Professionals

Mail uw kennis door!

Informatie uit artikelen over bijwerkingen antipsychotica

 

In de RCT van Haas et al 2009 had in de groep met de hoge dosis risperidon 74% bijwerkingen en stopte 4% de behandeling vanwege bijwerkingen, en had in de groep met de lage dosis risperidon 65% bijwerkingen en stopte 3% de behandeling vanwege bijwerkingen. Het lage uitvalpercentage geeft een goede tolerantie aan. De gemiddelde lichaamsgewichtstoename was 3,2 kg bij de hoge dosis en 1,7 kg bij de lage dosis. Vergeleken met open-label studies wordt de toename beschreven als matig. De auteurs concludeerden dat beide doseringen goed getolereerd werden qua bijwerkingen en gewichtstoename. De studieperiode bedroeg 8 weken met vooraf een wash-out periode van 1 week, dit is relatief kort voor de beoordeling van de veiligheid en tolerantie.

Uit de systematische review van Madaan et al 2009 blijkt dat de veiligheid en tolerantie van de risperidon behandeling goed genoeg is voor de behandeling van schizofrenie bij adolescenten. Desalniettemin menen de auteurs dat er meer onderzoek nodig is naar de lange-termijn effecten.

In de studie van Kryzhanavskaya et al 2009 werden hogere baseline-endline verschillen geobserveerd voor lichaamsgewicht, triglyceriden, urinezuur, lever functie testen, prolactine tijdens de olanzapine-behandeling vergeleken met placebo. Deze waren vergelijkbaar met studies bij volwassenen, maar voor lichaamsgewicht en prolactine lijken de toenames groter. Goede monitoring is daarom noodzakelijk en voor de wijze waarop dergelijke monitoring zou moeten plaatsvinden is meer onderzoek nodig.

Uit de systematische review van Fremaux et al 2007 blijkt dat de meest optredende bijwerking gewichtstoename was, en dat trad vaker op dan bij volwassenen. De gewichtstoename was groter bij een olanzapine behandeling dan bij behandelingen met risperidon of haloperidol.

In de placebogroep en de behandelingsgroepen 10 mg en 30 mg aripriprazol in de RCT van Findling et al 2008a, waren de veranderingen in lichaamsgewicht respectievelijk gemiddeld  -0,8, 0,0 en 0,2 kg en in prolactine levels  respectievelijk gemiddeld -8,45, -11,93 en -15,14 ng/ml. Bijwerkingen traden op bij 5% in beide behandelingsgroepen. De prevalentie van extrapiramidale bijwerkingen, slaperigheid en tremor was twee keer zo hoog in de behandelingsgroepen dan in de placebo groep.

In de systematische review van Corell et al 2007 is de incidentie van tardieve dyskinesie (TD) bij gebruik van tweede generatie antipsychotica voor de behandeling van verschillende psychiatrische aandoeningen onderzocht in studies waarin de duur van de behandeling minstens 11 maanden was. In totaal werden 10 studies geselecteerd (n=783), waarvan 2 voor schizofrenie (n=26) en 3 voor bipolaire aandoeningen (n= 52). Dit waren allen open label studies. De incidentie van TD was voor alle studies 0,3-0,5% per jaar. Dit was lager dan vergelijkbare studies onder volwassenen. In de kleine open-label studies met schizofrenie en bipolaire aandoeningen werden geen cases van TD gevonden.

In de studie van Kumra et al 2007 waren in totaal 5 ernstige bijwerkingen gemeld (clozapine en olanzapine). In beide groepen werden significante gewichtstoename en metabole veranderingen gerapporteerd. De ontwikkeling van interventies om deze bijwerkingen te beperkingen wordt geadviseerd.

Bijwerkingen als slaperigheid en neutropenie waren significant meer aanwezig in de clozapine groep ivm de haloperidol groep in de review van Kennedy et al 2007 (respectievelijk RR 3,30 BI 1,23-9,85 and RR 12,0 BI 0,75-192,86).

Clozapine, olanzapine en risperidon leidden tot bijwerkingen, met name de toename van lichaamsgewicht is een belangrijk probleem. De verschillende bijwerkingen worden apart besproken in de review van  Masi et al. 2006, samen met strategieën voor management.

Uit de studie van Armenteros et al 2006 blijkt dat de gemiddelde gewichtstoename voor klassiek medicijnen 1,4 kg was en voor atypische medicijnen 4,5 kg. Sedatie kwam vaker voor bij het gebruik van atypische medicijnen, de prevalentie cijfers voor extrapiramidale bijwerkingen waren gelijk in beide groepen.

Informatie uit artikelen over effectiviteit antipsychotica

 

De RCT van Haas et al 2009, is een trial die twee verschillende doses risperidon vergelijkt op effectiviteit en veiligheid. Het is een goed opgezette trial met een adequate power (n=257). De hoge dosering risperidon (1.5-6 mg/dag) had in vergelijking met de lage dosis (0,15-0,6mg/dag) een betere effectiviteit in de PANSS score voor de behandeling van schizofrenie patiënten bij adolescenten tussen de 13 en 17 jaar. De PANSS score effect size van de hoge dosering bedroeg 0.49 (P<0.001) ten opzichte van de lage dosering.

De systematische review van Madaan et al 2009 is een review over effectiviteits studies van risperidon in adolescenten met schizofrenie. Deze studie laat het bewijs zien voor de goedkeuring van risperidon gebruik bij adolescenten voor schizofrenie door de FDA (Food Drug Administration). Drie dubbelblind studies vormen het bewijs voor deze goedkeuring en er zijn ook nog 5 open-label studies en 1 retrospectieve studie opgenomen. De studies van Haas et al 2007, Pandina et al 2007 en Sikich et al 2004 zijn de drie dubbelblind studies (n=489). In alle drie de studies is de effectiveit van de risperidon behandeling volgens goed genoeg voor de behandeling van schizofrenie bij adolescenten.

De studie van Kryzhanavskaya et al 2009 is een goed opgezette RCT die flexibele doseringen van olanzapine vergelijkt met een placebo op effectiviteit en tolerantie. De 6 weken durende RCT bestond uit randomisatie van 2:1 met 72 patiënten in de olanzapine groep en 35 patiënten in de placebo groep. Meer patiënten in de olanzapine groep completeerden de studie vergeleken met de placebo groep, respectievelijk 68% vs 43%. Voor de uitkomstmaten voor effectiviteit kwam de olanzapine-behandelingsgroep er significant beter uit vergeleken met de placebo groep.

De systematische review van Fremaux et al 2007 beschrijft het gebruik van olanzapine bij kinderen met psychiatrische aandoeningen (niet alleen met de diagnose schizofrenie). Voor therapieresistente schizofrenie bij kinderen werden 2 open-label studies gevonden en 1 case report (totaal n=19). Drie van de 19 rapporteerden een significant verbetering door de behandeling met olanzapine. Voor kinderen met een eerste episode van schizofrenie werden 2 open-label studies gevonden (totaal n=34). Van de deelnemers lieten 27 van de 34 deelnemers een significante verbetering zien. Met betrekking tot adolescenten werden 5 studies gevonden, 4 open-label en 1 dubbel blind trial. In de open label studies was de respons op olanzapine, en ook voor risperidon en haloperidol goed. Olanzapine en risperidon leidden tot een betere respons dan haloperidol. De dubbel blind studie met 263 volwassenen en adolescenten bevestigde de superioriteit van olanzapine boven haloperidol voor een langere periode van 12 weken. Over het algemeen waren de resultaten over de effectiviteit van olanzapine ten opzichte van haloperidol wisselend, vergeleken met risperidon bleek olanzapine even effectief te zijn voor de behandeling van schizofrenie bij kinderen en adolescenten. De meest optredende bijwerking was gewichtstoename, en dat trad vaker bij kinderen op dan bij volwassenen. De gewichtstoename was groter bij een olanzapine behandeling dan bij behandelingen met risperidon of haloperidol.

De RCT van Findling et al 2008a is een goed opgezette trial die twee verschillende doses aripiprazol vergelijkt met een placebo in adolescenten met de diagnose schizofrenie. De 6 weken durende RCT had een randomisatie van 1:1:1 met 100 patiënten in de aripiprazol groep 10 mg groep, 102 patiënten in de aripiprazol groep 30 mg groep en 100 patiënten in de placebo groep. Voor beide behandelingsgroepen was er een significante daling in de PANSS score ten opzichte van de placebo behandeling.

Kumra et al 2007, onderzocht clozapine en hoge dosis olanzapine in een 12 weken durende dubbelblind vergelijkende studie onder 39 adolescenten met schizofrenie diagnose.  De belangrijkste uitkomstmaat was respons (verbetering), gedefinieerd als verlaging van tenminste 30% van de BPRS score en verbetering van 1 of 2 van CGI-score. Significant meer participanten uit de clozapine groep (66%) voldeden aan de respons criteria vergeleken met de olanzapine groep (33%).

De Cochrane review van Kennedy et al 2007 is een uitgebreide systematische review die alle RCT’s over antipsychotica bij childhood onset schizophrenia heeft onderzocht. Dataverzameling en -analyse gebeurde volgens strenge richtlijnen. Zes relevante trials zijn geselecteerd in de periode 1970-2006. Drie categorieën trials werden geïdentificeerd: atypisch vs. klassiek, atypisch vs. atypisch (Shaw 2006, hieronder apart besproken) en klassiek vs. klassiek. De belangrijkste uitkomstmaten waren klinische respons en bijwerkingen. Alleen voor de vergelijking clozapine versus haloperidol is een significant verschil gevonden. Clozapine bleek een betere behandeling voor resistant childhood-onset schizophrenia (n=21) vergeleken met haloperidol.

De dubbelblind gerandomiseerde clozapine-olanzapine vergelijkende studie van Shaw et al 2006 is een goed opgezette studie onder kinderen tussen 7-16 jaar met childhood-onset schizofrenie en resistentie voor minstens twee antipsychotica. Van de clozapine groep (n=12) en de olanzapine groep (n=13) completeerden iedereen, behalve 1 deelnemer, de 8 weken durende trial. Daarna was er nog twee jaar een open-label follow-up met 15 patiënten die clozapine gebruikten. In de clozapine groep was een significante verbetering in de uitkomstmaten voor de effectiviteit geconstateerd, voor olanzapine was het profiel voor klinische verbetering minder consistent. Bij de twee jaar open-label follow-up studie bleef de klinische verbetering van de behandelingen overeind maar werden de bijwerkingen van de clozapine behandeling erger.

Jensen et al 2007 voerde een systematische review uit om alle artikelen van 1994-2006 te identificeren over atypische antipsychotica in psychiatrische aandoeningen bij kinderen en adolescenten. In totaal werden 19 dubbelblinde studies en 22 open-label studies gevonden, waarvan 6 specifiek voor psychoses, waaronder schizofrenie. Twee dubbelblinde studies vergeleken de atypische  antipsychotica clozapine, risperidon en olanzapine met het klassieke  antipsychoticum haloperidol. In beide studies was de effectiviteit van de atypische  medicijnen hoger, maar waren er meer bijwerkingen en gewichtstoename bij deze groep medicijnen gerapporteerd. In de open-label studies waren de bevindingen voor de atypische medicijnen hetzelfde: goede effectiviteit en een significante toename van bijwerkingen. De auteurs suggereren dat de meeste atypische antipsychotica, behalve clozapine, een positieve risk/benefit ratio hebben en effectief zijn in het reduceren van symptomen van psychiatrische aandoeningen. Er wordt geconcludeerd dat er nog niet voldoende studies zijn naar de lange termijn effecten van het gebruik van deze middelen voor behandeling van verschillende psychiatrische aandoeningen.

Masi et al 2006 voerde een systematische review uit gericht op de  effectiviteit van alle atypische  antipsychotica voor de  behandeling van schizofrenie bij kinderen onder de twaalf jaar. Er  waren weinig studies over de effectiviteit van deze medicijnen, en nauwelijks dubbelblind gerandomiseerde studies. Alleen voor clozapine, olanzapine en risperidone werden studies geïncludeerd. Voor clozapine waren zeven studies geïncludeerd (n totaal = 26), voor risperidone (n totaal =36) en voor olanzpine zeven studies (n totaal = 72). Er waren geen studies over de effectiviteit van de overige atypische medicijnen quetiapine, ziprasidon en aripiprazol. Voor de effectiviteit van de behandeling werden verschillende uitkomstmaten gehanteerd, en er was rapportage van bijwerkingen. Er was meer bewijs beschikbaar over de effectiviteit van risperidon en olanzapine dan voor clozapine. Clozapine lijkt alleen een effectieve optie voor treatment-refractory cases te zijn. 

De systematische review en meta-analyse van Armenteros et al 2006 is een nauwkeurige studie met als doel basis voor bewijs te verzamelen over de effectiviteit van antipsychotica voor de behandeling van schizofrenie bij kinderen en adolescenten. Vijftien studies voldeden aan de inclusiecriteria. Van de 8 studies met atypische medicijnen was de gemiddelde respons 55,7%, tegenover een gemiddelde respons van 72,3% van de 13 studies met klassieke medicijnen (p<0.10, effect size 0.36). Na het includeren van studie kwaliteit in het model bleven deze resultaten onveranderd. Er werd geconcludeerd dat eerste-generatie medicijnen effectiever lijken te zijn en tot minder gewichtstoename leiden in vergelijking met tweede-generatie medicijnen. Opgemerkt werd dat er op dit gebied nog te weinig bewijskrachtige klinische trials met voldoende power zijn uitgevoerd.

Diagnostische criteria voor schizofrenie (DSM-IV)

  • A. Kenmerkende symptomen: Twee of meer van de volgende, elk gedurende één maand een belangrijk deel van de tijd aanwezig (of korter bij succesvolle behandeling):
    1. Wanen
    2. Hallucinaties
    3. Onsamenhangende spraak
    4. Ernstig chaotisch of katatoon gedrag
    5. Negatieve symptomen

NB: Er is slechts één symptoom uit categorie A vereist als de wanen bizar zijn, als de hallucinaties doorlopend commentaar geven op het gedrag of de gedachten van de persoon of als twee of meer stemmen met elkaar spreken.

  • B. Sociale/beroepsmatig disfunctioneren: Gedurende een significant deel van de tijd sinds het begin van de stoornis staan een of meer terreinen van functioneren (zoals werk, persoonlijke relaties of zelfverzorging) duidelijk op een lager niveau dat voor het begin. (Als het begin in de kindertijd of adolescentie valt, is het functioneren van een lager niveau dan verwacht kan worden).
  • C. Duur: Doorlopende tekenen van de stoornis gedurende minimaal zes maanden. Deze periode van zes maanden moet minimaal één maand met symptomen bevatten (of minder bij succesvolle behandeling) die voldoen aan criterium A (d.w.z. actieve fase symptomen) en kan perioden bevatten met prodromale symptomen of restsymptomen. Tijdens deze prodromale perioden of restperioden kunnen de tekenen van de stoornis uitsluitend bestaan uit negatieve symptomen of twee of meer symptomen uit categorie A in mildere vorm (bijvoorbeeld vreemde opvattingen, ongebruikelijke perceptuele waarnemingen).
  • D. Uitsluiting van schizoaffectieve stoornis en stemmingsstoornis: Schizoaffectieve stoornis en stemmingsstoornissen zijn uitgesloten omdat (1) er geen depressieve, manische of gemengde episode tegelijk met de actieve fase symptomen is opgetreden of (2) als er wel stemmingsepisoden tegelijkertijd met de actieve fase symptomen zijn opgetreden, de totale duur kort is ten opzichte van de actieve periode en restperiode.
  • E. Uitsluiting van middelengebruik/somatische aandoening: De stoornis is geen gevolg van de directe fysiologische gevolgen van middelengebruik (bijvoorbeeld drugs, geneesmiddelen) of een somatische aandoening.
  • F. Relatie met een pervasieve ontwikkelingsstoornis: Als er een historie bestaat van autistische stoornis of een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis, wordt de aanvullende diagnose schizofrenie alleen gesteld als er gedurende een periode van minimaal een maand ook op de voorgrond tredende wanen of hallucinaties zijn (of minder bij succesvolle behandeling)

 

Systematische monitoring

De informatie over de systematische monitoring weergegeven in tabel 2, is afkomstig uit het artikel van Cahn et al, Preventie en behandeling van somatische complicaties bij antipsychoticagebruik. Het wordt aanbevolen te monitoren bij starten en switchen van antipsychotica.

Tabel 2: Systematische monitoring ter preventie van somatische complicaties bij antipsychotica gebruik
  Nulmeting 1 mnd 2 mnd 3 mnd 6 mnd jaarlijks Op indicatie
Somatische anamnese X X X X X X X
Familiare anamnese X         X X
MMSE i i         X
BMI X X X X X X X
Middelomtrek X X X X X X X
Bloeddruk en pols* X     X X X X
Nuchter glucose of HbAic** X i i X X X X
Nuchter cholesterol, HDL of triglyceriden X     X   X X
Prolactine X X   X     X
Bloedbeeld i           X
Leverfuncties i           X
Bewegingsstoornissen X X X X X X X
Ecg i i         X
Eeg i           X
Bloedbeeld/leverfuncties i           X
Blaasscan i i         X

Noot: MMSE = Mini Mental State Examination, i = op indicatie, * naast de monitoring op metabool syndroom, op indicatie orthostase meten (liggend en stand), ** als nuchter bloedglucose niet gemeten kan worden, het HbA1c (i.c.m. niet-nuchter glucosewaarde) meten.

Terug

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: