Professionals

Mail uw kennis door!

Kinderen van moeders met een eetstoornis

Eetstoornissen blijken veel voor te komen binnen families, met een 7 tot 12 keer hogere prevalentie van Anorexia Nervosa (AN) of Boulima Nervosa (BN) in eerstegraads verwanten van personen met een eetstoornis dan in familieleden in de controlegroep. Uit studies naar kinderen van ouders met psychiatrische problemen zoals depressie en alcoholmisbruik, blijkt dat zij een verhoogd risico lopen op verscheidene (psychische) problemen gedurende hun ontwikkeling. Ook bij kinderen van moeders met een eetstoornis komt een grote verscheidenheid aan problematiek voor in ernstige en minder ernstige mate, waaronder – maar niet alleen – eetstoornissen. Er zijn echter nog weinig grootschalige studies gedaan naar kinderen van moeders met een eetstoornis (Park e.a., 2003).

Tijdens de zwangerschap
Vrouwen met een eetstoornis hebben een verhoogde kans op vruchtbaarheidsproblemen. Bij vrouwen met AN en BN komen menstruaties onregelmatig voor of treden niet meer op. Dit betekent echter niet altijd dat deze vrouwen niet zwanger kunnen worden. Hierdoor komen ongeplande zwangerschappen regelmatig, voornamelijk bij vrouwen met BN (die een normaal gewicht hebben) (Park e.a., 2003).

In twee studies naar moeders met AN blijkt een laag gewicht vooraf aan de zwangerschap en een lage gewichtstoename gedurende de zwangerschap geassocieerd te zijn met een laag geboortegewicht van het kind. Uit andere studies blijken ook perinatale complicaties bij de kinderen van moeders met AN of BN. Deze resultaten werden echter in een aantal andere studies niet bevestigd, dus deze resultaten moeten voorzichtig in beschouwing genomen worden totdat grotere epidemiologische studies zijn ondernomen (Park et al., 2003).

Na de geboorte
Veel studies suggereren dat de periode direct na de geboorte een risicovolle periode vormt voor het terugkeren of de verergering van de symptomatologie van de eetstoornis bij de moeder, zowel in klinische studies als in bevolkingsstudies. Twee studies suggereren dat dit te maken kan hebben met dat de moeders met een eetstoornis verwacht hadden dat zij hun lichaamsvorm en gewicht van voor de zwangerschap, gemakkelijker terug konden krijgen dan in werkelijkheid mogelijk is. Uit twee andere studies blijkt dat vrouwen die zich veel zorgen maken over hun lichaamsvorm en gewicht, minder geneigd zijn om hun kind borstvoeding te geven. Sommige vrouwen geven aan dat het krijgen van een kind ervoor heeft gezorgd dat hun leven meer zin heeft en een reden is om gezond te blijven (Park e.a., 2003).

Voeden en maaltijden gedurende de baby- en vroege kindertijd
Uit twee studies blijkt dat moeders die in het heden of verleden een eetstoornis hebben (gehad) hun kind voeden op een minder regelmatig tijdschema en vaker voor niet nutritieve doeleinden, zoals beloning of kalmering van het kind, dan moeders zonder eetstoornis. Uit een andere studie blijkt dat moeders met een eetstoornis vaker negatieve opmerkingen maken gedurende de maaltijd en dat er meer conflict is, maar niet tijdens het spelen, vergeleken met moeders zonder eetstoornis. Daarnaast bleken moeders met een eetstoornis gedurende de maaltijd en het spelen opdringeriger te zijn dan de moeders uit de controlegroep. Kleinere studies laten ook moeilijkheden en een gespannen, koele sfeer tijdens de maaltijden zien. Ander onderzoek laat zien dat ouders met een eetstoornis de neiging hebben om niet te eten waar hun kinderen bij zijn. Kinderen van moeders met een eetstoornis bleken verder minder te wegen dan de kinderen uit de controlegroep en dit bleek gerelateerd te zijn aan de mate van conflict gedurende de maaltijd. In een studie waarin de ouders van een klinische groep kinderen met een voedingstoornis volgens de ICD-10, werd vergeleken met een groep kinderen met een gedragsstoornis en een random geselecteerde controlegroep, bleek dat alleen de moeders van de kinderen met een voedingsstoornis zelf significant verstoorde eetgewoonten en attitudes hadden. Hoewel een causale relatie tussen een eetstoornis bij de moeder en voedings- en eetproblemen bij het kind niet gemaakt kan worden op basis van de genoemde studies, suggereert dit onderzoek wel dat de eetstoornis van de moeder van invloed is op de ontwikkeling van eet- en voedingsproblemen bij het kind. Daarnaast zijn er enkele studies die suggereren dat vroege voedings- en eetproblemen bij het kind, invloed hebben op de latere ontwikkeling van AN en BN (Park e.a., 2003).

Groei
Uit een observationele studie van Stein e.a. (1994) blijkt dat kinderen van moeders met een eetstoornis op 1-jarige leeftijd (12 maanden) minder wegen dan kinderen van moeders in de controlegroep. De meest significante voorspeller van het gewicht op 1-jarige leeftijd bleek de gedurende de maaltijd geobserveerde mate van conflict tussen moeder en kind te zijn. Als de moeder-kind interactie soepel en harmonieus verliep, waren de kinderen vaker zwaarder, maar als de interactie conflictueuzer was, dan waren de kinderen lichter. Uit een andere studie van Stein en collega’s (1996) blijkt dat de kinderen van moeders met een eetstoornis kleiner zijn als gekeken wordt naar de verhouding gewicht en lichaamslengte en de verhouding gewicht en leeftijd, dan de kinderen van moeders met een postnatale depressie. De kinderen van moeders met een postnatale depressie verschilden qua gewicht niet van kinderen uit de gezonde controlegroep. Deze bevindingen suggereren dat de invloed op groei in het jaar na de geboorte specifiek is voor kinderen van moeders met een eetstoornis (Park et al., 2003).

Zorgen van ouders met een eetstoornis over het gewicht en de lichaamsvorm van hun kind
In de studie van Stein en collega’s (1996) is ook onderzocht of moeders met een eetstoornis het gewicht van hun baby verkeerd inschatten of dat zij willen dat hun kind dun is en dus de voedselinname van hun baby beperken. Uit deze studie blijkt dat moeders met een eetstoornis vergeleken met moeders uit een gezonde controlegroep en ook vergeleken met moeders met een postnatale depressie, geen dunnere baby’s willen en ook niet het gewicht van hun baby verkeerd inschatten. In feite waren deze moeder zeer sensitief voor de lichaamsvorm van hun baby en waren ze accurater in het inschatten van het gewicht van hun baby. Achterblijvende groei bij baby’s van moeders met een eetstoornis lijkt dus geen consequentie te zijn van een verstoorde perceptie bij de moeder met betrekking tot de lichaamsvorm van haar kind (Park et al., 2003). Een andere prospectieve studie (Agras et al., 1999) vond dat moeders met een eetstoornis bezorgder waren over het gewicht van hun dochter dan moeders zonder eetstoornis en dit werd al gezien vanaf 2-jarige leeftijd, terwijl de dochters van moeders met een eetstoornis niet zwaarder waren dan dochters van moeders zonder een eetstoornis.

Algemeen ouderlijk functioneren
Stein en collega’s (1994) vonden dat moeders met een eetstoornis meer verbale controle uitoefenden, opdringerig waren en hun 1-jarige kindje minder faciliteerden dan moeders zonder eetstoornis, zowel gedurende het spelen als gedurende de maaltijd. De kinderen lieten ook minder emotie zien en kwamen minder gelukkig over gedurende het spelen en de maaltijd. Agras e.a. (1999) vond geen verschillen in het opvoedgedrag, maar stelt wel dat de kinderen van moeders met een eetstoornis toch meer negatieve emoties toonden zoals droefheid, huilen en geïrriteerdheid.

Kinderen in de basisschoolleeftijd en de adolescentie
Moeders met een eetstoornis rapporteren vaak dat hun kinderen vergelijkbare problemen ontwikkelen als zij zelf hebben. Uit case studies blijkt ook dat kinderen zelfs op jonge leeftijd het gestoorde eetgedrag van hun moeder imiteren, zoals kokhalzen tijdens het eten, weigeren of opschrokken van voedsel, of op dezelfde manier purgeren als hun moeder. Op een wat latere leeftijd blijken kinderen ook de attitudes van hun moeder met betrekking tot eten over te nemen, vooral dochters van moeders met AN, die net zo dun willen zijn als hun moeder. Hill en collega’s (1990) vonden dat een significant deel van 9-10 jarige meisjes zichzelf een hoog niveau van dieetrestricties oplegden en dat er een significante relatie was tussen dieetzorgen bij 9-10 jarige meisjes en dieetzorgen bij hun moeders. Gedurende de adolescentie/pubertijd, lijkt de invloed van moeders (met een eetstoornis) minder te worden. Meisjes worden dan meer bloot gesteld aan verschillende andere sociale invloeden die druk leggen om te diëten, zoals tijdschriften, televisie en leeftijdsgenoten. Meisjes die in de vroege adolescentie negatiever dachten over hun lichaam, waren meer geneigd om twee jaar later eetproblemen te ontwikkelen. Levine en collega’s stellen een cumulatief stress model voor, waaein de bijdrage van normatieve ontwikkelingsfactoren aan individuele verschillen in de ernst van problemen centraal staat. Naast de eerdergenoemde factoren van sociale druk vanuit de media en leeftijdsgenoten, komt nog bij dat gedurende de pubertijd meisjes zwaarder worden en meer vet krijgen, ze beginnen met ‘daten’ en de academische eisen worden hoger. Een opeenstapeling van factoren kan leiden tot de ontwikkeling van een eetstoornis bij adolescente meisjes (Park e.a., 2003).

Mechanismen
Uit het bovenstaande blijkt dat een eetstoornis bij een moeder het opvoeden en de ontwikkeling van een kind op verschillende manieren kan beïnvloeden. Sommige van deze invloeden zijn specifiek voor moeders met een eetstoornis, waarbij symptomen bij de moeder direct of indirect invloed hebben op het kind. Om te bepalen op welke manier de intergenerationele overdracht van een eetstoornis plaatsvindt, is het belangrijk om te onderzoeken welke mechanismen de invloed van de eetstoornis van de ouder op de ontwikkeling van het kind mediëren. Vijf categorieën komen naar boven. Ten eerste blijkt dat genetische factoren van invloed zijn op de intergenerationele overdracht van een eetstoornis, hoewel niet duidelijk is in welke mate dit het geval is. Ten tweede kunnen de symptomen van de eetstoornis van de moeder direct van invloed zijn op het kind, omdat ouders bijvoorbeeld willen dat hun kind dunner is en dit beïnvloeden door voedsel bij het kind weg te houden, zoals zij dat ook voor zichzelf doen. Dit lijkt vooral voor te komen bij moeders met Anorexia Nervosa (Russel et al., 1998). Ten derde kan de eetstoornis van de moeder het algemeen ouderlijk functioneren ondermijnen. De preoccupatie met voedsel, lichaamsvorm en –gewicht kan bijvoorbeeld de aandacht voor het kind verzwakken en daardoor de sensitieve responsiviteit in de weg staan. Een vierde mechanisme betreft aangeleerd gedrag. Een moeder met een eetstoornis kan een slecht rolmodel zijn voor haar kind als het gaat om eetgedrag en houding ten opzichte van eten, door te diëten en andere eetgestoorde gedragingen. Ten vijfde kunnen eetstoornissen bij moeders geassocieerd zijn met huwelijksproblemen en disharmonische familierelaties, waarvan aangetoond is dat dit een negatieve invloed heeft op kinderen (Park e.a., 2003). 

Interventie voor moeders met een eetstoornis en hun voorschoolse kinderen (< 5 jaar)
Hoewel de psychologische en fysieke complicaties van eetstoornissen kan voorkomen dat vrouwen zwanger raken of een kind baren, heeft een deel van de vrouwen die in behandeling zijn voor een eetstoornis, een of meer kinderen. In een ambulante hulpverleningsinstelling voor eetstoornissen bij volwassenen in Engeland bleek zo’n 34,4% van de vrouwelijke cliënten in verwachting te zijn of al moeder te zijn (Bryant-Waugh, Turner, East & Gamble, 2007a).

Voor zover bekend, is er in Nederland geen interventie specifiek gericht op moeders met een eetstoornis. In de internationale wetenschappelijke literatuur is een ‘parenting skills-and-support interventie’ voor moeders met een eetstoornis en hun kinderen jonger dan vijf jaar beschreven door Bryant-Waugh en collega’s (2007a, 2007b). Deze interventie is gebaseerd op tien thema’s die genoemd zijn in een focusgroep en individuele interviews met zeven moeders (die een kind hebben dat jonger is dan 5 jaar) die een eetstoornis hebben. Ook met vier gezondheidsprofessionals die met deze moeders werken, zijn interviews gehouden. De tien thema’s zijn (Bryant-Waugh e.a., 2007a): het doorgeven van karaktertrekken, bereiding van voeding, interacties rondom voedsel en maaltijden, de invloed van de voedselinname van de moeder zelf, zelfverzorging, eigen identiteit en verwachtingen van het ouderschap, invloed op de algemene ouder-kind relatie (hechting), behoefte aan controle, de groepservaring en praktische zaken.

Deze thema’s zijn verdeeld over acht groepsbijeenkomsten, getiteld (Bryant Waugh e.a., 2007b):
1. Interacties rondom voeding en maaltijden
2. Bereiding en provisie van voeding
3. Voedselinname van de moeder
4. Zelfverzorging
5. Eigen identiteit en verwachtingen van het ouderschap
6. Behoefte aan controle
7. Invloed op de algemene ouder-kind relatie (hechting)
8. Evaluatie

Er heeft een eerste evaluatie plaats gevonden van 3 groepscursussen met 4-5 moeders per groep (Bryant-Waugh e.a., 2007b). Moeders gaven aan dat de interventie een positieve invloed heeft op hun opvoedvaardigheden en zelfvertrouwen. De resultaten suggereren ook een afname van zorgen over de opvoeding en een afname van depressieve klachten na afloop van de cursus. Effecten op de kinderen zelf, zijn niet gemeten.

Ga terug

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: