> Behandeling met medicijnen
> Behandeling met psychotherapie
> Combinaties van behandelvormen
Algemeen
In de kinder- en jeugdpsychiatrie worden medicijnen die invloed hebben op de hersenen pas de laatste 10 tot 15 jaar veel toegepast. Het gaat dan om de zogenaamde psychofarmaca. Psychofarmaca zijn medicijnen (geneesmiddelen) die gebruikt worden bij psychische problemen. Niet alleen jongeren krijgen dit soort medicijnen toegediend, ook steeds meer kinderen en peuters worden met psychofarmaca behandeld.
Van veel middelen weten we niet precies wat de werking is op de lange termijn en wat de bijwerkingen zijn op de lange en de korte termijn. Maar we weten wel dat de medicijnen in de meeste gevallen helpen.
In Nederland zijn we nog niet zo gemakkelijk met het voorschrijven en toedienen van psychofarmaca. Per geval moeten behandelaars hier samen met de ouders goed over nadenken. De behandelaar kan de ouders namelijk geen zekerheid geven over de precieze werking. Om in de toekomst meer zekerheid te hebben over de eventuele gevolgen is het dan ook zeer belangrijk dat behandelaars en ouders hun ervaringen met anderen delen.
Duidelijkheid voorop
Er is steeds meer bekend over de werking en de toepassing van de meeste geneesmiddelen. Onbekend is echter nog wat die werking precies is op de lange termijn. Het is dus noodzakelijk om zeer zorgvuldig om te gaan met psychofarmaca. Als een kind medicijnen krijgt voorgeschreven zijn er een aantal belangrijke momenten: De voorlichting aan ouders en kind, de lichamelijke controles en het moment van afbouwen of stoppen. Binnen het thema ADHD, waar de meest medicijnen (ook wel stimulantia genoemd) worden voorgeschreven, is er inmiddels een gebruikelijke richtlijn (protocol). Voor de andere thema’s zijn die richtlijnen (protocollen) er nog niet. Er is vaak nog te weinig bekend over de werking en de bijwerkingen om zo’n protocol op te stellen.
Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie werkt daarom mee aan het opstellen van deze richtlijnen. Zo houdt het Kenniscentrum de onderzoeksliteratuur van de verschillende thema’s bij. Ook de behandelaars houden op speciaal daarvoor ontwikkelde formulieren bij wat er in de verschillende gevallen aan jongeren wordt voorgeschreven en wat de ervaringen van de cliënten/patiënten daarbij zijn. Zo wordt steeds meer bekend over de werking en de bijwerkingen.
In sommige gevallen wordt aan de ouders of de jongere gevraagd om zelf de mogelijke effecten van de medicatie op een formulier bij te houden. Afhankelijk van het middel dat wordt gebruikt, worden regelmatig controles uitgevoerd. De resultaten daarvan worden dan weer op het controleformulier van de behandelaar bijgehouden. De controles worden zowel uitgevoerd voor de veiligheid van de cliënt/patiënt als voor wetenschappelijk onderzoek naar de werking van de medicijnen in kwestie.
Medicatieformulier en Checklist
Ouders en kinderen moeten goed worden geïnformeerd over de middelen die worden voorgeschreven. Hieronder een checklist die zowel door ouders als behandelaars gebruikt kan worden:
• de reden waarom het middel wordt voorgeschreven,
• de effecten die te verwachten zijn en ook wat men er niet van kan verwachten,
• de nauwkeurigheid van de tijdstippen waarop de middelen moeten worden ingenomen en
• de bijwerkingen die meer of minder vaak kunnen optreden.
In veel gevallen bestaat behandeling niet alleen uit het toedienen van medicijnen. Vaak worden medicijnen met vormen van psychotherapie gecombineerd. Zie Combinaties van behandelvormen.
Behandeling met psychotherapie
Algemeen
Ook voor de behandeling van aandoeningen met psychotherapie zijn protocollen (richtlijnen) opgesteld. Dit zijn voorschriften waarin is vastgelegd hoe er in bepaalde situaties gehandeld moet worden. Bij behandeling van een aandoeningen worden ouders en kinderen soms naar dit soort protocollen verwezen. Kinderen en hun ouders kunnen deze protocollen doornemen om een beter beeld te krijgen van de behandeling zelf, welke stappen er worden gezet en waarom, en wat er tijdens de behandeling van hen wordt verwacht. De protocollen zijn wetenschappelijk verantwoord, in veel gevallen grondig onderzocht en aantoonbaar effectief.
De meeste behandelprotocollen zijn tot nu toe vrij algemeen. Er zijn bijvoorbeeld behandelprotocollen voor angststoornissen of voor gedragsstoornissen. Waarschijnlijk verandert dit in de toekomst. De behandelprotocollen werken namelijk niet voor alle kinderen. Dat ligt in sommige gevallen aan het kind (elk kind is anders), in andere gevallen aan het soort probleem of de omstandigheden.
Daarom letten therapeuten tijdens de therapie altijd goed op of hun manier van werken aanslaat. Tijdens het therapieproces leggen ze het protocol naast het individuele kind. Dit kan uiteindelijk leiden tot aanpassing van het bestaande protocol.
Cognitieve gedragstherapie (CGT)
Bij de behandeling met psychotherapie is vaak sprake van cognitieve gedragstherapie (CGT). Cognitieve gedragstherapie is een verzamelnaam voor een aantal soortgelijke therapieën, waarbij kinderen leren om naar zichzelf en hun omgeving te kijken op een manier die overeenkomt met de realiteit. Zo kunnen zij zich gemakkelijker onder de mensen begeven. Ook helpt cognitieve gedragstherapie kinderen bij het onder controle houden van hun stemming zodat ze betere beslissingen kunnen nemen in de dagelijkse praktijk. Er zijn voor de verschillende stoornissen varianten van cognitieve (gedrags-)therapie. Denk aan angststoornissen, depressie, posttraumatische stressstoornis, gedragsstoornissen en eetstoornissen. De therapie is geschikt voor jongeren, volwassenen en gezinnen. In mindere mate is de therapie te gebruiken bij jonge kinderen vanaf 4 jaar. De duur van een CGT-programma kan variëren van drie maanden tot ongeveer één jaar.
Om het meer concreet te maken: Veel stoornissen als angststoornissen en gedragsstoornissen komen voort uit denkfouten die jongeren en volwassenen zich voor een deel hebben aangeleerd. Iemand kan bang zijn aangelegd en daardoor angstig zijn. Maar vrijwel altijd zit er ook iets bij van een ‘aangeleerde’ gedachte dat er achter iedere boom gevaar schuilt. Via cognitieve gedragstherapie worden de denkfouten geanalyseerd, getoetst aan de werkelijkheid en vervolgens afgeleerd. Van de angstige aanleg is iemand moeilijk af te helpen. Maar door het aanpakken van de ‘aangeleerde’ denkfouten kunnen mensen beter omgaan met deze aanleg.
Een ander voorbeeld: een impulsief persoon heeft er een gewoonte van gemaakt altijd direct te reageren. Daarmee maakt hij zich niet altijd geliefd en wordt hij door zijn omgeving soms als moeilijk persoon gezien. Via cognitieve gedragstherapie kan die persoon leren zijn impulsen te herkennen, bij een signaal niet gelijk te reageren maar eerst eens na te denken, verschillende reacties te overwegen en vervolgens de beste reactie te kiezen. Wanneer dat beloond wordt met een prettige reactie van een ander, merkt de persoon dat hij daardoor beter kan functioneren.
Cognitieve gedragstherapie is in veel gevallen effectief gebleken.
Combinaties van behandelvormen
Algemeen
In veel gevallen worden medicijnen en vormen van psychotherapie gecombineerd. Omdat de bijwerkingen nog niet altijd bekend zijn, zijn behandelaars vaak terughoudend in het voorschrijven van medicijnen. Vaak wordt eerst psychotherapie uitgeprobeerd. Afhankelijk van het resultaat wordt dan besloten tot het al dan niet toedienen van medicijnen. Wanneer de psychotherapie het gewenste effect heeft, kan medicijngebruik in een aantal gevallen achterwege blijven.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij tics en soms bij ADHD begint men meteen met medicijnen. Het medicijngebruik maakt de patiënt/cliënt rustiger zodat de jongere ontvankelijker is voor psychotherapie. De cliënt wordt als het ware klaargestoomd voor de psychotherapie.
Vaak zal blijken dat juist een combinatie van medicijnen en psychotherapie het best denkbare effect heeft. Soms zorgt psychotherapie ervoor dat de cliënt een lagere dosering medicijnen nodig heeft dan wanneer er geen psychotherapie wordt toegepast.
De juiste combinatie en de juiste therapievormen kunnen over het algemeen alleen worden vastgesteld in goed overleg tussen behandelaar en de cliënt en zijn ouders/verzorgers. De cliënten moeten de behandelaar vertellen of zij baat hebben gehad bij een bepaalde behandeling met psychotherapie en/of medicijnen. Op grond van die ervaringen denkt de behandelaar verder na over de behandelingsmogelijkheden en doet eventueel nieuwe voorstellen aan de patiënten. Uiteindelijk zijn het de patiënten die beslissen of zij al dan niet met de behandeling door willen gaan.




