Laatste update: Juni 2010
Meewerkende experts: Werkgroep Forensische Kinder- en Jeugdpsychiatrie
> Algemeen
> Epidemiologie
> Wettelijke kaders
> Tussen vrijwilligheid en motivatie
> Behandeling
> Perspectief ouders
> Literatuur
Op het raakvlak van de Jeugd Geestelijke Gezondheidszorg (Jeugd-GGZ) met justitie bevindt zich de forensische jeugdpsychiatrie. De twee hoofdtaken zijn: het adviseren over het geestelijk functioneren van jongeren en het verplegen en behandelen van hen binnen een justitieel kader. Rapporteren en behandelen kan binnen een strafrechtelijk, civielrechtelijk of zelfs 'vrijwillig' kader. In dit thema richten wij ons op:
1. Diagnostiek en behandeling op ‘vrijwillige basis’ van jongeren met grensoverschrijdend gedrag zonder maatregel. Dit zijn jongeren die niet naar een forensische kinder- en jeugdpolikliniek worden gestuurd vanwege het plegen van een strafbaar feit maar ter preventie, door bijvoorbeeld school of bureau jeugdzorg. Deze jongeren komen ‘vrijwillig’ maar eveneens onder drang. Dit kan de betrouwbaarheid van hun informatie en hun motivatie voor behandeling in negatieve zin beïnvloeden. Daarbij is er bij deze jongeren vaak risicotaxatie nodig, een expertise van de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie.
2. Diagnostiek en behandeling van jongeren in het kader van een civielrechtelijk onderzoek of maatregel: jongeren vanaf 12 jaar waarbij sprake is van een ondertoezichtstelling en/of gesloten uithuisplaatsing. De kinderen van 0 tot 12 jaar, adoptie- en scheiding- en omgangszaken zijn niet in dit thema opgenomen.
3. Diagnostiek en behandeling van jongeren van 12 tot 23 jaar binnen een strafrechtelijke kader.
Ten aanzien van het diagnostisch proces en het behandeltraject zijn er overeenkomsten tussen de jongeren uit deze groepen maar ook enkele kenmerkende verschillen, waarvan een aantal kort zullen worden toegelicht.
Het thema ‘Forensische Kinder- en jeugdpsychiatrie’ vertoont overlap met andere thema’s van het Landelijk Kenniscentrum, in het bijzonder met gedragsstoornissen (ODD/CD). Het thema forensische kinder- en jeugdpsychiatrie wordt hier apart toegelicht omdat jongeren en hun ouders binnen deze setting niet uit eigen wil in aanraking komen met psychiatrische zorg, maar omdat het hen is opgelegd. Doordat de betreffende jongere veroordeeld is voor een misdrijf of doordat er door een rechter besloten is dat de ontwikkeling van de jongere bedreigd is en ouders en kind hulp nodig hebben, komen zij in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie terecht. Hierdoor wordt het verdere hulpverleningsproces in het forensische veld beïnvloed. Er zijn ook situaties waarin de jeugdige en ouders blij zijn met de opgelegde hulpverlening en hieraan hun medewerking verlenen. Er blijft echter sprake van schipperen tussen ‘vrijwillig en dwang’, zeker daar waar de behandeling niet (volledig) geaccepteerd wordt.
Indien het gaat om diagnostiek en behandeling van psychiatrische stoornissen in engere zin wordt verwezen naar de andere thema’s op onze website. Hier richten wij ons op onderwerpen specifiek voor het forensische veld.
Het doel van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie is: het bundelen van wetenschappelijke kennis door protocollaire vormen van diagnostiek en psychologische behandelvormen eenvoudig beschikbaar te stellen voor de hulpverleners werkzaam in het veld van de kinder- en jeugdpsychiatrie.
Prevalentie: Uit verschillende internationale studies naar de prevalentie van psychiatrische stoornissen onder gedetineerde jongeren blijkt dat psychopathologie onder deze groep significant meer voorkomt in vergelijking tot jongeren in de gewone bevolking. De percentages die in de verschillende onderzoeken gevonden worden zijn echter niet eenduidig. Dit kan onder andere verklaard worden door verschillen tussen onderzoeksgroepen, methodologische verschillen en omgevingsfactoren (Vreugdenhil, C. 1999).
In de internationale literatuur zijn de externaliserende stoornissen het sterkst vertegenwoordigd bij jongens in detentie. Conduct Disorder (CD) en middelenmisbruik worden het vaakst gerapporteerd. Van de internaliserende stoornissen is depressie de meest voorkomende stoornis (Colins, O. 2010). Qua verschil tussen jongens en meisjes valt op dat er bij jongens relatief gezien vaker sprake is van psychose en bij meisjes vaker van depressie (Fazel, S. 2008).
In Nederland zijn ook enkele studies gedaan. Vreugdenhil (2004) onderzocht de psychopathologie onder gedetineerde jongens, en vond dat er bij 90% van de gedetineerde jongens sprake is van tenminste 1 psychiatrische stoornis voor start van detentie. Hiervan had slechts een klein deel een internaliserende stoornis (angststoornis 9%, affectieve stoornis 6%) en een groot deel een externaliserende stoornis (CD en ODD samen 75%), middelenmisbruik, 34% rapporteerde psychotische klachten en 8% voldeed aan de criteria voor ADHD.
Comorbiditeit: In de studie van Vreugdenhil voldeed 67% van de gedetineerde jongens aan de criteria voor twee stoornissen, waarbij de combinatie internaliserende stoornis en psychotische symptomen het meest werd geconstateerd. Daarnaast werd de combinatie middelenmisbruik ofwel CD/ODD in combinatie met ADHD geconstateerd. Vermeiren (2003) laat in zijn review zien dat in meer dan 50% sprake is van een diagnose gerelateerd aan middelengebruik in combinatie met CD. Uit Amerikaans onderzoek (Abram, K.M. 2003) bleek eveneens dat de combinatie middelen misbruik en ADHD of een gedragsstoornis bij jongens vaker voorkomt dan andere combinaties.
Etniciteit: Niet-westerse jongeren hebben een grotere kans om doorverwezen te worden naar een gesloten GGz of justitiële instelling dan naar een ambulante GGz (Knorth, E.J. 1998), komen vaker in contact met politie en zijn oververtegenwoordigd in justitiële jeugdinstellingen (Vollenbergh, W.A.M. 2003). In de zorg, niet alleen in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie, kan het nuttig zijn specifieke kennis in te zetten over de culturele achtergrond van een cliënt om zo een vertrouwensrelatie met de cliënt en zijn/ haar familie op te bouwen. Ook de klachtenpresentatie kan beïnvloed worden door de culturele achtergrond van een cliënt. Meer informatie over multiculturaliteit in de zorg kan gevonden worden op de website van Mikado, kenniscentrum interculturele zorg.
Psychiatrische stoornis, behandeling en risicotaxatie: Over dit onderwerp verschijnt binnenkort meer informatie. Naar boven
Welk wettelijk kader is van toepassing?
Behandelaren in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie hebben niet alleen te maken met een jongere zelf maar ook met een heel systeem en veld daarom heen: ouders, school, bureau jeugdzorg, gezinsvoogden, reclasseringsambtenaren, instellingen voor jeugdzorg of jeugd-GGZ, justitiële jeugdinrichtingen, Raad voor de Kinderbescherming, politie en justitie, de kinderrechter, etc. elk met hun eigen wettelijk kader. Dat betekent dat de behandelaar soms flink moet manoeuvreren tussen ieders wensen, verwachtingen en mogelijkheden samenhangend met de regels en de cultuur van de verschillende settings.
Het wettelijk kader van de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie bevindt zich op het grensvlak van verschillende rechtsgebieden: het gezondheidsrecht, het jeugdrecht en het strafrecht, waarbij de verschillende wettelijke kaders elkaar regelmatig overlappen en beïnvloeden.
Het uitgangspunt is dat de Wet Geneeskundige BehandelingsOvereenkomst (WGBO) van toepassing is op een behandeling in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie. De instelling sluit een behandelingsovereenkomst met de patiënt en/of diens ouders (LET OP: Daar waar hierna gesproken wordt over ouders wordt bedoeld ouders die met het gezag zijn belast of de voogd). Onderzoek en behandeling kunnen op basis van de WGBO alleen plaatsvinden als de patiënt en/of ouders daarvoor toestemming hebben gegeven.
Is opname in de jeugd-GGZ noodzakelijk en zijn de jongere en/of ouders niet akkoord dan kan op basis van de Wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) een gedwongen opname worden gerealiseerd. Voorwaarde is wel dat de jongere vanwege zijn stoornis gevaar veroorzaakt dat niet anders dan door opname in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden weggenomen en de jongere en/of ouders niet bereid zijn tot opname.
De WGBO en de BOPZ zijn de belangrijkste wetten die het wettelijk kader vormen voor de kinder- en jeugdpsychiatrie.
Beide wetten staan uitgebreid beschreven in de juridische wegwijzer die u kunt vinden onder Ouders/Praktisch. In dit hoofdstuk worden wel de dilemma’s uitgelicht die in de forensische KJP een rol spelen genoemd.
Daarnaast zijn vaak allerlei andere wetten van toepassing die weliswaar niet het wettelijk kader zijn voor de forensische KJP maar wel van invloed kunnen zijn op de behandeling:
- Het Burgerlijk Wetboek (BW): Het BW regelt onder andere het gezag en voogdij over minderjarigen, kinderbeschermingsmaatregelen en gezagsmaatregelen. Een jongere kan bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling (OTS) hebben en zodoende een gezinsvoogd. Het BW regelt ook de bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming waarmee jongeren te maken krijgen als de opvoeding thuis niet lukt of wanneer een jongere een ernstig delict pleegt. Klik hier voor meer informatie over de WJZ (onderdeel van BW).
- De wet op de jeugdzorg (WJZ): De WJZ regelt de indicatie voor de jeugdzorg in het algemeen waaronder ook de indicatiestelling voor de jeugd-GGZ. Een jongere kan via Bureau Jeugdzorg (BJZ) worden aangemeld bij de forensische KJP met een indicatiebesluit van BJZ maar ook rechtstreekse verwijzing door de huisarts of andere hulpverlenende instanties naar wie de huisarts heeft verwezen. Onderdelen van het Bureau Jeugdzorg zijn het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), Jeugdbescherming (voogdij en gezinsvoogdij) en de Jeugdreclassering. Ook de gesloten jeugdzorg is geregeld in de WJZ. Klik hier voor meer informatie over de WJZ.
- De Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen (BJJI): De BJJI regelt de plaatsing van een jongere in een justitiële jeugdinrichting. Jongeren worden hier geplaatst wanneer de plaatsing is opgelegd als strafrechtelijke maatregel. Een jongere die in een BJJI is geplaatst kan worden behandeld binnen de forensische KJP. De behandelaar heeft dan ook te maken met de regels uit de BJJI, bijvoorbeeld wanneer een jongere de kliniek niet mag verlaten of alleen onder begeleiding naar de polikliniek mag komen. Op grond van de BJJI is dwangbehandeling mogelijk. Binnen een JJI is de eerste behandelverantwoordelijke de inhoudelijk eindverantwoordelijke en is de psychiater in principe consultatief. Belangrijk is dat feitelijk zelfs dwangbehandeling binnen de BJJI mogelijk is. (Maar meestal niet gewenst en dan zal vaak overgegaan worden op een BOPZ maatregel, Wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen. Klik hier voor meer informatie over de wet BOPZ.) Klik hier voor meer informatie over de BJJI.
- Jeugdstrafrecht: Het jeugdstrafrecht geldt voor minderjarigen in de leeftijd tot 18 jaar. Kinderen onder de 12 jaar worden niet strafrechtelijk vervolgd. Volwassenen tot 21 jaar kunnen , indien hun persoonlijkheidsontwikkeling nog onvoldoende is geweest, volgens het jeugdstrafrecht strafrechtelijk vervolg worden. Verder kan een behandelmaatregel (Plaatsing In Jeugdinrichting; PIJ) opgelegd worden, die maximaal zes jaar kan duren. Deze jongeren/ jong volwassenen worden in jeugdinrichtingen behandeld. Sinds 2008 is het jeugdstrafrecht uitgebreid met een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM). Met de GBM als strafrechtelijke maatregel kan de rechter bepalen dat een jongere zorg, bijvoorbeeld forensische KJP-zorg, nodig heeft als alternatief voor detentie. De forensische KJP kan echter niet onder dwang worden uitgevoerd. Wanneer een jongere niet wil meewerken dan wacht detentie als consequentie. Klik hier voor meer informatie over het jeugdstrafrecht.
De WGBO in relatie tot andere wettelijke kaders
De WGBO regelt de rechten van de patiënt in de forensische KJP. Behandeling onder de WGBO betekent behandeling in een vrijwillig kader. Vaak worden jongeren gestuurd en niet alle jongeren zullen even gemotiveerd zijn voor behandeling. Het niet meewerken aan vrijwillige forensische kinder- en jeugdpsychiatrische behandeling kan echter consequenties hebben. Veel jongeren zullen eieren voor hun geld kiezen en meewerken, omdat ze anders een ingrijpender maatregel boven het hoofd hangt. Bijvoorbeeld in het civielrechtelijke kader (kinderbeschermings- of gezagmaatregelen) of het strafrechtelijk kader (bijv. omzetting van een voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke straf).Er zal dan ook niet altijd sprake zijn van echte vrijwilligheid maar meer van lichte drang. Dit zal gedurende de behandeling steeds een rol blijven spelen.
Informatieverstrekking aan derden
Een jongere met een ondertoezichtstelling (OTS) heeft een gezinsvoogd. Een jongere met een strafrechtelijke maatregel heeft een jeugdreclasseerder.
Deze willen graag zo goed mogelijk worden geïnformeerd over de behandeling. In verband met een goed afgestemde ketenzorg is het ook goed om gegevens uit te wisselen maar hiervoor is wel instemming van jongere en ouders nodig. Het is goed om dit onderwerp bij de start van de behandeling te bespreken en hierover heldere afspraken te maken. Maar wat te doen als jongere en/of ouders zich tegen informatie-uitwisseling verzetten? Een gezinsvoogd of reclasseringsmedewerker heeft op grond van de WGBO geen recht op inzage in het dossier. Hiervoor is toestemming nodig van de jongere (vanaf 12 jaar) of de ouders (bij kinderen onder de 12 jaar). Behandelaren in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie hebben bovendien een beroepsgeheim. Dit betekent dat alleen met toestemming van een jongere (vanaf 12 jaar) of de ouders (bij kinderen onder de 12 jaar) informatie mag worden verstrekt aan anderen, waaronder aan een gezinsvoogd of een reclasseringsmedewerker.
Het verdient aanbeveling om (1) bij de start van de behandeling toestemming te vragen om de gezinsvoogd en/of jeugdreclasseerder in te lichten; (2) af te spreken dat de betrokken functionarissen op de grote lijnen van de (voortgang van de) behandeling op de hoogte gesteld mogen worden (3) schriftelijke informatie te geven als beantwoording op gerichte vragen en deze schriftelijke informatie voorafgaand met de cliënt te bespreken.
Op deze regel (informatieverstrekking kan alleen met toestemming) zijn een aantal uitzonderingen waarvan hier de belangrijkste worden genoemd:
1) informatieverstrekking op grond van een wettelijk voorschrift
2) informatie aan degenen die rechtstreeks bij de behandeling zijn betrokken
3) Meldrecht bij kindermishandeling
4) In het geval van conflict van plichten
ad 1) Informatieverstrekking op basis van een wettelijk voorschrift: Soms is informatieverstrekking mogelijk op basis van een wettelijk voorschrift. Dit voorschrift gaat dan boven het beroepsgeheim uit de WGBO.
Zo kan er sprake zijn van een informatieverplichting op grond van de WJZ. Als een jongere is doorverwezen door BJZ met een indicatiebesluit voor forensische KJP dan kan zonder toestemming van de jongere of ouders informatie worden verstrekt aan BJZ. Zonder toestemming is dan overleg met BJZ mogelijk over het hulpverleningsplan mogelijk en kan BJZ worden geïnformeerd over de aanvang en het einde van de zorg, de voortgang van de zorg en informatie die nodig is ten behoeve van de evaluatie van de zorg. Het betreft echter alleen de relevante informatie over de jongere, op hoofdlijnen, die daadwerkelijk nodig is om de zorg rond de cliënt te coördineren en de voortgang te bewaken. Deze informatieverplichting is een uitzondering op het beroepsgeheim van de WGBO.
ad 2) Informatie-uitwisseling met rechtstreeks betrokkenen: Een behandelingsovereenkomst wordt gesloten tussen een instelling en de patiënt/ouders. De behandelaren die rechtstreeks betrokken zijn bij het uitvoeren van de behandeling mogen informatie uitwisselen, zonder toestemming van de patiënt of ouders. Hulpverleners van andere instellingen, zoals bijvoorbeeld de gezinsvoogd en de reclasseringsmedewerker, zijn geen rechtstreeks betrokkenen. Zij kunnen alleen met toestemming worden geïnformeerd.
ad 3) Meldrecht Kindermishandeling: De Wet op de Jeugdzorg biedt een meldrecht bij (een vermoeden van) kindermishandeling. Hulpverleners met een beroepsgeheim (kunnen inlichtingen verstrekken aan BJZ (waaronder AMK of de Toegang) wanneer dit noodzakelijk is om kindermishandeling te beëindigen of te
onderzoeken. Dit betreft zowel een melding als informatieverstrekking. Een zelfde wettelijke mogelijkheid in het Burgerlijk Wetboek voor informatie aan de Raad voor de Kinderbescherming.
ad 4) Doorbreken van het beroepsgeheim bij gewetensnood: Als door het handhaven van de zwijgplicht de hulpverlener in een conflict van plichten komt te verkeren dan kan het beroepsgeheim worden doorbroken. Het conflict van plichten is het dilemma tussen spreken en zwijgen. De afweging tussen spreken en zwijgen moet door de hulpverlener gemaakt worden.
Gezien de doelgroep van jongeren die met politie en justitie in aanraking (dreigen) te komen is het voorstelbaar dat een hulpverlener in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie vaker tegen het conflict van plichten aanloopt dan andere hulpverleners.
Het is goed om te beseffen dat het beroepsgeheim er niet voor niets is. Het beroepsgeheim dient een algemeen belang nl. dat iedereen zich vrijelijk tot een hulpverlener moet kunnen wenden, zonder dat hij bang hoeft te zijn dat openbaar wordt gemaakt wat hij aan de hulpverlener toevertrouwd. Immers, voorkomen moet worden dat iemand, uit vrees voor openbaarmaking, zich laat weerhouden van het inroepen van medische hulp. Daarnaast is sprake van een individueel belang voor de patiënt. Dit houdt in dat de patiënt erop moet kunnen vertrouwen dat zijn gegevens geheim gehouden worden en dat zijn privacy zal worden gerespecteerd.
In de literatuur en de jurisprudentie zijn criteria geformuleerd waaraan moet worden voldaan (aan alle zes criteria!) wil een hulpverlener zich gerechtvaardigd kunnen beroepen op het conflict van plichten:
1) Het is niet mogelijk om toestemming te vragen dan wel te krijgen
2) Het niet doorbreken van het beroepsgeheim levert voor een ander ernstige schade op
3) De hulpverlener verkeert in gewetensnood door het handhaven van het beroepsgeheim
4) Er is geen andere weg dan doorbreking van het beroepsgeheim om het probleem op te lossen
5) Het moet vrijwel zeker zijn dat door de doorbreking van het beroepsgeheim de schade aan de ander kan worden voorkomen of beperkt.
6) Het geheim moet zo min mogelijk worden geschonden.
Alleen daar waar een hulpverlener nog schade kan voorkomen kan het beroepsgeheim, mits zorgvuldig gehandeld, worden doorbroken. Omdat lang niet altijd aan alle criteria wordt voldaan zal een hulpverlener niet altijd gerechtvaardigd zijn of haar beroepsgeheim mogen doorbreken. Toch kan de hulpverlener op de hoogte zijn van strafbare feiten waarbij het van belang zijn om zijn of haar verhaal kwijt te kunnen. Dit hoeft echter niet direct tot aangifte bij de politie te leiden. Ook in een teambespreking, een gesprek met een leidinggevende of intervisie kan de hulpverlener toch zijn verhaal kwijt terwijl het beroepsgeheim in tact blijft.
Daarnaast is het de vraag of bij (dreigende) strafbare feiten contact moet worden gezocht met de politie om gevaar af te wenden. Het is ook voorstelbaar dat gedwongen zorg wordt ingezet, bijvoorbeeld een gedwongen opname in de KJP of gesloten jeugdzorg.
Tot slot
Zoals hierboven al is geschetst kan het werken in de forensische KJP complex zijn en moet de behandelaar soms flink moet manoeuvreren tussen de jongere, de ouders en de instanties daarom heen. Daarom is kennis van het eigen wettelijk kader maar ook van de wettelijke kaders daaromheen van belang. En daarnaast is een flinke dosis vakkennis, inlevingsvermogen, tact, creativiteit en doorzettingsvermogen nodig om een jongere te motiveren voor het starten en afmaken van zijn behandeling. Hierbij zal de behandelaar soms de grenzen van de wettelijke kaders moeten opzoeken en soms gebruik moeten maken van “professionele drang” om een jongere over de streep te trekken. Ook moet de behandelaar de afstemming met andere ketenpartners zo goed mogelijk vorm geven.
Zoals in deze paragraaf duidelijk is geworden, hebben hulpverleners die werkzaam zijn in het forensische circuit veel juridische kennis nodig. Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en psychologie (NIFP) is gestart met een ‘Register pro justitia rapportage’ (lopend project) waarbij als voorwaarde voor registratie geldt: het volgen van een verplichte juridische cursus. De keuze om je als onderzoeker te laten registreren is echter een vrijwillige keuze. Zie verder het NIFP.
Tussen vrijwilligheid en motivatie
Een van de belangrijkste verschillen tussen de algemene kinder- en jeugdpsychiatrie en de forensische jeugdpsychiatrie is dat de forensisch jeugdpsychiater gewend is om te gaan met drang en dwang. Daar waar algemene kinder- en jeugdpsychiaters vaak strikt zich houden aan de absolute vrije wilsuitingen die ten grondslag liggen aan de WGBO, is de forensisch jeugdpsychiater meer gewend om op de grenzen van vrijwilligheid met drang en dwang te werken.
Bijna altijd komen jongeren binnen de forensische jeugdpsychiatrie onder druk van ‘houden aan aanwijzingen van de jeugdreclassering’ bij strafrechtelijke maatregelen of onder dreiging van een machtiging tot uithuisplaatsing als het een civielrechtelijke maatregel betreft. Maar zelfs als er nog geen juridische maatregel van toepassing is, dan dreigt een conflict met de ouders of schorsing van school.
De forensisch jeugdpsychiater maakt strategisch van deze gebruik van (verdergaande) juridische maatregelen. Enerzijds wordt gesteld dat een jongere vrij is om wel of niet aan de behandeling zijn medewerking te verlenen, anderzijds wordt wel gewezen op de negatieve consequenties – door niet medici opgelegd - bij het niet deelnemen aan de behandeling. Begonnen wordt met vrijwilligheid, maar er wordt wel degelijk gebruik gemaakt van (het laten toepassen van) juridisch vergaande maatregelen. Zo wordt de druk langzamerhand opgevoerd: Er wordt eerst uitgegaan van het nakomen op afspraken. Worden de afspraken niet nagekomen, dan wordt de jongere, maar desnoods ook ouders, verwijzer of school actief benaderd, om de jongere alsnog te wijzen op de noodzaak van het deelnemen aan behandeling. In het begin van de behandeling wordt vaak al bij de kennismaking met jongere en verwijzer afgesproken, wat de consequenties zijn van het niet houden aan de afspraken. Mocht de jongere ondanks alle stimulering en actief benaderen van de jongere, besluiten niet deel te nemen aan de behandeling, dan wordt dit gemeld aan de verwijzer, die dan nogal eens een waarschuwingsgesprek houdt en eventueel daarna de rechter informeert (waardoor alsnog detentie of uithuisplaatsing volgt).
Wel moet bedacht worden dat deze drang altijd aangevuld moet worden met het actief motiveren van de jongere en zijn netwerk, zodat uiteindelijk de jongere toch geleidelijk tot een behandeling ‘verleid’ wordt en soms zelfs in tweede instantie de behandelend psychiater als vertrouwenspersoon gebruikt.
Behandeling binnen de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie is zowel gericht op het voorkomen van recidieven en als het creëren van omstandigheden die de ontwikkeling van het kind gunstig beïnvloeden. Belangrijk aangrijpingspunt voor het voorkomen van recidieven, en dus ook van behandeling, vormt de uitkomst van de risicotaxatie (hier wordt uitgebreid op in gegaan in het hoofdstuk Diagnostiek).
Binnen de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie zijn interventies vaak gericht op voorkomen van delictgedrag. Dit thema richt zich juist op behandeling van psychiatrische stoornissen in engere zin binnen een justitieel kader. De behandelbehoefte is vaak groter dan slechts de behandeling van de gedragsstoornis. Binnen het forensische veld wordt daarom een combinatiebehandeling aangeboden: behandelen van zowel de gedragsstoornis, de eventuele onderliggende psychiatrische stoornis als een systeeminterventie (gezin, werk en school). Daarbij dient er steeds gestreefd te worden naar de minst ingrijpende interventie, indien nodig kan vervolgens alsnog een behandeling gestart worden met een meer gedwongen en meer gesloten karakter (bijvoorbeeld residentiële behandeling).
Zoals reeds in de inleiding besproken is, richt dit thema zich op drie groepen jongeren in het forensische veld: jongeren met grensoverschrijdend gedrag die op ‘vrijwillige basis’ een behandeling aangaan, jongeren vanaf 12 jaar met een civielrechtelijke maatregel, (OTS en/of gesloten uithuisplaatsing) en jongeren met een strafrechtelijke maatregel. Per groep zijn er verschillende behandeltrajecten mogelijk afhankelijk van de problematiek, de opdrachtgever en de wet waarbinnen de zorg wordt verleend. De zorg kan geleverd worden in een ambulante setting, middels dagbehandeling of residentieel. Tot slot kan gekozen worden voor een behandelsetting in het forensische veld of in de reguliere jeugd GGZ. Voor een overzicht van de verschillende groepen, behandelsettings en juridische kaders klik hier (hier komt binnenkort een stroomdiagram!).
Voor behandeling van de psychiatrische stoornis in engere zin wordt verwezen naar de desbetreffende thema’s op onze website. Omdat psychopathie niet als apart thema op onze website besproken wordt, zullen kort de behandelopties bij jongeren met psychopathische kenmerken in het hoofdstuk ‘Protocollaire psychologische behandelvormen’ besproken worden. In het hoofdstuk ‘Medicatie’ van dit thema is een protocol opgenomen, gericht op medicatie bij bestrijding van agressie als symptoom. De medicamenten die in dit protocol genoemd worden staan ook in ons formularium.
Het Landelijk Kenniscentrum neemt de ervaringskennis van ouders (en patiënten) mee in haar protocollen. Ouders met kinderen die behandeld zijn binnen de forensische jeugdpsychiatrie merken het volgende op:
Ouders voelen zich vaak te veel buitenspel staan. Zij willen als gelijkwaardige gesprekspartner van professionals optreden en zijn ervaringsdeskundige ten aanzien van hun zoon of dochter. In verband met algemene onbekendheid met het forensische en jeugdpsychiatrische veld is een duidelijke en volledige voorlichting van groot belang over procedures en inhoud van diagnostiek en behandeling. Ouders stellen prijs op een regelmatig contact met de verantwoordelijke professionals, waarin ouders op de hoogte gebracht worden van wijzigingen in het behandelpan. Ouders maken zich zorgen over het ontbreken van intensieve nazorg, en hebben baat bij regelmatige evaluaties.
Ouders geven aan dat zij meer informatie en steun zouden willen hebben indien hun zoon of dochter inmiddels meerderjarig is en hulp weigert.
Abram KM, Teplin LA, McClelland GM, Dulcan MK. (2003). Comorbid psychiatric disorders in youth in juvenile detention. Arch Gen Psychiatry; 60(11): 1097-108
Colins O, Vermeiren R, Vreugdenhil C, van den Brink W, Doreleijers T, Broekaert E. (2010). Psychiatric disorders in detained male adolescents: a systematic literature review. Can J Psychiatry; 55(4): 255-63
Fazel S, Doll H, Långström N. (2008). Mental disorders among adolescents in juvenile detention and correctional facilities: a systematic review and metaregression analysis of 25 surveys. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry; 47(9): 1010-9. Review
Knorth EJ, Eldering L. (1998). Immigrant adolescents in residential group care and treatment settings: Research and experience in the Netherlands. Child and Youth Care Forum; 27: 237-258.
Vermeiren R. (2003). Psychopathology and delinquency in adolescents: a descriptive and developmental perspective. Clin Psychol Rev; 23(2): 277-318. Review
Vreugdenhil C, Doreleijers TA, Vermeiren R, Wouters LF, van den Brink W. (2004). Psychiatric disorders in a representative sample of incarcerated boys in the Netherlands. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry; 43(1): 97-104
Vollebergh WAM. (2003). Gemiste kansen, Culturele diversiteit in de jeugdzorg. Kind en Adolescent; 24: 209-221




