
Precontemplatiefase
Patiënt ontkent nog dat er sprake is van een eetstoornis (of bepaald symptoom ervan), of ontkent de ernst ervan en maakt zich er geen zorgen om.
Patiënt is zich niet of slechts gedeeltelijk bewust van de eetstoornis (of een bepaald symptoom) en is nog niet geïnteresseerd in verandering en behandeling.
Patiënt bezoekt de therapeut onder druk van de omgeving of vanwege een ander probleem.
Patiënt vindt praten over de eetstoornis (of bepaald symptoom ervan) vervelende en/of vermijdt het.
Contemplatiefase
Patiënt erkent dat er sprake zou kunnen zijn van een eetstoornis (of een bepaald symptoom ervan) met ernstige gevolgen.
Patiënt maakt zich in enige mate zorgen over de eetstoornis (of een bepaald symptoom ervan) en de gevolgen.
Patiënt is bereid te onderzoeken wat de betekenis, functie, gevolgen en invloeden van de eetstoornis (of een bepaald symptoom ervan) zijn.
Patiënt overweegt dat verandering een optie is, maar is nog niet bereid tot actie over te gaan en is nog niet optimistisch over de mogelijkheid van verandering en de effecten ervan.
Patiënt staat ambivalent tegenover de betekenis van de eetstoornis (of een bepaald symptoom ervan) en tegenover verandering.
Preparatiefase
Patiënt onderkent de eetstoornis (of een bepaald symptoom ervan) en de ernst ervan en maakt zich er zorgen over.
Patiënt is bereid actie te overwegen, maar ziet er tegenop.
Patiënt heeft behoefte aan voorlichting over de te nemen stappen. Patiënt hoopt op effecten van de behandeling en heeft hierover enig optimisme.
Patiënt heeft enig optimisme over haar eigen vermogens tot verandering.
Patiënt vraagt om hulp.
Actiefase
Patiënt onderneemt acties die gericht zijn op verandering in eigen gedragingen, omgeving, ervaringen en cognities met betrekking tot de eetstoornis (of een symptoom ervan).
Patiënt accepteert hulp en adviezen.
Patiënt ervaart haar eetstoornis (of een symptoom ervan) als problematisch en maakt zich er zorgen over, maar werkt eraan. Patiënt doet haar best veranderingen aan te brengen.
Patiënt gaat door met therapeutische acties ondanks tegenslagen, kan optimistisch zijn over het resultaat en over haar eigen vermogens tot verandering.
Handhavingsfase
Patiënt heeft inmiddels controle over de eetstoornis of over belangrijke symptomen ervan.
Patiënt kan en wil de verbeterde toestand vasthouden.
Patiënt merkt dat er ondanks verbeteringen nog klachten zijn en is bereid hieraan te blijven werken.
Patiënt vraagt om hulp bij het behouden van de verbeteringen.
Patiënt onderkent het gevaar van terugval en wil hieraan werken.
Patiënt kan optimistisch zijn over het welslagen van terugvalpreventie en haar eigen vermogens hiertoe.
De werkgroep heeft een aanvulling geschreven op de motivatiefasen van Prochaska en Diclemente.
Bron:
Vandereycken W & Noorderbos G. (2008). Handboek Eetstoornissen (Tweede druk). Utrecht: De Tijdstroom
Prochaska JO & DiClemente CC. (1992). The transtheoretical model of change. In: JC Norcross & MR Goldfried (red.). Handbook of psychotherapy integration (pp. 300-334). New York: Basic Books




