Auteur: Drs. J.R. Noorloos, De Bascule
Meewerkende experts: Drs. C. Huijgen, De Bascule en Dr. J. Hutsebaut, De Viersprong, Kenniscentrum Persoonlijkheidsstoornissen.
Datum: 1 december 2011
> Algemeen
> Verantwoording
> Instrumenten
> Screening
> Diagnostiek
> Aanvullende somatische diagnostiek
> Indicatiestelling voor behandeling
> Adviesgesprek
> Literatuur
N.B: Er is gebruik gemaakt van meerdere bronnen, omdat er geen Nederlandstalige richtlijn voor diagnostiek bij Borderline Persoonlijkheidsstoornissen (BPS) bekend is voor adolescenten. Onderstaande aanbevelingen zijn grotendeels gebaseerd op de interne richtlijn Diagnostiek en indicatiestelling borderline persoonlijkheidsstoornis bij adolescenten (Noorloos & Huijgen, interne publicatie de Bascule 2010).
Algemeen
Diagnosticeren van BPS in de adolescentiefase (12-23 jaar) is van belang om vroegtijdig en adequaat te kunnen interveniëren. Daarmee kan ernstige en langdurige psychopathologie mogelijk voorkomen worden of de eventuele gevolgen van de persoonlijkheidsstoornis verminderd worden. Naast een zorgvuldige beschrijvende diagnose is helderheid over de gekozen DSM IV classificatie van belang.
Voorwaarden voor het stellen van de diagnose zijn:
1) dat er sprake is van een goede werkrelatie met de cliënt en diens ouders
2) dat er grondig onderzoek is gedaan, onder meer met gestandaardiseerde instrumenten.
Het is zeer belangrijk dat direct na communicatie van het diagnostisch beeld (verwijzing naar) een adequate behandeling volgt.
In lijn met wat de NICE richtlijn (2009) voorschrijft gaat het er om dat geen versluierende taal wordt gebruikt zoals, “BPS in ontwikkeling” of “trekken van BPS”:
• Is er duidelijkheid → maak een complete beschrijvende diagnose, classificeer BPS volgens DSM IV en bied meteen psycho-educatie en behandeling;
• Is er onduidelijkheid → doe nader onderzoek;
• Is er aanhoudende twijfel → maak een complete beschrijvende diagnose, maar classificeer geen BPS volgens DSM IV. Er zijn voor het laatste eventueel twee alternatieve opties: classificatie van een persoonlijkheidsstoornis NAO of uitstellen van de diagnose op as 2.
Zeer belangrijk is dat niet wordt nagelaten om na verloop van één tot twee jaar -liefst na behandeling- te bezien of de klachten stabiel in remissie zijn. In de einddiagnose wordt dan het klinisch beeld opnieuw geschetst en expliciet gesteld dat er op dat moment geen sprake meer is van de classificatie BPS. Desgewenst kan daaraan als opmerking worden toegevoegd dat het verstandig is alert te zijn op mogelijke terugval.
De diagnostiek van BPS is ook bij adolescenten complex. Het categorale classificatiesysteem van DSM IV heeft beperkingen (de grens met normale ontwikkeling is lastig en bepaalde criteria vallen ook onder andere stoornissen) en veelal is aanvullende dimensionele diagnostiek geïndiceerd.
Er treedt veel comorbiditeit op, zowel met as 1 als met as 2 stoornissen. Bij het onderzoek moet daarom rekening worden gehouden met differentiële diagnosen en comorbiditeit (onder meer ADHD, depressie, middelenmisbruik, angst, obsessief-compulsieve stoornis, eetproblematiek, PTSS, dissociatie en gedragsstoornissen). Voor de gestandaardiseerde meting daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende protocollen.
Voor diagnostiek naar BPS in engere zin wordt een model van getrapte diagnostiek gevolgd: zo min mogelijk om de cliënt niet onnodig te belasten, maar wel voldoende om adequate behandeling te kunnen inzetten. Bij vermoeden van BPS wordt eerst regulier psychiatrisch en indien geïndiceerd psychologisch onderzoek (intelligentie, neuropsychologisch of sociaal-emotioneel) verricht. Het gaat daarbij dus om contacten met de jongere en andere betrokkenen, gericht op de huidige klachten en (culturele) inbedding daarvan, het afnemen van een ontwikkelingsanamnese en het in kaart brengen van relevante sterke en zwakke kanten van de cliënt binnen het gezin, school/werk en relaties met leeftijdsgenoten. De informatie wordt bezien in de context van de ontwikkelingstaken van de adolescentie en geïnterpreteerd vanuit een transactioneel systemisch perspectief (zie ook Feenstra & Hutsebaut, 2009). Daarna volgt screening en diagnosestelling, middels integratie van alle diagnostische informatie, inclusief afname van een vragenlijst en bij voorkeur ook een semigestructureerd interview voor BPS. Voor de daarop volgende verdiepende diagnostiek en indicatiestelling bij BPS zijn een aantal goede instrumenten beschikbaar.
In het stroomdiagram wordt weergegeven welke stappen en beslismomenten in de diagnostiek naar BPS bij een cliënt nodig zijn om tot een indicatiestelling te komen. Dit is een beknopte weergave, lees voor een goed begrip de bijbehorende teksten. (Om alle stappen te doorlopen, klik op 1. De figuur, 2. De blauwgekleurde ‘stappen’ links in de figuur en 3. De overige blauwgekleurde links).
Klik op flowchart: Diagnostiek en indicatiestelling BPS bij adolescenten
Bron: interne richtlijn Diagnostiek en indicatiestelling Borderline Persoonlijkheidsstoornis
bij adolescenten (2011), J.R. Noorloos en C. Huijgen
Verantwoording
Er is nadrukkelijk behoefte vanuit de klinische praktijk aan kaders en handvatten in het diagnosticeren en behandelen van borderline persoonlijkheidsstoornis bij adolescenten. Lang bestond er over persoonlijkheidsproblematiek bij deze leeftijdsgroep veel onduidelijkheid en aarzeling.
Enkele redenen die aangevoerd worden om bij adolescenten geen BPS te diagnosticeren zijn dat het onderscheid met normaal gedrag tijdens de adolescentiefase lastig is, dat het de vraag is of het klachtenpatroon tot in de volwassenheid een stabiel beeld blijft en dat met een BPS diagnose en classificatie een mogelijkheid voor stigmatisering geboden wordt.
Argumenten om de diagnose BPS juist wel in de adolescentiefase te stellen zijn dat er inmiddels steeds meer overtuigende empirische data zijn over de betrouwbaarheid, validiteit en stabiliteit van de diagnose BPS. Er moet meer systematisch aandacht besteed worden aan het diagnosticeren en vaststellen van borderline persoonlijkheidsproblematiek bij jongeren (zie ook Nice richtlijn, 2009; Miller e.a., 2008).
Diagnosticeren van BPS in de adolescentiefase (12-23 jaar) is van belang om vroegtijdig en adequaat te kunnen interveniëren. Daarmee kan ernstige en langdurige psychopathologie mogelijk voorkomen worden of de eventuele gevolgen van de persoonlijkheidstoornis verminderd worden. Daarentegen zijn er bij diagnostiek en indicatiestelling bij adolescenten met een BPS enkele beperkingen en algemene aanbevelingen.
Instrumenten
Tabel 1: aanbevolen meetinstrumenten
NB: De cursief geschreven instrumenten zijn specifiek voor BPS. Overige instrumenten worden bij BPS aanbevolen om andere klachten te objectiveren.
|
Screening |
Diagnostiek |
|
|
Vragenlijst |
YSR/ ASR (jongere: 13-18 jr / >18 jr) TRF (leerkracht en/of groepsleiding) CBCL (ouders) Mc Lean (jongere en ouders) |
CBS A (jongere) |
|
Interview |
|
MINI plus (jongere) SCID II BPS (jongere, evt. ouders) BPDSI-IV-ado/p (jongere, evt. ouders) |
Screening
Net zoals bij andere psychische stoornissen wordt aanbevolen om in de eerste diagnostische fase de Achenbach lijsten af te nemen om een goed beeld te krijgen van de eventuele sociaal-emotionele en gedragsproblemen en vaardigheden van de jongere: YSR, ASR, CBCL en zo mogelijk een TRF.
Bij aanwijzingen voor een mogelijke BPS kan gebruik worden gemaakt van de McLean Screeningslijst voor Borderline persoonlijkheidsstoornis (MSI-BPS). Dit is een eenvoudige, korte, niet erg confronterende vragenlijst die de 9 BPS items van DSM IV nagaat en naar wantrouwen vraagt.
Diagnostiek
Voor het stellen van de diagnose wordt naast alle anamnestische en klinische informatie bij voorkeur gebruik gemaakt van de SCID II BPS schaal. Dit semi-gestructureerde interview meet de lifetime symptomen van de borderline persoonlijkheidsstoornis. De SCID is een instrument dat voor volwassenen internationaal als gouden standaard geldt. Het interview is helaas niet specifiek aangepast voor (Nederlandse) jongeren, maar bleek in onderzoek wel bruikbaar (Feenstra e.a., in druk; Tromp en Koot, 2010).
Wanneer men geen gebruik maakt van dit semi-gestructureerde interview is het raadzaam om in ieder geval alle DSM IV symptomen van BPS systematisch af te vinken op zowel aan- als afwezigheid.
Om een individueel afgestemd behandelplan te kunnen opstellen wordt nagegaan hoe ernstig en divers de problematiek bij elke jongere is. Zo is informatie over suicidaliteit bijvoorbeeld noodzakelijk om prioriteit te kunnen stellen in de behandeldoelen. Het is wenselijk dit een aaneensluitende periode per dag door de jongere te laten registreren (bv. wanhoop, neiging tot zelfbeschadiging, zelfbeschadiging uitgevoerd, suïcidegedachten, suïcidegedrag) en ook op die manier informatie te vragen over andere individuele doelen zoals dissociatie, alcoholgebruik, onveilige seksuele contacten, driftbuien, paniekaanvallen etc.
Gestructureerde interviews en zelfrapportage vragenlijsten worden gebruikt om voor elke individuele jongere met (sub)klinische BPS de klachten verder te nuanceren en objectiveren, persoonlijkheidskenmerken te beschrijven en comorbide klachten systematisch uit te vragen. Dit alles binnen de context van het gezin.
Voor jongeren met BPS klachten op de voorgrond zijn de volgende instrumenten beschikbaar:
• CBSA: Het zelfbeeld is bij jongeren met BPS vaak negatief of irrealistisch. De Competentieschaal voor adolescenten is een vragenlijst waar gevraagd wordt naar de competentiebeleving t.a.v. schoolprestaties, sociale acceptatie, sportieve vaardigheden, uiterlijk, hechte vriendschap, gedragshouding en gevoel van eigenwaarde.
• UCL: Deze vragenlijst meet de copingstijl en copingvaardigheden van de jongere. Subschalen zijn actief aanpakken, palliatieve reactie, vermijden, sociale steun zoeken, passief reactiepatroon, expressie van emoties en geruststellende gedachten.
• CDI of BDI II: Deze vragenlijsten meten de ernst van depressieve symptomen. Welke gekozen wordt hangt af van de leeftijd: tot 18 jaar wordt de CDI aanbevolen, daarboven de BDI.
• BRIEF-SR of of BRIEF-A: De jongere geeft in een vragenlijst aan welke problemen ervaren worden op het gebied van het executieve functioneren: inhibitie, cognitieve flexibiliteit, emotieregulatie, zelfreflectie, werkgeheugen, plannen en organiseren, ordelijkheid en netheid en afmaken van taken. Er zijn twee indexscores, namelijk gedragsregulatie en megacognitie. Van deze functies is bekend dat het de meest bepalende factor is van schoolslagen. Welke gekozen wordt hangt af van de leeftijd: tot 18 jaar wordt de BRIEF-SR aanbevolen, daarboven de BRIEF-A.
• MINI plus: Dit interview gaat na welke symptomen de jongere rapporteert van de meeste DSM IV as 1 stoornissen, inclusief verslaving (lifetime). De auteurs vinden het van belang om dit op systematische wijze te doen bij BPS, aangezien er nogal eens comorbide stoornissen over het hoofd worden gezien. Houd hierbij de DSM IV criteria voor adolescenten aan en volg in dat opzicht niet de scoringswijze van de lijst, aangezien deze uitgaat van criteria voor volwassenen (bv. een kortere duur van klachten die bij een dysthyme stoornis vereist is).
• SCID II BPS schaal: Dit deel van het interview meet de lifetime symptomen van de borderline persoonlijkheidsstoornis. Het is van belang om bij jongeren onder 18 jaar uit te gaan van de keuze van DSM IV TR die stelt dat voor deze leeftijdgroep de duur van de klachten minimaal één jaar (i.p.v. vijf jaar) behoort te zijn. Bij een tweede meting (na > één jaar) beoordeelt men de items op basis van het functioneren van de jongere tijdens het afgelopen jaar.
• BPDSI-IV ado/p: Dit interview meet op zeer gedetailleerde wijze de huidige ernst van DSM-IV borderline symptomen. Het is een confronterende lijst, maar zeer waardevol om therapie-effect te bepalen. Herhaalde meting is zinvol na een half jaar.
Om een completer beeld te krijgen van de jongere met ernstige BPS en de omstandigheden waarin deze opgroeit, is ook informatie van andere informanten nodig. Voor de ouders (bij voorkeur degene(n) die de meeste tijd met de jongere doorbrengt) zijn de volgende instrumenten beschikbaar:
• BRIEF: Ouders geven in een vragenlijst aan welke problemen ze bij hun kind ervaren op het gebied van het executieve functioneren: inhibitie, cognitieve flexibiliteit, emotieregulatie, initiatief nemen, werkgeheugen, plannen en organiseren, ordelijkheid en netheid, en gedragsevaluatie. Van deze functies is bekend dat het de meest bepalende factor is van schoolslagen. Voor jongeren tot 18 jaar wordt de BRIEF gebruikt, vanaf 18 jaar de BRIEF-A informantenvragenlijst.
• Een vragenlijst die de kwaliteit van de gezins- en opvoedingsomstandigheden meet is zeer zinvol, maar het is moeilijk om een specifiek instrument te adviseren, omdat de voor en nadelen nogal uiteenlopen. Er zijn bijvoorbeeld te weinig specifieke subschalen (OKIV-R, VMG), de lijst gaat binnenkort uit de handel (NOSI), er zijn geen goede Nederlandse normen voor jongeren vanaf 12 jaar (NOSI, PSI, de vier lijsten van de VG & O) of de vragenlijst is kwalitatief erg goed, maar zeer duur (GVL). Ieder zal hierin een eigen afweging moeten maken.
• SCID II BPS schaal: Dit deel van het interview meet lifetime symptomen van de borderline persoonlijkheidsstoornis van de jongere.
• BPDSI-IV ado/p: Dit interview meet de huidige ernst van vijf DSM-IV borderline symptomen van de jongere die voor anderen observeerbaar zijn.
Instrumenten in ontwikkeling
De volgende instrumenten meten allen op dimensionele wijze en worden voornamelijk in research gebruikt. Ze zijn nog niet op de markt en niet door de COTAN beoordeeld, maar hebben de potentie om op termijn ook voor individuele diagnostiek in de klinische praktijk behulpzaam te zijn.
DAPP-BQ-A/DAPP-SF-A: Dit is een vragenlijst die persoonlijkheidspathologie bij adolescenten meet bij adolescenten en ouders over hun kind. Er zijn 18 subschalen (bv. cognitieve vervorming, onveilige hechting en passieve agressiviteit) en 4 hogere orde dimensies (Emotionele Disregulatie, Dissociaal Gedrag, Emotionele Geremdheid en Compulsiviteit).
DIPSI: Deze lijst is voor 6-14 jarigen en hun ouders en bevat items over leeftijdsspecifieke uitingen van maladaptieve persoonlijkheidstrekken. De DIPSI meet vier hogere orde domeinen: emotionele instabiliteit, onwelwillendheid, introversie, en compulsiviteit.
SIPP: Deze voor volwassenen ontwikkelde vragenlijst is ook voor jongeren vanaf 14 jaar onderzocht en meet de ernst van persoonlijkheidspathologie. De SIPP bevat 16 facetten die clusteren in vijf hogere orde domeinen: sociale concordantie, relationele capaciteiten, identiteitsintegratie, verantwoordelijkheid en zelfcontrole.
Aanvullende somatische diagnostiek
Bij ernstig zelfschadelijk gedrag (snijden, intoxicatie, braken, risicovolle seksuele contacten, etc.) wordt aanbevolen de jongere te motiveren tot het bezoeken van een medicus om de somatische gevolgen van risicovol gedrag in kaart te brengen en zo mogelijk te behandelen. Daarbij kan gedacht worden aan weefselbeschadiging, afwijkende bloedwaarden, hartritme-stoornissen, seksueel overdraagbare aandoeningen en eventueel zwangerschap.
Indicatiestelling voor behandeling
Als er geen sprake is van een (subklinische) borderline persoonlijkheidsstoornis wordt (dus) ook geen gespecialiseerde behandeling daarvoor aangeboden.
Bij subklinische BPS (3-4 kenmerken DSM IV) waarbij andere klachten op de voorgrond staan, wordt in de daarvoor aangewezen afdelingen het reguliere behandelaanbod gegeven, bijvoorbeeld bij trauma, verslaving, eetstoornissen, gedragsstoornissen. Er is evidentie dat psychopathologie afneemt na protocollaire behandeling, ook als er daarnaast persoonlijkheidsproblematiek bestond (zie o.a. Clarke e.a., 2008; De Bolle e.a., 2011).
Bij klinische BPS (> 5 DSM IV kenmerken) of een subklinische BPS waarbij de persoonlijkheidsproblemen op de voorgrond staan, volgt gespecialiseerde behandeling waarin alle klachten geïntegreerd worden behandeld. BPS zou daarbij hiërarchische prioriteit moeten hebben ten aanzien van andere (persoonlijkheids)stoornissen en dus primaire focus van behandeling moeten zijn (Gunderson, 2010). Er bestaan diverse aanpassingen voor jongeren van (bij volwassenen) bewezen effectieve behandelingen voor BPS. Op dit moment bestaat er geen evidentie noch overeenstemming tussen specialisten welke vorm voor (welke) jongeren het meest effectief is.
De auteurs bevelen aan waar mogelijk te kiezen voor behandelprogramma’s die zijn aangepast voor adolescenten en zijn gebaseerd op (in willekeurige volgorde) Dialectische Gedragstherapie (DGT), Emotieregulatietraining (ERT) of Mentalization-Based Treatment (MBT). Voor meer algemene indicaties en contra-indicaties en nadere uitwerking van behandelprincipes wordt verwezen naar de psychologische behandeling.
Adviesgesprek
Altijd is psycho-educatie aan de jongere en de omgeving (ouders, school, collega hulpverleners) nodig om eventueel nadelige effecten van stigmatisering te verminderen. Doel daarvan is het versterken (empowerment) van de cliënt.
Uit veel research van de afgelopen jaren is gebleken dat het niet meer realistisch is om uit te gaan van een algeheel slechte behandelprognose voor BPS. Zoals bij veel psychiatrische beelden zal een klein deel van deze groep ook op de lange termijn ernstig disfunctioneren, maar bij de meerderheid zullen de problemen aanzienlijk verminderen of zelfs geheel verdwijnen. Over een periode van 10 jaar werd bij behandelde adolescenten een remissiepercentage van 88% gevonden (Zanarini e.a., 2006, Winograd e.a., 2008). Een kleine subgroep bij wie sprake is van een ernstige vorm van borderline persoonlijkheidsstoornis behoudt de diagnose, anderen niet, en een aantal blijft subklinische persoonlijkheidsproblematiek houden. Er blijft vaak wel sprake van problemen in het sociaal-emotioneel en beroepsmatig functioneren. Een tijdige en toegespitste behandeling is bij jongeren geïndiceerd (Chanen e.a. 2008a) en behandeling versnelt het herstelproces met de factor zeven ten opzichte van spontane remissie (Paris, 2002). Het is belangrijk om deze prognose aan de jongeren en hun ouders over te brengen.
Literatuur
Abidin, R.R. (1995). Parenting Stress Index: professional manual (3rd ed.). Litz, F.L.: Psychological assessment Resources, Inc.
Achenbach, T.M. (1991). Manual for the child behaviour checklist 4-18, YSR and TRF profiles. Burlington, VT: Department of Psychiatry, University of Vermont.
Arntz, A. van den Hoorn, M., Cornelis, J., Verheul, R. van den Bosch, W.M.C, & de Bie, A.J.H.T. (2003). Reliability and validity of the borderline personality disorder severity index. Journal of Personality Disorders, 17, 45-59.
Bateman, A.W., & Fonagy, P. (2006). Mentalization-Based Treatment for Borderline Personality Disorder: A practical guide. Oxford: Oxford University Press.
Beurs, E. de, Rinne, Th., Van Kampen, D., Verheul, R. & Andrea, H. (2009). Reliability and validity of the Dutch Dimensional Assessment of Personality Pathology- Short Form (DAPP-SF), a shortened version of the DAPP-Basic Questionaire. Journal of personality Disorders, 23 (3), 308-326.
Bolle, M. de, Fruyt, F. de, Quilty, L.C., Rolland, J.P., Decuyper, M., & Bagby, R.M. (2011). Does personality disorder co-morbidity impact treatment outcome for patients with major depression? A multi-level analysis. Journal of personality disorders, 25(1), 1-15.
Chabrol, H.,Montovany, A., Duconge, E., Kallmeyer, A., Mullet, E., & Leichsenring, F. (2004). Factor structure of the borderline personality inventory in adolescents. European Journal of Psychological Assesment, 20, 59-65.
Chanen, A.M., Jovev, M., McCutcheon, L.K., Jackson, H.J., & McGorry, P.D. (2008a). Borderline Personality Disorder in Young People and the Prospects for Prevention and Early Intervention. Current Psychiatry Reviews, 4, 48-57.
Chanen, A. M., Jovev, M., Gjaj, D. McDougall, E. , Pan Yuen, H. Rawlings, D. & Jackson, H.J. (2008b). Screening for Borderline Personality Disorder in Outpatient Youth. Journal of Personality Disorders, 22(4), 353-364.
Clarke, S.B., Rizvi, S.L., & Resick, P.A. (2008). Borderline personality characteristics and treatment outcome in cognitive behavioral treatments for PTSD in female rape victims. Behaviour Therapy, 39(1), 72-78.
Clercq, B. de, Fruyt, F. de, Leeuwen, K. van & Mervielde, I. (2006). The structure of maladaptive personality traits in childhood: A step toward an integrative developmental perspective for DSM-V. Journal of Abnormal Psychology, 115(4), 639-657.
Does, W. van der (2002). BDI-II-NL: Handleiding Beck depression inventory-II, Nederlandse vertaling en bewerking. Swets & Zeitlinger
Feenstra, D. & Hutsebaut, J. (2009). Persoonlijkheidsstoornissen bij adolescenten. Tijdschrift voor Psychotherapie 35, 3,193-206.
Feenstra, D.J., Busschbach, J.J.V., Verheul, R., & Hutsebaut, J. (in druk). Prevalence and comorbidity of Axis I and Axis II disorders among treatment refractory adolescents admitted for specialized psychotherapy. Journal of Personality Disorders.
Feenstra, D.J., Hutsebaut, J., Verheul, R., & Busschbach, J.J.V. (2011). Severity Indices of Personality Problems (SIPP-118) in adolescents: reliability and validity. Psychological Assessment, 23(3), 646-655.
First, M.B., Gibbin, M., Spitzer, R.L., Williams J.B.W., & Benjamin, L.S. (1997). User’s guide for the Structured Clinical Interview for DSM IV, Axis II Personality Disorders (SCID II). Washington D.C.: American Psychiatric Press.
Garnet, K. E., Levy, K. N., Mattanah, J. J. F., Edell, W. S., & McGlashan, T. H. (1994). Borderline Personality disorder in adolescents: Ubiquitous or specific? American Journal of Psychiatry, 151(9), 1380-1382.
Giessen-Bloo, J. Wachters, L., Schouten, E., & Arntz, A. (2006). Assessment of borderline personality disorder with the Borderline Personality Disorder Severity Index-IV: Psychometric evaluation and dimensional structure. Chapter 4. In: Crossing borders: Theory, assessment and treatment in borderline personality disorder (pp 69-84). The Netherlands: Universitaire Pers Maastricht.
Goodman, R. (2001). Psychometric Properties of the Strengths and difficulties Questionnaire. Journal of the American Academy of child and Adolescent Psychiatry, 40 (11), 1337-1345.
Gunderson, J.G. (2010). Revising the borderline diagnosis for DSM V. Journal of personality disorders 24(6), 694-705.
Kaufman, J. Birmaher, B., Brent, D., Rao, U., Flynn, C., Moreci, P., e.a. (1997). Achedule for Affective Disorders and Schizofrenika for School-Aged Children-Present and lifetime version (KIDDIE-SADS PL): Initial reliability and validity data. Journal of the Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 36, 980-988.
Lecrubier, Y., Sheehan, D.V., Weiller, E., Amorim, P., Bonora, I., Sheehan, K.H. e.a. (1997). The mini international neuropsychiatric interview (MINI). A short diagnostic structured interview: Reliability and validity according to the CIDI. European Psychiatry, 12, 224-231.
Linehan, M. (1993). Dialectische gedragstherapie bij borderline persoonlijkheidsstoornis. Theorie en behandeling. Swets & Zeitlinger Lisse.
Livesley, W.J. & Jackson, D.N. (2009). Dimensional Assessment of Personality Pathology-Basic Questionaire. Technical Manual. Port Huron: MI Sigma Press.
Miller, A.L., Rathus, J.H. & Linehan, M.M. (2007). Dialectical Behavior Therapy with suicidal adolescents. Guilford Press New York.
Miller, A.L., Muehlenkamp, J.J., & Jacobson, C.M. (2008). Fact or fiction: Diagnosing borderline personality disorder in adolescents. Clinical Psychology Review 28, 969–981.
Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen, richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een persoonlijkheidsstoornis (2008). Landelijke stuurgroep multidisciplinaire richtlijnontwikkeling in de GGZ. Utrecht: Trimbos Instituut.
Nice (National Institute for Health and Clinical Excellence in the UK, 2009). Borderline persoonlijkheidsstoornis. Nice richtlijn 78. Londen.
Paris, J. (2002). Chronic suicidality among patients with borderline personality disorder. Psychiatric Services, 53(6), 738-742.
Ploeg, J. van den & Scholte, E. (2008). Gezinsvragenlijst (GVL) Handleiding. Houten: Bohn Stafleu
Van Loghum.
Reichart, C.G., Wals, M & Hilligers, M. (2000) Vertaling K-SADS. Utrecht: H.C. Rumke.
Schreurs, P.J., Van de Willige, G., Brosschot JF, Tellegen, B., & Graus, G.M. (1993). De Utrechtse Coping Lijst UCL. Omgaan met problemen en gebeurtenissen. Herziene handleiding. Swets Test Services/Pearson.
Schuppert, H.M., Nauta, M.H., & Giesen-Bloo, J. (2007). Borderline personality disorder severity index-IV, adolescent and parent version. Groningen, Accare, interne publicatie.
Sheehan, D.V., Lecrubier, Y.L., Sheehan, K.H., Amorim, P., Janavs, J. Willer, E., Hergueta, T., Baker, R., & Dunbar, G.C. (1998). The Mini-International Neuropsychiatric Interview (M.I.N.I.): the Development and Validation of a Structured Diagnostic Psychiatric Interview for DSM IV and ICD 10. Journal of Clinical Psychiatry, 59, 22-33.
Siebelink, B.M. & Treffers, Ph.D.A. (2001). ADIS-C: Anxiety Disorders Interview Schedule for DSM IV-Child version. Nederlandse bewerking. Swets/Pearson.
Schmidts, D. & Huizinga, M. (2009). BRIEF Executieve Functies Gedragsvragenlijst. Hogrefe.
Timbremont, B. & Braet, C (2008). Children’s Depression Inventory. Pearson.
Treffers, P.D.A., Goedhart, A.W., Veerman, J.W., Van den Bergh, B.R.H., Ackaert, L., & de Ryke, L. (2002). Handleiding competentiebelevingsschaal voor adolescenten. Swets/Pearson.
Tromp, N.B. (2010). Adolescent Personality Pathology, a dimensional approach. Proefschrift VU Amsterdam.
Tromp, N.B., & Koot, H.M. (2010). Dimensions of normal and abnormal personality: elucidating
DSM-IV personality disorder symptoms in adolescents. Journal of Personality, 78, 839-864.
Verheul, R, Bosch, L.M.C. van Koeter, M.W.J. Ridder, M. A. de, Stijnen, T. & Brink,W. van den (2003). Dialectical behavior therapy for women with borderline personality disorder: 12month, randomised clinical trail in the Netherlands. British Journal of Psychiatry, 182, 135-140.
Verhulst F.C., van der Ende, J., & Koot, H.M. (1996). Handleiding voor de CBCL/4-18. Child Behavior Checklist. 4-18. Rotterdam: Erasmus Universiteit, Sophia Kinderziekenhuis, afdeling Kinder- en jeugdpsychiatrie.
Vliet, I.M. van, Leroy, H., & Van Megen, H.J.G.M. (2000). M.I.N.I. Plus. M.I.N.I International Neuropsychiatrisch InterviewNederlandse versie 5.0.0. PDF-bestand, toestemming om dit voor eigen onderzoeks- of klinische doeleinden te gebruiken, zie voor andere talen http://www.medical-outcomes.com
Weertman, A., Arntz, A. & Kerkhofs, M.L.M. (2000). SCID II Gestructureerd Klinisch Interview voor DSM IV as II Persoonlijkheidsstoornissen, Nederlandse bewerking. Harcourt
Winograd, G., Cohen, P. & Chen, H. (2008). Adolescent borderline symptoms in the community: prognosis for functioning over 20 years. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 49, 933-941.
Zanarini, M. C., Vujanovic, A., Parachini, E. A. , Boulanger, J.L., Frankenburg, F.R. & Hennen, J. (2003). A screening measure for BPD: The McLean Screening Instrument for Borderline Personality Disorder (MSI-BPD). Journal of Personality Disorders, 17, 568- 573.
Zanarini, M.C., Frankenburg, F.R., Hennen, J., Reich, B. & Silk, K.R. (2006). Prediction of the 10-year course of borderline personality disorder. American Journal of Psychiatry, 163, 827-832.





