Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Meestgezocht: ADHDAutismeBijwerkingenSertralineVluchtelingenkinderen

Nieuws

Nieuw lid wetenschappelijke raad: prof. dr. Marloes Kleinjan

Prof Dr Marloes Kleinjan - Wetenschappelijke Raad Kinder Jeugdpsychiatrie

Met haar 37 jaar is Marloes Kleinjan vrij jong voor een hoogleraar. Toch heeft ze al een grote expertise opgebouwd over de psychische gezondheid van jongeren, vooral over middelengebruik en preventie. Haar doel is om de versnipperde kennis daarover te bundelen, in kaart te brengen en te ontdekken waar de ‘mismatches’ zitten.

Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie sprak met haar, als nieuw lid van de wetenschappelijke raad.

U heeft al veel onderzoek gedaan naar de psychische gezondheid van jongeren. Heeft u een missie voor de toekomst?

“Ja! Mijn overkoepelende missie is om de psychische gezondheid van de Nederlandse jeugd beter in kaart te krijgen, om daarmee preventie en zorg beter in te kunnen richten. Op landelijk niveau zie ik dat we gegevens missen over de psychische gezondheid van de jeugd. We hebben geen landelijke cijfers over de aard en de omvang van psychische problematiek bij jongeren, zoals we die bij volwassenen wel hebben. Ik kan nu niet vertellen hoeveel procent van de Nederlandse jeugd een depressieve stoornis heeft, of ADHD, of een angststoornis, of een gedragsstoornis. Die cijfers hebben we gewoon niet.”

De media berichten de laatste tijd veel over toename van bijvoorbeeld stress en burn-out-verschijnselen bij jongeren, zijn dat dan allemaal aannames?

“We weten niet precies hoe het zit met stress en prestatiedruk bij jongeren. Ervaren druk door schoolwerk onder scholieren blijkt wel te zijn toegenomen in de afgelopen jaren, maar de oorzaken hiervoor zijn nog niet duidelijk. Ook zijn er hogescholen en universiteiten die studenten monitoren. Zij vragen naar stress, prestatiedruk en burn-out-achtige klachten. Daar is wel sprake van een hoog percentage burn-outklachten. Maar burn-outklachten zijn niet hetzelfde als een burn-out. En wat je ook merkt in de berichtgeving: het loopt allemaal door elkaar. Het wordt een soort soep: er is veel stress, er is veel burn-out, er is veel psychische ongezondheid, er zijn emotionele problemen, er is depressie.

Maar ondanks dat ze aan elkaar gerelateerd kunnen zijn, zijn het allemaal andere concepten. Als je het over dit soort dingen hebt in de media moet je ook heel duidelijk zijn over waar je precies je uitspraken over doet. Ik schreef laatst nog een blog naar aanleiding van het bericht dat 1 op de 12 jongeren tussen de 12 en 25 jaar psychisch ongezond is. Dat was wéér een bericht over jongeren en wat daar dan mee aan de hand was. En dan denk ik: ja dit is belangrijke informatie, maar we moeten dit wel in een context plaatsen.”

Als u dat allemaal in kaart zou kunnen brengen, wat zou daar dan het grote voordeel van zijn?

“Met landelijke cijfers over prevalentie weet je in ieder geval hoe groot de problematiek is binnen de Nederlandse jeugd. Hoeveel procent heeft bijvoorbeeld een depressie? Maar ook als je de jongeren een tijdje volgt: welke jongeren krijgen een depressie? Welke jongeren knappen daar sneller van op? En welke niet? Een ander voordeel is dat je ook meer informatie krijgt over risicofactoren, over beschermende factoren en met welke zorg jongeren in aanraking zijn. Je ziet dan welk percentage jongeren geen zorg krijgt, maar hier in onze ogen wel baat bij zou kunnen hebben. En misschien zijn er ook jongeren die wel in zorg zijn maar waarbij je die diagnoses niet naar boven krijgt. Mogelijk hebben zij veel lichtere problematiek waarvoor zij te zware zorg ontvangen. Het kan heel goed zijn dat je daar informatie over een match of mismatch uit krijgt.”

Dus u kijkt waar de gaten zitten?

“Ja, de wijkteams moeten bijvoorbeeld het een en ander afvangen. Krijg je dat in zo’n landelijk plaatje naar boven? Of zitten er veel te zware gevallen in die wijkteams? Het gaat niet gelijk het probleem oplossen van hoe het allemaal ingericht is, maar je hebt in ieder geval iets meer informatie over de vragen: vindt de juiste zorg nu op de juiste plek plaats? En wie heeft wat nodig? Kan het soms beter zijn om even 2, 3 maanden af te wachten, of een app te gebruiken waarbij je handvatten krijgt voor het omgaan met slaapproblemen of piekeren? Om dit in kaart te brengen, kijk ik ook met het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie of we hierin samen op kunnen trekken. Dat lijkt me het mooiste.”

“Een tweede doel waarop ik me wil richten is preventie en hoe je dat het beste kunt inrichten. Natuurlijk wil je dat jongeren de juiste hulp krijgen op het moment dat ze dat nodig hebben. Maar het liefst zou je ervoor zorgen dat ze helemaal geen hulp nodig hebben. Ik zou ook heel graag samen met instellingen die zich bezighouden met jeugd en psychisch gezondheid en welbevinden écht meer toewerken naar een soort landelijk preventieplatform. Daarin moet dan een goed en sluitend aanbod staan voor scholen en jeugdgezondheidszorg, waaruit helder blijkt: wat werkt nou voor wie in welke leeftijdsfase voor bijvoorbeeld het vergroten van veerkracht of weerbaarheid, of het tegengaan van depressie en angst. Dus het promoten van beschermende factoren zoals veerkracht en weerbaarheid, én het tegengaan van risicofactoren. En dat vind ik nu echt behoorlijk versnipperd in Nederland. Die versnippering vind ik echt heel irritant.”

'Op het moment dat we iets goeds in handen hebben, moeten we ook zorgen dat het gebruikt kan worden.'

prof. dr. Marloes Kleinjan

Het Kenniscentrum ziet het als zijn missie om die versnipperde kennis te bundelen en praktisch toepasbaar te maken. We passen dus wel goed bij elkaar?

“Ja, ik zou daar heel graag een bijdrage aan leveren. Vanwege mijn hoogleraarschap kwam ik in gesprek met directeur Ilse Tamrouti, en wij hadden meteen een goede klik. Op haar vraag of ik wilde overwegen om in de wetenschappelijke raad plaats te nemen, dacht ik meteen: ja dat lijkt me hartstikke leuk. Wat het Kenniscentrum doet, het verzamelen van de kennis en ook die vertaling maken zodat ook ouders en professionals er goed mee aan de slag kunnen, dat zijn precies de dingen die ik ontzettend belangrijk vind. Als ik daar een bijdrage aan kan leveren, dan doe ik dat heel graag.”

Waarom vindt u die vertaling belangrijk? Is preventie niet vooral het werk van beleidsmakers?

“Op het moment dat we iets goeds in handen hebben, moeten we ook zorgen dat het gebruikt kan worden. Dat mensen weten waar ze dit kunnen vinden. Als ik een schooldirecteur ben en ik wil iets met preventie op het gebied van psychische gezondheid, waar moet ik dan beginnen? Hoe kom ik aan die informatie? En hoe weet ik dan of een programma een goed programma is? Er moet dan eigenlijk al een pakket klaarliggen wat je aan kan bieden, waarvan we weten dat het werkt en voor wie het werkt. Maar ik zou het liefst nog een stap verder willen gaan en een soort beslisboom maken: ik wil dit, voor die groep, met dit einddoel, dan moet ik dus dit hebben. Dit is een wens die veel breder gedragen wordt. Het is vooral zaak om bij elkaar aan te haken. Veel partijen hebben een stukje van de puzzel en het is ook belangrijk om al die stukjes bij elkaar te brengen.”

“Maar wat we zeker niet moeten vergeten is om jongeren zelf te betrekken bij onderzoek naar psychische gezondheid en de ontwikkeling van preventieve interventies hiervoor, als we willen dat zij deze gaan gebruiken. In mijn gesprekken met hen merkte ik dat jongeren met veel inzicht en reflectie kunnen spreken over wat ze bezighoudt en wat ze nodig hebben.”

Van twijfelende student tot bevlogen hoogleraar

  • 1999 tot 2004: sociale psychologie (met vakken klinische en gezondheidspsychologie) aan de Rijksuniversiteit Groningen
  • 2004 – 2009: promotieonderzoek naar stoppen met roken bij jongeren bij het IVO, Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen & Verslaving en de Erasmus Universiteit Rotterdam
  • 2009 – 2014: postdoc-onderzoeker en later universitair docent bij Radboud Universiteit Nijmegen, naar roken, alcohol, preventie- en interventieprojecten middelengebruik, psychische gezondheid (waaronder depressie en angst)
  • 2014 – heden: onderzoeker en programmahoofd bij Trimbos Instituut Utrecht, met als focus middelengebruik en geestelijke gezondheid, preventie en interventie.
  • 2017: hoogleraar Universiteit Utrecht, leerstoel mentale gezondheidsbevordering bij jeugd
  • 2018: inaugurele rede ‘De onderste steen boven: over de verborgen zorgen van de jeugd’

    Reageren

    Kunnen we deze tekst verbeteren, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Uw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

    Sluiten