OVERGENOMEN VAN RICHTLIJN ADDENDUM DEPRESSIE BIJ JEUGD TRIMBOS 2009
Laatste update: 17-02-2010
Meewerkende experts: C.G. Reichart, F. Boer
> Samenvatting
> Algemeen
> SSRI’s
> TCA’s
> Overige middelen
> Literatuur
Aanbevelingen
- De werkgroep van het addendum beveelt aan om in de behandeling van depressies bij kinderen en adolescenten voortdurend de gevaren van de stoornis (risico op geslaagde suïcide, langdurige uitval van functioneren op sociaal, emotioneel en cognitief gebied) af te wegen tegen de risico’s van de behandeling (met name risico op toename van suïcidale gedachten bij behandeling met SSRI’s) en de beschikbaarheid van psychotherapie.
- Gezien de risico’s en mogelijke bijwerkingen dient medicatie niet als eerste stap te worden voorgeschreven in de behandeling van kinderen en adolescenten met lichte of matige depressies.
- Bij ernstige depressies bij kinderen ouder dan 8 jaar kan fluoxetine als eerste stap in de behandeling overwogen worden. Bij ernstige depressies is echter de voorkeursbehandeling om CGT te combineren met medicatie (fluoxetine) om een sneller resultaat te verkrijgen . Voorschrijven van fluoxetine dient altijd gecombineerd te worden met psycho-educatie en psychologische begeleiding.
- De werkgroep ontraadt het voorschrijven van TCA’s bij kinderen en jongeren met een depressie omdat ze niet effectief zijn en aanzienlijke bijwerkingen kunnen hebben.
- Het voorschrijven van venlafaxine en mirtazepine bij kinderen en adolescenten met een depressie wordt ontraden.
M.b.t. Voorschrijf instructies en monitoring
- Bij het voorschrijven van medicatie bij kinderen en jongeren met een depressie dient zorgvuldige informatie te worden gegeven over de reden voor de medicatie, over de tijd die het duurt voordat therapeutische effecten zichtbaar worden, de mogelijke bijwerkingen inclusief mogelijke toename van suïcidale gedachten en handelingen, het risico op terugval bij afbouwen van medicatie (ongeveer 60% terugval wanneer na een behandeling met fluoxetine een placebo werd gegeven) en over het belang van een goede therapietrouw.
- Tevens moet informatie gegeven worden over het risico van terugval bij het stoppen van medicatie. Vooral in het begin van de behandeling dient frequente, wekelijkse controle plaats te vinden van mogelijke suïcidale gedachten, intenties en handelingen. SSRI’s bij kinderen en jongeren dienen alleen te worden voorgeschreven door een kinder- en jeugdpsychiater. De patiënt en zijn ouders/verzorgers dienen te worden geïnstrueerd om contact op te nemen met de behandelend arts bij het later optreden of onvoldoende verminderen van dit soort symptomen. Ouders/verzorgers en het kind of de adolescent dienen actief betrokken te worden bij het besluitvormingsproces inzake de behandelstrategie.
- Jeugdigen met ernstige depressies dienen wekelijks gezien te worden. Frequente monitoring is noodzakelijk.
- Bij het optreden van een klinische respons op fluoxetine wordt aangeraden gedurende tenminste 6 maanden de medicatie te continueren. De medicatie dient over een periode van 4-6 weken afgebouwd te worden. Hierbij dient altijd psychologische ondersteuning aangeboden te worden gezien het risico op terugval.
- Bij non-respons op behandeling met fluoxetine gedurende 12 weken dient overgegaan te worden op sertraline of citalopram, in combinatie met cognitieve gedragstherapie. Hierbij dient vastgesteld te worden dat er nog steeds sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie die medicamenteuze behandeling behoeft1 (TORDIA onderzoek, zie Brent, 2008).
- Wanneer bij een matig ernstige of ernstige depressie gestart is met cognitieve gedragstherapie of interpersoonlijke psychotherapie (IPT), dient, bij onvoldoende resultaat na 3 maanden, medicatie (fluoxetine) te worden overwogen. Hierbij dient vastgesteld te worden dat er nog steeds sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie die medicamenteuze behandeling behoeft.
M.b.t. Benodigd onderzoek
- Nader onderzoek is nodig naar de duur van de voortgezette behandeling bij respons op medicatie of CGT en IPT, en naar effectieve strategieën ter voorkoming van terugval.
- Onderzoek is nodig naar de verschillende behandelstrategieën waarbij psychologische interventies en medicatie met elkaar vergeleken worden, en naar de meest effectieve behandeling van depressies die optreden als eerste manifestatie van een bipolaire stoornis bij kinderen en adolescenten.
M.b.t. Overige behandelingen
- Gebruik van Sint Jans Kruid bij kinderen en adolescenten met een depressie wordt ontraden.
- De werkgroep is van mening dat omega-3 vetzuren als alternatief overwogen kunnen worden bij kinderen met een lichte tot een matig ernstige depressie, wanneer de ouders terughoudend zijn om te starten met psychologische interventies, of als aanvulling bij psychologische interventies.
Flowchart

> Vanaf 16 jaar, zie richtlijn depressie volwassenen
Beknopte omschrijving problematiek
Voor een omschrijving van de problematiek wordt doorverwezen naar de inleiding van depressie.
Plaatsbepaling psychofarmaca
De werkgroep van het addendum is van mening dat combinatietherapie van fluoxetine met CGT overwogen moet worden indien het van belang is een snelle klinische respons te bewerkstelligen en/of wanneer behandeling met alleen een SSRI aanleiding geeft tot duidelijke suïcidale ideaties.
Bij non-respons op behandeling met fluoxetine gedurende 12 weken dient overgegaan te worden op sertraline of citalopram, in combinatie met cognitieve gedragstherapie of interpersoonlijke therapie. Hierbij dient vastgesteld te worden dat er nog steeds sprake is van een matig ernstige tot ernstige depressie die medicamenteuze behandeling behoeft (TORDIA onderzoek, zie Brent, 2008).
Wanneer sprake is van een voorgezette behandeling met fluoxetine bij kinderen en jongeren die een klinische respons vertonen, dient overwogen te worden CGT toe te voegen aan de fluoxetine om het risico op terugval te reduceren.
Effectiviteit
De werkgroep van het addendum heeft de afzonderlijke RCT’s met fluoxetine bekeken (Emslie et al., 1997, 2002; TADS, 2004) en meent dat de bewijskracht van de studies voor de werkzaamheid van fluoxetine voldoende is. De twee relapse preventie studies (Emslie et 2004; Emslie et al, 2008) ondersteunen dit verder.
Er is weinig bekend over de kans op remissie en functioneel herstel bij behandeling van depressie met een SSRI. In de TADS studie hadden de meeste klinische responders nog functionele beperkingen en waren ze niet in remissie bij 12 weken behandeling (Vitiello et al., 2006; Kennard et al., 2006). De resultaten van verschillende onderzoeken naar de effectiviteit van venlafaxine zijn tegenstrijdig. Venlafaxine komt goed uit de bus als tweedelijns SSRI, gecombineerd met CGT, in het TORDIA onderzoek, maar blijkt in geen enkele meta-analyse afzonderlijk, dus zonder CGT, effectiever dan placebo. Daarnaast is het bijwerkingenprofiel van venlafaxine, inclusief het risico op suïcidaliteit, ongunstig (NICE Richtlijn, 2005). De fabrikant raadt af om venlafaxine en paroxetine voor te schrijven bij kinderen, zie het formularium. De NICE richtlijn beveelt sertraline of citalopram aan als tweedelijns SSRI’s bij kinderen en adolescenten met depressies. Hieronder worden belangrijke onderzoeken met betrekking tot de effectiviteit SSRI’s beschreven.
Over de effectiviteit en veiligheid van SSRI’s in vergelijking met een placebo in de behandeling van depressies bij jeugdigen zijn 7 systematische reviews verschenen (Hetrick 2008; Bridge 2007; Usula 2008; Tsapakis 2008; Dubicka 2007; Tauscher- Wisniewski 2007; Wohlfarth 2006), waarin voor een deel dezelfde studies zijn beschreven en geanalyseerd. We baseren ons primair op de Cochrane review die het meest uitvoerig is en methodologisch het beste onderbouwd (Hetrick 2008).
In deze Cochrane review zijn 12 RCT’s naar de effectiviteit van SSRI’s bij jeugdigen geïncludeerd (Hetrick 2008). De respons was iets hoger bij behandeling met SSRI’s (respons tussen de 40 en 70%) dan bij behandeling met placebo (respons tussen de 30 en 60%) (RR=1,28, 95% CI: 1,17-1,41). Fluoxetine was de enige SSRI waarbij consistent in 3 van de 4 beschreven RCT’s (Emslie 1997; Emslie 2002; TADS, 2004 en Simeon, 1990) en zowel bij kinderen als adolescenten een significante reductie van depressieve symptomen werd bereikt (RR=1,86 95%CI: 1,49-2,32). Het effect van fluoxetine lijkt bij kinderen iets groter (RR=2,43) dan bij adolescenten (RR=1,74). Er was ook significant vaker sprake van een klinische respons bij behandeling met fluoxetine dan met placebo. In de RCT van fluoxetine versus placebo (Emslie, 1997) waren er 22/48 uitvallers op placebo, tegen 14/48 op fluoxetine. Dit verschil werd vooral veroorzaakt door gebrek aan effectiviteit (placebo 19, fluoxetine 7). De NICE richtlijn voor depressie bij kinderen en jongeren concludeert eveneens dat fluoxetine de enige SSRI is met evidentie voor klinische effectiviteit over een brede range van uitkomstmaten (NICE, 2005).
De werkzaamheid van fluoxetine is ook onderzocht in de continueringfase van de behandeling ter voorkoming van terugval in twee dubbel-blinde placebogecontroleerde onderzoeken. Het eerste onderzoek is een vervolg op Emslie et al. (2002). Responders op fluoxetine (20, 40 of 60 mg) werden gerandomiseerd over voorgezette behandeling met fluoxetine (N=20) of vervolgbehandeling met placebo (N=20) van week 19 tot week 51 (Emslie et al., 2004). De geschatte terugval was 34% bij diegenen met voorgezette fluoxetine behandeling, tegen 60% bij de placebobehandeling (p < .05). De tijd tot terugval was significant langer bij de fluoxetine dan bij de placebobehandeling. Er waren geen verschillen in bijwerkingen tussen beide condities. In een tweede onafhankelijk onderzoek werden 102 responders op fluoxetine gerandomiseerd over voorgezette behandeling met fluoxetine (N=50) of voorgezette behandeling met placebo (Emslie et al., 2009). De terugval was 42,0 % in de fluoxetine groep tegen 69,2 % in de placebo groep (p < .05). De tijd tot terugval was significant korter in de placebo conditie. Er waren geen verschillen in bijwerkingen tussen beide groepen.
Voor de hele groep SSRI’s was sprake van een verhoogd risico op suïcidale gedachten of een suïcidepoging in vergelijking met placebo (RR=1,80 95%CI: 1,19 – 2,72). Voor fluoxetine was deze toename van suïcidale gedachten of suïcidepogingen niet significant (RR=1,55 95%CI: 0,77 – 3,11). Er zijn geen geslaagde suïcides gerapporteerd in deze RCT’s naar de effectiviteit van SSRI’s. Behandeling met SSRI’s leidde niet tot een significante verbetering van het algemeen functioneren, zoals vastgesteld met een CGAS of GAF schaal (Hetrick, 2008).
Er worden echter methodologische kanttekeningen geplaatst bij de RCT’s die in de systematische review geïncludeerd zijn. Vaak is niet goed beschreven hoe de blindering in de studies was en is niet nagegaan of de blindering succesvol was. In vergelijking met de klinische praktijk zijn in de RCT’s veelal patiënten met comorbiditeit en suïciderisico geëxcludeerd. Tot slot zijn zeer verschillende meetinstrumenten en uitkomsten gehanteerd in de afzonderlijke RCT’s.
In de reviews van Bridge (2007) en Usula (2008) zijn grotendeels dezelfde studies geïncludeerd als in de review van Hetrick (2008), maar zijn de methoden van de review en de meta-analyse minder uitvoerig beschreven dan in de review van Hetrick. Usula (2008) toonde aan dat de effectiviteit, uitgaande van de uitkomst in oorspronkelijke studies bij behandeling met SSRI’s beter was dan bij behandeling met placebo (OR=1,57 95%CI: 1,29 – 1,91). Het effect is groter bij de vergelijking tussen fluoxetine behandeling en placebo (OR=2,39 95%CI: 1,69-3,39).
In de systematische review van Bridge (2007) zijn 15 RCT’s opgenomen naar de effectiviteit van diverse antidepressiva bij kinderen en adolescenten met een depressieve stoornis. De gemiddelde respons bij SSRI’s was 61% versus 50% bij placebo (verschil 11 %, 95%CI: 7-15%). Bij kinderen was het verschil in de respons 7% (95%CI: -1 - 15%), bij adolescenten 13% (95%CI: 8 - 17%). Het percentage patiënten met suïcidale gedachten of een suïcidepoging was 3% in de SSRI groep en 2% in de placebogroep (verschil 1%, 95% CI: -1 - 2%).
Een andere recente meta-analyse omvat 12 RCT’s met een SSRI, maar maakt in de conclusies geen onderscheid tussen verschillende SSRI’s (Tsapakis et al., 2008). Het behandeleffect over alle SSRI’s ten opzichte van placebo was beperkt (RR 1,23, 95%CI 1,14-1,33, Number Needed to Treat 8,85).
Drie meta-analyses hebben alleen gekeken naar suïcidegerichte bijwerkingen van SSRI’s. Dubicka (2007) vond in de SSRI groep bij 4,8% van de patiënten een aan suïcide gerelateerde gebeurtenis, terwijl dit in de placebogroep bij 3,0% optrad (OR=1,7 95% CI: 1,13-2,54). In de review van Tauscher-Wisniewski (2007) zijn 5 RCT’s naar fluoxetine geanalyseerd. Hierbij werd gezocht naar agressiegerelateerde trefwoorden in beschikbare databases van alle placebo gecontroleerde met fluoxetine studies uitgevoerd door farmaceutisch bedrijf Eli Lilly. Bij het samennemen van alle categorieën van agressie werden geen verschillen gevonden in de frequentie van agressie tussen de fluoxetine (2,1%) en placebo (3,1%). In de meta-analyse van Wohlfarth (2006) werden 22 studies naar de effecten van SSRI’s en SNRI’s bij kinderen en adolescenten met een depressie of angststoornis geïncludeerd. Deze meta-analyse bevat weinig details over de afzonderlijke studies. Er werden geen geslaagde suïcides gerapporteerd. Het risico op suïcidale gedachten of suïcidepogingen was verhoogd bij zowel depressies (OR 1,67 95%CI 1,05-2,65) als bij angststoornissen (OR 1,33 95%CI 0,33-5,35). In de Treatment for Adolescents with Depression (TADS) studie zijn 77 adolescenten met depressie gedurende 36 weken behandeld met fluoxetine alleen, en 86 behandeld met fluoxetine in combinatie met cognitieve gedragstherapie (TADS team, 2007). Suïcidale ideatie en suïcidale handelingen traden vaker op bij fluoxetine monotherapie (14,7%) dan bij de combinatiebehandeling (8,4%) en bij alleen gedragstherapie (6,3%). Er waren geen geslaagde suïcides in deze trial.
De mate waarin SSRI’s verdragen worden en effectief zijn, kan verder worden afgeleid uit het aantal uitvallers van de RCT’s. In Emslie (2002) vielen 42/110 deelnemers uit die behandeld werden met placebo, tegen 19/109 die behandeld werden met fluoxetine (RR 1.34, p < .001). In het TADS onderzoek (2004, 2007) was het aantal uitvallers bij 12 weken voor placebo (23/111) en voor fluoxetine (18/109) ongeveer gelijk, evenals het aantal uitvallers bij 36 weken voor fluoxetine (54/109) en voor CGT (56/111). Informatie over het behandelbeleid bij jongeren met een depressieve stoornis waarbij behandeling (minimaal 8 weken) met een SSRI in eerste instantie onvoldoende resultaat oplevert wordt aangeleverd in het zogenaamde TORDIA onderzoek door Brent et al. (2008). In totaal nemen 334 jongeren aan de studie deel die at random worden verdeeld over 4 condities: het vervangen van de oude medicatie door venlafaxine (een serotonine en noradrenaline heropnameremmer; n=83), het vervangen van de oude medicatie door venlafaxine + cognitieve gedragstherapie (n=83), het vervangen van de oude medicatie door een andere SSRI (n=85) of het vervangen van de oude medicatie door een andere SSRI + cognitieve gedragstherapie (n=83). Uit de intention-to-treat analyse kwam naar voren dat de toevoeging van CGT leidde tot een significant groter aantal jongeren dat verbeterde (54,8% met CGT vs. 40,5% zonder CGT gemeten met CGI-I + CDRS-R). Er was geen sprake van een significant verschil tussen de medicatiegroepen onderling. Dezelfde resultaten werden gevonden met een completers-only analyse, ook een gevoeligheidsanalyse zonder de respondenten waarbij de blindering geschaad was leverde vergelijkbare resultaten. Er werden geen significante verschillen gevonden voor de tijd die nodig was voor een verbetering, zelfgerapporteerde depressieve klachten (BDI), algeheel functioneren en suïcidaliteit. Ook werd er geen verschil gevonden in incidenten (zelfbeschadiging, zelfmoordpogingen) en in de meeste bijwerkingen (venlafaxine veroorzaakte wel meer huiduitslag).
Belangrijke overwegingen van de werkgroep
- De hoge placeborespons en het geringe verschil in respons tussen placebo en medicatie geeft aan dat aspecifieke factoren (zoals het geven van goede uitleg, psycho-educatie, geven van hoop op herstel, goede therapeutische relatie, uitgebreide monitoring van symptomen) een grote rol spelen bij de respons op SSRI’s.
- Hierbij sluit aan dat er een groot verschil in effectiviteit bestaat tussen het effect van placebobehandeling en dat van een wachtlijstcontrolegroep. Placebo is effectiever dan een wachtlijstgroep. Het verschil tussen placebo en wachtlijst zijn de aspecifieke factoren.
- Alle resultaten van RCT’s zijn afkomstig uit strak opgezette algoritmisch uitgevoerde behandelingen met frequente afspraken, en zelfmonitoring, waarbij aspecifieke factoren belangrijk zijn. Dit kan betekenen dat de effecten van fluoxetine in de RCT’s een overschatting zijn ten opzichte van de resultaten in de doorsnee klinische praktijk.
Suïcidaliteit
- Toename van suïcidale gedachten, intenties en handelingen dient ook zonder gerapporteerde geslaagde suïcides als klinisch relevant te worden beschouwd, gezien de impact ervan op de persoon zelf en zijn of haar omgeving.
- Onder het begrip suïcidale ideatie vallen allerlei gedachten en ideeën over de dood en een einde aan je leven maken. Daarnaast echter vallen hier ook onder gedachten aan zelfbeschadiging en jezelf pijn doen. Het begrip suïcidale ideatie is daarmee opgerekt. Deze gedachten zijn in potentie ernstige signalen maar ze zijn niet per definitie ernstig.
- Een belangrijk medisch-ethisch principe is ‘geen schade doen’. Dat betekent dat behandelingen niet alleen geëvalueerd moeten worden in termen van hun therapeutische werkzaamheid, maar ook in termen van het potentieel schade toebrengen aan de patiënt.
- Het is onbekend hoe kinderen en jongeren met een depressie en verhoogd suïciderisico of met comorbide psychiatrische aandoeningen reageren op SSRI’s. Verhoogd risico op suïcidaliteit en aanwezigheid van comorbide stoornissen waren uitsluitingcriteria in de RCT’s.
- Tot 2003 is suïcidale ideatie en suïcidaal gedrag niet prospectief in de medicatiestudies meegenomen; baseline metingen ontbreken. De TADS is de enige studie die prospectief naar suïcidaliteit heeft gekeken. Hieruit bleek dat er in de fluoxetine-conditie niet zozeer een significante toename van suïcidale ideaties was, als wel minder afname ervan dan in de andere behandelcondities. De fluoxetinetoediening in combinatie met CGT vond in TADS niet dubbel-blind plaats. Dit is een methodologische beperking van TADS. De fluoxetinetoediening alleen en de placeboconditie zijn wel dubbel-blind uitgevoerd. De publicatie van Emslie (2002) vermeldt niet of dit onderzoek dubbel-blind is uitgevoerd. Omdat dit onderzoek samen met Emslie (1997) de basis vormde voor het registratiedossier van fluoxetine in zowel de USA als in Europa moet wel aangenomen worden dat Emslie (2002) dubbel-blind is uitgevoerd.
- De resultaten van de twee continueringstudies met fluoxetine sluiten aan bij de resultaten van soortgelijke studies bij volwassenen. In overeenstemming met de Multidisciplinaire Richtlijn voor de behandeling van depressies bij volwassenen dient bij het bereiken van een klinische response tenminste 6-9 maanden te worden doorbehandeld met medicatie. Afbouwen van de medicatie is op basis van de ernst van de depressie en beloop en dient geleidelijk te gebeuren, in een periode van 4-6 weken.
- Er is onvoldoende bekend over het effect van SSRI’s op het zich ontwikkelende brein.
- In ongeveer 30% van de gevallen is sprake van terugval van depressie binnen een periode van 5 jaar. Er zijn geen gegevens beschikbaar over effectieve strategieën ter preventie van relapse van depressie bij kinderen en adolescenten.
- Depressie bij kinderen en adolescenten kan de eerste manifestatie zijn van een bipolaire stoornis. Onderzoek naar de optimale behandeling hiervan ontbreekt.
- Fluoxetine is als enige SSRI in Nederland geregistreerd voor de behandeling van depressies vanaf de leeftijd van 8 jaar.
Effectiviteit
Een meta-analyse van 12 gerandomiseerde studies met TCA’s laat geen verschil in verbetering van symptoomscore zien tussen de behandelde groep en de placebogroep (effect size 0.35; 95%CI –0.16 – 0.86) (Hazell, 1995). Er werd evenmin verschil gevonden in het percentage patiënten bij wie een verbetering optrad (OR 1.08; 95%CI 0,53 – 2,17). In een recente meta-analyse van 14 RCT’s met TCA’s, die nagenoeg dezelfde RCT’s omvatte als Hazell (1995), werd eveneens geen significant behandeleffect gevonden (RR 1,15; 95%CI 0,98-1,34) (Tsapakis et al., 2008).
Belangrijke overwegingen van de werkgroep
Bijwerkingen
- TCA’s kunnen aanzienlijke bijwerkingen hebben zoals van anticholinerge aard (tachycardie, droge mond, obstipatie, mictieproblemen) en van antihistaminerge aard (sedatie, gewichtstoename).
- Bij overdosering zijn TCA’s cardiotoxisch door beïnvloeding van de hartgeleiding.
Effectiviteit
Lithium is onderzocht in 1 RCT bij 30 kinderen met een depressie en een positieve familieanamnese voor bipolaire stoornis (Geller et al., 1998). Er werd geen significant behandeleffect op depressie gevonden. Lithium behandeling was geassocieerd met meer bijwerkingen als braken. Mirtazapine is onderzocht in 2 RCT’s, en leidde niet tot een significant behandeleffect. De werkzaamheid van Sint Jans Kruid is niet onderzocht in RCT’s bij kinderen en adolescenten met depressie.
Een kleine RCT met omega-3 vetzuren bij 28 kinderen (6-12 jaar) met een depressie liet een significant behandeleffect zien ten opzichte van placebo (Nemets et al., 2006). Meta analyses over de effecten van omega-3 vetzuren (meestal als aanvulling) in de behandeling van depressies bij volwassenen vinden een significant behandeleffect, maar ook significante heterogeniteit tussen verschillende RCT’s die het trekken van conclusies bemoeilijkt (Lin & Su, 2007; Osher et al., 2006).
Belangrijke overwegingen
Gebruiksaspecten
- Sint Jans Kruid kan farmacologische interacties aangaan met diverse vormen van medicatie en kan zo de effectiviteit van deze middelen verhogen of verlagen. Sint Jans Kruid verhoogt ook het risico op ernstige bijwerkingen.
- Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de optimale dosering van omega-3 vetzuren en over de optimale behandelduur.
Voor de beschikbare evidence tabellen van de literatuur zie pagina 80 t/m 91 van de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie bij Jeugd, Addendum.
Brent D, Emslie G, Clarke G, Wagner KD, Asarnow JR, Keller M, Vitiello B, Ritz L, Iyengar S, Abebe K, Birmaher B, Ryan N, Kennard B, Hughes C, DeBar L, McCracken J, Strober M, Suddath R, Spirito A, Leonard H, Melhem N, Porta G, Onorta M, Zelazny J. (2008). The Journal Of The American Medical Association (JAMA); 299(8): 901-913
Bridge JA, Iyengar S, Salary CB, Barbe RP, Birmaher B, Pincus HA, Ren L, Brent DA. (2007). Clinical response and risk for reported suicidal ideation and suicide attempts in pediatric antidepressant treatment: a meta-analysis of randomized controlled trials. JAMA 18; 297(15): 1683-96
Cohen D, Paillere-Martinot ML, Basquin M. (1997). Use of electroconvulsive therapy in adolescents. Convulsive Therapy; 13(1): 25-31
Dubicka B, Hadley S, Roberts C. (2006). Suicidal behaviour in youths with depression treated with new-generation antidepressants: meta-analysis. Br J Psychiatry; 189: 393-398
Emslie GJ. (2009). Understanding placebo response in pediatric depression trails. The American Journal Of Psychiatry; 166(1): 1-3
Emslie GJ, Heiligenstein JH, Hoog SL, Wagner KD, Findling RL, McCracken JT, Nilsson ME, Jacobson JG. (2004). Journal Of The American Academy Of Child and Adolescent Psychiatry; 43(11): 1397-1405
Emslie GJ, Heiligenstein JH, Wagner KD, Hoog SL, Ernest DE, Brown E, Nilsson M, Jacobson JG. (2002). Fluoxetine for acute treatment of depresison in children and adolescents: a placebo-controlled, randomized clinical trial. Journal Of The American Academy Of Child and Adolescent Psychiatry; 41(10): 1205-1215
Geller B, Cooper TB, Zimerman B, Frazier J, Williams M, Heath J, Warner K. (1998). Journal Of Affective Disorders; 51(2): 165-175
Hazell P, O'Connell D, Heathcote D, Robertson J, Henry D. (1995). Efficacy 3141 of tricyclic drugs in treating child and adolescent depression: a meta-analysis. BMJ; 310(6984): 897-901
Hetrick S, Merry S, McKenzie J, Sindahl P, Proctor M. (2008). Selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs) for depressive disorders in children and adolescents. Cochrane Database Syst Rev; 18(3): CD004851
Kirsch I, Deacon BJ, Huedo-Medina TB, Scoboria A, Moore TJ, Johnson BT. (2008). Plos Medicine 5(2): e45
Lin PY, Su KP. (2007). A Meta-analytic review of double-blind, placebo-controlled trails of antidepressant efficacy of omega-3 fatty acids. The journal of Clinical Psychiatry; 68(7): 1056-1061
March JS, Silva S, Vitiello B, The TADS team. (2006). The treatment for adolescents with depression study (TADS): methods and message at 12 weeks. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry; 45(12): 1393-1403
Nemets H, Nemets B, Apter A, Bracha Z, Belmaker RH. (2006). Omega-3 Treatment of Childhood Depression: A controlled, double-blind pilot study. Am J Psychiatry; 163: 1098-1100
Osher Y, Belmaker RH, Nemets B. (2006). Clinical trials of PUFAs in depression: State of the art. The World Journal Of Biological Psychiatry. The Officials Journal Of The World Federation Of Societies Of Biological Psychiatry; 7(4): 223-230
NICE. (2005). Schizophrenia, Core interventions in the treatment and management of schizophrenia in adults in primary and second care. NICE clinical guideline 82.
Rey JM, Walter G. (1997). Half a century of ECT use in young people. Am J Psychiatry; 154(5): 595-602
Swedo SE, Allen AJ, Glod CA, Clark CH, Teicher MH, Richter D, Hoffman C, Hamburger SD, Dow S, Brown Ch, Rosenthal NE. (1997). Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry: A Controlled Trial of Light Therapy for the Treatment of Pediatric Seasonal Affective Disorder. American Academy of Child & Adolescent Psychiatry; 36(6): 816-821
Tauscher-Wisniewski S, Nilsson M, Caldwell C, Plewes J, Allen AJ. (2007). Meta-analysis of aggression and/or hostility-related events in children and adolescents treated with fluoxetine compared with placebo. J Child Adolesc. Psychopharmacol;17(5):713-718
Tsapakis EM, Soldani F, Tondo L, Baldessarini RJ. (2008). The Britisch Journal Of Mental Science; 193(1): 10-17
Usula T, Clavenna A, Zuddas A, Bonati M. (2008). Randomised controlled 3180 trials of selective serotonin reuptake inhibitors in treating depression in children and adolescents: a systematic review and meta-analysis. Eur Neuropsychopharmacol;18(1): 62-73
Wohlfarth TD, van Zwieten BJ, Lekkerkerker FJ, Gispen-de Wied CC, Ruis JR, Elferink AJ, Storosum JG. (2006). Antidepressants use in children and adolescents and the risk of suicide. Eur Neuropsychopharmacol; 16(2): 79-83
Weersing VR, Brent DA. (2003). Cognitive behavioral therapy for adolescent depression. In: Kazdin AE, Weisz JR, eds. Evidence-based psychotherapies for children and adolescents. New York: Guilford Press: 135-147




