Anorexia Nervosa

Klinisch beeld en classificatie

Een specifiek kenmerk van anorexia nervosa is het beperken van de energie-inname t.o.v. de energiebehoefte waardoor er een significant te laag lichaamsgewicht ontstaat met daarbij passende aanpassingen van het lichaam zoals bv koude wit/blauwe handen en donsbeharing. Het is ten alle tijde goed je te realiseren dat kinderen zich in de groei kunnen bevinden wat een vertekend beeld van de ernst zou kunnen geven, zoals bijvoorbeeld stagnatie van de lengtegroei met een nog redelijk gewicht naar lengte. Daarnaast bestaat er een intense vrees om dik te worden en een stoornis in de manier waarop iemand het gewicht of de lichaamsvorm ervaart. Anders dan bij de vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis hebben kinderen met anorexia nervosa een intense angst om aan te komen in gewicht of proberen gewichtstoename te voorkomen. Overigens uit deze angst zich bij jongere kinderen (<12 jaar) meestal in gedrag (verzet, boosheid).

Etiologie

Over de etiologie van eetstoornissen is weinig bekend. Het is wel duidelijk dat eetstoornissen het gevolg zijn van een combinatie van meerdere factoren. Zo zijn er factoren die al in aanleg aanwezig zijn (genetische achtergrond en persoonlijkheid) of ongunstige omgevingsfactoren, zoals sociale, culturele en familiale factoren, maar deze zijn ieder op zich niet voldoende om het ontstaan van anorexia nervosa te verklaren (Trimbos, 2006a).

In de psychopathologie van anorexia nervosa neemt de controle over het eten een belangrijke plaats in. Waar de controle over het eten bij anorexia nervosa erg hoog is, is verlies van controle over het eten juist een kenmerk bij de stoornissen met eetbuien. Eerst werd de oorzaak hiervoor vooral gezocht in de uit de hand gelopen lijnpogingen, maar deze invalshoek wordt momenteel herzien. De eetbui, of verlies van controle bij het eten lijkt toch vooral een manier om emoties te reguleren, met name bij jongeren met een lage zelfwaardering (Goossens e.a., 2011). Daarnaast blijken bij obese kinderen de eetbuien en het overeten ook gerelateerd aan een grotere gevoeligheid voor signalen die van voedsel uitgaan (food cues; Jansen e.a. 2003), een hogere gevoeligheid voor externe signalen (Goossens e.a., 2007), en hogere impulsiviteit (Nederkoorn e.a., 2006). Dit heeft te maken met een veranderde beloningsgevoeligheid in de hersenen (Bohon & Stice, 2012), en veranderde gedragsinhibitie bij eetstoornispatienten (Lock e.a., 2011). Vanuit neurowetenschappelijk onderzoek zijn er vele aanwijzingen voor de rol van veranderde serotonerge functie in de verstoorde regulatie van eetlust, stemming en impulscontrole bij anorexia nervosa en boulimia nervosa (Kaye, 2008).

Risicofactoren

Geen enkele risicofactor kan direct worden aangewezen als de causale factor bij het ontwikkelen van anorexia nervosa, de etiologie van eetstoornissen wordt net als van andere psychiatrische stoornissen als multifactorieel beschouwd. Risicofactoren die specifiek zijn voor de ontwikkeling van anorexia nervosa, boulimia nervosa, eetbuistoornis en ongespecificeerde voedings- of eetstoornis zijn nog maar beperkt gevonden. Ditzelfde kan gezegd worden over de vermijdend/restrictieve voedselinnamestoornis. Zowel familiaire factoren, biologische factoren, culturele factoren en omgevingsfactoren, algemene psychologische factoren en specifieke psychologische factoren kunnen een rol spelen bij de ontwikkeling en instandhouding van een eetstoornis (Trimbos 2006a). In Vandereycken e.a. (2008) worden fotomodellen, balletdansers en topsporters beschreven als specifieke risicogroepen. De belangrijkste risicogroep voor het ontwikkelen van anorexia nervosa  bestaat uit vrouwelijke adolescenten  in de leeftijd tussen 12 en 25 jaar (Vandereycken e.a., 2008; Treasure e.a., 2010). De door Vandereycken e.a. (2008) genoemde specifieke risicofactoren zijn:

Genetische en biologische risicofactoren:

  • Het hebben van eetstoornissen en andere psychiatrische problemen in de familie, zoals stemmingsstoornissen en alcohol- en drugsgebruik;
  • Zwaarlijvigheid in de familie;
  • Vroege menarche;
  • Diabetes;
  • Prematuriteit.

Culturele risicofactoren:

  • Internalisering van het slankheidideaal, negatieve lichaamsbeleving en extreem lijngedrag.

Sociale risicofactoren:

  • Disfunctionele gezinssystemen;
  • Negatieve stressvolle gebeurtenissen of omstandigheden;
  • Pesten met het uiterlijk;
  • Seksuele intimidatie of seksueel misbruik.

Algemene psychologische factoren:

  • Gebrek aan zelfvertrouwen;
  • Negatieve gevoelens;
  • Emotionele geremdheid;
  • Sociale faalangst;
  • Negatief perfectionisme en prestatiegerichtheid;
  • Impulsiviteit;
  • Angstigheid;
  • Obsessieve persoonlijkheidstrekken.

In de multidisciplinaire richtlijn eetstoornissen wordt dieper ingegaan op de risicofactoren.

Preventie

Er zijn twee vormen van preventie: primaire preventie en secundaire preventie. Primaire preventie richt zich op de reductie van risicofactoren die bijdragen aan de ontwikkeling van een eetstoornis. Doelen van primaire preventie zijn: het weerbaar maken tegen de media, het aanleren van assertief gedrag, een verbetering van zelfvertrouwen, het verkrijgen van positievere lichaamsbeleving, het aanleren van assertief gedrag en het verkrijgen van betere vaardigheden om met problemen en conflicten om te gaan. Secundaire preventie heeft als focus vroegtijdige signalering van een (beginnende) eetstoornis, hiervoor is onder andere de signalenkaart eetstoornissen ontwikkeld.

Er zijn diverse preventieprogramma’s ontwikkeld die geïmplementeerd kunnen worden in schoolprogramma’s. In 2007 heeft ZieZo een lesprogramma ontwikkeld met een drieledig doel: preventie en herkenning van eetstoornissen, inzicht geven in beschermende factoren en steun en hulp bieden aan jongeren met een eetstoornis en aan hun omgeving. ZieZo richt zich met dit lesprogramma op zowel primaire als secundaire preventie. ZieZo is inmiddels van naam veranderd en heet nu IxtaNoa. Het Dove fonds heeft het programma Body Talk met een bijbehorend werkboek, hierin wordt ook aandacht gegeven aan voorlichting van de leerkrachten en ouders. Uit onderzoek naar het effect van preventieve interventie blijkt dat deze vooral leidt tot een verbeterde kennis van kenmerken en gevolgen van eetstoornissen. Verandering in attitudes zijn veel moeilijker te bewerkstelligen en blijven meestal ook minder lang hangen (Trimbos, 2006a). Tot slot heeft ook Buro Puur gastlessen in de aanbieding.

Incidentie en prevalentie

Verhulst e.a. hebben in 1997 de 6 maand prevalentie van anorexia nervosa en boulimia nervosa bij adolescenten (13-18 jaar) vastgesteld. Voor anorexia nervosa was dit 3 per 1.000 en voor boulimia nervosa was dit 2 per 1.000.

In het National Kompas Volksgezondheid van de RIVM is de incidentie (per 100.000 personen per jaar) van anorexia en boulimia nervosa bij vrouwen in verschillende leeftijdscategorieën beschreven deze cijfers gaan echter over de periode van 1995-1999 (tabel 1).

Leeftijd

Anorexia nervosa

Boulimia nervosa

5-9

4,5

0,0

10-14

18,4

0,0

15-19

109,2

41,0

20-24

32,0

42,6

25-29

30,0

30,0

30-34

3,2

15,8

35-64

5,6

6,3

Tabel 1. Incidentie (per 100.000 personen per jaar) van anorexia nervosa en boulimia nervosa bij vrouwen in de periode 1995-1999 (Van Son e.a., 2006)

Eetstoornissen zijn niet hoog-prevalent, in een gemiddelde huisartsenpraktijk komt eens per 5 jaar een nieuwe patiënt met een eetstoornis voor. De life-timeprevalentie van AN volgens DSM-5-criteria was 1,7% bij jonge vrouwen in een groot Nederlands cohortonderzoek van adolescenten, voor boulimia nervosa (BN) 0,8% (Smink e.a. 2014). Slechts ongeveer een derde van deze vrouwen met AN komt in de GGz. Hoewel bij hulpverleners de indruk bestaat dat het aantal nieuwe patiënten met AN toeneemt, is dit op grond van verricht onderzoek slechts te bevestigen voor jonge vrouwen in de leeftijdsgroep van 15 tot 19 jaar (Van Son e.a., 2006; Smink, Van Hoeken & Hoek, 2012). Onderzoek in Nederland toont aan dat de hoogste jaarincidentie, het aantal nieuwe gevallen in een jaar, – ruim 100 per 100.000 vrouwen – wordt gevonden in de leeftijd van 15 tot 19 jaar (Van Son e.a., 2006). De patiënten in deze leeftijdscategorie vormen daarmee de grootste risicogroep voor AN. Het vermijdingsgedrag tav hulpverlening, evenals de hoge comorbiditeits- en mortaliteitscijfers (Harris & Barraclough, 1998; Smink, Van Hoeken & Hoek, 2013) is imposant, net als het feit dat deze ziekten dikwijls op jonge leeftijd beginnen en daarmee een groot stuk ontwikkeling en opleiding wegnemen. De prevalentie van AN volgens DSM-5-criteria is toegenomen, vergeleken met het hanteren van de DSM-IV-criteria (Machado e.a. 2013; Smink e.a. 2013). Het eerste onderzoek laat echter zien dat DSM-5 AN niet minder ernstig is dan DSM-IV gedefinieerde AN (Call e.a. 2013; Smink e.a. 2013).

Beloop en prognose

Anorexia nervosa kent een overwegend lang maar eindig, en (bij jongeren) in een minderheid van de gevallen een chronisch, beloop. De stoornis is gevaarlijk. Wanneer de ziekte echter tijdens de puberteit begint (i.t.t. de jonge volwassenheid) is mortaliteit lager en de prognose beter (Steinhausen, 2002; Treasure e.a., 2010) indien men niet afwacht doch gaat behandelen.

Bij volwassen is het sterftecijfer ruim 5% per tien jaar, de patiënten overlijden aan directe of indirecte gevolgen van de stoornis. Anorexia nervosa duurt gemiddeld vijf jaar met een spreiding van enkele maanden tot tientallen jaren. De kans op een terugval is groot, bij ongeveer één op de vier patiënten wordt anorexia nervosa chronisch. Wanneer de ziekteduur voor aanvang van de behandeling kort was, is uit meerdere onderzoeken gebleken dat dit een betere prognose gaf (Vandereycken, 2008).

Bij een aantal follow up onderzoeken in het buitenland blijkt een groot verschil in beloop: na 1 jaar blijkt 2% geen anorexia meer te hebben (Salbach-Andrae e.a., 2009). Een ander Scandinavisch onderzoek toont aan dat na 16 jaar bij 85% herstel te zien is (Nilsson & Haggloff, 2005).

Comorbiditeit

Comorbiditeit komt vaak voor bij anorexia nervosa, met name affectieve stoornissen, angststoornissen, obsessief compulsieve stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Wanneer sprake is van comorbiditeit is geïntegreerde behandeling noodzakelijk. Het is belangrijk om de aard en ernst van de eventuele comorbide psychische stoornissen vast te stellen en te relateren aan het ontstaan en/of voortbestaan van de eetstoornis. Als er zicht is op de onderlinge relatie van de psychische stoornissen kan bepaald worden of de eetstoornis op de voorgrond staat en of de behandeling van de eetstoornis, in het licht van verdere diagnostiek, de prioriteit heeft (Trimbos, 2006b).

Soms lijkt persoonlijkheidsproblematiek de behandeling van de eetstoornis in de weg te staan. Adolescenten met comorbide persoonlijkheidsproblematiek profiteren echter evenveel van de behandeling van de eetstoornis, als jongeren zonder bijkomende persoonlijkheidproblemen (Jansen, 2006).

Deel deze pagina via:
Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren? Ontbreekt het aan inhoud, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

 
Annuleren

Mogen we je vragen een beknopt profiel aan te vragen?

Niet verplicht, wel zo handig voor de andere leden om te zien wat je betrokkenheid bij het Kenniscentrum inhoudt.

Let op: deze informatie wordt niet getoond aan niet geregistreerde bezoekers en wordt verder nergens voor gebruikt zonder jouw expliciete toestemming.

Ik ben:

Annuleren