Mail uw kennis door!

Wegwijzer naar de Kinder- en Jeugdpsychiatrie

> Algemeen
> Verwijzing
> Vrijwillig of onvrijwillig

Algemeen
Over het algemeen kunnen ouders met hun kind of een jongere alleen niet rechtstreeks naar een kinder- en jeugdpsychiater. Men heeft een verwijzing nodig. Daarbij zijn er verschillende mogelijkheden. In principe hebben de ouders en het kind hun lot in eigen hand: zij kunnen zelf hulp zoeken en zich vrijwillig laten verwijzen naar de kinder- en jeugdpsychiatrie.
Er zijn echter ook situaties waarin ouders en kinderen met enige drang en soms zelfs met dwang van de kinderrechter bij de kinder- en jeugdpsychiater terechtkomen. Beide mogelijkheden worden hieronder besproken.

naar boven

Verwijzing
a.
Huisarts of specialist
De ouders nemen het initiatief en gaan met hun kind naar de huisarts. De huisarts kan het kind en zijn ouders vervolgens doorverwijzen naar de kinderarts, naar de kinder- en jeugdpsychiater of naar een andere medisch specialist. De ouders zijn daarbij niet helemaal afhankelijk van het oordeel van de huisarts. Wanneer zij het zelf belangrijk vinden om doorverwezen te worden, kunnen zij de huisarts daar om verzoeken. In de meeste gevallen zal de huisarts aan het verzoek van de ouders voldoen. Wanneer het kind bij een andere medisch specialist dan de kinder- en jeugdpsychiater terecht is gekomen, en deze vindt een verwijzing naar een kinder- en jeugdpsychiater aangewezen, kan deze specialist het kind in overleg met de ouders alsnog rechtstreeks naar de kinder- en psychiater doorverwijzen.

b. Consultatiebureau of schoolarts
Op het consultatiebureau of tijdens een screening door de schoolarts komen afwijkingen of aanwijzingen van een stoornis bij het kind aan het licht. Met de ouders wordt overlegd wat er geconstateerd is en wat zij het beste kunnen doen. Wanneer wordt besloten tot een verwijzing naar een gespecialiseerde hulpverlener, bijvoorbeeld een kinder- of jeugdpsychiater, dan wordt dat via de huisarts geregeld.
c. Teams voor Integrale Vroeghulp (IV-teams) of Vroegtijdige Onderkenning IV-teams (VTO-teams)
Wanneer het consultatiebureau of de schoolarts een bepaalde stoornis vermoedt maar zichzelf niet competent acht om daarover een uitspraak te doen, kunnen ouders en kind worden doorverwezen naar een IV- of VTO-team. Ouders kunnen ook zelf contact opnemen met een VTO-team in de buurt. Meestal komt een medewerker van een dergelijk team de eerste keer bij de mensen thuis om te overleggen en het kind te onderzoeken.
d. Algemeen Maatschappelijk Werk en Bureau Jeugdzorg
Het is mogelijk dat er vanwege problemen in het gezin contact is aangeknoopt met het Algemeen Maatschappelijk Werk of met Bureau Jeugdzorg. Van deze twee instanties kan Bureau Jeugdzorg zo nodig een indicatie stellen voor de kinder- en jeugdpsychiatrie en hiernaartoe verwijzen. In dit geval geldt hetzelfde als in het contact met de huisarts: wanneer de ouders denken dat het beter is om met hun kind naar de gespecialiseerde kinder- en jeugdpsychiatrie te gaan, kunnen zij het Bureau Jeugdzorg verzoeken om een verwijzing.

Adressen
De instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie en de instellingen voor Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) zijn goed gespreid over het land.
In de Hulpgids staat onder het kopje 'GGZ-instellingen' de 97 GGZ-instellingen, geordend naar provincie. Zoals gezegd zijn de Bureaus Jeugdzorg belangrijke verwijzers voor de kinder- en jeugdpsychiatrie. Informatie over de Bureaus Jeugdzorg in Nederland is te vinden op de website www.bureaujeugdzorg.info. Daar treft u onder meer een adreslijst van de provinciale en grootstedelijke hoofdvestigingen van de Bureaus Jeugdzorg aan.

Wachttijden
Meestal krijgt men bij verwijzing naar een kinder- en jeugdpsychiater te maken met wachttijden. Deze kunnen sterk variëren per instelling. De meeste instellingen streven ernaar te voldoen aan de zogenaamde Treeknormen. Deze normen voor wachttijden zijn opgesteld door zorgaanbieders en zorgverzekeraars en geven een richtlijn voor aanvaardbare wachttijden. In onderstaande tabel zijn ze samengevat. Helaas worden de normen voor de aanvaardbare wachttijden vaak overschreden.

Er zijn normen per wachtfase opgesteld:
• De periode tussen de aanmelding en het eerste intakegesprek (A).
• De periode van de intake (B). Deze periode eindigt als de indicatie is gesteld en de behandeling kan gaan starten.
• De periode tussen het einde van de intake en de start van de behandeling (C).

Treeknormen voor de GGZ
 

Wachtfase

Treeknorm

A

aanmelding

4 weken / 80% binnen 3 weken

B

intake

4 weken / 80% binnen 3 weken

C

behandeling ambulant

6 weken / 80% binnen 4 weken

C

behandeling klinisch

7 weken / 80% binnen 5 weken

C

beschermd wonen

13 weken / 80% binnen 8 weken

Voor acute zorg gelden bovenstaande normen niet. In dat geval dient binnen 24 uur hulp te worden verleend.

Zie voor het thema wachttijden ook: www.ggzbeleid.nl.

naar boven

Vrijwillig of onvrijwillig

Vrijwillige contacten – regulier
Tot nu toe is steeds de algemene kinder- en jeugdpsychiatrie aan de orde geweest: een specialisme binnen de algemene psychiatrie, gericht op het genezen van aandoeningen en problemen die hun oorsprong vinden in de hersenen van patiënten. En als genezen niet mogelijk is – zoals helaas vaak het geval is – is de algemene kinder- en jeugdpsychiatrie gericht op verlichting van de problematiek en op het vinden van een acceptabele manier van leven met de handicap. De patiënt/cliënt en zijn ouders aan de ene kant, en de kinder- en jeugdpsychiater aan de andere kant, werken op vrijwillige basis nauw met elkaar samen.
Bij de diagnostiek in vrijwillig verband, de zogenaamde reguliere diagnostiek, is er tussen diegene die onderzocht wordt en de onderzoeker een min of meer vanzelfsprekende samenwerkingsrelatie, die ook wel wordt aangeduid als een ‘horizontale relatie’. Het eerste en enige doel van het diagnostisch onderzoek is zicht krijgen op de aandoening, op de risico’s die de aandoening verergeren en op de factoren die tot verlichting van de problematiek kunnen leiden. Tenslotte verschaft het diagnostische onderzoek een basis voor een behandelplan. De samenwerking tussen de professionele hulpverlener en de cliënt/patiënt is essentieel.

Onvrijwillige contacten – forensische psychiatrie
Er zijn ook situaties waarin het contact tussen de kinder- en jeugdpsychiater en de cliënt/patiënt niet vrijwillig is en waarin die relatie dan ook niet zo horizontaal is. Het betreft hier onder andere mensen (waaronder ook veel jeugdigen) met stoornissen in gedrag of beleving die leiden tot problematisch gedrag, wat weer leidt tot ingrijpen van de kinderrechter of de strafrechter.
Jeugdigen en hun ouders kunnen op drie manieren onvrijwillig met de kinder- en jeugdpsychiatrie in aanraking komen:
• wanneer de Raad voor de Kinderbescheming of de kinderrechter een Onder Toezicht Stelling (OTS) overweegt;
• wanneer er sprake is van een strafbaar feit door een jeugdige, waardoor strafrechtelijk wordt ingegrepen;
• wanneer sprake is van een gedwongen opname.

De psychiatrie die zich bezighoudt met psychiatrische cliënten die met justitie in aanraking (dreigen te) komen, noemen we ‘forensische psychiatrie’.

De relaties in de forensische psychiatrie tussen de jeugdigen en de ouders aan de ene kant en de kinder- en jeugdpsychiater aan de andere kant, zijn niet vrijwillig van karakter en zijn ook niet per definitie gericht op het oplossen van de problemen van de cliënt/patiënt.

De forensische diagnostiek is, anders dan de reguliere diagnostiek, in eerste instantie gericht op het geven van een onderbouwd advies aan de kinderrechter of aan de jeugdstrafrechter over de meest aangewezen maatregelen. Daarbij komen vragen aan de orde als:
• Is het veilig de jeugdige thuis te laten wonen, of loopt de jeugdige thuis reëel gevaar dat hij/zij anderen of zichzelf iets aandoet?
• Is het veilig de jeugdige thuis te laten wonen, of loopt de jongere thuis reëel gevaar dat de hij/zij misbruikt of mishandeld wordt waardoor er fysieke schade wordt aangericht en/of schade in de psychische ontwikkeling?
• Als de jeugdige een misdaad heeft begaan, was hij/zij op dat moment volledig toerekeningsvatbaar?
• Is er een reëel gevaar dat de jeugdige weer opnieuw het delinquente gedrag gaat vertonen? Met andere woorden: is er gevaar voor herhaling, ook wel recidive genoemd?

Natuurlijk komen er bij dit soort forensische diagnostiek zaken aan bod die ook in een regulier diagnostiekproces aan de orde zouden komen. Uiteindelijk gaat het om de stoornissen en aandoeningen die aan het delinquente gedrag of het risicogedrag van de jeugdige ten grondslag liggen. Zo zal het kunnen gaan om jongeren met weinig zelfvertrouwen, die veel ‘denkfouten’ maken, of om jeugdigen die een antisociale persoonlijkheidsstoornis aan het ontwikkelen zijn of om jeugdigen met een gedragsstoornis, al dan niet in combinatie met lichte verstandelijke handicaps.

Onder Toezicht Stelling – OTS
De kinderrechter kan een kind ‘Onder Toezicht Stellen’. Hij zal dat doen indien de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de jeugdige in zijn gezinssituatie ernstig wordt bedreigd, en andere middelen om de opvoedingssituatie van de jeugdige te verbeteren zonder succes zijn gebleven. De jeugdige wordt dan onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg of een landelijk werkende instelling voor jeugdbescherming zoals de William Schrikkerstichting of het Leger des Heils (voor het gemak wordt in deze paragraaf verder gesproken over Bureau Jeugdzorg). Het gezin krijgt dan een gezinsvoogd toegewezen. Een ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel. Ouders houden het gezag over hun kinderen, maar het gezag wordt wel beperkt in de zin dat de gezinsvoogd moet worden geraadpleegd bij belangrijke beslissingen in de opvoeding en verzorging. Bij het nemen van medische beslissingen, waaronder ook beslissingen over behandeling door de kinder- en jeugdpsychiater, behouden de ouders echter het volledige gezag over hun kinderen.

De kinderrechter kan de OTS uitspreken op verzoek van een ouder, een pleegouder, de partner van de met het gezag belaste ouder, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie (OM). Het Bureau Jeugdzorg, dat de gezinsvoogd levert, houdt toezicht op de jeugdige. Bureau Jeugdzorg zorgt ook dat aan de jeugdige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun wordt geboden met als doel de bedreiging, waarvoor de ondertoezichtstelling werd uitgesproken, weg te nemen. De hulp en steun richt zich niet alleen op het kind, maar ook op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden. Dit impliceert dat Bureau Jeugdzorg uithuisplaatsing zo veel mogelijk moet voorkómen en dat moet worden gezocht naar alternatieven die het gezinsverband in stand kunnen houden.

Meestal spreekt de kinderrechter de OTS uit op basis van een advies van de Raad voor de Kinderbescheming. Soms, wanneer de psychische problematiek van de jeugdige en de pedagogische onmacht van de ouders daartoe aanleiding geven, kan de kinderrechter ook advies vragen aan een kinder- en jeugdpsychiater. In de meeste gevallen gebeurt dat zonder dat de ouders of de jeugdige daarom hebben gevraagd. De kinder- en jeugdpsychiater handelt in opdracht van de kinderrechter. Hij zal forensisch diagnostisch onderzoek doen met het oog op een onderbouwing van een advies aan de kinderrechter. Er is geen sprake van een horizontale relatie tussen psychiater en ouders of kind.

De kinder- en jeugdpsychiater kan uiteraard ook door toedoen van de gezinsvoogd bij het gezin worden betrokken vanwege de problematiek van de jeugdige. In dat geval zal er ‘reguliere diagnostiek en behandeling’ plaatsvinden, zoals dat onder normale omstandigheden gebruikelijk is. Het is goed mogelijk dat de forensische psychiater en de psychiater die de reguliere diagnostiek en behandeling uitvoert twee verschillende personen zijn. In dit soort gevallen is er weer een horizontale relatie, net als bij de vrijwillige contacten.

De reguliere diagnostiek en behandeling zijn aan te merken als medische behandeling, en hierbij behouden de ouders het volledige gezag. Dat wil zeggen dat de gezinsvoogd niet (mee)beslist over onderzoek en behandeling. Toch kan het niet mee willen werken aan onderzoek en behandeling consequenties hebben voor de kinderbeschermingsmaatregel. De vrijwilligheid is dus enigszins betrekkelijk.

Strafrechtelijk ingrijpen
In Nederland kunnen kinderen die iets hebben misdaan vanaf hun 12e jaar worden gestraft. Voorafgaand aan de rechtszaak waarin de jeugdige delinquenten worden veroordeeld, worden zij altijd onderzocht door gedragsdeskundigen waaronder vrijwel altijd een kinder- en jeugdpsychiater. De belangrijkste opdracht aan deze deskundigen is het bepalen van de mate van toerekeningsvatbaarheid en het inschatten van het gevaar van herhaling (recidive). De mate van toerekeningsvatbaarheid is belangrijk in verband met het beantwoorden van de schuldvraag door de rechter en, in het verlengde daarvan, met het oog op het bepalen van de strafmaat. Alleen iemand die toerekeningsvatbaar is kan schuld hebben, en zonder schuld geen straf.
In het forensisch onderzoek wordt onder andere onderzocht of er sprake is van aanleg voor bepaald gedrag, of er sprake is van ontwikkelingsstoornissen, en of er in de omgeving waarin de jeugdige opgroeit sprake is van bepaalde risicofactoren en beschermende factoren.

Jeugdigen die vanwege hun delinquent gedrag met het jeugdstrafrecht in aanraking komen, komen dus automatisch onvrijwillig met de jeugdpsychiater in contact.

Nadat de forensische diagnose is gesteld en de straf is bepaald, zijn er mogelijkheden om de jeugdige te behandelen binnen de setting waarin de jeugdige is geplaatst, vaak binnen de Justitiële Jeugdinrichting (JJI).
In veel gevallen wordt de laatste tijd onder bepaalde voorwaarden ambulante behandeling mogelijk gemaakt, dat wil zeggen: behandeling terwijl de jeugdige thuis verblijft en formeel zijn detentie nog niet is beëindigd. Het gaat hier dan om een behandelrelatie tussen de jeugdige en de kinder- en jeugdpsychiater die formeel vrijwillig is. Wanneer de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt, is er het gevaar dat de jeugdige toch weer wordt ingesloten. De vrijwilligheid is in dit soort situaties dus betrekkelijk.

Gedwongen opname in de KJP
De meeste opnames binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie vinden plaats op basis van vrijwilligheid. Heel soms is een gedwongen opname nodig. Ook jeugdigen kunnen tegen hun wil of tegen de wil van hun ouders worden opgenomen. Een gedwongen opname wil zeggen dat de jeugdige verplicht wordt opgenomen in een kinder- en jeugdpsychiatrische kliniek.
Voor meer informatie over gedwongen opname in de kinder- en jeugdpsychiatrie zie de juridische wegwijzer.

naar boven

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: