Laatst bijgewerkt: juni 2010
> Algemeen
> Instrumenten
> Literatuur
“De hoeksteen van een diagnose blijft direct contact met de patiënt. Het diagnostische gesprek vereist goede kennis van eetstoornissen maar vooral een goede hulpverleningsrelatie, die wordt gekenmerkt door echtheid, acceptatie, warmte en oprechtheid. Het opbouwen van een vertrouwensrelatie is essentieel maar kan bij deze patiënten soms erg moeizaam zijn(…). Het is van belang de tijd te nemen voor het gesprek, open vragen te stellen, te reflecteren en door te vragen. Dit is een voorwaarde voor het verkrijgen van volledige informatie bij patiënten met een eetstoornis. Zo kunnen anorexiapatiënten hun rapportage vervormen om zichzelf te beschermen, terwijl patiënten met boulimia of een eetbuistoornis vanwege schaamte informatie achter kunnen houden (Vitousek e.a., 1991).” (Uit: Handboek Eetstoornissen, Vandereycken & Noordenbos, 2008, p. 88)
Vroegtijdige erkenning van eetstoornissen is een speerpunt in de behandeling van eetstoornissen omdat vroegtijdige erkenning en behandeling van een eetstoornis bijdragen aan een grotere kans op herstel. Bij kinderen met anorexia nervosa is er vaak wel behoefte aan hulp maar geen bereidheid om het eetpatroon te normaliseren terwijl er bij kinderen met boulimia nervosa eerder sprake is van dusdanige schaamte waardoor de eetstoornis niet ter sprake komt. Om vroegtijdige onderkenning zo haalbaar mogelijk te maken is de signalenkaart eetstoornissen ontwikkeld en beschikbaar voor iedere huisarts en andere belangstellenden.
Bij het onderzoek van kinderen en adolescenten met een mogelijke eetstoornis is het belangrijk om rekening te houden met comorbiditeit. Voor de gestandaardiseerde meting van comorbide stoornissen verwijzen wij naar de desbetreffende thema’s.
|
|
Screening |
Diagnostiek |
|
vragenlijst |
SFB (gezin) |
|
|
Interview |
|
Tabel 1. Overzicht van aanbevolen instrumenten
Screening
Telefonische screening toetst het vermoeden van het bestaan (en eventueel de ernst) van een eetstoornis. De hulpverlener aan de telefoon kan hiertoe de SCOFF (Morgan e.a., 1999) of de ESP (Cotton e.a., 2003) afnemen. Dit zijn korte vragenlijsten, wanneer twee of meer vragen positief worden beantwoord, is de kans dat er sprake is van een eetstoornis zeer groot.
Figuur 1. SCOFF screeningsinstrument (Morgan e.a., 1999).
|
Bent u tevreden over uw eetgewoonten? Eet u ooit wel eens in het geheim? Heeft uw gewicht invloed op hoe u zich voelt? Hebt u nu last van een eetstoornis, of heeft u dat in het verleden ooit gehad? |
Figuur 2. ESP, Eating disorder Screen for Primary care (Cotton e.a., 2003).
Ontwikkelingsanamnese en anamnese van kind en gezin
- In de ontwikkelingsanamnese wordt onderzocht welke eventueel belangrijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de ontwikkeling van het kind.
- In de speciële (en hetero-) anamnese wordt bij jongeren en ouders specifiek gekeken naar het ontstaan en de omvang van de eetstoornis.
- De gezinsanamnese is een onderzoek naar achtergronden van ouders en gezin en hierin wordt het pedagogisch klimaat ingeschat.
Adviesgesprek
Het adviesgesprek dient ter informatie en motivatie van kind en ouders. Deze doelen gaan hand in hand. Zo dient vanuit deskundigheid uitgelegd te worden waardoor motivatie en hulpvraag van kind en ouders kunnen verschillen. Dit zorgt ervoor dat aanwezige spanning in het gezin wordt verlaagd en interesse gewekt. Ook het benoemen van de zorg van ouders m.b.t. de lichamelijke risico’s, en het geven van heldere adviezen om de veiligheid van hun kind te waarborgen, dragen daar aan bij. Het is belangrijk om duidelijke en eerlijke informatie te geven over het mogelijke beloop, en met het kind en de ouders tot overeenstemming te komen welke stappen tot herstel kunnen leiden, maar ook wat nodig zal zijn als het risico zou toenemen. Zowel de context als de inhoud van een behandeling verdienen uitgebreide aandacht. Het adviesgesprek is daarmee tevens de start van de samenwerkingsalliantie met kind en ouders indien tot behandeling wordt besloten.
Onderzoek van het kind
- Het bepalen van de motivatiefase is essentieel voordat met de behandeling gestart kan worden. Tevens is het belangrijk om tijdens de behandeling steeds na te gaan in welke fase van motivatie de patiënt zich bevindt. Klik hier voor een uitgebreide beschrijving van de verschillende motivatiefasen.
- Om het eetgedrag te meten worden het EDE interview of de EDE-Q (Eating Disorder Examination, Fairburn & Cooper, 1993; Nederlandse vertaling: Jansen 2000) en de EDI-II (Eating Disorder Inventory-II, Garner, 1991; Nederlandse versie: Van Strien, 2002) aangeraden. De EDE is een semigestructureerd interview dat de specifieke eetstoornis uitgebreid in kaart brengt. De EDI-II is een internationaal veel gebruikte vragenlijst waarmee psychologische en gedragskenmerken gemeten worden waarvan men aanneemt dat ze samenhangen met anorexia nervosa en/of boulimia nervosa.
- Wanneer het gewenst is om ook de rapportage te hebben van lichaamsbeleving kan de LAV (Lichaamsattitude vragenlijst, Probst, Van Coppenolle & Vandereycken, 1998) worden gebruikt. De LAV is een zelfrapportage vragenlijst die tot doel heeft bij vrouwen de subjectieve lichaamsbeleving en lichaamsattitude te meten. De LAV is een goed gevalideerde en betrouwbare vragenlijst waarmee veel onderzoek is verricht. De LAV is onderzocht bij kinderen vanaf 16 jaar.
- Het somatisch onderzoek wordt verricht om de ernst van de ondervoeding en van de complicaties in te kunnen schatten en andere onderliggende somatische problematiek uit te sluiten. Dit wordt gedaan aan de hand van anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullende diagnostiek. Daarnaast is het van belang de individuele groeicurve te beoordelen. Ook dient het streefgewicht (gezonde gewicht) bepaald te worden. Het is te adviseren als onderdeel van het somatisch onderzoek oriënterend bloedonderzoek en een ECG te verrichten. Daarnaast moet bij ernstige ondervoeding goed gecontroleerd worden op refeeding met name tijdens de eerst 2 weken van de hervoedingsfase. In somatiek vindt u meer informatie.
- Aan de hand van uitgebreid diëtistisch onderzoek kan inzicht worden verkregen in de ernst van de eetstoornis, de voedingstoestand, het eetpatroon, de volwaardigheid van de voeding en het eetgedrag, waarna de diëtistische diagnose gesteld kan worden (Van de Berg, 2009). In diëtetiek vindt u meer informatie.
- Wanneer de ernst van de eetstoornis dusdanig is dat acute opname noodzakelijk is, wordt afhankelijk van de conditie van de patiënt de diagnostiek in een later stadium voortgezet.
- Op indicatie kan aanvullend intelligentieonderzoek (neuropsychologisch onderzoek) plaatsvinden.
Onderzoek van het gezin
- Het bepalen van de motivatiefase is ook bij de ouders essentieel voordat met de behandeling gestart kan worden. Tevens is het belangrijk om tijdens de behandeling steeds na te gaan in welke fase van motivatie de ouders zich bevinden. Klik hier voor een uitgebreide beschrijving van de verschillende motivatiefasen.
- De SFB (Subjektives Familienbild, Mattejat & Scholz, 1994) is een gezinsvragenlijst welke twee aspecten meet: emotionele verbondenheid en individuele autonomie. De basis is een ontwikkelingscohesie model van de gezinsrelatie, zoals ze per gezinslid ten opzichte van de andere gezinsleden worden ervaren. De test is voor Duitsland en enkele andere landen genormeerd, voor Nederland nog niet. Er is wel een vertaling gemaakt van de vragenlijsten. De SFB heeft de voorkeur boven de OKIV-R (ouder-kind interactie vragenlijst-revised, De Lange, 1997-2001) omdat deze bewezen niet voldoende sensitief is, waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat een eetstoornis een internaliserend probleem is (Lange, 2001).
Differentiaaldiagnose en comorbiditeit
Het onderscheiden van een eetstoornis van een comorbide stoornis kan erg lastig zijn. Slecht eten, vermageren of eten weigeren kunnen ook symptomen zijn van de eerder genoemde somatische en psychiatrische aandoeningen (Trimbos 2006b). Veelal geconstateerde depressieve en dwangmatige symptomen zijn vaak deels het gevolg van het ernstige gewichtverlies en de wens tot verdere gewichtsafname (Van Elburg e.a., 2004). Diagnostiek moet daarom de ‘eetgestoorde cognities’ helder in beeld krijgen zodat andere somatische oorzaken of andere psychiatrische oorzaken kunnen worden uitgesloten (Trimbos, 2006b).
Doordat het onderscheiden van een eetstoornis van een comorbide stoornis zo lastig kan zijn, is comorbiditeit vaak pas definitief vast te stellen als de eetstoornis op zijn retour is en/of als het gewicht min of meer hersteld is. Diagnostiek moet dus voortgezet worden tijdens de behandeling en is pas compleet na herstel.
Voor de gestandaardiseerde meting van comorbide stoornissen verwijzen wij naar de desbetreffende thema’s.
Van de Berg, MM. (2009). Onderzoeksrapport: Optimalisatie van de diëtistische behandeling van anorexiapatiënten. Accare.
Van Elburg AA, Rijken ME. (2004). Jongeren met eetstoornissen. Koninklijke Van Gorcum BV, Assen
Lange, A. (2001). De Ouder-Kind Interactie Vragenlijst-Revised, OKIV-R. Houten: Bohn
Stafleu van Loghum.
Nicholls D, Chater R, Lask B. (2000). Children into DSM don’t go: A comparison of classification systems for eating disorders in childhood and early adolescence. International Journal of Eating Disorders; 28: 317-324
Ong GS. (2009). 11.4 Eetstoornissen bij de adolescent. In F.C. Verhulst & F. Verheij (red.). Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Onderzoek en diagnostiek. Uitgeverij Van Gorcum, Assen
Trimbos 2006b, Landelijk Basisprogramma eetstoornissen
Vandereycken W, Noordenbos G. (2008). Handboek Eetstoornissen. De Tijdstroom, Utrecht, tweede herziene druk




