Diagnostiek van autismespectrumstoornissen bij kinderen en adolescenten

Voor deze tekst is gebruik gemaakt van de richtlijn diagnostiek en behandeling autismespectrumstoornissen (ASS) bij kinderen en jeugdigen (monodisciplinaire Richtlijn ASS NvvP, maart 2009)

De diagnostiek van ASS is een sterkte-zwakte-analyse van alle ontwikkelingsdomeinen van het kind. De mogelijkheden en beperkingen van het kind worden beoordeeld in de context van alle betrokken leefdomeinen, zoals gezin (of leefgroep), school en buurt. Hoewel men ervan uitgaat dat ASS een stoornis is die grotendeels wordt bepaald door biologische factoren, spelen dynamische interacties met de omgeving een belangrijke rol in de manier waarop gedragsproblemen geassocieerd met deze stoornis concreet tot uiting komen (Hallmayer et al., 2011). Vooral voor de behandeling en begeleiding is het van belang een goed beeld te krijgen van de problematiek en de gevolgen die de problematiek van ASS heeft voor de interacties met de omgeving.

In de diagnostiek van ASS zijn de volgende elementen van belang:

  • Screening
  • Anamnese en ontwikkelingsanamnese 
  • Onderzoek van het kind zelf 
  • Aanvullend onderzoek (o.a. psychologisch onderzoek, logopedisch onderzoek, medisch onderzoek, genetisch onderzoek) 

De diagnostiek van ASS is complex. In de klinische beoordeling moet daarom informatie uit veel bronnen worden geïnterpreteerd en meegewogen. Gestandaardiseerde diagnostische instrumenten, zoals interviews, observatieschalen of vragenlijsten, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het in kaart brengen van het klinisch beeld. De uiteindelijke classificerende diagnose wordt altijd gesteld op basis van alle beschikbare informatie, klinisch psychiatrisch onderzoek en gestandaardiseerde instrumenten (Minderaa, 2009). Instrumenten kunnen hierbij dus behulpzaam zijn, maar zullen nooit het klinisch oordeel kunnen vervangen. Bij kinderen van een etnische minderheid is het van belang om expliciete screeningslijsten te gebruiken en aandacht te besteden aan culturele achtergrond. (Begeer, 2009).

Screening Diagnostiek
Vragenlijst ASS symptomatologie

SCQ
SRS
AVZ-R
VISK
ESAT
M-CHAT
PDDST-II-NL

AUTI-R
Vragenlijst bredere gedragsinventarisatie

CBCL
YSR
TRF
SEV
Spsy/SDQ

Interview

ADI-R

3Di

Observatieschaal ADOS-2
Aanvullend onderzoek

Intelligentie, sociale cognitie (ToM test-R), taal/spraak, executieve functies (BRIEF), bredere neuropsychologische functies, medisch (gehoor, visus)

Tabel 1: Overzicht van aanbevolen instrumenten in deze richtlijn

Screening

Screening voorafgaand aan het eerste contact met ouders en kind is effectief omdat daarmee een eerste indruk verkregen kan worden van de aard en de ernst van de ontwikkelingsproblematiek en comorbide gedragsproblemen. Het kan richting geven aan het verdere onderzoek. De Richtlijn Trimbos (2009) geeft aan dat er ‘Geen bewezen goede screeningsinstrumenten zijn die voldoen aan de richtlijn omdat de ‘algemene sensitiviteit niet uitkomt boven 0.8’. Daarom moet de diagnose nooit op alleen screening worden gebaseerd.

Vroege screening

Bij jonge kinderen met ASS blijkt vroegtijdige en intensieve interventie te resulteren in een betere lange termijn prognose (Dawson, et al., 2010; Smith, et al., 2010; zie ook Behandeling). Daarom wordt screening van jonge kinderen steeds belangrijker geacht (Robins, & Dumont-Mathieu, 2006). Hierbij moet gewaarschuwd worden dat autisme moeilijk is vast te stellen bij zeer jonge kinderen. Enerzijds kunnen de ontwikkelingsverschillen tussen kinderen op jonge leeftijd nog heel groot zijn zonder dat dit iets zegt over de uiteindelijke ontwikkeling. Anderzijds is er een overlap tussen gedrag typisch voor autisme en ontwikkelingsadequaat ‘jong’ gedrag. Inmiddels is wel veel onderzoek gedaan naar welke kenmerken op jonge leeftijd onderscheidend zijn, met als doel vroegtijdige interventie mogelijk te maken. Bepaalde vormen van vroeg vocaal gedrag of gebrek aan vroeg vocaal gedrag zijn bijvoorbeeld een aanneembare voorspeller van een verhoogd risico voor autismesymptomen bij baby’s en peuters met een ouder broertje of zusje met ASS (Paul, et al., 2011). Autismesymptomen binnen de motorische ontwikkeling, sociale en emotionele ontwikkeling en intentionele communicatie zijn bij deze kinderen te herkennen vanaf de leeftijd van 12-24 maanden (Rogers, 2009).
Om in te spelen op deze behoefte naar vroege screening en signalering van autisme, zijn instrumenten ontwikkeld die zich richten op ASS-symptomen bij jonge kinderen. Specifiek voor het screenen van baby’s en peuters op ASS is de ESAT (Early Screening of Autistic Traits Questionnaire). Hiermee kunnen gesignaleerde risico’s worden beoordeeld en kan de noodzaak tot doorverwijzing worden vastgesteld (Buitelaar, et al., 2009). Over de betrouwbaarheid en validiteit van deze vragenlijst is nog erg weinig bekend, waardoor deze aspecten als onvoldoende zijn beoordeeld door de COTAN. Daarnaast geven onderzoeksresultaten aan dat het screeningsinstrument M-CHAT (Modified Checklist for Autism in Toddlers) een goed instrument is voor de vroegtijdige opsporing van ASS bij peuters (Robins, et al., 2001).

Screeningsinstrumenten over ASS-symptomatologie

De Social Communication Questionnaire (SCQ) is een vragenlijst voor screening op ASS bij kinderen vanaf 4 jaar (met een mentale leeftijd vanaf 2 jaar), die door de ouders wordt ingevuld. Van de SCQ bestaan twee versies: de versie ‘levensloop’ waarin de gehele ontwikkelingsgeschiedenis van het kind wordt meegewogen en de versie ‘huidige toestand’ waarbij alleen de afgelopen drie maanden wordt bekeken (om eventuele verandering in gedrag na te gaan). De vragenlijst is gebaseerd op de ADI-R en is vertaald naar het Nederlands, maar er is weinig Nederlands onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit.

De Social Responsiveness Scale (SRS) richt zich op sociaal-communicatief gedrag en geeft dit weer op een dimensionele schaal, waarbij een hogere score meer problematiek betekent. Er zijn inmiddels Nederlandse normgegevens beschikbaar voor kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar, waardoor met de schaal onderscheid gemaakt kan worden tussen ASS en niet-ASS. Er zijn ook klinische normen (binnen de autisme-populatie) die bedoeld zijn om inzicht te geven in de ernst van de stoornis. Deze lijst is, net als de VISK, specifiek gericht op het in kaart brengen van problemen van kinderen met ‘mildere varianten’ van ASS (bron: www.wpspublish.com; Constantino en Gruber, 2005).

Voor het in kaart brengen van de problemen van kinderen met mildere vormen van ASS kan ook de VISK (Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag bij Kinderen) worden gebruikt. De VISK is een relatief korte lijst die door ouders kan worden ingevuld en vooral de meer subtiele sociale problemen inventariseert.

Een goed onderzocht en veel gebruikt screeningsinstrument in Nederland en Vlaanderen voor ASS bij kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking is de AVZ-R (Autisme en Verwante stoornissen-schaal-Z-Revisie). Het is een kort en eenvoudig in te vullen instrument. Hierbij wordt gebruik gemaakt van rechtstreekse observatie en dossiergegevens. Een nadeel van de AVZ-R is dat de specificiteit van het instrument laag is, waardoor het mogelijk is dat de problematiek te snel ten onrechte als ASS wordt aangemerkt.

De Pervasive Developmental Disorders Screening Test-II-NL (PDDST-II-NL) is bedoeld om te screenen op de verschillende vormen van ASS bij kinderen tussen 1 en 6 jaar oud. Ouders vullen de vragenlijst in. Over de betrouwbaarheid en validiteit van dit instrument is weinig bekend.

Bredere screeningsinstrumenten

Bredere screeningslijsten leveren weinig specifieke informatie op voor de autismespectrumstoornissen, maar kunnen wel goed worden gebruikt om de probleemgebieden waarbij hulp wordt gevraagd, en daarmee ook eventuele comorbiditeit, in kaart te brengen (NvvP, 2009).

De Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV) bestaat uit 72 vragen (afnameduur 30 minuten) voor ouders of leerkrachten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen sociaal-emotionele problematiek zoals die vaak voorkomt bij kinderen met ADHD, ODD, ASS of angststoornissen. De SEV is goed beoordeeld door de COTAN.

Internationaal geaccepteerde vragenlijsten, die accurate gegevens opleveren over de meest voorkomende internaliserende en externaliserende stoornissen, zijn de CBCL (Children Behavior Checklist), de TRF (Teacher’s Report Form) en de YSR (Youth Self-Report). Ook de SDQ (Strenghts and Difficulties Questionnaire) wordt vaak gebruikt voor screening op psychopathologie.
Voor meer informatie over de comorbide stoornissen verwijzen wij naar de betreffende thema's:

Anamnese en ontwikkelingsanamnese

Een eerste belangrijke informatiebron in de diagnostiek van ASS is het verhaal (de anamnese) van de ouders/verzorgers. Zij kunnen de huidige problematiek die hun kind ervaart in het dagelijks leven meestal goed verwoorden. Onderwerpen die daarin aan de orde moeten komen zijn de contactmogelijkheden van het kind (de wijze waarop, de mate waarin, de behoefte etc.), de kwaliteit van de interactie, de ontwikkeling van de spraak, taal en communicatie, specifieke interesses, de ontwikkeling van de motoriek en de verstandelijke vermogens. Daarnaast is het belangrijk te vragen naar de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind en naar life-events. Ten derde is het nuttig om bij de inventarisatie van de problemen ook de gezinscontext goed in kaart te brengen. Dit geeft inzicht in de invloed die de problematiek van het kind heeft op het functioneren van het gezin (draagkracht / draaglast) en op de relaties tussen de gezinsleden, maar ook in de invloed van het gezinsfunctioneren op de problemen van het kind. Tot slot is ook informatie van de school, kinderdagverblijf of dagvoorziening belangrijk om een compleet beeld te krijgen van het functioneren van het kind. Voor een meer uitgebreide en inhoudelijke beschrijving van de inventarisatie van de problematiek verwijzen we naar Minderaa (2009), Van der Veen-Mulders et al. (2001) en Verhulst et al. (2009).

Instrumenten ter onderbouwing van de anamnese/ontwikkelingsanamnese

De ADI-R is een internationaal toegepast, betrouwbaar en valide klinisch interview met de ouders/verzorgers. Het kan gebruikt worden in de diagnostiek van ASS bij kinderen met een ontwikkelingsleeftijd vanaf 2 jaar. Afname van de ADI-R neemt 2 tot 2,5 uur in beslag en de interviewer moet getraind en gecertificeerd worden om betrouwbare codering van de interviewgegevens te waarborgen. De ADI-R leidt tot een classificatie wel/niet ASS en maakt geen onderscheid tussen de verschillende subtypen die in de DSM-IV beschreven staan. De ADI-R wordt in combinatie met de ADOS vaak gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek en is soms vereist door reviewers.

De Developmental, Dimensional and Diagnostic Interview (3Di) biedt een nauwkeurige en efficiënte manier van beoordeling van de aanwezigheid van autistische symptomen (Skuse 2004). Dit gevalideerde semi-gestructureerde interview met de ouders geeft zowel vroeger als huidig gedrag weer. De 3Di kost minder tijd dan de ADI-R. Ook voor dit instrument geldt dat training en certificering vereist zijn.

De AUTI-R is bedoeld als instrument bij de onderkenning van klassiek autisme en wordt ingevuld door een beroepskracht die het kind goed kent (Van Berckelaer-Onnes & Hoekman, 1991). Het leeftijdsbereik is vanaf 10 maanden voor niet-sprekende en vanaf 3 jaar voor sprekende kinderen tot en met 12 jaar. Het instrument heeft een goede betrouwbaarheid en voldoende validiteit.

Onderzoek van het kind zelf

Het is van belang dat de onderzoeker zich zelf een indruk vormt van het kind door middel van een kindonderzoek. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zowel gesprek als spel, afhankelijk van leeftijd en niveau van functioneren. Minderaa (2009) en Van der Veen-Mulders e.a. (2001) geven een beschrijving van de verschillende aspecten waarop de onderzoeker moet letten. Denk aan contactname, taalgebruik, mogelijkheid tot verbeelding in fantasiespel, motoriek etc. Men dient er rekening mee te houden dat bij kinderen met een autismespectrumstoornis de problemen in een één-op-één-contact met de onderzoeker soms minder zichtbaar kunnen zijn dan in het verhaal van ouders naar voren komt. Dit komt doordat de problemen van deze kinderen het meest zichtbaar worden in situaties waarin ze zich op hun gemak voelen (zoals bijvoorbeeld thuis) en in situaties die weinig gestructureerd zijn (Minderaa, 2009).

Instrumenten ter onderbouwing van kindonderzoek

De ADOS-2 is een betrouwbaar en valide observatie-instrument dat gebruikt kan worden om op een gestandaardiseerde manier het gedrag van kinderen, adolescenten en volwassenen met ASS in kaart te brengen. Met behulp van de ADOS kan goed onderscheid worden gemaakt tussen AS (autistische stoornis) en niet-ASS en tussen AS en PDD-NOS. Dit laatste onderscheid is echter minder betrouwbaar dan die tussen AS en niet-ASS. De ADOS is een valide en betrouwbaar instrument, maar een volledig diagnostisch protocol moet worden toegepast (Kamp-Becker, et al., 2011).

De ADI-R en ADOS maken onafhankelijk een toegevoegde bijdrage aan meer accurate diagnostische beslissingen over peuters en jonge kleuters met ASS. Voor sommige kinderen leidt het opeenvolgend gebruik van beide instrumenten tot verbeterde diagnostische validiteit (Kim & Lord, 2012).

Aanvullend onderzoek

(Neuro)psychologisch onderzoek

Een IQ-test is een goede aanvulling op de diagnostiek bij ASS, omdat hiermee een profiel van de sterke en zwakke kanten van het kind kan worden gevormd. Verder psychologisch onderzoek kan om verschillende redenen nuttig zijn, bijvoorbeeld als er twijfels zijn over de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens, de taalontwikkeling of als er aanwijzingen zijn voor neuropsychologische problemen die het leren kunnen bemoeilijken. Neuropsychologische problemen die bij autisme vaak naar voren komen, zijn problemen met de executieve functies, centrale coherentie en schakelvaardigheden. Behalve via direct onderzoek met het kind kunnen problemen in de executieve functies ook in kaart gebracht worden via ouderrapportage met de BRIEF. Verder kan een psychologisch onderzoek geïndiceerd zijn bij vragen over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Sociale cognitie kan bijvoorbeeld getest worden met de Theory of Mind test-Revised (ToM test-R). Een psychologisch onderzoek brengt de sterke en zwakke kanten van een kind in kaart. Mede op basis van deze uitkomsten kunnen adviezen worden gegeven ten aanzien van schoolkeuze, didactische of pedagogische aanpak.

Voor kinderen met specifieke taalproblemen is het raadzaam om logopedisch onderzoek te laten verrichten en de talige en communicatieve capaciteiten in kaart te brengen met behulp van vragenlijsten (bijvoorbeeld de CCC-II-NL of de N-CDI: lijsten voor communicatieve ontwikkeling) of met behulp van tests voor taalbegrip, taalproductie of pragmatiek.

Somatisch onderzoek

In de praktijk blijkt uitgebreid somatisch onderzoek maar zeer laagfrequent een onderliggende etiologische factor naar voren te brengen. Echter, bij sommige afwijkende ontwikkelingen of bij abrupte gedragsveranderingen en regressie is uitgebreid medisch onderzoek juist wel zinvol. Het is goed om alle voors en tegens (zowel qua belasting voor kind en ouder als kosten-baten) goed door te nemen, alvorens tot somatisch of klinisch-genetisch onderzoek over te gaan (Cohen & Volkmar 1997; Rutter et al., 2002; Van der Veen-Mulders et al., 2001). Het wordt altijd aangeraden om te (laten) controleren of een kind goed hoort en ziet. Ook is het nuttig te kijken naar syndromale kenmerken. Voor een richtlijn over de somatische anamnese en te verrichten standaard onderzoek verwijzen wij naar de richtlijn van de NVvP (2009).

Recente ontwikkelingen

Recent wordt bij groepen jong volwassenen (met soms milde ASS symptomen) verschillende vragenlijsten afgenomen waarin zij worden gevraagd de aanwezigheid van ASS symptomen bij zichzelf te beoordelen (zie Kanne et al., 2012; Ingersoll et al., 2011). Bij kinderen en jongeren gebeurt dit minder. De paar onderzoeken die zijn gedaan laten zien dat net als bij andere groepen jongeren er grote verschillen zijn tussen wat ouders en leraren rapporteren en wat jongeren over zichzelf rapporteren. Jongeren met ASS rapporteren over het algemeen minder symptomen dan hun ouders. Dit kan samenhangen met dat zij minder zelfinzicht hebben (Johnson et al., 2009). Wat de waarde van zelfrapportages in onderzoek of in de klinische praktijk precies is, lijkt nog niet duidelijk en hangt vooral samen met het doel van de afname. Naast onderzoek naar zelfrapportages, vindt er recent ook meer onderzoek plaats naar het gebruik van digitale screening- en diagnostiekmogelijkheden voor kinderen en jongeren met ASS, zoals de bruikbaarheid van de DAWBA (zie Posserud et al., 2010; www.dawba.com). Zie ook het artikel: 'Diagnose via internet' (Balans 2013).

Om onderdiagnostiek bij meisjes tegen te gaan is volgens Gould en Ashton-Smith (2011) het verstandig om vragen te stellen over ‘meisjeshobby‘s', zoals omgaan met dieren, mode etc. Deze onderwerpen liggen dichter tegen de ‘normale’ hobby’s aan. Het gaat dan niet zozeer om het onderwerp op zich maar om de kwaliteit en intensiteit van deze hobby (Gould & Ashton-Smith, 2011). Deze onderwerpen komen tot nu toe niet voor in de meeste screenings- en diagnostische lijsten.

Achenbach, T.M. & Rescorla, L.A. (2000). Manual for ASEBA Preschool Forms & Profiles. Burlington, VT: University of Vermont, Research Center for Children, Youth, & Families.

Achenbach, T.M., & Rescorla, L.A. (2001). Manual for ASEBA School-Age Forms & Profiles. Burlington, VT: University of Vermont, Research Center for Children, Youth, & Families.

Begeer, S., El Bouk, S., Boussaid, W.,Meerum Terwogt, M., Koot, H.M. (2009). Underdiagnosis and Referral Bias of Autism in Ethnic Minorities. Journal of Autism and Developmental Disorders, 39, 142–148.

Berckelaer-Onnes, L.A. van & Hoekman, J. (1991). AUTI-R Schaal t.b.v. de onderkenning van vroegkinderlijk autisme: Handleiding en verantwoording. Amsterdam: Harcourt Test Publishers.

Bildt, A.A. de (2003). The Friesland study: pervasive developmental disorders in mental retardation. Enschede, Nederland: PPI.

Buitelaar, J., Daalen, E. van, Dietz, C., Engeland van, H., & Gaag, R.J. van der. (2009). Esat- screening van ASS op jonge leeftijd: Praktische handleiding voor signalering, screening en diagnostiek. Houten, Nederland: Bohn Stafleu van Loghum.

Constantino, J.N., & Gruber, C.P. (2005). Social responsiveness scale. Manual. Los Angeles: Western Psychological Services.

Dawson, G., Rogers, S., Munson, J., Smith, M., Winter, J., Greenson, J., et al. (2010).  Randomized, controlled trial of an intervention for toddlers with autism: The Early Start Denver Model. Pediatrics, 125, 17-23. 

Dereu, M., Roeyers, H., Raymaekers, R., Meirsschaut, M., & Warreyn, P. (2012). How useful are screening instruments for toddlers to predict outcome at age 4? General development, language skills, and symptom severity in children with a false positive screen for autism spectrum disorder. European Child and Adolescent Psychiatry, 21, 541-51.

Gould, J. & Ashton-Smith, J. (2011). Diagnosis and education of women and girls with autism. Paper presentation NAS, March, 2, Manchester.

Hartman, C.A., Luteijn, E., Moorlag, H., Minderaa, R., & Jackson, S. (2007). Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen. Herziene handleiding 2007. Amsterdam: Harcourt.

Ingersoll, B., Hopwood, C.J., Wainer, A., & Brent Donnellan, M. (2011). A Comparison of Three Self-Report Measures of the Broader Autism Phenotype in a Non-Clinical Sample. Journal of Autism and Developmental Disorders, 41, 1646-1757.  

Johnson, S.A., Filliter J.H., & Murphy, R.R. ( 2009). Discrepancies Between Self- and Parent-Perceptions of Autistic Traits and Empathy in High Functioning Children and Adolescents on the Autism Spectrum. Journal of Autism and Developmental Disorders, 39, 1706-1714.

Kamp-Becker, I.,  Ghahreman, M., Heinzel-Gutenbrunner, M., Peters, M., Remschmidt H., & Becker, K. (2011). Evaluation of the revised algorithm of Autism Diagnostic Observation Schedule (ADOS) in the diagnostic investigation of high-functioning children and adolescents with autism spectrum disorders. Autism, 17, 87-102.

Kanne, S.M., Wang, J., & Christ, S.E.,  (2011). The Subthreshold Autism Trait Questionnaire (SATQ): Development of a Brief Self-Report Measure of Subthreshold Autism Traits. Journal of Autism and Developmental Disorders, 42, 769-780.

Kim, S.H. & Lord, C. (2012). Combining information from multiple sources for the diagnosis of autism spectrum disorders for toddlers and young preschoolers from 12 to 47 months of age. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 53, 143–151.

Lord, C., Risi, S., Lambrecht, L., Cook, E.H., Leventhal, B.L., DiLavore, P.C., Pickles, A., & M. Rutter. (2000). The Autism Diagnostic Observation Schedule-Generic: A standard measure of social and communication deficits associated with the spectrum of autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 30, 205-223.

Luteijn, E., Minderaa, R., & Jackson, S. (2007). VISK Handleiding Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen. Amsterdam: Pearson.

Mildenberger, K., Sitter, S., Noterdaeme, M., & Amorosa, H. (2001). The use of the ADI-R as a diagnostic tool in the differential diagnosis of children with infantile autism and children with a receptive language disorder. European Child and Adolescent Psychiatry, 10, 248-255.

Minderaa, R.B., in: Verhulst FC, Verheij F. (2009). Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek. Assen, Nederland: Van Gorcum.

NvvP (Werkgroep richtlijn autisme en aanverwante stoornissen bij kinderen en jeugdigen van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, in samenwerking met het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie). (2009). Richtlijn diagnostiek en behandeling autismespectrumstoornissen bij kinderen en jeugdigen. Utrecht, Nederland: de Tijdstroom.

Ozonoff, S., Iosif, A., Baguio, F., Cook, I.C., Moore Hill, M., Hutman, T., et al. (2010). A prospective study of the emergence of early behavioral signs of autism. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 49, 258–268.

Paul, R., Fuerst, Y., Ramsay, G., Chawarska, K., & Klin, A. (2011). Out of the mouths of babes: Vocal production in infant siblings of children with ASD. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 52, 588–598.

Pilowsky, T., Yirmiya, N., Shulman, C., & Dover, R. (1998). The Autism Diagnostic Interview-Revised and the Childhood Autism Rating Scale: Differences between diagnostic systems and comparison between genders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 28, 143-151.

Posserud, M., Lundervold, A.J., Lie, S.A., Gillberg, G. (2008). The prevalence of autism spectrum disorders: Impact of diagnostic instrument and non-response bias. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 45, 319-327.

Robins, D.L., Fein, D., Barton, M.L., & J.A. Green (2001). The Modified Checklist for Autism in Toddlers: an initial study investigating the early detection of autism and pervasive developmental disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 31, 131-44.

Robins, D.L., & Dumont-Mathieu, T.M. (2006). Early screening for autism spectrum disorders: Update on the modified checklist for autism in toddlers and other measures.  Journal of Developmental Behavioral Pediatrics, 27, 111-119.

Rogers, S. (2009). What are infant siblings teaching us about autism in infancy? Autism Research, 2, 125–137.

Smith, I.M., Koegel, T.L., Koegel, L.K., Openden, D.A., Fossum, K.L., & Bryson, S.E. (2010) Effectiveness of a Novel Community-Based Early Intervention Model for Children With Autistic Spectrum Disorder. American Journal on Intellectual and Developmental Disabilities, 115(6),  504-523. 

Rutter, M., & Taylor, E.A. (2002). Child and Adolescent Psychiatry. Oxford, UK: Blackwell Publishing.

Saemundsen, E., Magnusson, P., Smari, J., & Sigurdardottir, S. (2003). Autism Diagnostic Interview-Revised and the Childhood Autism Rating Scale: Convergence and discrepancy in diagnosing Autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 33, 319-328.

Skuse, D., Warrington, R., Bishop, D., Chowdhury, U., Lau, J., Mandy, W., & Place, M. (2004). The Developmental, Dimensional and Diagnostic Interview (3di): A Novel Computerized Assessment for Autism Spectrum Disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 43, 548-558.

Smidts, D.P., & Huizinga, M. (2009). BRIEF executieve functies gedragsvragenlijst: Handleiding. Amsterdam: Hogrefe. 

Steerneman, P., Meesters, C., & Muris, P. (2000). ToM-test. Leuven/Apeldoorn: Garant.

Swinkels, S.H., Dietz, C., Daalen, E. van, Kerkhof, I.H., Engeland, H. van, & Buitelaar, J.K. (2006). Screening for autistic spectrum in children aged 14 to 15 months. I: the development of the Early Screening of Autistic Traits Questionnaire (ESAT). Journal Autism and Developmental Disorders, 36, 723-32.

Veen-Mulders, L. van der, Serra, M., Hoofdakker, B. van den, & Minderaa, R. (2001). Sociaal Onhandig. Assen, Nederland: Van Gorcum.

Verhulst F.C., & Verheij, F. (2009). Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek. Assen, Nederland: Van Gorcum.

 

Deel deze pagina via:
Reageren

Kunnen we deze tekst verbeteren? Ontbreekt het aan inhoud, of vond u niet precies wat u zocht? Laat het ons weten.

 
Annuleren

Mogen we je vragen een beknopt profiel aan te vragen?

Niet verplicht, wel zo handig voor de andere leden om te zien wat je betrokkenheid bij het Kenniscentrum inhoudt.

Let op: deze informatie wordt niet getoond aan niet geregistreerde bezoekers en wordt verder nergens voor gebruikt zonder jouw expliciete toestemming.

Ik ben:

Annuleren