Professionals

Mail uw kennis door!

Lichte Verstandelijke Beperking èn een psychiatrische stoornis

> Inleiding
> Kenmerken
> Klinisch Beeld van jeugdigen met LVB
> Etiologie
> Prevalentie
> Beloop en prognose
> Literatuur

Inleiding

Het thema Jeugdigen met een Lichte Verstandelijke Beperking (LVB) èn een psychiatrische stoornis is zeer breed: het omvat in feite de hele kinder- en jeugdpsychiatrie. Jeugdigen met een LVB kunnen immers net als doorsnee jeugdigen alle mogelijke psychische problemen hebben of krijgen (Emerson, 2003; Tenneij & Koot, 2008).

De wetenschappelijke kennisvergaring over jeugdigen met een LVB en een psychische stoornis is nog niet zo lang geleden op gang gekomen. Het is een jong gebied, er is nog veel te doen. Dit impliceert dat  diagnose en behandeling veelal nog gebaseerd zijn op praktijken die een gunstig effect lijken te hebben. Evidence based kennis is vooralsnog schaars.  Om tot een geïntegreerd beeld te komen is multidisciplinaire kennis nodig op het gebied van ontwikkelingspsychologie, orthopedagogiek, algemene geneeskunde, psychiatrie en neurologie (Došen, 2008; Geus, 2005: NVAVG-richtlijn, 2007)

Een goede diagnose en behandeling verlangt gezamenlijke actie van de verschillende genoemde disciplines (e.g., Xenitidis et al., 1999). Dit omdat het uiteindelijke gedrag van de betrokken jeugdige de resultante is van de interactie van zijn/haar LVB, kwetsbaarheid voor psychische stoornissen en de invloeden uit de omgeving.

Definities
Volgens de definitie van zowel het meest recente handboek van de American Association on Intellectual and Development Disabilities (AAIDD 2010) als van de DSM- IV-TR (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; APA, 2000) heeft iemand een verstandelijke beperking wanneer sprake is van de volgende drie criteria:

  • Niveau van verstandelijk functioneren: een IQ van ongeveer 70 of lager
  • Er zijn gelijktijdig tekorten aanwezig in of beperkingen van het aanpassingsgedrag
  • De beperkingen zijn bekend vanaf de geboorte, of in ieder geval bekend voor het achttiende levensjaar

In de Nederlandse praktijk worden met de term LVB vaak mensen aangeduid met een IQ van tussen de 50-55 en 85 met bijkomende problemen op het gebied van sociale aanpassing en sociale redzaamheid. In feite is dat om verschillende redenen onzorgvuldig. Voor zover men het IQ als belangrijkste bepalende factor neemt, wordt in de literatuur (o.a. Koot, 2009) het volgende onderscheid gemaakt:

  • Zwakbegaafd                             IQ 70 tot 85
  • Licht Verstandelijk Beperkt         IQ 50-55 tot 70

IQ, sociale aanpassing en redzaamheid
Zoals uit de eerder aangehaalde definitie blijkt, is het IQ echter niet het enige criterium dat telt. Het IQ alleen blijkt een beperkte voorspeller van problemen die jeugdigen met een LVB kunnen hebben. Er zal altijd ook sprake zijn van tekorten op het gebied van sociale aanpassing en (sociale) redzaamheid (De Bildt et al., 2005). Het beperkte IQ en de beperkte sociale aanpassing en (sociale) redzaamheid blijken voornamelijk uit tekorten in de zelfverzorging, leerstoornissen, stoornissen in de motorische vaardigheden, communicatiestoornissen, gebrek aan sociale vaardigheden en pervasieve ontwikkelingsstoornissen.

In de praktijk blijkt dat zwakbegaafde jeugdigen met een IQ van ongeveer 70 tot 85 vaak vergelijkbare problemen en vergelijkbare zorgbehoeften hebben als jeugdigen met een LVB met een IQ van 55 tot 70. Wanneer op deze website wordt gesproken over jeugdigen met een licht verstandelijke beperking, worden daarmee tevens jeugdigen met een zwakbegaafd niveau bedoeld. 

LVB verbonden aan syndromen
Verstandelijke beperkingen zijn nogal eens verbonden met lichamelijke aandoeningen, specifieke syndromen. De verstandelijke beperking kan dan variëren van licht tot zwaar. Wij gaan daarop hier niet in. Voor informatie over verschillende syndromen en het verband met verstandelijke beperkingen, zie Etiologie. Voor informatie over aan LVB verbonden syndromen wordt verwezen naar verschillende websites.

Naar boven

Kenmerken van een jeugdigen met een LVB

Bij de meeste jeugdigen met een LVB is geen oorzaak bekend voor de verstandelijke beperking. Mogelijk is er sprake van een multigenetische multiple oorzaak. 

Zoals eerder al opgemerkt, zijn ook andere kenmerken dan verminderd presteren op IQ testen van belang. Deze zijn tot op zekere hoogte, meer dan het IQ, beïnvloedbaar door opvoeding en behandeling. Gebruik makend van de literatuurstudie van De Wit, Moonen & Douma (2011) kunnen deze als volgt gerubriceerd worden.

 1.         Informatieverwerking
Vergeleken met mensen met een gemiddelde intelligentie zien we bij personen met een verstandelijke beperking meer problemen bij de verwerking van informatie (Kleinert, Browder & Towles-Reeves, 2009)

  • Uit onderzoek blijkt dat het verbale werkgeheugen van jeugdigen met een LVB minder goed functioneert dan dat van jeugdigen van dezelfde leeftijd zonder een LVB.
  • Onderzoek naar de executieve functies van mensen met een verstandelijke beperking liet zien dat de gevonden problemen in de verbale vlotheid (fluency) veroorzaakt worden door problemen met het ophalen van kennis uit het lange termijn geheugen (Danielsson, Henry, Rönnberg & Nilsson, 2010)
  • Van der Molen (2009) concludeert dat het verbaal korte termijngeheugen relatief zwak is vergeleken met het visueel-ruimtelijk korte-termijnsgeheugen. Dat wil zeggen dat de verwerking van de verbale informatie minder goed gaat bij jeugdigen met een LVB dan de verwerking van visueel-ruimtelijke informatie (performaal).

 2.         Regulerende functies
Mensen met een verstandelijke beperking hebben moeite met het prioriteren van informatie en met het afwegen op belang (Willner, Bailey, Parry & Dymond, 2010).
Jeugdigen met een LVB hebben een beperktere aandachtsspanne en hebben moeite met ordenen, rangschikken en differentiëren van informatie (Collot d'Éscury, Ebbekink & Schijven, 2009; Van Nieuwenhuijzen, 2005).

3.         Probleemoplossend vermogen en negatieve houding
Mensen met een verstandelijke beperking blijken problemen te hebben met het systematisch herkennen en oplossen van probleemsituaties (Kleinert et al., 2009). De beperkingen in de vaardigheden voor het oplossen van problemen komen duidelijk naar voren bij het verwerken van sociale informatie (Van Nieuwenhuijzen et al., 2007).
Jeugdigen met een LVB lijken een voorkeur te hebben voor zowel meer agressieve als passieve, submissieve oplossingen, in plaats van voor assertieve oplossingen. Een verklaring voor de meer negatieve interpretatie van sociale informatie door jeugdigen met een LVB ligt in hun beperkte sociaal inzicht, beperkt probleemoplossend vermogen en in beperkingen in emotieherkenningen. We zien ook vaak een negatief zelfbeeld en negatieve verwachting ten aanzien van reacties uit de omgeving en een beperktvermogen om zich te kunnen verplaatsen in het perspectief van de ander.

 4.         Generalisatie van kennis
Jeugdigen met LVB hebben moeite met de generalisatie van een geleerde vaardigheid in relatie tot andere personen, plaatsen en situaties (Kleinert et al., 2009).
Deze moeite met generaliseren kan op verschillende manieren worden verklaard:

  • Het kan te maken hebben met het onvermogen om de kern uit een probleem te halen via het scheiden van hoofd- en bijzaken (Kleinert et al., 2009).
  • Bij jeugdigen met een LVB zijn interne reactiepatronen of probleemgedragingen ontstaan na jaren van ervaring die niet zo maar te veranderen zijn.
  • Jeugdigen met een LVB reageren vanwege hun problemen met zelfregulatie, eerder vanuit een automatische reactie, in plaats vanuit een weloverwogen beslissing (Dermitzaki et al., 2008).

Daarnaast zijn er nog twee kenmerken die van belang zijn.

5.         Uitwerking op schoolsysteem
Door de genoemde kenmerken – afzonderlijk of in combinatie – zullen jeugdigen met een LVB nogal eens problemen in de schoolsituatie veroorzaken. Vooral wanneer leraren of de school als geheel de bijzondere behoeften van de kinderen niet weet te herkennen en evenmin weten hoe daaraan te voldoen, ontstaan er problemen. Het onderwijsproces wordt verstoord. De betreffende kinderen vragen extra veel aandacht en energie van de medewerkers van de school en ze zijn vaak betrokken bij conflicten tussen leerlingen. Wanneer de school vervolgens niet adequaat reageert – met andere woorden: wanneer geen rekening wordt gehouden met de genoemde kenmerken van de LVB-leerlingen – heeft dit weer een ongunstige uitwerking op het gedrag van de betrokken jeugdigen.

6.          Invloed op de gezinscontext
Het is duidelijk dat een kind met een LVB eisen stelt aan de opvoedkundige capaciteiten van de ouders en aan de sociale vaardigheden van de andere gezinsleden. Het kan niet genoeg worden belicht dat het opvoeden van een kind met LVB – en andere beperkingen en/of psychiatrische ziekten – veel  voor de ouders en de andere gezinsleden betekent. Het doet een extra beroep op de ouder als persoon, als opvoeder, heeft impact op de partnerrelatie, sociale leven, functioneren van gezinssysteem.

Des te moeilijker wordt dat wanneer het gezin vanwege de achtergrond of beperkingen van de ouders bijvoorbeeld zelf van zichzelf al kwetsbaar is. Het is bekend dat in een aanzienlijk aantal gevallen ouders van LVB kinderen vaak zelf ook belast zijn met cognitieve beperkingen en psychiatrische problematiek etc.

In dat soort situaties blijkt de kans op verwaarlozing en traumatisering van kinderen met een LVB drie keer groter dan in gezinnen met normaal begaafde kinderen (Sullivan & Knutson, 2000). Voor meer informatie zie Etiologie.

Voor een meer uitgebreid overzicht van de kenmerken van jongeren met LVB, klik hier. (folder uitgebracht door Vitree)

Naar boven

Klinisch Beeld van jeugdigen met LVB

Jeugdigen met LVB
Het kan niet genoeg worden benadrukt dat het vaak moeilijk is om iemand met een LVB te herkennen. Mensen met LVB zijn vaak goed in het verbergen van hun beperkingen, terwijl tijdige herkenning wel van belang is.

Wanneer niet herkend wordt dat iemand een LVB heeft terwijl dat wel het geval is, wordt deze vaak door de omgeving overvraagd, wat kan leiden tot gedragsproblemen. Om te signaleren of iemand daadwerkelijk LVB heeft, doet men er goed aan onder meer te kijken naar het IQ, het taalbegrip en naar het functioneren op school, in de werkwereld en in sociale contacten.

Jeugdigen met LVB komen in veel gevallen al vroeg met de LVB-voorzieningen in aanraking vanwege gebleken problemen op school. De school verwijst hen veelal met een advies door. Een deel van de jeugdigen met LVB komt met de hulpverlening in aanraking wanneer er sprake is van serieuze psychologische of psychiatrische problemen of wanneer er een vermoeden daarvan bestaat. Zij komen dan in contact met de GZ-psycholoog of de kinder- en jeugdpsychiater. Bij de beoordeling of naast de psychologische of psychiatrische problemen tevens sprake is van een lichte verstandelijke beperking zal de kinder- en jeugdpsychiater, liefst samen met de GZ-psycholoog en orthopedagoog letten op mogelijke problemen op verschillende functiegebieden.

Koot (2009) onderscheidt elf relevante functiegebieden waarop problemen tot uiting kunnen komen.

  1. Communicatie
  2. Zelfverzorging
  3. Zelfstandig wonen
  4. Sociale en relationele vaardigheden
  5. Gebruik gemeenschapsvoorzieningen
  6. Zelfstandig beslissingen nemen  
  7. Functionele intellectuele vaardigheden
  8. Werk
  9. Ontspanning
  10. Gezondheid
  11. Veiligheid

Wanneer een jeugdige problemen heeft met minstens twee van de functiegebieden, is de kans groot dat de jeugdige een LVB heeft.

We kunnen dit in verband zien met het model dat de American Association on Mental Retardation (AAMR) hanteert om de relatie tussen verschillende ‘functiegebieden’ en het individueel functioneren van mensen met een verstandelijke beperking inzichtelijk te maken. Daarbij is de factor ondersteuning vanuit het gezin, de school en de wijdere maatschappelijke omgeving  tegelijkertijd van groot belang. 

 AAMR model

 Figuur 1: Theoretisch model van ‘verstandelijke handicap’ AAMR 2002

Vanzelfsprekend zijn de verschillende functiegebieden met elkaar verbonden. Wanneer we de door Koot genoemde functiegebieden in verband brengen met het AAMR model, kunnen we het volgende opmerken.

Beperkte verstandelijke mogelijkheden hebben consequenties voor de functiegebieden communicatie, zelfstandig beslissingen nemen, en functionele intellectuele vaardigheden. De mate van adaptief gedrag is te herkennen aan de functiegebieden communicatie, zelfverzorging, sociale en relationele vaardigheden, werk en ontspanning. Participatie, interactie en het vervullen van sociale rollen is verbonden met de functiegebieden communicatie, zelfstandig wonen, sociale en relationele vaardigheden, gebruik van gemeenschapsvoorzieningen, werk en ontspanning. Gezondheid, waaronder ook de geestelijke gezondheid heeft vanzelfsprekend een relatie met het functiegebied gezondheid, maar ook met veiligheid. Het geheel speelt zich af in een sociale omgeving waarbinnen iemand functioneert, zowel de directe omgeving zoals het gezin, de klas, de woongroep, als de omgeving in ruimere zin: de maatschappij. (Zie hiervoor ook Etiologie).

Een voorbeeld ter verduidelijking: Jeugdigen die van huis uit en vanuit de omgeving veel ondersteuning krijgen, zijn vaak in hun individueel functioneren het meest redzaam en hebben vaak problemen die op het eerste gezicht niet opvallen. Jeugdigen met een verstandelijke beperking die het meest vaardig en redzaam zijn, of die hun LVB het best kunnen verbergen, worden vaak niet herkend, zowel in de maatschappij als door hulpverleners. Het is vaak moeilijk hen te onderscheiden van de doorsnee jeugdigen.
Echter, het taalbegrip is vaak minder goed ontwikkeld dan hun taalgebruik. Het gevolg is dat er op grond van het taalgebruik gemakkelijk te hoge verwachtingen worden gesteld. Zij worden met andere woorden in het contact “overvraagd”. Het is duidelijk dat dit kan leiden tot falen, zowel in de ogen van de omgeving als in de ogen van de betrokkenen zelf. Alleen al deze faalervaringen kunnen leiden tot een beschadigd zelfbeeld, faalangst en andere angsten, depressief gedrag of juist agressie.

Omgekeerd zullen jeugdigen met weinig adequate ondersteuning op een laag niveau functioneren. Hun LVB valt sneller op. Mede daardoor zullen hun ontwikkelingsmogelijkheden door hun omgeving vaak worden onderschat. Hun kansen op een enigszins autonoom bestaan worden daardoor ernstig beperkt. 

Een bijkomend, maar daardoor zeker niet gering probleem bij dit alles is dat bij veel psychiatrische stoornissen ook problemen ontstaan op soms meer dan één van de genoemde functiegebieden. In die gevallen is er lang niet altijd is sprake van LVB. LVB is constitutioneel, dat wil zeggen dat al voor het ontstaan van psychiatrische stoornis problemen op deze gebieden bekend moeten zijn. Een en ander maakt het stellen van een juiste diagnose ingewikkeld. (Zie hiervoor Diagnostiek).

Naar boven

Klinisch beeld en comorbiditeit
Mensen met een LVB lijden drie tot vijf maal vaker aan een psychische aandoening dan de doorsnee populatie. Bij jeugdigen met een LVB wordt in 30 tot 50% van de gevallen een psychiatrische stoornis geconstateerd (zie o.a. Došen, 2008). (Zie ook Prevalentie).

Herkenning van een jeugdige met LVB is complex omdat LVB in veel gevallen niet alleen voorkomt. Vaak wordt LVB pas herkend door herkenning van een leerachterstand, wanneer de jongere naar school gaat. LVB-jeugdigen leren langzamer en moeizamer, schatten situaties anders in en weten onvoldoende oplossingen te bedenken en uit te voeren. Ze worden voortdurend overvraagd. Hierdoor kunnen zij gefrustreerd raken. Deze frustratie uit zich soms door onaangepast gedrag. Overvraging leidt tot verzet en opstandigheid.

Daarnaast kunnen jeugdigen met LVB allerlei kinder- en jeugdpsychiatrische aandoeningen hebben. De combinatie van LVB met zo’n aandoening maakt een juiste beoordeling moeilijk. Het is niet steeds duidelijk welke klacht aan het één en wat aan het ander toegeschreven moet worden.

Met het oog op behandeling, prognoses en het schetsen van perspectieven is een goede diagnose zeer belangrijk. (Zie hiervoor Diagnostiek).

Eerst wordt er een beschrijving gegeven van LVB met gedragsproblematiek, kwetsbaarheid en delinquentie en alcohol- en drugsgebruik in combinatie met externaliserend gedrag. Voor een beschrijving van het Klinisch Beeld en comorbiditeit van psychische aandoeningen die relatief veel voorkomen bij jeugdigen met een LVB kan gezegd worden dat er vaak sprake is van ADHD, angststoornissen, ASS, OCS, hechtingsstoornissen, depressie, psychoses, PTSS en epilepsie en psychische stoornissen.

Voor een beschrijving van het klinisch beeld voor de protocollen ADHDangst, ASS, ODD/CDdepressiepsychose, en PTSS, klik op de voorgaande links.

Naar boven

Etiologie

LVB Jeugdigen met een lichamelijke aandoening
De verstandelijke beperking kan onderdeel uitmaken van specifieke syndromen. Deze kunnen van genetische aard zijn (bijvoorbeeld syndroom van Down) of verworven zijn (bijvoorbeeld foetaal alcoholsyndroom).

Daarnaast zijn op groepsniveau tal van somatische risicofactoren bekend die een verhoogde kans geven voor het hebben van een verstandelijke beperking, bijvoorbeeld perinatale problematiek. Bij het individu zal het vaak niet mogelijk zijn een causaal verband te leggen tussen deze risicofactor en de verstandelijke beperking. Soms is het causaal verband zelfs andersom: het is aangetoond dat aanlegstoornissen als gevolg van chromosomale defecten aanleiding kunnen geven tot complicaties rondom de bevalling. Verder is het natuurlijk ook mogelijk dat er sprake is van een bijkomende lichamelijke aandoening waarvan het verband met de verstandelijke beperking (nog) niet is aangetoond. Voor informatie over verschillende syndromen met al dan niet bekend gendefect zij verwezen naar de hierna genoemde websites.

De meest voorkomende syndromen bij jongeren met een LVB zijn:

De oorzaken van de LVB bij mensen zonder (bekende) organische aandoeningen.
De oorzaken van de LVB bij mensen zonder (bekende) organische aandoeningen kunnen van verschillende aard zijn. Men moet er rekening mee houden dat de oorzaak in veel gevallen moeilijk of soms in het geheel niet is te achterhalen. Er kan sprake zijn van erfelijke aanleg, aangeboren eigenschappen, een niet-aangeboren hersenletsel hetzij met een traumatische hetzij een metabole achtergrond, zuurstoftekort tijdens de geboorte, meningitis, omgevingsinvloeden, waaronder ondervoeding in de perinatale periode. Om hier achter te komen is onder meer een ontwikkelingsanamnese nodig. Bovendien zal men het kind goed moeten observeren.

Hoewel het zoeken naar de oorzaken van belang is, is het nog meer van belang aandacht te schenken aan de omgevingsfactoren die op de betreffende jeugdigen inwerken. Hoe de betrokken jeugdige en later volwassene zijn/haar beperking weet te hanteren en hoe de betrokkenen zich in hun leven met hun beperking zullen ontwikkelen is van tal van factoren afhankelijk. Met spreekt in dit verband van risicofactoren en beschermende factoren, waarbij deze typen factoren vaak elkaars tegengestelde zijn: een zorgzame opvoeding bijvoorbeeld geldt als een beschermende factor terwijl pedagogische verwaarlozing als risicofactor geldt. Positieve aandacht en ondersteuning creëert kansen, verwaarlozing en een niet invoelende benadering ontneemt hen ontwikkelingsmogelijkheden. (Zie ook Klinisch beeld).

Het belang van het zoeken naar oorzaken.
Het zoeken naar de oorzaak van een verstandelijke beperking is om meer redenen van belang. Allereerst kan duidelijkheid verstrekt worden aan de ouders en verzorgers en ook aan de persoon zelf. Voor ouders valt na het stellen van een diagnose meestal een belastende onzekerheid weg. Ook kan op basis daarvan vaak de vraag naar mogelijke erfelijkheid worden beantwoord en dus kan er onderbouwde voorlichting worden gegeven aan familieleden met een kinderwens.

Ook kan de duidelijkheid omtrent de diagnose van betekenis zijn voor preventieve maatregelen. Het geeft allerlei aanwijzingen voor gericht onderzoek, eventuele behandelingen en aanbevelingen voor preventie van de bijkomende stoornissen. Dit preventieve management geeft niet alleen medische aandachtspunten, maar ook aanbevelingen voor het stimuleren van ontwikkelingen en aandachtspunten in gedrag. Bij een snelle diagnose van de aandoeningen kan snel therapeutisch worden ingegrepen.

Niet op de laatste plaats kunnen ouders op het spoor worden gezet van specifieke organisaties van lotgenoten. Dit kan door ouders in contact te brengen met koepelorganisaties, zoals:

  • het Platform Verstandelijk Gehandicapten, de landelijke koepel die staat voor de collectieve belangenbehartiging van mensen met een verstandelijke beperking en hun ouders en verwanten www.platformvg.nl of
  • de VSOP, Vereniging van Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij erfelijkheidsvraagstukken, www.vsop.nl.  

Risicofactoren en beschermende factoren
Jeugdigen leven altijd in een sociale context. Voor jeugdigen met een LVB is het waarschijnlijk nog belangrijker dan voor doorsnee jeugdigen dat vanuit de sociale omgeving inlevend en positief op hen wordt gereageerd. Tot die sociale context behoren de ouders en de overige gezinsleden, de school, de buurt en de leeftijdgenoten.

Het AAMR model is eerder aan de orde gesteld. Het maakt visueel dat ondersteuning (vanuit de maatschappelijke omgeving) een belangrijke factor is voor het effectieve gedrag van de jeugdigen. 

Hier presenteren wij een model waarmee duidelijk gemaakt wil zijn dat biologische, psychologische en sociale factoren de ingrediënten zijn van een bepaalde persoonlijkheid. Ook de wijze waarop  hechtingsrelaties zich hebben kunnen ontwikkelen is daarbij van belang. Het gedrag is de uitkomst van het samenspel van al deze factoren.

Zo zal, om een voorbeeld te noemen, het gedrag van de betrokkene sterk beïnvloed zijn door zijn biologisch gegeven mogelijkheden, zijn psychische ontwikkeling en de invloeden vanuit de sociale omgeving, waaronder de opvoeding. Dit gedrag zal op zijn beurt de reacties uit de omgeving beïnvloeden. De feedback vanuit het sociaal systeem, beïnvloedt zowel het gedrag als de ontwikkelingen in het brein  van de betrokkene. Op dit alles zijn de hechtingsrelaties op hun beurt weer van invloed. Wij spreken in dit verband van het bio-psycho-sociaal model (van den Berg, 2011)

  

Voor de bio-psycho-sociale risicofactoren klik hier

Voor het vertonen van sociaal aangepast gedrag zijn complexe sociaal-cognitieve vaardigheden vereist. Studies hebben aangetoond dat de mate waarin jongeren adaptief of problematisch sociaal gedrag vertonen afhangt van de Sociale Informatieverwerking (SIV) (Crick & Dodge, 1994; Dodge & Petit, 2003).

Uit eerder onderzoek is naar voren gekomen dat kinderen met een LVB op het gebied van SIV verschillen van hun leeftijdsgenoten met een gemiddeld intelligentieniveau. Sociale vaardigheden zijn een van de belangrijkste domeinen waarin kinderen met een LVB problemen ervaren. In vergelijking met kinderen zonder LVB encoderen kinderen met een LVB minder relevante signalen. Tevens worden goedaardige intentiesignalen nauwkeuriger geëncodeerd dan geïnterpreteerd. Daarnaast wordt er vaker een vijandige intentie aan gedrag toegeschreven, worden er minder competente, assertieve en submissieve probleemoplossingvaardigheden en meer agressieve oplossingvaardigheden gegenereerd (Van Nieuwenhuijzen et al., 2004). Zowel vijandige als goedaardige intentiesignalen worden geassocieerd met negatieve uitkomsten.

Verstoringen in het proces van sociale informatieverwerking leiden tot een problematisch functioneren. Dodge en Petit (2003) hebben een model ontwikkeld om deze verstoringen te verklaren.

Risico- en beschermende factoren benoemd
Bij jeugdigen met LVB spelen veel meer risicofactoren een rol dan bij normaal begaafde leeftijdsgenoten. Doorgaans staan daar ook minder beschermende factoren tegenover. Klik hier voor een uitgebreide beschrijving 

                                                                                                                                         Naar boven

Prevalentie

Curve van Gauss
Afgaande op het critrium van het IQ kan op grond van de curve van Gauss worden geconcludeerd dat ongeveer 13 ½ % van de kinderen een IQ heeft tussen 70 en 85. Volgens dezelfde curve zal ongeveer 2½ % van de jeugdigen een IQ lager dan 70 hebben. Een deel van deze 2½ % zal tot de categorie van de jeugdigen met een LVB behoren. 

Gauss

Afbeelding van de curve van Gauss

Prevalentie van zwakbegaafdheid en licht verstandelijke beperkingen
In het algemeen bestaat er grote onduidelijkheid over de aard en omvang van de groep LVB-jeugdigen. In de publicatie Nieuwe cliënten voor Bureau Jeugdzorg (2004) wordt een schatting gemaakt van het totaal aantal zwakbegaafde en jeugdigen met een LVB. Op basis van een normaalverdeling wordt geschat dat circa 15% van de mensen een IQ-score tussen 50 en 85 heeft. Dit gegeven in combinatie met andere onderzoeken leidt tot een berekend aantal van ± 440.000 LVB-jeugdigen van 5 tot 18 jaar. Bij ruim 250.000 jeugdigen is sprake van bijkomende problematiek.

In verhouding tot dit grote getal komt slechts een klein aantal in beeld bij de zorg en het onderwijs. Volgens gegevens uit 2007 is er voor 11.000 jeugdigen een beroep gedaan op AWBZ-zorg. Onderzoek in 2008 toont aan dat ruim 2600 geïndiceerde cliënten wachten op zorg bij een LVB-behandelcentrum of instelling voor gehandicaptenzorg.

Gegevens over exacte aantallen zwakbegaafde jeugdigen zijn er niet. Wel zijn er schattingen over personen van alle leeftijden met een IQ tussen 70 en 85 (zwakbegaafden) met bijkomende problematiek; ze hebben een drietrap gemaakt, eerst alleen cijfers op basis van IQ, dan inclusief sociale redzaamheid, dan met ook nog bijkomende problemen, zoals gedragsproblemen, emotionele problemen, psychi(atri)sche problemen.

Naar schatting zijn er in de hele bevolking 300.000 tot ruim 600.000 personen met een zwakke begaafdheid en met bijkomende problemen (CBZ, 2004) Ruim 70% van de zwakbegaafde jongeren heeft een beperkte sociale redzaamheid en daarvan nog eens ruim 60% bijkomende problemen (Stoll et al. 2004).

De prevalentie van mensen met een lichte verstandelijke beperking, met een IQ tussen 55 en 70, ligt lager. In Nederland zijn er naar schatting minimaal 55.000 personen met een LVB. Mogelijk zijn dit er zelfs tienduizenden meer (Ras et al., 2010).

De werkelijke omvang van de groep LVB'ers is lastig vast te stellen omdat niet alleen het intellectueel functioneren een criterium is voor het vaststellen van een LVB, maar ook de beperkingen op praktisch en sociaal gebied. In de praktijk leidt dit tot methodologische problemen (Ponsioen, 2001; DJI, 2005).

Het schatten van het aantal mensen met een LVB is dus moeilijk. Behalve door de hierboven genoemde redenen wordt dit ook veroorzaakt door de omstandigheid dat mensen met een LVB moeilijk zijn op te sporen wanneer ze geen gebruik maken van het zorgsysteem. Zij staan dan nergens als persoon met een LVB geregistreerd. Voor hen is aangepast werk soms al genoeg om mee te kunnen komen. Ook is de kans groter dat familieleden voldoende hulp kunnen bieden. Daarnaast lijkt het erop dat ook verschillen in sociaal-economische omstandigheden een rol spelen: betere omstandigheden verlagen “de prevalentie”. Hoe deze mechanismen precies werken, is echter niet duidelijk. 

Prevalentie en comorbiditeit
Naast de beperking van het intellectuele vaardigheden en problemen met sociale aanpassing en redzaamheid hebben jeugdigen met LVB meer dan gemiddeld psychiatrische stoornissen, medische problematiek en problemen in de sociale context (Mutsaers et al., 2007).
Vergeleken met het doorsnee percentage van het vóórkomen van psychiatrische stoornissen bij de doorsnee populatie, ongeveer 10%, lijden mensen met een LVB drie tot vijf maal vaker aan een psychiatrische aandoening. Met andere woorden: bij kinderen met een LVB wordt in 30 tot 50% van de gevallen een psychiatrische stoornis geconstateerd (zie o.a. Došen, 2008).

Een andere bron (Didden, 2006) meldt dat in prevalentiestudies onder mensen met een LVB, is gebleken dat ongeveer 57% van hen een of andere vorm van psychopathologie of gedragsproblemen vertoont. De meest voorkomende stoornissen zijn gedragsstoornissen (45%) en depressie (22%).

Prevalentiecijfers over comorbide psychische problemen en aandoeningen zijn, voor zover bekend, opgenomen in de paragrafen over de betreffende aandoening bij Klinisch beeld

Naar boven

Beloop en prognose

Bij jeugdigen met LVB is het beloop van het gedrag en de prognose van het maatschappelijk functioneren sterk afhankelijk van de opvoeding in het ouderlijk milieu, van de mogelijkheden die de betrokkenen worden geboden – opleiding, gedragstrainingen en sociale vaardigheidstrainingen – en van de wijze waarop de wijdere maatschappelijke omgeving de betrokkenen ondersteunt en bejegent, waarbij “acceptatie van de beperking” en “bevordering van zelfvertrouwen” als beschermende factoren gelden.

Kortom, hoe de jeugdige zich zal ontwikkelen is in sterke mate afhankelijk van de verschillende genoemde risico- en beschermende factoren die op de jeugdige inwerken. Zo is het bijvoorbeeld bekend dat jongeren met LVB door een repressieve opvoeding en bejegening gemakkelijk gedragsproblemen ontwikkelen en ongevoelig worden voor straf en een repressieve benadering. Bij een meer respectvolle bejegening en een training van de sociale vaardigheden zullen gedragsproblemen al voor een deel kunnen verdwijnen en bovendien zal een eventuele psychotherapeutische benadering in vruchtbaarder bodem vallen.

In een adequate orthopedagogische benadering worden jeugdigen op een respectvolle manier bejegend. Dat wil zeggen dat de beperking van de jeugdige wordt geaccepteerd en dat rekening wordt gehouden met vertraagde ontwikkeling, een wat tragere manier van leren. De opvoeding en de training van vaardigheden worden aangepast aan het ontwikkelingsniveau en aan de manier van leren. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan de mogelijk specifieke wijze van interpreteren en verwerken van de sociale informatie en het trainen van de executieve functies. Hierdoor neemt het gevoel van eigenwaarde toe en zijn de jeugdigen met verstandelijke beperking meer ontvankelijk voor opvoeding, training van sociale vaardigheden en behandeling van eventuele psychiatrische stoornissen. (Zie Protocollaire Psychologische Behandelvormen).

Wanneer aan bovengenoemde voorwaarden van een respectvolle bejegening wordt voldaan, is in de meeste gevallen het beloop van de psychische stoornissen en de effectiviteit van de behandeling daarvan gelijk aan het beloop en effect bij de doorsnee jongeren.

Naar boven

Literatuur

APA (American Psychiatric Association) (2000). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 4th edition, Text Revision (DSM-IV-TR). Washington, DC, American Psychiatric Association )

Berg, van den, M. (2010) Bio-Psycho-Sociaal Model (2010)

Bildt, de, A.A. & Kraijer. D. W., (2007). Pervasieve Ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en jeugdigen met lichte verstandelijke beperkingen. Kind en adolescent, 28, nr. 3

Brand, E., & Hurk, A. (2008). Tien jaargangen PIJ-ers: Kenmerken en veranderingen. Den Haag: Dienst Justitiële Jeugdinrichtingen/Ministerie van Justitie

Bransen, E., Schipper, H., Mutsaers, K., Haverman, M. & Blekman, J. (2008). Aard en omvang van middelengebruik bij lichtverstandelijk gehandicapte jongeren. Een eerste verkenning bij jongeren zelf en hun begeleiders. Utrecht: Trimbos-instituut.

Buntinx, W.H.E.( 2003) Wat is een verstandelijke handicap? Definitie, assessment en ondersteuning volgens het AAMR-model, AAMR-model van verstandelijke handicap In: Nederlands Tijdschrift voor de Zorg aan mensen met een verstandelijke beperking, Koninklijke Van Gorcum

CBZ, College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen (2004). Licht Verstandelijk Gehandicapte jongeren met probleemgedrag – signaleringsrapport. Utrecht, CBZ.

Collot d'Escury, A., Ebbekink, K. en Schijven, E. (2009). Kwaliteit van de behandeling met psychofarmaca van mensen met een verstandelijke beperking. In Didden, R. & Moonen, X. (Red.), Met het oog op behandeling 2: effectieve behandeling van gedragsstoornissen van mensen met een licht verstandelijke beperking (pp. 101-112). Utrecht/Den Dolder: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertise Centrum De Borg.

Crick, N. R., & Dodge, K. A. (1994, January). A review and reformulation of social information-processing mechanisms in children’s social adjustment. Psychological Bulletin, 115(1), 74-101.

Danielsson, Henry, Rönnberg & Nilsson, (2010)  Executive functions in individuals with intellectual disability, 2010, Journal of Research in Developmental Disabilities, (31), 6, 1299-1304. Amsterdam, Elsevier Science B.V.

Dekker, M.C., Douma, J.C.H., Ruiter, K. de, & Koot H. (2006). Aard, ernst en beloop van gedragsproblemen en psychische stoornissen bij kinderen en jeugdigen met een verstandelijke beperking, In R. Didden (Red.), In perspectief, Gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en licht verstandelijke beperking (pp. 21-40). Houten: Bohn, Stafleu, van Lochum.

Dekker, M.C., & Koot, H.M. (2003). DSM-IV disorders in children with borderline to moderate intellectual disability. II: Child and family predictors. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 42, 923–931.

Dermitzaki, I., Stavroussi, P., Bandi, M, & Nisiotou, I.(2008) Inverstigating ongoing strategic behavior of students with mild mental retardation: Implementation and reataions to performance in a problem-solving situation. Evaluation & Research in Education, 21, 96-110

Didden, R., (2006).In Perspectief. Gedragsproblemen, psychiatrische stoornissen en lichte verstandelijke beperkingen. Houten, Bohn, Stafleu van Lochum.

Didden, R. en Moonen, X. (Red.), (2009). Met het oog op behandeling: effectieve behandeling van gedragsstoornissen van mensen met een licht verstandelijke beperking (pp. 87-94). Utrecht/Den Dolder: Landelijk Kenniscentrum LVG / Expertise Centrum De Borg.

DJI (2005). Prevalentie-onderzoek licht verstandelijk gehandicapten in het Nederlandse gevangeniswezen: meten is niet altijd weten ... Den Haag: Ministerie van Justitie, DJI.

Dodge, K. A., & Petit, G. S. (2003, March). A biopsychosocial model of the development of chronic conduct problems in adolescence. . Developmental Psychology, 39(2), 349-371.

Došen, A, (2005).Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Een integratieve benadering bij kinderen en volwassenen. Assen: Koninklijke Van Gorcum BV.

Došen, A., Gardner, W.I., Griffiths, D.M., King, R., & Lapointe, A. (2008). Richtlijnen en principes voor de praktijk: Beoordeling, diagnose, behandeling en bijbehorende ondersteuning voor mensen met verstandelijke beperkingen en probleemgedrag. Nederlandse bewerking: Ad van Gennep. Utrecht: Vilans/LKNG.

Douma, J.C.H. & Dekker M. C. (2007). Antisociale gedragingen van jongeren met licht verstandelijke beperkingen. Kind en Adolescent: Tijdschrift voor Pedagogiek, Psychiatrie en Psychologie, 28, 182-196.

Emerson, E. (2003). Prevalence of psychiatric disorders in children and adolescents with and without intellectual disability. Journal of Intellectual Disability Research, 47

Hilderink, I., & Bransen, E. (2010). Voorkomen van problematisch middelengebruik door jongeren met een licht verstandelijke beperking. Een interventieprogramma. Utrecht: Trimbos-instituut

Kasari, C., & Bauminger, N. (1998). Social and emotional development in children with mental retardation. In J. Burack., R.M., Hodapp., & E. Zigler (Eds.), Handbook of Mental Retardation and Development (pp. 411-433). New York: Cambridge University Press

Kleinert, H.L. Brouwder, M.D., & Towles-Reeves, E.A. (2009).Models of cognition for students with significant cognitive disabilities: Implications for assessment. Review of educational research79, 301-326

Koot, J.M. (2010) Verstandelijk gehandicapten. In F.C. Verhulst, F. Verheij (red), Kinder- en jeugdpsychiatrie, onderzoek en diagnostiek. (pp. 408-422), Assen, Koninklijke Van Gorcum

Kraijer, D.W. & Plas,J.J. (2006). Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid.Pearson Assessment and Information

Molen, M. van der (2009). Het werkgeheugen van kinderen en geheugen met een licht verstandelijke beperking: Inzicht en handelen. In R. Didden & X. Moonen (Red.), Met het oog op behandeling 2; Effectieve behandeling en gedragsstoornissen bij mensen met een lichte verstandelijke beperking (pp. 15-21) Utrecht: LKC LVG/Expertisecentrum De Borg.

Mutsaers K, Blekman J.W., Schipper H.C. (2007). Licht verstandelijk gehandicapten & middelengebruik, wat is er tot op heden bekend? Trimbos-instituut

Nieuwenhuijzen, M. van, Bijman, E.R., Lamberix, I.C.W., Wijnroks, L., Orobio de Castro, B., Vermeer, A., & Matthys, W. (2005). Do children do what they say? Responses to hypothetical and real-life social problems in children with mild intellectual disabilities and behaviour problems. Journal of Intellectual Disability Research, 49, 419-433.

Nieuwenhuijzen, M.van, Orobio de Castro, B., Wijnroks, L., Vermeer, A., & Matthys, W. (2004). The relations between intellectual disabilities, social information processing, and behavior problems. European Journal of Developmental Psychology, 1, 215-229.

Nieuwenhuijzen, M. van, Orobio de Castro, B., Valk, I. van der, Wijnroks, L., Vermeer, A. and Matthys, W. (2006). Do social information-processing models explain aggressive behaviour by children with mild intellectual disabilities in residential care? Journal of Intellectual Disability Research, 50(11), 801-812

Ponsioen, A.J.G.B. (2001). Cognitieve vaardigheden van licht verstandelijk gehandicapte kinderen en jongeren. Amsterdam. Academisch Proefschrift.

Porton, E. (2010) Sociale informatieverwerking bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) en gedragsproblemen. Universiteit Utrecht Faculteit

Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, (2011)Zorg voor ingesloten licht verstandelijk beperkte jongeren, Raad voor strafrechttoepassing en jeugdbescherming, Advies 6 juni 2011

Schuengel, C. & Janssen, C.G.C. (2006)People with mental retardation and psychopathology: Stress, affect regulation and attachment. A review. International Review Research Developmental Disabilities, 32, 231-262.

Stoll., J., Bruinsma, W., Konijn, C., (2004)Nieuwe cliënten voor Bureau Jeugdzorg? Jeugdigen met meervoudige problemen waaronder een lichte verstandelijke beperking en instrumenten voor herkenning en signalering, NIZW, Publicatie in het kader van de LVG-

Sullivan, P. & Knutson, J. (2000). Maltreatment and disabilities: A population-based epidemiological study. Child Abuse & Neglect, 24 (10), 1257-1273.

Tenneij N.H., & Koot H.M. (2008). Incidence, types and characteristics of aggressive behavior in treatment facilities for adults with mild intellectual disability and severe challenging behavior.Journal of Intellectual Disability Research, 52 (2), 114–124.

Wielen, H. van der (2006). Een paar apart. Spreekbeurt bij de werkconferentie ‘Samenhang en Kwaliteit ondersteuning’, georganiseerd door MEE Noordwest-Holland, 24 januari 2006, Hoorn.

Willner, P., Bailey, R., Parry, R., & Dymond, S. (2010).Evaluation of executive functioning in people with intellectual disabilities.Journal of Intellectual Disability Research, 54, 366-379.

Wit, de, e.a. (2011). “Richtlijn Effectieve Interventies LVB: Aanbevelingen voor het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking”. Landelijk Kenniscentrum LVG

Woittiez I. B. & Ras M. (23 juni 2010).Hoe vaak komt een verstandelijke handicap voor? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, <http://www.nationaalkompas.nl> Nationaal Kompas Volksgezondheid\Gezondheid en ziekte\Ziekten en aandoeningen\Psychische stoornissen\Verstandelijke handicap.

Xenitidis, K. I., Henry, J., Russell, A. J., et al (1999) An inpatient treatment model for adults with mild intellectual disability and challenging behaviour. Journal of Intellectual Disability Research, 43, 128–134.

Naar boven


 

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: