Auteurs: W. Matthys, E. van der Ban, C. Spierings en P. Veraar
Het is eigen aan kinderen en adolescenten om zich tegen volwassenen te verzetten. Ook liegen, vechten en anderen pesten komen wel eens bij zich normaal ontwikkelende kinderen en adolescenten voor. Echter, als verschillende oppositionele, antisociale of agressieve gedragingen zich gedurende langere tijd herhaaldelijk voordoen, met andere woorden een patroon gaan vormen, met bovendien een duidelijke ongunstige invloed op het functioneren van het kind of de adolescent, dan is er volgens DSM-IV (A.P.A., 1994) sprake van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (oppositional defiant disorder) of een antisociale gedragsstoornis (conduct disorder). Beide diagnostische categorieën worden in de DSM-IV (A.P.A., 1994) ook aangeduid met de overkoepelende term "Disruptive Behavior Disorders" (DBD).
Voor een adequate diagnostiek (Matthys, 2000) is een gedegen kennis nodig van de pathogenese van deze stoornissen (Matthys, 2003). Soms wordt nog aangenomen dat oppositionele, antisociale en agressieve symptomen vooral door ongunstige omgevingsfactoren veroorzaakt worden. In de afgelopen jaren is daarentegen steeds duidelijker geworden dat in het ontstaan van oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen kindkenmerken een belangrijk aandeel hebben, zoals een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD), een leesstoornis en neurobiologische factoren. Omdat de diagnostiek mede verricht wordt vanuit de kennis van de pathogenese zullen de risicofactoren voor het ontstaan van gedragsstoornissen hier kort besproken worden. Maar eerst wordt ingegaan op de symptomatologie en de twee DSM-IV categorieën voor gedragsstoornissen.
Klinisch beeld
Oppositioneel, antisociaal en agressief gedrag
Gedrag is oppositioneel-opstandig wanneer het kind of de adolescent zich verzet tegen de leiding gegeven door volwassenen, zoals weigeren om te doen wat gevraagd wordt of met drift reageren op correcties of verboden. Gedrag is antisociaal wanneer de fundamentele rechten van anderen geweld wordt aangedaan (bijvoorbeeld vechten en stelen) of belangrijke bij de leeftijd horende sociale normen en regels worden overtreden (bijvoorbeeld liegen en spijbelen). Een bijzondere vorm van antisociaal gedrag is agressief gedrag. Gedrag is agressief als met opzet schade wordt toegebracht aan een andere persoon of aan een voorwerp. Drie vormen van agressief gedrag kunnen worden onderscheiden: fysiek, verbaal en relationeel agressief gedrag. Voorbeelden van fysiek agressief gedrag zijn stompen, slaan, knijpen, schoppen, vechten en vernielen. Voorbeelden van verbaal agressief gedrag zijn uitschelden, kwetsen, vernederen, bedreigen en pesten. Voorbeelden van relationele vormen van agressie zijn onjuiste geruchten verspreiden over een ander kind om het buiten de groep te sluiten en uit wraak vriendschap met een derde sluiten.
Het onderscheid tussen een openlijke vorm van antisociaal gedrag ("overt") en een heimelijke of bedekte vorm van antisociaal gedrag ("covert") (Loeber & Schmaling, 1985) is klinisch relevant. Van openlijk antisociaal gedrag hebben andere personen direct last, zoals van schreeuwen, eisen, driftig zijn, pesten, bedreigen en vechten. Deze vorm van antisociaal gedrag betekent een zware opvoedingsbelasting voor ouders. Heimelijk antisociaal gedrag speelt zich achter de rug van volwassenen af, zoals liegen, vernielen, stelen en brandstichten. Omdat ouders er vaak pas laat achter komen roept heimelijk antisociaal gedrag woede op vanuit machteloosheid. Op de dimensie openlijk-heimelijk neemt het frequent voorkomende symptoom slecht luisteren (ongehoorzaam en ongewillig zijn) een middenpositie in (Loeber & Schmaling, 1985): slecht luisteren kan zich zowel manifesteren in openlijke vorm (zoals brutaal weigeren te doen wat gevraagd wordt), als in bedekte vorm (zoals zogenaamd vergeten zijn of niet gehoord hebben, overgaan tot langzaam-aan-acties en net anders doen dan gevraagd werd).
In agressief gedrag kan een onderscheid worden gemaakt tussen een reactieve vorm en een proactieve vorm (Kempes e.a., 2005). Reactief agressief gedrag is een vijandige, boze reactie op een waargenomen frustratie. Deze impulsieve vorm van agressie, ook wel affectieve agressie genoemd, is een verdediging tegen een persoon die bedreigt of frustreert, of als bedreigend of frustrerend ervaren wordt. Voorbeelden zijn de peuter die razend is en zijn moeder slaat omdat hij zijn zin niet krijgt of de schooljongen die woedend zijn leeftijdgenoot te lijf gaat die hem zonet geplaagd heeft. Proactief agressief gedrag is gecontroleerd. Bij deze berekende vorm van agressie, ook wel offensieve of instrumentele agressie genoemd, wordt agressief gedrag gebruikt om een doel te bereiken. Voorbeelden zijn de peuter die, om een voorwerp in bezit te nemen (het doel), het andere kind een duw geeft zodat die een flinke klap maakt, of de schooljongen die, om zijn dominante positie in de groep te handhaven (het doel), zijn groepsgenootje uitdaagt tot een vechtpartij en hierbij bewondering oogst van de omstanders.
De twee DSM-IV categorieën
De twee DSM-IV categorieën voor gedragsstoornissen zijn zowel aan elkaar verwant als van elkaar te onderscheiden. De oppositioneel-opstandige gedragsstoornis kan gezien worden als een milde variant van de antisociale gedragsstoornis. Beide stoornissen verhouden zich tot elkaar vanuit een ontwikkelingsoogpunt, maar ook vanuit een hiërarchisch oogpunt (Hinshaw e.a., 1993). Vanuit een ontwikkelingsperspectief vertonen nogal wat kinderen eerst (tussen 4 en 7 jaar) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en voldoen, bij een ongunstige ontwikkeling, vervolgens (tussen 8 en 10 jaar) aan de criteria van een antisociale gedragsstoornis. Deze kinderen met een antisociale gedragsstoornis van het type beginnend in de kinderleeftijd ("early starters") blijven echter ook de verschijnselen vertonen van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis; aldus verhouden beide categorieën zich ook in hiërarchische zin tot elkaar. Er zijn echter ook jonge kinderen met een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis bij wie de stoornis verdwijnt, of bij wie de stoornis blijft zonder zich te ontwikkelen tot een antisociale gedragsstoornis. Tenslotte zijn er jeugdigen die in de kinderleeftijd geen antisociaal gedrag vertoonden en dit pas doen in de adolescentie, dit is de antisociale gedragsstoornis van het type beginnend in de adolescentie ("late starters"). Het onderscheid tussen beide typen antisociale gedragsstoornis is van groot belang. Het type met een begin in de kinderleeftijd vertoont meer agressieve symptomen, heeft meer comorbiditeit met de aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een lees- of taalstoornis, en heeft een slechtere prognose dan het type met een begin in de adolescentie. Bij de laatste groep komt comorbiditeit met een stemmingsstoornis vaak voor; de prognose is gunstiger onder andere omdat deze adolescenten beter toegerust zijn met sociale en schoolse vaardigheden (Hinshaw e.a., 1993; Lahey e.a., 1998). Na de adolescentie is er bij deze groep meer kans om op te houden met het vertonen van antisociaal gedrag ("adolescence limited") in vergelijking met de groep met een begin op de kinderleeftijd ("life-course persistent") (Moffit e.a., 1996; Angold & Costello, 2001).
Etiologie
Het ontstaan en in stand houden van beide categorieën gedragsstoornissen bij kinderen en jeugdigen is meestal te verklaren vanuit een combinatie van één of meerdere kindfactoren en één of meerdere omgevingsfactoren. Er is vaak sprake van een wisselwerking tussen enerzijds een neuropsychologische kwetsbaarheid van het kind, bijvoorbeeld een tekortschietende inhibitie, en anderzijds een omgeving die hierop niet optimaal inspeelt (Matthys, 2003). Zo kan een omgevingskenmerk, zoals inconsequent omgaan met ongewenst gedrag, uitgelokt worden door een kindkenmerk, zoals bepaalde temperamentkenmerken of ADHD. Ook kan een omgevingsrisico, zoals mishandeling, leiden tot een kindkenmerk, zoals de neiging onterecht vijandige intenties aan anderen toe te kennen. Naast deze risicofactoren dient er ook oog te zijn voor beschermende factoren: een hoge intelligentie, de goede relatie met een ouder, "goede vrienden" of een school die verantwoordelijkheidsbesef en zelfdiscipline hoog in het vaandel heeft staan. Een etiologisch onderscheid tussen de oppositioneel-opstandige en de antisociale gedragsstoornis is thans niet mogelijk om te maken.
Tot de kind-gebonden risicofactoren, die vooral van belang zijn voor disruptieve gedragsstoornissen met een vroeg begin, behoren:
- ADHD.
- een leesstoornis (of een leesachterstand).
- een taalstoornis (of een taalachterstand).
- een coördinatieontwikkelingsstoornis.
- zwakbegaafdheid, in het bijzonder op verbaal gebied.
- bepaalde temperamentskenmerken zoals emotionele labiliteit, rusteloosheid, korte aandachtsboog en negativisme (Caspi e.a., 1995).
- erfelijkheid speelt eveneens een rol in het ontstaan van antisociaal en agressief gedrag, vooral wanneer dit gedrag samengaat met een zich vroeg manifesterende overbeweeglijkheid, aandachtstekorten en algeheel sociaal disfunctioneren (Rutter, 1997). De rol van erfelijkheid moet niet gezien worden als een direct verband tussen een bepaalde gen-afwijking en een welomschreven vorm van (anti)sociaal gedrag zoals stelen, maar als een verband tussen een combinatie van verschillende gen-afwijkingen en verschillende neurobiologische kenmerken die het kind kwetsbaar maken (de kans verhogen) voor het ontwikkelen van antisociaal en agressief gedrag (Rutter, 1997).
- een verlaagd activatieniveau van het autonoom zenuwstelsel (hartslagfrequentie, huidgeleiding) (Kindlon e.a., 1995; Van Goozen e.a., 2000); dit houdt mogelijk verband met onbevreesd zijn en een geringere gevoeligheid voor straf (Matthys e.a., 1998, 2004).
- een verminderde serotonerge functie werd herhaaldelijk bij kinderen en jeugdigen met gedragsstoornissen gevonden (Kruesi e.a., 1990; Van Goozen e.a., 1999; Pliszka, 1999; Snoek e.a., 2002). Serotonine wordt verondersteld een modulerende rol te spelen in allerlei functies; serotonine zou onder andere gedrag inhiberen, voor een deel via het autonome zenuwstelsel.
- afwijkende sociale cognities werden vastgesteld bij kinderen met gedragsstoornissen. Hun sociale informatieverwerking en sociale probleemoplossing vertonen de volgende kenmerken. In vergelijking met niet agressieve leeftijdgenoten richten zij hun aandacht op minder informatie (Matthys e.a., 1999), bovendien is hun aandacht vaker gericht op vijandige informatie (Gouze, 1987), als gevolg waarvan zij aan anderen vaak een vijandige intentie toekennen, terwijl daar geen grond voor is (Orobrio de Castro e.a., 2002). Voor sociale problemen bedenken ze minder oplossingen (Matthys e.a., 1999) en vaker een agressieve oplossing (Dodge e.a., 1986). Bovendien achten ze zichzelf, in vergelijking met niet agressieve leeftijdgenoten, beter in staat om een agressieve oplossing uit te voeren (Matthys e.a., 1999). Tussen verschillende typen oplossingen kiezen ze ook vaker een agressieve (Matthys e.a., 1999). Verder vertoont het sociale denken van kinderen met gedragsstoornissen ook een ontwikkelingsachterstand. Zij zijn zoals jongere kinderen egocentrischer ingesteld (Matthys e.a., 1995) en hebben meer moeite het perspectief van de ander in te nemen (Cohen e.a., 1985). Ten slotte vertonen zowel kinderen (De Wied e.a., 2005) als adolescenten (Cohen & Strayer, 1996) met disruptieve gedragsstoornissen tekorten in empathie.
De rol van de omgeving kan, bij het type beginnend in de kinderleeftijd, beschreven worden vanuit de alledaagse ouder-kind interacties zoals die binnen de opvoeding plaats vinden. Deze wordt gekenmerkt door:
- het geven van onduidelijke of onvoldoende positief geformuleerde opdrachten;
- het onvoldoende oog hebben en waardering tonen voor sociaal wenselijk gedrag;
- het onvoldoende stellen en consequent hanteren van regels en afspraken;
- het inconsequent en vaak hard straffen;
- weinig direct toezicht op het kind ("supervision");
- weinig zicht en gevoelsmatige betrokkenheid op het doen en laten van het kind ("monitoring" van gedrag) (Kazdin, 1995).
Deze opvoedingskenmerken worden voor een deel door het kind zelf uitgelokt; voor een deel hangen ze samen met een reeks eigenschappen van de ouders en het gezin, zoals:
- bepaalde persoonlijkheidskenmerken van de ouders (gedeprimeerdheid, prikkelbaarheid, emotionele afstandelijkheid);
- psychiatrische stoornissen bij de ouders (ADHD, middelenmisbruik en afhankelijkheid, persoonlijkheidsstoornissen);
- delinquentie van de ouders;
- echtelijke disharmonie met openlijke conflicten en agressie;
- herhaalde wisselingen van de ouderfiguren;
- mishandeling;
- lage socio-economische status;
- één-oudergezin;
- sociaal isolement van het gezin (Kazdin, 1995).
De rol van de alledaagse ouder-kind interacties in het ontstaan van gedragsstoornissen wordt door Reid, Patterson en Snyder (2002) verklaard vanuit de principes van de operante conditionering. Positieve bekrachtiging van sociaal wenselijk gedrag wordt weinig of inconsequent gegeven; aldus leren kinderen in onvoldoende mate zich sociaal wenselijk te gedragen. Belangrijker nog is de rol van negatieve bekrachtiging, het wegnemen van een onaangename stimulus. Als ouders hun opdrachten of eisen (een voor het kind onaangename stimulus) intrekken wanneer het kind zich er tegen verzet, dan wordt dit verzetsgedrag bekrachtigd en neemt het in frequentie toe. Met andere woorden: als ouders zwichten voor het dwingend, manipulerend en negativistisch gedrag van het kind, dan zal het kind dit gedrag in toenemende mate gebruiken om zijn doelen na te streven en aldus in het gezin een machtspositie verwerven.
Bij het prognostisch veel gunstiger type antisociale gedragsstoornis beginnend in de adolescentie spelen ook andere omgevingsfactoren een rol namelijk:
- de aansluiting bij de (pre)delinquente groep leeftijdgenoten;
- een niet-optimaal omgaan van de ouders met de "normale" adolescentieproblematiek (onder andere verzet tegen autoriteiten).
Prevalentie
Voor de kinder- en jeugdpsychiatrie zijn de oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen van groot belang vanwege de hoge prevalentie en het risico voor negatieve uitkomsten. De prevalentie van de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis is 3.2%, de antisociale gedragsstoornis 2% (Lahey e.a., 1999). Tussen jongens en meisjes lijkt er geen duidelijk verschil te zijn in de prevalentie van de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (Lahey e.a., 1999). De prevalentie van de antisociale gedragsstoornis is hoger bij jongens dan bij meisjes; mogelijk is dit verschil groter wanneer de stoornis begint in de kinderleeftijd dan wanneer de stoornis begint in de adolescentie (Lahey e.a., 1999).
Co-morbiditeit
Co-morbiditeit is eerder regel dan uitzondering en komt meer dan bij toeval voor. Bij het type beginnend in de kinderleeftijd komt co-morbiditeit vaak voor met: ADHD, leesstoornis, taalstoornis, coördinatieontwikkelingsstoornis, zwakbegaafdheid en lichte zwakzinnigheid. Vooral bij het type beginnend in de adolescentie, maar ook bij het type beginnend in de kinderleeftijd, komt co-morbiditeit voor met dysthyme stoornis, depressieve stoornis en een angststoornis. Bij beide typen komt co-morbiditeit voor met posttraumatische stress-stoornis en dissociatieve stoornis. In de adolescentie komt ook co-morbiditeit voor met middelenmisbruik.
Beloop & prognose
Zonder behandeling kunnen oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen bij kinderen en jeugdigen zich continueren in de volwassenheid in de vorm van delinquent gedrag. Naast een antisociale ontwikkeling is er bij deze kinderen en jeugdigen een verhoogd risico in de volwassenheid voor psychiatrische stoornissen, zoals persoonlijkheidsstoornissen, depressies en verslaving, voor werkloosheid, frequente wisselingen van baan, afhankelijkheid van sociale voorzieningen, herhaalde echtscheidingen en ziekenhuisopnamen vanwege somatische aandoeningen (Kazdin, 1995). Bij meisjes is er bovendien een verhoogd risico voor vroege zwangerschap, het vinden van een antisociale partner en, hiermee samengaand, het hebben van kinderen met gedragsstoornissen. Echter, lang niet alle kinderen en adolescenten met gedragsstoornissen vertonen deze ongunstige ontwikkeling. Indicatoren voor een ongunstige ontwikkeling zijn: een vroege leeftijd van aanvang, de aanwezigheid van fysieke agressie, comorbiditeit met ADHD, een laag activatieniveau van het autonome zenuwstelsel en (verbale) zwakbegaafdheid (Maugham & Rutter, 2001).
Behandeling
De behandeling van de oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen bestaat vaak uit een combinatie van farmacotherapie en gedragstherapeutische en/of systeemtherapeutische behandelvormen. Bij kinderen komen als psychotherapeutische methoden de begeleiding of training in opvoedingsvaardigheden voor ouders in aanmerking, evenals de training in sociale probleemoplossing voor het kind. Bij adolescenten zijn therapievormen aangewezen die gedragstherapeutische en gezins- of systeemtherapeutische methoden combineren, zoals de functionele gezinstherapie en de multisysteemtherapie. Farmacotherapie is geïndiceerd voor de beïnvloeding van ernstige en openlijke vormen van agressief gedrag nadat gebleken is dat bovengenoemde psychotherapeutische methoden onvoldoende effectief waren (klik hier voor protocol medicatie). Bij de indicatiestelling voor farmacotherapie speelt verder het voorkomen van co-morbiditeit een centrale rol. In het geval van co-morbiditeit met ADHD, met bovendien een duidelijke belemmering van het functioneren op meerdere gebieden en in meerdere milieus, is farmacotherapie als eerste stap geïndiceerd. Vaak nemen dan symptomen van de disruptieve gedragsstoornissen af. Vervolgens is meestal een of meerdere van bovengenoemde vormen van psychotherapie aangewezen die specifiek aansluiten op tekorten bij het kind of de adolescent, de ouders of het gezin. Ook in het geval van co-morbiditeit met een stemmingsstoornis kan farmacotherapie overwogen worden.
Literatuur
Achenbach, T.M. (1991a). Manual for the Child Behavior Checklist/4-18 and 1991 Profile. Burlington, Vt: University of Vermont, Department of Psychiatry.
Achenbach, T.M. (1991b). Manual for the Teacher’s Repor For and 1991 Profile. Burlington, Vt: University of Vermont, Department of Psychiatry.
Achenbach, T.M. (1991c). Manual for the Youth Self-Report and 1991 Profile. Burlington, Vt: University of Vermont, Department of Psychiatry.
American Psychiatric Association. (1994). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4th ed.). DSM-IV. Washington DC: APA.
Angold, A., & Costello, E.J. (2001). The epidemiology of disorders of conduct: nosological issues and comorbidity. In J. Hill & B. Maugham (Eds.), Conduct disorders in childhood and adolescence (pp. 126-168). Cambridge: Cambridge University Press.
Caspi, A., Henry, B., McGee, R., Moffitt, T., & Silva, P. (1995). Temperamental origins of child and adolescent behavior problems: from age three to age fifteen. Child Development, 66, 55-68.
Cohen, N., Kershner, J., & Wehrspann, W. (1985). Characteristics of social cognition in children with different symptom patterns. Journal of Applied Developmental Psychology, 6, 277-290.
Cohen, D. & Strayer, J. (1996). Empathy in conduct-disordered and comparison youth. Developmental Psychology, 32, 988-998.
De Wied. M., Goudena, P. P., & Matthys, W. (2005). Empathy in boys with disruptive behaviour disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 46, 867-880.
Dodge, K.A., Pettit, G., McClaskey, C., & Brown, M. (1986). Social competence in children. Monographs of the Society for Research in Child Development, 58, 213-251.
Gouze, K. (1987). Attention and social problem solving as correlates of aggression in preschool males. Journal of Abnormal Child Psychology, 15, 181-97.
Hinshaw, S.P., Lahey, B.B., & Hart, E.L. (1993). Issues of taxonomy and comorbidity in the development of conduct disorder. Development and Psychopathology, 5, 31-49.
Kazdin, A. (1995). Conduct disorders in childhood and adolescence (second edition). Thousand Oaks, CA: Sage.
Kempes, M., Matthys, W., de Vries, H., & van Engeland, H. (2005). Reactive and proactive aggression in children: A review of theory, findings and the relevance for child and adolescent psychiatry. European Child and Adolescent Psychiatry, 14, 11-19.
Kindlon, D., Tremblay, R., Mezzacappa, E., Earls, F., & Schaal, B. (1995). Longitudinal patterns of heart rate and fighting behavior in 9- through 12-year-old boys. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 34, 371-377.
Kruesi, M., Rapaport, J., Hamburger, S., Hibbs, E., Lenane, M., & Brown, G. (1990). Cerebrospinal fluid monoamine metabolites, aggression, and impulsivity in disruptive behavior disorders of children and adolescents. Archives of General Psychiatry, 47, 419-426.
Lahey, B.J., Loeber, R., Quay, H.C., Applegate, B., Shaffer, D., Waldman, I., Hart, E.L., McBurnett, K., Frick, P.J., Jensen, P.,S., Canino, G., & Bird, H.R. (1998). Validity of DSM-IV subtypes of conduct disorder based on age of onset. Journal of the American Adademy of Child and Adolescent Psychiatry, 37, 435-442.
Loeber, R., & Schmaling, K. (1985). Empirical evidence for overt and covert patterns of antisocial conduct problems: a meta-analysis. Journal of Abnormal Child Psychology, 13, 337-352.
Matthys, W. (2000). Oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen. In F. C. Verhulst en F. Verhey (red.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek (pp. 380-392). Van Gorcum: Assen.
Matthys, W. (2003). Oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen. In F. C. Verhulst, F. Verheij & R.F. Ferdinand (red.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Psychopathologie. (pp. 151-166). Assen: Koninklijke Van Gorcum.
Matthys, W., Walterbos, W., Van Engeland, H., & Koops, W. (1995). Conduct disordered boys' perceptions of their liked peers. Cognitive Therapy and Research, 19, 357-372.
Matthys, W., Van Goozen, S., de Vries, H., Cohen-Kettenis, P., & Van Engeland, H. (1998). The dominance of behavioural activation over behavioural inhibition in conduct disordered boys with and without attention deficit hyperactivity disorder. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 39, 643-651.
Matthys, W., Cuperus, J., & Van Engeland, H. (1999). Deficient social problem-solving in boys with ODD/CD, with ADHD, and with both disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 311-321.
Matthys, W., Van Goozen S. H. M., Snoek, H., & Van Engeland, H. (2004). Response perseveration and sensitivity to reward and punishment in boys with oppositional defiant disorder. European Child and Adolescent Psychiatry, 13, 362-364.
Maugham, B. & Rutter, M. (2001). Antisocial children grown up. In J. Hill & B. Maugham (Eds.), Conduct disorders in childhood and adolescence (pp. 507-552). Cambridge: Cambridge University Press.
Moffit, T.E. (1993). The neuropsychology of conduct disorder. Development and Psychopathology, 5, 135-151.
Moffit, T.E., Caspi, A., Dickson, N., Silva, P., & Stanton, W. (1996). Childhood-onset versus adolescent-onset antisocial conduct problems in males: Natural history from ages 3-18 years. Development and Psychopathology, 8, 399-424.
Offord, D.R., Boyle, M. H., & Racine, Y.A. (1991). The epidemiology of antisocial behavior in childhood and adolescence. In D. J. Pepler & K.H. Rubin, The development and treatment of childhood aggression (pp. 31-54). Hillsdale, New Jersey: Lawrence Erlbaum.
Orobrio de Castro, B., Veerman, J.W., Koops, W., Bosch, J.D., Monshouwer, H.J. (2002). Hostile attribution of intent and aggressive behavior: a meta-analysis. Child Development, 73, 916-934.
Reid, J. B., Patterson, G. R., & Snyder, J. (2002) Antisocial behavior in children and adolescents. Washington, DC: American Psychological Association.
Pliszka, S. (1999). The psychobiology of oppositional defiant disorder and conduct disorder. In H.C. Quay en A.E. Hogan (red.), Handbook of disruptive behavior disorders (371-395). New York: Kluwer Academic.
Rutter, M. (1997). Nature-nurture integration: the example of antisocial behavior. American Psychologist, 52, 390-398.
Snoek, H., van Goozen, H.M., Matthys, W., Sigling, H.O., Koppeschaar, H.P.F., Westenberg, H.G.M., & van Engeland, H. (2002). Serotonergic functioning in children with oppositional defiant disorder: A sumatriptan challenge study. Biological Psychiatry, 51, 319-325.
Van Goozen, S. H. M., Matthys, W., Cohen-Kettenis, P. T., Westenberg, H. & van Engeland, H. (1999). Plasma monoamine metabolites and aggression: two studies of normal and oppositional defiant disorder children. European Neuropsychopharmacology, 9, 141-147.
Van Goozen, S. H. M., Matthys, W., Cohen-Kettenis, P. T., Buitelaar, J. K., & van Engeland, H. (2000). Hypothylamic-pitiutary-adrenal axis and antonomic nervous system activity in disruptive children and matched controls. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 39, 1438-1445.
Het is eigen aan kinderen en adolescenten om zich tegen volwassenen te verzetten. Ook liegen, vechten en anderen pesten komen wel eens bij zich normaal ontwikkelende kinderen en adolescenten voor. Echter, als verschillende oppositionele, antisociale of agressieve gedragingen zich gedurende langere tijd herhaaldelijk voordoen, met andere woorden een patroon gaan vormen, met bovendien een duidelijke ongunstige invloed op het functioneren van het kind of de adolescent, dan is er volgens DSM-IV (A.P.A., 1994) sprake van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (oppositional defiant disorder) of een antisociale gedragsstoornis (conduct disorder). Beide diagnostische categorieën worden in de DSM-IV (A.P.A., 1994) ook aangeduid met de overkoepelende term "Disruptive Behavior Disorders" (DBD).
Voor een adequate diagnostiek (Matthys, 2000) is een gedegen kennis nodig van de pathogenese van deze stoornissen (Matthys, 2003). Soms wordt nog aangenomen dat oppositionele, antisociale en agressieve symptomen vooral door ongunstige omgevingsfactoren veroorzaakt worden. In de afgelopen jaren is daarentegen steeds duidelijker geworden dat in het ontstaan van oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen kindkenmerken een belangrijk aandeel hebben, zoals een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD), een leesstoornis en neurobiologische factoren. Omdat de diagnostiek mede verricht wordt vanuit de kennis van de pathogenese zullen de risicofactoren voor het ontstaan van gedragsstoornissen hier kort besproken worden. Maar eerst wordt ingegaan op de symptomatologie en de twee DSM-IV categorieën voor gedragsstoornissen.
Klinisch beeld
Oppositioneel, antisociaal en agressief gedrag
Gedrag is oppositioneel-opstandig wanneer het kind of de adolescent zich verzet tegen de leiding gegeven door volwassenen, zoals weigeren om te doen wat gevraagd wordt of met drift reageren op correcties of verboden. Gedrag is antisociaal wanneer de fundamentele rechten van anderen geweld wordt aangedaan (bijvoorbeeld vechten en stelen) of belangrijke bij de leeftijd horende sociale normen en regels worden overtreden (bijvoorbeeld liegen en spijbelen). Een bijzondere vorm van antisociaal gedrag is agressief gedrag. Gedrag is agressief als met opzet schade wordt toegebracht aan een andere persoon of aan een voorwerp. Drie vormen van agressief gedrag kunnen worden onderscheiden: fysiek, verbaal en relationeel agressief gedrag. Voorbeelden van fysiek agressief gedrag zijn stompen, slaan, knijpen, schoppen, vechten en vernielen. Voorbeelden van verbaal agressief gedrag zijn uitschelden, kwetsen, vernederen, bedreigen en pesten. Voorbeelden van relationele vormen van agressie zijn onjuiste geruchten verspreiden over een ander kind om het buiten de groep te sluiten en uit wraak vriendschap met een derde sluiten.
Het onderscheid tussen een openlijke vorm van antisociaal gedrag ("overt") en een heimelijke of bedekte vorm van antisociaal gedrag ("covert") (Loeber & Schmaling, 1985) is klinisch relevant. Van openlijk antisociaal gedrag hebben andere personen direct last, zoals van schreeuwen, eisen, driftig zijn, pesten, bedreigen en vechten. Deze vorm van antisociaal gedrag betekent een zware opvoedingsbelasting voor ouders. Heimelijk antisociaal gedrag speelt zich achter de rug van volwassenen af, zoals liegen, vernielen, stelen en brandstichten. Omdat ouders er vaak pas laat achter komen roept heimelijk antisociaal gedrag woede op vanuit machteloosheid. Op de dimensie openlijk-heimelijk neemt het frequent voorkomende symptoom slecht luisteren (ongehoorzaam en ongewillig zijn) een middenpositie in (Loeber & Schmaling, 1985): slecht luisteren kan zich zowel manifesteren in openlijke vorm (zoals brutaal weigeren te doen wat gevraagd wordt), als in bedekte vorm (zoals zogenaamd vergeten zijn of niet gehoord hebben, overgaan tot langzaam-aan-acties en net anders doen dan gevraagd werd).
In agressief gedrag kan een onderscheid worden gemaakt tussen een reactieve vorm en een proactieve vorm (Kempes e.a., 2005). Reactief agressief gedrag is een vijandige, boze reactie op een waargenomen frustratie. Deze impulsieve vorm van agressie, ook wel affectieve agressie genoemd, is een verdediging tegen een persoon die bedreigt of frustreert, of als bedreigend of frustrerend ervaren wordt. Voorbeelden zijn de peuter die razend is en zijn moeder slaat omdat hij zijn zin niet krijgt of de schooljongen die woedend zijn leeftijdgenoot te lijf gaat die hem zonet geplaagd heeft. Proactief agressief gedrag is gecontroleerd. Bij deze berekende vorm van agressie, ook wel offensieve of instrumentele agressie genoemd, wordt agressief gedrag gebruikt om een doel te bereiken. Voorbeelden zijn de peuter die, om een voorwerp in bezit te nemen (het doel), het andere kind een duw geeft zodat die een flinke klap maakt, of de schooljongen die, om zijn dominante positie in de groep te handhaven (het doel), zijn groepsgenootje uitdaagt tot een vechtpartij en hierbij bewondering oogst van de omstanders.
De twee DSM-IV categorieën
De twee DSM-IV categorieën voor gedragsstoornissen zijn zowel aan elkaar verwant als van elkaar te onderscheiden. De oppositioneel-opstandige gedragsstoornis kan gezien worden als een milde variant van de antisociale gedragsstoornis. Beide stoornissen verhouden zich tot elkaar vanuit een ontwikkelingsoogpunt, maar ook vanuit een hiërarchisch oogpunt (Hinshaw e.a., 1993). Vanuit een ontwikkelingsperspectief vertonen nogal wat kinderen eerst (tussen 4 en 7 jaar) een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en voldoen, bij een ongunstige ontwikkeling, vervolgens (tussen 8 en 10 jaar) aan de criteria van een antisociale gedragsstoornis. Deze kinderen met een antisociale gedragsstoornis van het type beginnend in de kinderleeftijd ("early starters") blijven echter ook de verschijnselen vertonen van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis; aldus verhouden beide categorieën zich ook in hiërarchische zin tot elkaar. Er zijn echter ook jonge kinderen met een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis bij wie de stoornis verdwijnt, of bij wie de stoornis blijft zonder zich te ontwikkelen tot een antisociale gedragsstoornis. Tenslotte zijn er jeugdigen die in de kinderleeftijd geen antisociaal gedrag vertoonden en dit pas doen in de adolescentie, dit is de antisociale gedragsstoornis van het type beginnend in de adolescentie ("late starters"). Het onderscheid tussen beide typen antisociale gedragsstoornis is van groot belang. Het type met een begin in de kinderleeftijd vertoont meer agressieve symptomen, heeft meer comorbiditeit met de aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een lees- of taalstoornis, en heeft een slechtere prognose dan het type met een begin in de adolescentie. Bij de laatste groep komt comorbiditeit met een stemmingsstoornis vaak voor; de prognose is gunstiger onder andere omdat deze adolescenten beter toegerust zijn met sociale en schoolse vaardigheden (Hinshaw e.a., 1993; Lahey e.a., 1998). Na de adolescentie is er bij deze groep meer kans om op te houden met het vertonen van antisociaal gedrag ("adolescence limited") in vergelijking met de groep met een begin op de kinderleeftijd ("life-course persistent") (Moffit e.a., 1996; Angold & Costello, 2001).
Etiologie
Het ontstaan en in stand houden van beide categorieën gedragsstoornissen bij kinderen en jeugdigen is meestal te verklaren vanuit een combinatie van één of meerdere kindfactoren en één of meerdere omgevingsfactoren. Er is vaak sprake van een wisselwerking tussen enerzijds een neuropsychologische kwetsbaarheid van het kind, bijvoorbeeld een tekortschietende inhibitie, en anderzijds een omgeving die hierop niet optimaal inspeelt (Matthys, 2003). Zo kan een omgevingskenmerk, zoals inconsequent omgaan met ongewenst gedrag, uitgelokt worden door een kindkenmerk, zoals bepaalde temperamentkenmerken of ADHD. Ook kan een omgevingsrisico, zoals mishandeling, leiden tot een kindkenmerk, zoals de neiging onterecht vijandige intenties aan anderen toe te kennen. Naast deze risicofactoren dient er ook oog te zijn voor beschermende factoren: een hoge intelligentie, de goede relatie met een ouder, "goede vrienden" of een school die verantwoordelijkheidsbesef en zelfdiscipline hoog in het vaandel heeft staan. Een etiologisch onderscheid tussen de oppositioneel-opstandige en de antisociale gedragsstoornis is thans niet mogelijk om te maken.
Tot de kind-gebonden risicofactoren, die vooral van belang zijn voor disruptieve gedragsstoornissen met een vroeg begin, behoren:
* ADHD.
* een leesstoornis (of een leesachterstand).
* een taalstoornis (of een taalachterstand).
* een coördinatieontwikkelingsstoornis.
* zwakbegaafdheid, in het bijzonder op verbaal gebied.
* bepaalde temperamentskenmerken zoals emotionele labiliteit, rusteloosheid, korte aandachtsboog en negativisme (Caspi e.a., 1995).
* erfelijkheid speelt eveneens een rol in het ontstaan van antisociaal en agressief gedrag, vooral wanneer dit gedrag samengaat met een zich vroeg manifesterende overbeweeglijkheid, aandachtstekorten en algeheel sociaal disfunctioneren (Rutter, 1997). De rol van erfelijkheid moet niet gezien worden als een direct verband tussen een bepaalde gen-afwijking en een welomschreven vorm van (anti)sociaal gedrag zoals stelen, maar als een verband tussen een combinatie van verschillende gen-afwijkingen en verschillende neurobiologische kenmerken die het kind kwetsbaar maken (de kans verhogen) voor het ontwikkelen van antisociaal en agressief gedrag (Rutter, 1997).
* een verlaagd activatieniveau van het autonoom zenuwstelsel (hartslagfrequentie, huidgeleiding) (Kindlon e.a., 1995; Van Goozen e.a., 2000); dit houdt mogelijk verband met onbevreesd zijn en een geringere gevoeligheid voor straf (Matthys e.a., 1998, 2004).
* een verminderde serotonerge functie werd herhaaldelijk bij kinderen en jeugdigen met gedragsstoornissen gevonden (Kruesi e.a., 1990; Van Goozen e.a., 1999; Pliszka, 1999; Snoek e.a., 2002). Serotonine wordt verondersteld een modulerende rol te spelen in allerlei functies; serotonine zou onder andere gedrag inhiberen, voor een deel via het autonome zenuwstelsel.
* afwijkende sociale cognities werden vastgesteld bij kinderen met gedragsstoornissen. Hun sociale informatieverwerking en sociale probleemoplossing vertonen de volgende kenmerken. In vergelijking met niet agressieve leeftijdgenoten richten zij hun aandacht op minder informatie (Matthys e.a., 1999), bovendien is hun aandacht vaker gericht op vijandige informatie (Gouze, 1987), als gevolg waarvan zij aan anderen vaak een vijandige intentie toekennen, terwijl daar geen grond voor is (Orobrio de Castro e.a., 2002). Voor sociale problemen bedenken ze minder oplossingen (Matthys e.a., 1999) en vaker een agressieve oplossing (Dodge e.a., 1986). Bovendien achten ze zichzelf, in vergelijking met niet agressieve leeftijdgenoten, beter in staat om een agressieve oplossing uit te voeren (Matthys e.a., 1999). Tussen verschillende typen oplossingen kiezen ze ook vaker een agressieve (Matthys e.a., 1999). Verder vertoont het sociale denken van kinderen met gedragsstoornissen ook een ontwikkelingsachterstand. Zij zijn zoals jongere kinderen egocentrischer ingesteld (Matthys e.a., 1995) en hebben meer moeite het perspectief van de ander in te nemen (Cohen e.a., 1985). Ten slotte vertonen zowel kinderen (De Wied e.a., 2005) als adolescenten (Cohen & Strayer, 1996) met disruptieve gedragsstoornissen tekorten in empathie.
De rol van de omgeving kan, bij het type beginnend in de kinderleeftijd, beschreven worden vanuit de alledaagse ouder-kind interacties zoals die binnen de opvoeding plaats vinden. Deze wordt gekenmerkt door:
* het geven van onduidelijke of onvoldoende positief geformuleerde opdrachten;
* het onvoldoende oog hebben en waardering tonen voor sociaal wenselijk gedrag;
* het onvoldoende stellen en consequent hanteren van regels en afspraken;
* het inconsequent en vaak hard straffen;
* weinig direct toezicht op het kind ("supervision");
* weinig zicht en gevoelsmatige betrokkenheid op het doen en laten van het kind ("monitoring" van gedrag) (Kazdin, 1995).
Deze opvoedingskenmerken worden voor een deel door het kind zelf uitgelokt; voor een deel hangen ze samen met een reeks eigenschappen van de ouders en het gezin, zoals:
* bepaalde persoonlijkheidskenmerken van de ouders (gedeprimeerdheid, prikkelbaarheid, emotionele afstandelijkheid);
* psychiatrische stoornissen bij de ouders (ADHD, middelenmisbruik en afhankelijkheid, persoonlijkheidsstoornissen);
* delinquentie van de ouders;
* echtelijke disharmonie met openlijke conflicten en agressie;
* herhaalde wisselingen van de ouderfiguren;
* mishandeling;
* lage socio-economische status;
* één-oudergezin;
* sociaal isolement van het gezin (Kazdin, 1995).
De rol van de alledaagse ouder-kind interacties in het ontstaan van gedragsstoornissen wordt door Reid, Patterson en Snyder (2002) verklaard vanuit de principes van de operante conditionering. Positieve bekrachtiging van sociaal wenselijk gedrag wordt weinig of inconsequent gegeven; aldus leren kinderen in onvoldoende mate zich sociaal wenselijk te gedragen. Belangrijker nog is de rol van negatieve bekrachtiging, het wegnemen van een onaangename stimulus. Als ouders hun opdrachten of eisen (een voor het kind onaangename stimulus) intrekken wanneer het kind zich er tegen verzet, dan wordt dit verzetsgedrag bekrachtigd en neemt het in frequentie toe. Met andere woorden: als ouders zwichten voor het dwingend, manipulerend en negativistisch gedrag van het kind, dan zal het kind dit gedrag in toenemende mate gebruiken om zijn doelen na te streven en aldus in het gezin een machtspositie verwerven.
Bij het prognostisch veel gunstiger type antisociale gedragsstoornis beginnend in de adolescentie spelen ook andere omgevingsfactoren een rol namelijk:
* de aansluiting bij de (pre)delinquente groep leeftijdgenoten;
* een niet-optimaal omgaan van de ouders met de "normale" adolescentieproblematiek (onder andere verzet tegen autoriteiten).
Prevalentie
Voor de kinder- en jeugdpsychiatrie zijn de oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen van groot belang vanwege de hoge prevalentie en het risico voor negatieve uitkomsten. De prevalentie van de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis is 3.2%, de antisociale gedragsstoornis 2% (Lahey e.a., 1999). Tussen jongens en meisjes lijkt er geen duidelijk verschil te zijn in de prevalentie van de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (Lahey e.a., 1999). De prevalentie van de antisociale gedragsstoornis is hoger bij jongens dan bij meisjes; mogelijk is dit verschil groter wanneer de stoornis begint in de kinderleeftijd dan wanneer de stoornis begint in de adolescentie (Lahey e.a., 1999).
Co-morbiditeit
Co-morbiditeit is eerder regel dan uitzondering en komt meer dan bij toeval voor. Bij het type beginnend in de kinderleeftijd komt co-morbiditeit vaak voor met: ADHD, leesstoornis, taalstoornis, coördinatieontwikkelingsstoornis, zwakbegaafdheid en lichte zwakzinnigheid. Vooral bij het type beginnend in de adolescentie, maar ook bij het type beginnend in de kinderleeftijd, komt co-morbiditeit voor met dysthyme stoornis, depressieve stoornis en een angststoornis. Bij beide typen komt co-morbiditeit voor met posttraumatische stress-stoornis en dissociatieve stoornis. In de adolescentie komt ook co-morbiditeit voor met middelenmisbruik.
Beloop & prognose
Zonder behandeling kunnen oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen bij kinderen en jeugdigen zich continueren in de volwassenheid in de vorm van delinquent gedrag. Naast een antisociale ontwikkeling is er bij deze kinderen en jeugdigen een verhoogd risico in de volwassenheid voor psychiatrische stoornissen, zoals persoonlijkheidsstoornissen, depressies en verslaving, voor werkloosheid, frequente wisselingen van baan, afhankelijkheid van sociale voorzieningen, herhaalde echtscheidingen en ziekenhuisopnamen vanwege somatische aandoeningen (Kazdin, 1995). Bij meisjes is er bovendien een verhoogd risico voor vroege zwangerschap, het vinden van een antisociale partner en, hiermee samengaand, het hebben van kinderen met gedragsstoornissen. Echter, lang niet alle kinderen en adolescenten met gedragsstoornissen vertonen deze ongunstige ontwikkeling. Indicatoren voor een ongunstige ontwikkeling zijn: een vroege leeftijd van aanvang, de aanwezigheid van fysieke agressie, comorbiditeit met ADHD, een laag activatieniveau van het autonome zenuwstelsel en (verbale) zwakbegaafdheid (Maugham & Rutter, 2001).
Behandeling
De behandeling van de oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen bestaat vaak uit een combinatie van farmacotherapie en gedragstherapeutische en/of systeemtherapeutische behandelvormen. Bij kinderen komen als psychotherapeutische methoden de begeleiding of training in opvoedingsvaardigheden voor ouders in aanmerking, evenals de training in sociale probleemoplossing voor het kind. Bij adolescenten zijn therapievormen aangewezen die gedragstherapeutische en gezins- of systeemtherapeutische methoden combineren, zoals de functionele gezinstherapie en de multisysteemtherapie. Farmacotherapie is geïndiceerd voor de beïnvloeding van ernstige en openlijke vormen van agressief gedrag nadat gebleken is dat bovengenoemde psychotherapeutische methoden onvoldoende effectief waren (klik hier voor protocol medicatie). Bij de indicatiestelling voor farmacotherapie speelt verder het voorkomen van co-morbiditeit een centrale rol. In het geval van co-morbiditeit met ADHD, met bovendien een duidelijke belemmering van het functioneren op meerdere gebieden en in meerdere milieus, is farmacotherapie als eerste stap geïndiceerd. Vaak nemen dan symptomen van de disruptieve gedragsstoornissen af. Vervolgens is meestal een of meerdere van bovengenoemde vormen van psychotherapie aangewezen die specifiek aansluiten op tekorten bij het kind of de adolescent, de ouders of het gezin. Ook in het geval van co-morbiditeit met een stemmingsstoornis kan farmacotherapie overwogen worden.
Literatuur
Achenbach, T.M. (1991a). Manual for the Child Behavior Checklist/4-18 and 1991 Profile. Burlington, Vt: University of Vermont, Department of Psychiatry.
Achenbach, T.M. (1991b). Manual for the Teacher’s Repor For and 1991 Profile. Burlington, Vt: University of Vermont, Department of Psychiatry.
Achenbach, T.M. (1991c). Manual for the Youth Self-Report and 1991 Profile. Burlington, Vt: University of Vermont, Department of Psychiatry.
American Psychiatric Association. (1994). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4th ed.). DSM-IV. Washington DC: APA.
Angold, A., & Costello, E.J. (2001). The epidemiology of disorders of conduct: nosological issues and comorbidity. In J. Hill & B. Maugham (Eds.), Conduct disorders in childhood and adolescence (pp. 126-168). Cambridge: Cambridge University Press.
Caspi, A., Henry, B., McGee, R., Moffitt, T., & Silva, P. (1995). Temperamental origins of child and adolescent behavior problems: from age three to age fifteen. Child Development, 66, 55-68.
Cohen, N., Kershner, J., & Wehrspann, W. (1985). Characteristics of social cognition in children with different symptom patterns. Journal of Applied Developmental Psychology, 6, 277-290.
Cohen, D. & Strayer, J. (1996). Empathy in conduct-disordered and comparison youth. Developmental Psychology, 32, 988-998.
De Wied. M., Goudena, P. P., & Matthys, W. (2005). Empathy in boys with disruptive behaviour disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 46, 867-880.
Dodge, K.A., Pettit, G., McClaskey, C., & Brown, M. (1986). Social competence in children. Monographs of the Society for Research in Child Development, 58, 213-251.
Gouze, K. (1987). Attention and social problem solving as correlates of aggression in preschool males. Journal of Abnormal Child Psychology, 15, 181-97.
Hinshaw, S.P., Lahey, B.B., & Hart, E.L. (1993). Issues of taxonomy and comorbidity in the development of conduct disorder. Development and Psychopathology, 5, 31-49.
Kazdin, A. (1995). Conduct disorders in childhood and adolescence (second edition). Thousand Oaks, CA: Sage.
Kempes, M., Matthys, W., de Vries, H., & van Engeland, H. (2005). Reactive and proactive aggression in children: A review of theory, findings and the relevance for child and adolescent psychiatry. European Child and Adolescent Psychiatry, 14, 11-19.
Kindlon, D., Tremblay, R., Mezzacappa, E., Earls, F., & Schaal, B. (1995). Longitudinal patterns of heart rate and fighting behavior in 9- through 12-year-old boys. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 34, 371-377.
Kruesi, M., Rapaport, J., Hamburger, S., Hibbs, E., Lenane, M., & Brown, G. (1990). Cerebrospinal fluid monoamine metabolites, aggression, and impulsivity in disruptive behavior disorders of children and adolescents. Archives of General Psychiatry, 47, 419-426.
Lahey, B.J., Loeber, R., Quay, H.C., Applegate, B., Shaffer, D., Waldman, I., Hart, E.L., McBurnett, K., Frick, P.J., Jensen, P.,S., Canino, G., & Bird, H.R. (1998). Validity of DSM-IV subtypes of conduct disorder based on age of onset. Journal of the American Adademy of Child and Adolescent Psychiatry, 37, 435-442.
Loeber, R., & Schmaling, K. (1985). Empirical evidence for overt and covert patterns of antisocial conduct problems: a meta-analysis. Journal of Abnormal Child Psychology, 13, 337-352.
Matthys, W. (2000). Oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen. In F. C. Verhulst en F. Verhey (red.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en diagnostiek (pp. 380-392). Van Gorcum: Assen.
Matthys, W. (2003). Oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen. In F. C. Verhulst, F. Verheij & R.F. Ferdinand (red.), Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Psychopathologie. (pp. 151-166). Assen: Koninklijke Van Gorcum.
Matthys, W., Walterbos, W., Van Engeland, H., & Koops, W. (1995). Conduct disordered boys' perceptions of their liked peers. Cognitive Therapy and Research, 19, 357-372.
Matthys, W., Van Goozen, S., de Vries, H., Cohen-Kettenis, P., & Van Engeland, H. (1998). The dominance of behavioural activation over behavioural inhibition in conduct disordered boys with and without attention deficit hyperactivity disorder. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 39, 643-651.
Matthys, W., Cuperus, J., & Van Engeland, H. (1999). Deficient social problem-solving in boys with ODD/CD, with ADHD, and with both disorders. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 38, 311-321.
Matthys, W., Van Goozen S. H. M., Snoek, H., & Van Engeland, H. (2004). Response perseveration and sensitivity to reward and punishment in boys with oppositional defiant disorder. European Child and Adolescent Psychiatry, 13, 362-364.
Maugham, B. & Rutter, M. (2001). Antisocial children grown up. In J. Hill & B. Maugham (Eds.), Conduct disorders in childhood and adolescence (pp. 507-552). Cambridge: Cambridge University Press.
Moffit, T.E. (1993). The neuropsychology of conduct disorder. Development and Psychopathology, 5, 135-151.
Moffit, T.E., Caspi, A., Dickson, N., Silva, P., & Stanton, W. (1996). Childhood-onset versus adolescent-onset antisocial conduct problems in males: Natural history from ages 3-18 years. Development and Psychopathology, 8, 399-424.
Offord, D.R., Boyle, M. H., & Racine, Y.A. (1991). The epidemiology of antisocial behavior in childhood and adolescence. In D. J. Pepler & K.H. Rubin, The development and treatment of childhood aggression (pp. 31-54). Hillsdale, New Jersey: Lawrence Erlbaum.
Orobrio de Castro, B., Veerman, J.W., Koops, W., Bosch, J.D., Monshouwer, H.J. (2002). Hostile attribution of intent and aggressive behavior: a meta-analysis. Child Development, 73, 916-934.
Reid, J. B., Patterson, G. R., & Snyder, J. (2002) Antisocial behavior in children and adolescents. Washington, DC: American Psychological Association.
Pliszka, S. (1999). The psychobiology of oppositional defiant disorder and conduct disorder. In H.C. Quay en A.E. Hogan (red.), Handbook of disruptive behavior disorders (371-395). New York: Kluwer Academic.
Rutter, M. (1997). Nature-nurture integration: the example of antisocial behavior. American Psychologist, 52, 390-398.
Snoek, H., van Goozen, H.M., Matthys, W., Sigling, H.O., Koppeschaar, H.P.F., Westenberg, H.G.M., & van Engeland, H. (2002). Serotonergic functioning in children with oppositional defiant disorder: A sumatriptan challenge study. Biological Psychiatry, 51, 319-325.
Van Goozen, S. H. M., Matthys, W., Cohen-Kettenis, P. T., Westenberg, H. & van Engeland, H. (1999). Plasma monoamine metabolites and aggression: two studies of normal and oppositional defiant disorder children. European Neuropsychopharmacology, 9, 141-147.
Van Goozen, S. H. M., Matthys, W., Cohen-Kettenis, P. T., Buitelaar, J. K., & van Engeland, H. (2000). Hypothylamic-pitiutary-adrenal axis and antonomic nervous system activity in disruptive children and matched controls. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 39, 1438-1445.




