adolescenten met een akelige ervaring het geval is. Of een PTSS optreedt, lijkt ook in belangrijke mate afhankelijk te zijn van de omgeving waarin kinderen opgroeien.

Terug naar boven

Bij kinderen en adolescenten die een ernstig trauma hebben meegemaakt varieert het vóórkomen van posttraumatische stressstoornis met de leeftijd. Ongeveer 40% van de kleuters met schokkende ervaringen heeft een PTSS, terwijl dit bij ongeveer 25% van de adolescenten met een akelige ervaring het geval is. Of een PTSS optreedt lijkt in belangrijke mate afhankelijk te zijn van de omgeving waarin kinderen en jeugdigen opgroeien.

Terug naar boven

Bij slachtoffers van type II trauma (recidiverende of steeds terugkerende traumatisering) komen naast stemmingsstoornissen en angststoornissen de volgende stoornissen vaak voor: somatoforme (lichamelijke) stoornissen, dissociatieve stoornissen, borderline persoonlijkheid en misbruik van middelen voor. Ook bij jeugdigen met gedragsstoornissen kan sprake zijn van posttraumatische stress-stoornis. De PTSS kan dan de oorzaak zijn van de gedragsstoornissen.

Terug naar boven

Posttraumatische stressstoornis is eigenlijk een angststoornis. De behandelaar maakt vaak een selectie uit dezelfde meetinstrumenten die zijn ontwikkeld voor het meten van angststoornissen.
De meetinstrumenten bestaan uit een aantal vragenlijsten. Sommige lijsten worden door de jeugdigen zelf en hun ouders ingevuld, andere door de behandelaar/onderzoeker.

Het onderzoek valt meestal uiteen in twee delen:

  1. In de eerste plaats wil de behandelaar/onderzoeker zeker weten of er sprake is van een angststoornis en hoe ernstig de stoornis is. Dit stelt hij vast in de screeningsfase. Voor het screeningsonderzoek zijn in principe drie vragenlijsten beschikbaar waaruit de behandelaar/onderzoeker een keuze maakt. Zie voor een korte beschrijving de rubriek Onderzoeksinstrumenten.
  2. Vervolgens, wanneer duidelijk is dat er sprake is van een angststoornis, gaat de behandelaar/onderzoeker dieper in op meer specifieke aspecten van de angststoornis. Voor deze fase van zogenaamde klinische diagnostiek worden in de rubriek Onderzoeksinstrumenten vier veelgebruikte lijsten genoemd.

Bij het onderzoek van kinderen en adolescenten met angststoornissen wordt rekening gehouden met mogelijke combinaties met andere stoornissen. Professionals spreken dan van co-morbiditeit. Angststoornissen, waaronder dus ook PTSS, gaan nogal eens samen met depressie en gedragsstoornissen. Wanneer en expert vermoedt dat er sprake is van meerdere stoornissen dan focust het onderzoek zich ook daar op. Het onderzoek duurt dan uiteraard langer dan wanneer alleen op angst wordt onderzocht.

Onderzoeksinstrumenten

Behandelaars kunnen bij het onderzoek naar angststoornissen en PTSS gebruik maken van een aantal instrumenten. Zij gebruiken meestal niet alle instrumenten gebruiken, maar maken een keuze uit de vragenlijsten die hieronder zijn beschreven.
Het onderzoek naar de angststoornissen gaat gewoon door. Dit betekent dat er af en toe nieuwe meetinstrumenten worden ontwikkeld en nieuwe behandelmethoden beschikbaar komen.

Screening

  1. MASC. Dit staat voor de Multidimensional Anxiety Scale for Children. Het is een vragenlijst die bestaat uit 39 vragen. Naast een totale angstscore toont de lijst aan of aanvullend diagnostisch onderzoek gewenst is. Extra onderzoek is nodig wanneer het kind voldoet aan de criteria voor een angststoornis. In de lijst zijn vier factoren te onderscheiden: lichamelijke verschijnselen, sociale angst, separatie-angst en het vermijden van risico's.
  2. SCAS (Kinderversie). De afkorting staat voor de Spence Children's Anxiety Scale. Spence is de onderzoeker die de lijst heeft gemaakt. Het is een vragenlijst voor kinderen van circa 8 t/m 18 jaar, die ze zelf moeten invullen. De lijst bestaat uit 44 punten die gescoord worden op een schaal van 0 tot en met 3. Naast een totaalscore levert de lijst scores op op zes subschalen, te weten: paniek/agorafobie, separatieangst, sociale fobie, gegeneraliseerde angst, dwang en angst voor lichamelijke verwonding.
  3. SCARED-R, wat staat voor de Screen for Child Anxiety Related Emotional Disorders. Ook dit is een vragenlijst die jeugdigen van circa 8 t/m 18 jaar zelf in moeten vullen. Deze lijst bestaat uit 66 items die zich focussen op de gegeneraliseerde angststoornis, separatieangst-stoornis, paniekstoornis, sociale fobie en schoolfobie bij kinderen.

Klinische diagnostiek

1. ADIS-C, voluit: de Anxiety Disorders Interview Schedule (kinderversie). Met dit instrument neemt de behandelaar een groot aantal interviewvragen af. Er is een kindversie en een ouderversie. Er zijn hoofdstukken over alle angststoornissen, inclusief de dwangstoornissen en de posttraumatische stress stoornis. Daarnaast wordt er uitvoerig aandacht besteed aan schoolweigering, een veel voorkomende complicatie van angststoornissen. Verder zijn er hoofdstukken over affectieve stoornissen, dat wil zeggen emotionele stoornissen. Tevens zijn er hoofdstukken over ADHD, oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en gedragsstoornis. Tenslotte is er een hoofdstuk met screeningsvragen over: middelenmisbruik, schizofrenie, selectief mutisme (weigering om te spreken in bepaalde situaties), eetstoornissen en somatoforme (lichamelijke) stoornissen.
De behandelaar stelt uit deze vragenlijst in ieder geval de volgende onderdelen aan de orde: angststoornissen, schoolweigering, OCD en PTSS. Afhankelijk van de mate waarin er bij het geïnterviewde kind of jeugdige sprake is van genoemde stoornissen kan het interview ongeveer 45 á 60 minuten in beslag nemen. Het afnemen van het gehele interview (maximaal 350 vragen) kan tot 90 minuten in beslag nemen. Het interview wordt in de meeste gevallen zowel bij het kind als bij de ouders afgenomen.

2. CASI, ofwel de Childhood Anxiety Sensitivity Index. Dit is een vragenlijst met 18 items. Deze vragenlijst meet de neiging om gemakkelijk angstiger te worden van bepaalde thema's en onderwerpen.

3. SPA-I, wat staat voor de Social Phobia and Anxiety Inventory for Children. Dit is een vragenlijst van 26 items die kan worden afgenomen als wordt vermoed dat een kind een sociale fobie heeft. Bij een score die daarop wijst wordt in een klinisch interview verder nagegaan of er inderdaad sprake is van een sociale fobie. De lijst richt zich op de somatische, cognitieve en gedragsaspecten van sociale fobie.

4. PSWQ-C, wat de afkorting is voor de Penn State Worry Questionnaire for Children. Dit is een vragenlijst van 14 items die zich richt op de neiging tot piekeren. Piekeren wordt gezien als één van de hoofdkenmerken van de gegeneraliseerde angststoornis. De lijst is kort en snel af te nemen.

Terug naar boven

Over het nut van in de praktijk veel gebruikte hulpprogramma's na een trauma denken de deskundigen verschillend.

Er is onderzoek dat positieve effecten laat zien na een behandeling met cognitieve gedragstherapie. Het accent ligt daarbij op exposure en cognitieve herstructurering. Exposure betekent 'blootstelling'. In dit geval zal de behandelaar het kind als het ware 'blootstellen' aan de schokkerende ervaring die tot de posttraumatische stress heeft geleid. De expert neemt het kind terug naar het moment van de schokkerende ervaring en de gevoelens en gedachten die toen loskwamen. Vervolgens bespreekt hij met de cliënt waarom dat zo schokkerend was. Hij probeert het kind duidelijk te maken dat die ervaring nu voorbij is.

Daarnaast probeert de behandelaar aannemelijk te maken dat er geen reden is om bang te zijn dat het weer gebeurt. Dit laatste noemen we cognitieve herstructurering. Door bij herhaling de herinnering aan de kwelling op te roepen, en steeds weer duidelijk te laten blijken dat er nu voor angst geen reden meer is, zal op den duur de angst ook zonder het oproepen van de ervaring verdwijnen. Het kind raakt eraan gewend. De stress en pijn die verbonden is aan de herinneringen kunnen na verloop van tijd mogelijk verdwijnen of minder heftig worden.

Een behandeling via de methode van de EMDR kan ook effectief zijn. EMDR staat voor Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Het is een methode waarbij het kind eerst een pijnlijke ervaring en de beleving daarvan in gedachten moet nemen. Vervolgens moet het kind een beeld van zichzelf in gedachten nemen. Hoe zou de jeugdige zich graag willen voelen tegengesteld aan wat hij tijdens de schokkende ervaring voelde? Bijvoorbeeld: wanneer de jeugdige zich tijdens de vervelende ervaring schuldig en zwak voelt, zal hij als tegenstelling zichzelf als integer en sterk willen zien.

Achtereenvolgens worden nu de pijnlijke gedachten door middel van ritmisch gestuurde oogbewegingen als het ware gewist en worden de prettige en positieve gedachten geprogrammeerd. EMDR-therapeuten claimen dat de methode sneller werkt dan exposure en voor de cliënt minder pijnlijk en belastend is. Er is wel wat onderzoek dat dit bevestigt.

Lotgenotencontacten

Voor mensen die lijden aan angst- en dwangproblemen is er de patiëntenvereniging Angst, Dwang en Fobie stichting. Ook ouders van kinderen die aan angst, dwang en fobieën lijden, kunnen bij de stichting terecht. De stichting heeft een uitgebreide website: www.adfstichting.nl.

Terug naar boven

Natuurlijk verloop

Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar het verloop van PTSS. In een Brits onderzoek bij 11 tot 18-jarigen die een ernstig eenmalig trauma hadden meegemaakt, kreeg ruim de helft van de betrokkenen last van een PTSS. Ongeveer een derde van hen herstelde in het eerste jaar. Van de resterende jongeren herstelde de helft in de daaropvolgende vier jaar. Bij ongeveer een kwart van de jeugdigen was de duur van de PTSS meer dan vijf jaar. Onderzoek naar het verloop van PTSS bij kinderen en jeugdigen met het type II trauma (mishandeling en seksueel misbruik) is vrijwel niet verricht.

Effecten van behandeling

Er is onderzoek waaruit blijkt dat behandeling, zowel met cognitieve gedragstherapie als met EMDR, aanzienlijke positieve effecten heeft: de jeugdigen hebben na de behandeling aanzienlijk minder klachten. De resultaten die met cognitieve gedragstherapie en met EMDR zijn behaald, zijn ongeveer even groot. Het voordeel van EMDR is dat de gedachten aan de 'ramp' die moeten worden opgeroepen minder pijnlijk en belastend zijn dan de ervaringen tijdens de behandeling met de exposure van de cognitieve gedragstherapie. Bovendien zijn met EMDR minder behandeluren nodig dan bij cognitieve gedragstherapie.

Terug naar boven

Reageren

Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close