Callous-Unemotional Traits in a Cross-Disorder Perspective  

Inleiding

Karakter heeft onderzoek gedaan naar zogeheten callous-unemotional traits (CU traits) bij jongeren met psychiatrische problematiek. CU traits, meestal in het Nederlands vertaald als kilheid en gemeenheid, vormen een centraal kenmerk van psychopathie. Psychopathie wordt gezien als een ernstige persoonlijkheidsstoornis bij volwassenen, opgebouwd uit kilheid/ongevoeligheid en daarnaast ontremming/impulsiviteit en sensatiezoekend gedrag/narcisme. Mensen met psychopathie laten niet alleen meer, maar ook ernstiger antisociaal gedrag zien omdat ze agressie inzetten om mensen te manipuleren. Onderzoek naar CU traits bij jongeren met opstandig en/of antisociaal gedrag leidt tot vergelijkbare resultaten.

Hoewel er steeds meer bekend wordt over CU traits, zijn er ook nog veel vragen. Karakter heeft onderzocht wat de waarde is van het begrip CU traits bij jongeren met psychiatrische problematiek (waarbij geen sprake is van een gedragsstoornis). Pierre Herpers is kinder- en jeugdpsychiater en manager behandelzaken High & Intensive Care Jeugd bij Karakter, Universitair Centrum in Nijmegen. Op 8 december a.s. zal hij zijn proefschrift “Callous-unemotional traits in a cross-disorder perspective”  verdedigen. In zijn proefschrift tracht hij de onderstaande vragen te beantwoorden. 

Hebben CU traits een toegevoegde diagnostische waarde bij jongeren zonder gedragsproblemen?

Het is onbekend of CU traits een toegevoegde diagnostische waarde hebben bij zich normaal ontwikkelende jongeren en jongeren met psychiatrische problemen (maar zonder oppositioneel en antisociaal gedrag). Op basis van uitgebreid literatuuronderzoek kan aannemelijk gemaakt worden dat CU traits een toegevoegde diagnostische waarde kunnen hebben in relatie tot een gedragsstoornis, maar dat er nog relatief weinig onderzoek is naar CU traits buiten antisociaal gedrag. 

Hoe komen CU traits in het brein tot stand?

Van het onderzoek naar psychopathie bij volwassenen weten we dat kil en gevoelloos reageren lijkt te komen doordat de amygdala (amandelkern) minder sterk reageert op stressvolle prikkels en dat die prikkels minder goed doorgegeven worden aan de voorste hersenen. Daardoor nemen de hersenen minder goed een besluit over hoe om te gaan met deze prikkels. Het bestaande onderzoek naar CU traits bij jongeren levert resultaten die aansluiten bij bestaande theorieën over psychopathie bij volwassenen. 

Hoe vaak komen CU traits voor bij jongeren met psychiatrische problematiek?

Deze vraag is onderzocht met behulp van 1.018 patiënten die in zorg zijn bij Karakter. Van deze groep had 44% ADHD, 43% een autisme spectrum stoornis (ASS), 23% een angst- en/of stemmingsstoornis, 7% zelfbepalend en opstandig gedrag en 42% een andere stoornis. Bijna 31% van de totale groep bestond uit meisjes. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat CU traits niet alleen bij jongeren met antisociaal gedrag voorkomen, maar ook bij jongeren met zelfbepalend en opstandig (maar geen antisociaal) gedrag. Van deze groep scoorde 74% hoog op CU traits. Ook kunnen CU traits voorkomen bij jongeren met ADHD, ASS en angst- en stemmingsstoornissen, respectievelijk 39%, 46% en 30%. Een belangrijke nieuwe bevinding was dat in alle diagnostische groepen hoge CU traits scores samen hingen met een lagere kwaliteit van leven. 

Is er een bepaald niveau van CU traits, waarboven de kwaliteit van leven sterk vermindert of klinische symptomen sterk toenemen?

Op basis van onderzoeksgegevens van 979 jongeren uit het bovenstaande onderzoek bleek dat er geen specifieke drempel is vast te stellen waarboven de kans op klinische symptomen sterk hoger of de kwaliteit van leven sterk lager wordt. Onze onderzoeksgegevens suggereren wel dat bij een toenemend niveau van CU traits de kwaliteit van leven en klinische symptomen verhoudingsgewijs afneemt.

Zijn er verschillen in de emotieverwerking tussen jongeren met gedragsproblemen, autisme en zich normaal ontwikkelende jongeren?

Voor het beantwoorden van deze vraag is de wisselwerking tussen emotieverwerking en respons inhibitie (het afremmen van een handeling die je wilt uitvoeren, maar niet mag) in 52 jongens met ernstige gedragsproblemen, 52 jongens met ASS, en 24 zich normaal ontwikkelende jongens onderzocht. Hieruit blijkt dat er in de respons inhibitie maar kleine verschillen zitten tussen de groepen, terwijl je grotere verschillen zou verwachten. Hoe dit komt zal verder onderzocht moeten worden. 

Conclusie

Dit onderzoek is belangrijk omdat het meer helderheid geeft over de rol van CU traits bij verschillende diagnoses. M.n. blijkt uit dit onderzoek dat CU traits ook bij jongeren zonder echte gedragsproblemen leiden tot een verminderd welzijn. Het vaststellen van CU traits zou daarom niet alleen tot gedragsstoornissen beperkt moeten worden. Verder onderzoek is echter noodzakelijk. Dit dient zich met name te richten op oorzaken, maar met name ook op de meerwaarde van het construct CU traits voor diagnostiek en behandeling.

 
Deel deze pagina via:
Annuleren

Mogen we je vragen een beknopt profiel aan te vragen?

Niet verplicht, wel zo handig voor de andere leden om te zien wat je betrokkenheid bij het Kenniscentrum inhoudt.

Let op: deze informatie wordt niet getoond aan niet geregistreerde bezoekers en wordt verder nergens voor gebruikt zonder jouw expliciete toestemming.

Ik ben:

Annuleren