Professionals

Mail uw kennis door!

Wat is Trauma en Kindermishandeling?

Laatste update: 08-04-2011
Meewerkende experts: Werkgroep Trauma en Kindermishandeling

In 2008 is de werkgroep  “Trauma en Kindermishandeling” van start gegaan  met als doel systematische bestudering van het onderwerp  binnen het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Eerste concrete doel was alle aanwezig hulpaanbod in kaart te brengen en toegankelijk te maken middels deze website. Dit bleek geen sinecure. Uiteenlopende organisaties, werkgroepen en verenigingen bleken actief op hun eigen deelgebied met betrekking tot trauma en kindermishandeling, waarbij het moeilijk leek samenhang te vinden vanuit zowel het perspectief van de hulpzoekende als dat van de hulpverlener. Waar aan te kloppen met een vraag? Wie heeft het overzicht,  laat staan de regie?

Trauma en kindermishandeling hebben de laatste jaren meer aandacht en geld , hoewel beperkt, gekregen vanuit de politiek. Het draagvlak in de samenleving om  verantwoordelijkheid te dragen in geval van trauma en kindermishandeling is dan ook groeiende (Baartman, H. , 2005).

Deze aandacht is mede ingegeven door  een aantal calamiteiten die hadden plaats gevonden met desastreuze gevolgen, zoals de Bijlmerramp (2000). In 2007 verscheen zodoende de richtlijn “vroegtijdige psychosociale interventies na rampen, terrorisme en andere schokkende gebeurtenissen” die poogt de chaos inherent aan een ramp te kaderen en functioneel hanteerbaar te maken voor uiteenlopende beroepsgroepen. Daarnaast omarmde het Programmaministerie voor Jeugd en Gezin  het  Reflectie en Actie Aanpak Kindermishandeling (RAAK) initiatief, een stichting in 2000 opgericht door wijlen psychiater Andries van Dantzig (o. a .J. Hermanns (2009)). Ook liet de overheid twee studies  uitvoeren naar  feiten en cijfers betreffende kindermishandeling De Nationale Prevalentiestudie Kindermishandeling (NPM-2005; M. van IJzendoorn, e.a. 2007), Universiteit Leiden en de studie Scholieren over Mishandeling (SOM), Vrije Universiteit te Amsterdam (F. Lamers-Winkelman, e.a.  2007) (zie tabel 1). Het bedrag dat hiermee gemoeid was bedroeg slechts 60.000 euro hetgeen in schril contrast staat tot de 10 miljoen euro die zojuist is uitgetrokken voor het bestrijden van ouderenmishandeling. Ook nodig maar toch.  Wel is er een nieuwe groter opgezette prevalentiestudie onderweg.

Inmiddels is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in de Tweede Kamer besproken waarin het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat 13 januari 2011 verscheen aanleiding was tot een oplaaien van de discussie meldrecht versus meldplicht. De werkgroep heeft daarop gereageerd met een brief aan de staatssecretaris en een artikel in Medisch Contact (18 februari j.l.) en actief de kamerdebatten en lobby via de NVvP en KNMG gevolgd. In de werkgroep implementatie meldcode kindermishandeling hebben we een aandeel en kunnen we onze ideeën over hoe om te gaan met kindermishandeling concreet vormgeven in de handreiking voor psychiaters KNMG meldcode kindermishandeling. Deze handreiking komt hopelijk deze zomer beschikbaar voor de beroepsgroep en zal dan geïmplementeerd worden. Uit de stemming van de Tweede Kamer m.b.t. de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen is namelijk gekomen dat de meldcode kindermishandeling verplicht wordt. Daarnaast is het amendement Kooiman Van Toorenburg aangenomen dat o.a. spreekplicht richting gezinsvoogden beoogt, hetgeen betekent dat ook wij psychiaters op verzoek van een gezinsvoogd informatie zullen moeten geven. Omdat dat o.i. (en de KNMG en NVvP maken zich daar samen hard voor) het medisch beroepsgeheim in het gedrang brengt, zal nog samen met VWS geprobeerd worden de schade te beperken door uitzonderingen te formuleren. Ten slotte is de werkgroep n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam gestart met het nadenken over een protocol en het doen van een literatuur onderzoek naar seksueel misbruik bij (jonge) kinderen om bij te kunnen dragen aan het adequaat omgaan van hulpverlening met dergelijke grootschalige calamiteiten.

Binnen de psychiatrie leidt de bewustwording van het belang van adequate preventie, goede risicosignalering en diagnostiek en effectieve behandeling van trauma en kindermishandeling, hoewel nog mondjesmaat, tot implementatie van steeds meer traumaspecifieke zorg voor zowel kinderen als volwassenen, zoals bijvoorbeeld het  Landelijk Centrum voor Vroegkinderlijke Traumatisering (LCVT) www.lcvt.nl  , samenwerking tussen de vier psychotraumacentra voor kinder- en jeugdpsychiatrie en  de oprichting van Top GGZ-psychotraumacentra  (Stichting Topklinische GGZ  www.topggz.nl ) beogen. Het wetenschappelijk onderzoek naar trauma en kindermishandeling staat nog in de kinderschoenen, maar vooral de huidige mogelijkheden van geavanceerd neuroimaging en DNA onderzoek bieden een hoopvol toekomstperspectief op verbeterde diagnostiek en behandeling. Het is de uitdaging aan wetenschappers en clinici om ook de programma’s die nu slechts theoretisch onderbouwd en veelbelovend zijn verder te ontwikkelen en te onderzoeken zodanig dat ze in de loop van de toekomst stijgen in hun mate van evidentie.

Niet alle psychiaters, kinder- en jeugdpsychiaters, GZ-, klinisch psychologen en psychotherapeuten zijn echter werkzaam onder de vlag van een dergelijk traumaspecifiek zorgprogramma. Ook voor hen zijn een overzicht van en inzicht in preventie, risicosignalering en diagnostiek en behandeling van groot belang om adequaat te kunnen handelen in de dagelijkse perifere praktijk.

Daarbij is het van belang zich te realiseren dat de definitie van trauma en kindermishandeling, laat staan een professionele  visie er op, niet eenduidig zijn gedefinieerd (o.a. H. Baartman, 2009; P. Baeten & J. Willems (2009); zie box 1). Het vergt systematisch verzamelde en vroegtijdige  informatie over de gezinssituatie en afweging van risico- en beschermende factoren volgens het model van NIZW (zie figuur 1)  om bijvoorbeeld  te kunnen bepalen of er sprake is van kindermishandeling. En uiteindelijk is het niet de definitie die het zwaarst weegt. De zorgen om het kind zijn reden voor actie. Ook als er geen sprake is van kindermishandeling, maar bijvoorbeeld wel van ernstige opvoedingsproblemen, verdienen het kind en zijn ouders steun en hulp (zie VN-Verdrag inzake de rechten van het kind). Inmiddels staan een aantal meldcodes tot onze beschikking om onze afwegingen zo zorgvuldig mogelijk te kunnen maken: GGZ meldcode kindermishandeling (2007),  CBO richtlijn Familiaal Huiselijk Geweld (2009), De KNMG meldcode kindermishandeling  (2008); de laatste wordt op dit moment aangepast voor gebruik door psychiaters, of die nu met volwassenen, jeugdigen of ouderen werken (werkgroep  meldcode kindermishandeling NVvP, 2010).  

Wij kwamen als werkgroep tot de conclusie dat trauma en kindermishandeling in brede zin gedefinieerd het meest de nare werkelijkheid benadert. Daarbij komt in het groeiende hulpaanbod steeds meer naar voren dat zowel individuele als groepshulpverlening soelaas kan bieden en dat een multidisciplinaire, instellingen overstijgende aanpak, die vanuit de overheid bestuurlijk,  logistiek en financieel ondersteund wordt en zowel slachtoffers, daders als overige betrokkenen includeert (“trauma /abuse focused”), de voorkeur verdient en de meeste kans van slagen heeft. Daarnaast zijn preventieve programma’s, deels vanuit de overheid en deels vanuit particuliere initiatieven gestart (RAAK, Voorzorg) onontbeerlijk om op termijn het vóorkomen van met name kindermishandeling te kunnen terugbrengen.

Trauma’s hebben inmiddels een bespreekbare plek in de samenleving gevonden. Bespreking van kindermishandeling ligt echter nog gedeeltelijk in de taboesfeer. Het bespreekbaar maken van dit onderwerp op een constructieve manier  is dan ook een eerste vereiste voor samenleving en diverse beroepsgroepen die met kinderen en hun ouders  cq. volwassenen werken. Het diagnosticeren van de verschillende vormen van kindermishandeling vergt een gedegen studie en vooropleiding. Net zoals suicidaliteit moet worden beoordeeld door een psychiater, kan deze ook de veiligheid en impact van een psychiatrische stoornis leren beoordelen in relatie tot de patiënt en diens directe omgeving: de ouders dan wel kinderen.

Dit vergt een omslag in denken waarbij de GGZ professional, met name de psychiater, niet reactief, maar vooral proactief kindermishandeling dan wel familiaal huiselijk geweld in het vormen van zijn of haar differentiaal diagnose overweegt, uitvraagt en naar bevindingen handelt. Het vergt dat  de psychiater  trauma en kindermishandeling wil includeren binnen het werkveld van de psychiatrie, in plaats van het uit te besteden aan andere professionals zoals AMK, Bureau Jeugdzorg, jeugdarts of de huisarts. Het vergt inclusie van het thema binnen de opleiding tot arts, psycholoog, dan wel binnen de specialisatie tot GZ of klinisch psycholoog, psychotherapeut en psychiater al dan niet in de( kinder- en jeugd)psychiatrie.

Zijn wij daartoe bereid?

Concreet hebben wij het volgende overzicht samengesteld:

Wij hopen van harte dat dit overzicht bijdraagt aan verlichting van  de taak van de hulpverlener in geval van trauma en kindermishandeling en adequate zorg oplevert voor hen die dit nodig hebben.

Amsterdam, april 2010 
Werkgroep Trauma en Kindermishandeling,

Marie-José van Hoof (voorzitter)
Dr. Alfons Crijnen, dr. Ramón Lindauer, Marcel Schmeets,  Linda Vogtländer

 Naar boven

Referenties

H. E.M. Baartman (2005) Kindermishandeling: de politiek een zorg. SWP Uitgeverij bv., Amsterdam

H. E.M. Baartman (2009) Het begrip kindermishandeling: een pleidooi voor een herbezinning en voor bezonnen beleid. SWP Uitgeverij bv. Amsterdam

P. Baeten & J. Willems (2009). De maat van kindermishandeling. Meldcode en criteria van kindermishandeling. 3e druk Uitgeverij SWP bv, Amsterdam.

J. Hermanns (2009) Het bestrijden van kindermishandeling. Een aanpak die werkt. NJI uitgave

Van Hoof MJ & Vogtländer L (2011). Voor kind is meldrecht beter dan meldplicht. Medisch Contact 66(7): 394-396.

F. Lamers-Winkelman,  e.a. (2007)  Scholieren Over Mishandeling. Resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Vrije Universiteit/PI Research, Amsterdam/Duivendrecht.

M.H. van IJzendoorn e.a. (2007)De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (NPM-2005). Leiden Universiteit. Casimir Publishers. 

Naar boven

Tabel 1

 

De NPM-2005 schat de omvang van kindermishandeling op 107.200 gevallen. De prevalentie voor 2005 is daarmee ongeveer 30 gevallen van kindermishandeling op iedere 1.000 kinderen De meerderheid van de gevallen betreft vormen van verwaarlozing, te weten fysieke en emotionele verwaarlozing en verwaarlozing van het onderwijs. De schatting van het aantal slachtoffers van seksuele mishandeling is ruim 4.700 gevallen. Fysieke mishandeling komt in ruim 19.000 gevallen voor. 

De SOM schat de omvang van kindermishandeling op 160.700 gevallen in deze leeftijdsgroep. In de afgelopen twaalf maanden bleek bijna twintig procent van de jongeren ervaring te hebben gehad met een vorm van kindermishandeling. Ruim eenderde van de jongeren geeft aan ooit kindermishandeling te hebben meegemaakt in de vorm van ernstige psychologische agressie van ouders, fysiek geweld binnenshuis, waargenomen fysieke conflicten tussen ouders, seksueel misbruik en/of ernstige verwaarlozing. Eén op de vijftien jongeren is in het afgelopen jaar slachtoffer geweest van een combinatie van verschillende vormen van kindermishandeling. Uit de SOM blijkt verder dat psychologische agressie van ouders en fysiek geweld binnenshuis de meest gemelde categorieën van kindermishandeling zijn. 

“Familiaal Huiselijk Geweld wordt sinds 2003 door het AMK geregistreerd. Hoewel exacte cijfers ontbreken, wordt geschat dat per jaar ongeveer 360.000 kinderen één of meer malen thuis het slachtoffer zijn van ernstig fysiek geweld. Per jaar wordt ongeveer 34.000 maal contact opgenomen met een AMK omdat er (ernstige) vermoedens van kindermishandeling zijn (Baartman, 2005).

Volgens het Ministerie van Justitie (2005) worden per jaar 56.000 incidenten van Huiselijk Geweld in de politie dossiers opgenomen, hetgeen 12% is van de werkelijke gevallen. Het Ministerie meldt verder dat per jaar ongeveer 100.000 kinderen getuige zijn van het Huiselijk Geweld, en dat van die kind-getuigen er 40.000 het risico lopen gedrags- en/of emotionele problemen te ontwikkelen.Jaarlijks overlijden ongeveer 40 tot 50 kinderen aan de gevolgen van mishandeling (Kuyvenhoven, Hekkink, & Voorn, 1998). Deze schattingen zijn naar alle waarschijnlijkheid aan de lage kant, er worden meer kinderen mishandeld dan er worden gemeld, en ook maar een deel van de gevallen van Huiselijk Geweld wordt gemeld. En naar alle waarschijnlijkheid overlijden er per jaar meer kinderen aan kindermishandeling, en zijn er gevallen die ten onrechte als natuurlijke dood zijn geduid”(citaat uit oratie Francien Lamers-Winkelman, 2006, pagina 2).

 

Naar boven

Box 1

 

Volgens de definitie in de Wet op de jeugdzorg die sinds 1 januari 2005 van kracht is, omvat kindermishandeling 'elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel'. Het gaat daarbij om seksuele, fysieke, emotionele/psychische mishandeling, fysieke, emotionele/psychische verwaarlozing dan wel getuige zijn van partnergeweld.

 

Naar boven

Figuur 1

Schema balans risicofactoren en beschermende factoren.

Naar boven

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: